← Nederland

BELEIDSREGELS maatschappelijke ondersteuning Zoeterwoude 2016 (Zoeterwoude)

BELEIDSREGELS maatschappelijke ondersteuning Zoeterwoude 2016Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.1.Algemene inleiding Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie van inwoners met een beperking. Die ondersteuning moet erop gericht zijn inwoners zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen laten leven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorzien gemeenten in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. Dit laatste is een taak van de centrumgemeente Leiden. Wanneer een inwoner naar het oordeel van het college, en zichzelf, niet voldoende zelfredzaam is of onvoldoende participeert wordt samen met de melder gekeken of iemand geholpen kan worden met de inzet van de eigen verantwoordelijkheid, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. Het college kan, na onderzoek, beslissen een (individuele) maatwerkvoorziening te verstrekken. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die kunnen bijdragen aan het verbeteren of het in stand houden van de zelfredzaamheid, participatie of het bieden van beschermd wonen of opvang aan een inwoner. Het ondersteunen van een inwoner door middel van individuele begeleiding is een voorbeeld van een maatwerkvoorziening. Het te bereiken resultaat is het uitgangspunt voor inzet van maatwerkvoorzieningen. Dit komt ook terug in de wijze waarop het college de voorzieningen heeft ingekocht. Niet het aantal uren is leidend, maar het te bereiken resultaat. Ook wat nodig is om de mantelzorger van de inwoner te ondersteunen bij het verlenen van mantelzorg of om de mantelzorger (tijