Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum februari 2010Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum, gelet op Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum februari 2010, Besluit vast te stellen het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum februari 2010. Hoofdstuk1Algemene Bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen De begripsbepalingen uit de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum 2010 (hierna de “Verordening”) zijn van toepassing op dit Besluit. Artikel1.2Criteria De criteria, zoals bedoeld in artikel 3 van de Verordening, ter vaststelling van het antwoord op de vraag of een individuele voorziening wordt uitgekeerd in natura, als financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget zijn de volgende: Voorziening in natura: Het kenmerk van een voorziening in natura is, dat deze niet in de vorm van een geldsom wordt verstrekt. De desbetreffende voorziening wordt in bruikleen, eigendom of huur verstrekt en bij huishoudelijke hulp ontvangt de aanvrager hulp in de vorm van een persoon, die dienstverlening verzorgt. Indien van de voorziening geen of niet langer gebruik wordt gemaakt, vloeit de voorziening terug naar de gemeente en kan deze voorziening (bijvoorbeeld een rolstoel) weer hergebruikt worden. Financiële tegemoetkoming: Het kenmerk van een financiële tegemoetkoming is, dat de vergoeding voor een voorziening altijd betrekking heeft op een deel van de meerkosten. Hoofdstuk 3 van dit Besluit geeft een limitatieve opsomming van de voorzieningen, die in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. De aanvrager heeft hierin geen keuze. Persoonsgebonden budget: Een persoonsgebonden budget is een geldsom, waarmee de aanvrager de aanschaf kan bekostigen dan wel dienstverlening kan inkopen. De aanvrager kan kiezen of hij een voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wil ontvangen met uitzondering van de situatie zoals bedoeld in artikel 2.2. Hoofdstuk2Bijzondere regels over het persoonsgebonden budget Artikel2Regels rond verstrekking en verantwoording Artikel2.1Verzoek aanvrager Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. Artikel2.2Weigering van een persoonsgebonden budget 1.Er is sprake van overwegende bezwaren bij de toekenning van een persoonsgebonden budget, als uit onderzoek blijkt, dat de aanvrager niet op een verantwoorde wijze zal en kan omgaan met een persoonsgebonden budget. 2.Indien een persoonsgebonden budget wordt geweigerd, maar overigens aan de criteria wordt voldaan voor de individuele voorziening, wordt een voorziening in natura verstrekt. Artikel2.3Verantwoording persoonsgebonden budget bij koop of huur 1.Als een persoonsgebonden budget wordt aangewend voor de koop of huur van een voorziening legt de budgethouder verantwoording af aan het college. 2.Verantwoording, zoals bedoeld in artikel 1 sub r van de verordening, vindt plaats op de volgende wijze: Als een persoonsgebonden budget wordt aangewend voor de koop van een voorziening, verstrekt de budgethouder binnen maximaal zes maanden nadat het college de opdracht tot betaling van het budget heeft gegeven, bewijsstukken aan het college over de besteding van het persoonsgebonden budget. Als een persoonsgebonden budget wordt aangewend voor de huur van een voorziening, verstrekt de budgethouder binnen maximaal drie maanden nadat het college de opdracht tot betaling van het budget heeft gegeven, bewijsstukken aan het college over de besteding van het persoonsgebonden budget. Artikel2.4Verantwoording persoonsgebonden budget bij de voorziening hulp bij het huishouden Als een persoonsgebonden budget wordt aangewend voor hulp bij het huishouden legt de budgethouder verantwoording af aan Menzis Zorg en Inkomen. Hoofdstuk3Bijzondere regels over de financiële tegemoetkoming Artikel3Regels rond verstrekking en verantwoording Artikel3.1Vorm van verstrekking Een financiële tegemoetkoming bestaat uit een: forfaitair bedrag; of een maximale bijdrage. Artikel3.2Kostensoorten Hieronder worden de kostensoorten opgesomd, die voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komen: Bij de volgende kostensoorten wordt een forfaitair bedrag verstrekt: verhuis- en inrichtingskosten vervoerskosten sportrolstoel Bij de volgende kostensoorten wordt een maximale bijdrage verstrekt: woningsanering tijdelijke huisvesting f.huurderving Artikel3.3Verantwoording 1.Bij de verstrekking van een forfaitair bedrag, zoals bedoeld in artikel 3.2, eerste lid onder a., b. en c. behoeft de aanvrager alleen verantwoording af te leggen als het college daarom schriftelijk verzoekt. 2.Bij de verstrekking van een maximale bijdrage, zoals bedoeld in artikel 3.2, tweede lid onder d, legt de aanvrager verantwoording af door binnen drie maanden na de toestemming een betalingsbewijs te overleggen. 3.Bij de verstrekking van een maximale bijdrage, zoals bedoeld in artikel 3.2, tweede lid onder e. en f., legt de aanvrager verantwoording af door het overleggen van de relevante bescheiden. Hoofdstuk4Omvang eigen bijdrage Artikel4De eigen bijdrage De eigen bijdrage wordt bij Hulp bij het huishouden begrensd tot maximaal de kosten van de feitelijk ingezette uren en bij de woon- en vervoersvoorzieningen tot de kosten van de voorziening. Artikel4.1Omvang eigen bijdrage van een ongehuwd persoon van 18 - 65 jaar Het bedrag dat de ongehuwde persoon van 18 - 65 jaar dient te betalen bedraagt €17,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 22.222,- per jaar het bedrag van € 17,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 22.222,- (*). Artikel4.2Omvang eigen bijdrage van een ongehuwd persoon van 65 jaar en ouder Het bedrag dat een ongehuwde persoon van 65 jaar of ouder dient te betalen bedraagt € 17,60 per vier weken, met dien verstande dat indien zijn inkomen meer bedraagt dan € 15.256,- per jaar het bedrag van € 17,60 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen zijn inkomen en € 15.256,- (*). Artikel4.3Omvang eigen bijdrage van gehuwde personen, indien één van beiden 18 - 65 jaar is of beiden 18 - 65 jaar zijn Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen aan eigen bijdrage dienen te betalen indien een van beiden 18 - 65 jaar is of beiden 18 – 65 jaar zijn bedraagt € 25,20 per vier weken, met dien verstande dat indien het inkomen meer bedraagt dan € 27.222,- per jaar het bedrag van € 25,20 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen het inkomen en € 27.222,-. Artikel4.4Omvang eigen bijdrage van gehuwde personen, indien beiden 65 jaar of ouder zijn Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn aan eigen bijdrage dienen te betalen bedraagt € 25,20 per vier weken, met dien verstande dat indien het inkomen meer bedraagt dan € 21.058,- per jaar het bedrag van € 25,20 wordt verhoogd met een dertiende deel van 15% van het verschil tussen het inkomen en € 21.058,- (*). Artikel4.5Korting eigen bijdrage Op de met toepassing van art. 4.1 t/m 4.4 vastgestelde eigen bijdrage wordt een korting van 33 % toegepast. * prijspeil 2010, bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Hoofdstuk5Woonvoorzieningen. Paragraaf1 Artikel5.1Individuele woonvoorziening Een individuele woonvoorziening kan bestaan uit: een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten, zoals bedoeld in artikel 15 onder a van de verordening; een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, zoals bedoeld in artikel 15 onder b van de verordening : kosten van een woningaanpassing; kosten voor het verwerven van grond. een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening, zoals bedoeld in artikel 15 onder c van de verordening : kosten van hulpmiddelen in de woning; kosten voor onderhoud, keuring en reparatie; kosten in verband met tijdelijke huisvesting; kosten in verband met huurderving; kosten van een losse woonunit. kosten van woningsanering; een uitraasruimte, zoals bedoeld in artikel 15 onder d van de verordening. De voorziening, genoemd onder 1.a, wordt verstrekt als financiële tegemoetkoming. De voorziening, genoemd onder 1.b, wordt verstrekt als persoonsgebonden budget of als financiële tegemoetkoming aan de eigenaar van een woonruimte. De voorziening, genoemd onder 1.c, wordt verstrekt als persoonsgebonden budget, als financiële tegemoetkoming of in bruikleen. De voorziening, genoemd onder 1.d, wordt verstrekt als persoonsgebonden budget. Paragraaf2 Artikel5.2Hoogte vergoeding verhuis- en inrichtingskosten Het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding als genoemd in artikel 15 onder a van de Verordening bedraagt € 2.050,- voor verhuizing naar een aangepaste woning en € 5000 voor verhuizing naar een rolstoel toe- en doorgankelijke woning. Paragraaf3Bouwkundige- en woontechnische woonvoorzieningen Artikel5.3Primaat van de verhuizing a.Indien de noodzaak tot een bouwkundige- of woontechnische woonvoorziening, zie artikel 15 onder b van de verordening, vaststaat, past het college het primaat van de verhuizing toe. Conform artikel 16 lid 2 van de Verordening dient daarbij rekening gehouden te worden met de sociale omstandigheden. b.Indien de kosten van een bouwkundige- of woontechnische aanpassing onder het bedrag van € 12.500,- liggen wordt art 5.3 sub a niet toegepast. Artikel5.4Kosten bouwkundige- of woontechnische woonvoorziening Alleen de kosten van de navolgende bouwkundige- of woontechnische voorzieningen komen voor vergoeding in aanmerking: de aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, vervalt de post loonkosten en worden alleen de materiaalkosten vergoed; het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in SR 1997 van de BNA. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen; de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien noodzakelijk tot € 900 volledig en indien deze meer bedragen dan € 900,-, tot een maximum van 2% van de aanneemsom; de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening; de verschuldigde en niet verrekenbare- of terugvorderbare omzetbelasting; renteverlies, dat ontstaat indien de aanvrager noodzakelijke betaling aan derden moet doen voordat tot vergoeding is overgegaan, maar uitsluitend indien deze betalingen verband houden met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen; de prijs van bouwrijpe grond indien de aanschaf van de grond noodzakelijk is omdat niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden; na de oorspronkelijke raming ontstane kosten, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien konden worden, mits het college schriftelijk toestemming geeft voor de uitgave van deze extra bedragen; de kosten van noodzakelijk technisch onderzoek en voor advisering over de te treffen aanpassing; de kosten van heraansluiting op de openbare nutsvoorziening; de administratiekosten die de verhuurder maakt voor het treffen van een voorziening voorzover de gezamenlijke kosten onder 1 tot en met 10 meer dan € 900,- bedragen, De vergoeding bedraagt in dat geval 8% van die kosten, met een maximum van € 340,- Artikel5.5Hoogte persoonsgebonden budget in verband met kosten voor het verwerven van grond Voor zover het treffen van voorzieningen, als bedoeld in artikel 15 onder b van de verordening betreft het uitbreiden van bestaande woningen, dan wel het groter bouwen van een nieuw te bouwen woning dan zonder de voorzieningen nodig zou zijn, kan het college een PGB verstrekken voor extra te verwerven vierkante meters grond. Artikel5.6Aanpassing bij woonwagens Het college verleent alleen een PGB in de aanpassingskosten van een woonwagen indien aan de volgende vereisten wordt voldaan: de technische levensduur van de woonwagen is nog minimaal vijf jaar; én de standplaats komt niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking; én de woonwagen stond ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening op een binnen de gemeente Renkum formeel als zodanig aangemerkte standplaats. Artikel5.7Aanpassing bij woonschepen Het college verleent slechts een PGB in de aanpassingskosten van een woonschip indien: de technische levensduur van het woonschip nog minimaal vijf jaar is; én het woonschip nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven liggen. Artikel5.8Technische levensduur Indien de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip minder dan vijf jaar is of de standplaats van de woonwagen binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt of het woonschip niet tenminste nog vijf jaar op de ligplaats mag liggen, bedragen de maximale aanpassingskosten € 900,-. Artikel5.9Aanpassing bij binnenschepen Het college verleent slechts een PGB in de aanpassingskosten van een binnenschip indien de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit (Stb. 1987, 466), van een binnenschip, dat: in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek als zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de maatregel te boek gestelde schepen 1992; én bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij blijkens de meetbrief bedoeld in het metingbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste 15 ton hebbend, of voor het vervoer van meer dan 12 personen buiten de in de aanhef bedoelde personen. Artikel5.10vervallen Paragraaf4Niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorzieningen Artikel5.11Hoogte persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel in de woning 1.Het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel in de woning wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de voor de gemeente goedkoopst-adequate voorziening, zoals dat door het college aan de leverancier wordt betaald; 2.Het persoonsgebonden budget wordt verhoogd met een bedrag voor onderhoud en reparatie; 3.In een beleidsregel wordt artikel 5.11 nader uitgewerkt. Artikel5.12Hoogte persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor de kosten van onderhoud, keuring en reparatie 1.Het college verleent alleen een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie, indien: de desbetreffende woonvoorziening op grond van de verordening en het besluit is verleend; 2.De omvang van het persoonsgebonden budget is gebaseerd op de werkelijke kosten, maar bedraagt voor onderhoud en keuring ten hoogste de kosten als vermeld in de bijlage. De kosten voor reparatie kunnen bij de gemeente worden gedeclareerd onder overlegging van de nota. Artikel5.13Hoogte kosten in verband met tijdelijke huisvesting 1.Het college verleent een financiële tegemoetkoming in de noodzakelijke kosten van tijdelijk huisvesting die de aanvrager moet maken i.v.m. het aanpassen van: zijn huidige woonruimte; de door de aanvrager te betrekken tijdelijke woonruimte. 2.De financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid onder a. en b. wordt verleend uitsluitend voor de periode dat de aan te passen woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond kan worden en de aanvrager als gevolg daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan. 3.Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als de aanvrager redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij deze extra woonlasten heeft. 4.De maximale termijn waarvoor het college een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting verleent, als bedoeld in het eerste lid, bedraagt zes maanden. Afhankelijk van de situatie kan het college besluiten deze periode te verlengen. 5.Het college verleent uitsluitend een financiële tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in het eerste lid indien deze kosten zijn gemaakt voor: het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte; het tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte, of het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte. 6.Het college verleent een financiële tegemoetkoming ter hoogte van de werkelijk gemaakte kosten met een maximum van de maximale huur waarvoor huurtoeslag wordt verstrekt voor de kosten zoals bedoeld in het vijfde lid onder a en c en met een maximum van 50 % van de maximale huur waarvoor huurtoeslag wordt verstrekt voor de kosten als bedoeld in het vijfde lid onder b. Artikel5.14Hoogte financiële tegemoetkoming in verband met huurderving 1.In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die voor meer dan € 4000,- is aangepast, verstrekt het college aan de verhuurder van de woning een financiële tegemoetkoming in verband met derving van huurinkomsten als hij die woning weer in verhuurbare staat moet terugbrengen voor de duur van maximaal vijf maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komt; 2.De verhuurder moet de leegstand van de desbetreffende woning binnen vier weken bij de gemeente melden; 3.Er wordt geen vergoeding verstrekt, indien deze melding niet binnen vier weken na het leegkomen heeft plaatsgevonden; 4.De hoogte van de financiële tegemoetkoming, zoals bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan de kale huur van de woonruimte met een maximum van de maximale huur waarvoor huurtoeslag wordt verstrekt. Artikel5.15Hoogte financiële tegemoetkoming voor de kosten van woningsanering De werkelijke kosten van woningsanering worden in beginsel vergoed tot een maximum bedrag. Daarbij wordt uitgegaan van de door het NIBUD aangeleverde bedragen en wordt uitgegaan van een lineaire afschrijving gedurende 7 jaar. Artikel5.16Hoogte persoonsgebonden budget van een losse woonunit Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden kan een losse woonunit, zoals bedoeld in artikel 17 van de verordening, verstrekt worden. Hiervoor wordt een PGB verstrekt. De hoogte van een PGB voor een losse woonunit wordt afgestemd op de huurkosten van de voorziening, die de gemeente moet betalen. Artikel5.17Eigen bijdrage/aandeel Op woonvoorzieningen vanaf € 1000 in artikel 13 onder b en c van de Verordening wordt een eigen bijdrage berekend. Op woonvoorzieningen vanaf € 1000 in artikel 13 lid d van de Verordening wordt een eigen aandeel berekend. Op woonvoorzieningen in artikel 13 onder a van de Verordening wordt geen eigen bijdrage berekend. Op woonvoorzieningen in artikel 13 onder a van de Verordening (algemene woonvoorziening), artikel 15 lid a van de Verordening (verhuiskosten) en artikel 5.14 van het Besluit (huurderving) wordt geen eigen bijdrage berekend. De wijze van berekening van de eigen bijdrage/aandeel is omschreven in artikel 4 van dit Besluit. Hoofdstuk6Vervoersvoorzieningen Paragraaf1 Artikel6.1Algemeen Een vervoersvoorziening kan bestaan uit : een verplaatsingsmiddel (inclusief eventuele accessoires); een vergoeding voor de vervoerskosten. Bij een voorziening, genoemd onder a., heeft de aanvrager de keuze (zie ook artikel 1.2 van het Besluit) tussen een PGB of een verstrekking in bruikleen. Een voorziening, genoemd onder b, wordt altijd als financiële tegemoetkoming verstrekt. Paragraaf2Verplaatsingsmiddelen Artikel6.2Hoogte persoonsgebonden budget voor een verplaatsingsmiddel 1.Het persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de voor de gemeente goedkoopst-adequate voorziening. Het persoonsgebonden budget wordt verhoogd met een vast bedrag voor onderhoud en reparatie. Dit vaste bedrag is nooit meer dan het bedrag aan onderhoud en reparatie, dat het college afspreekt te betalen aan een gecontracteerde leverancier (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.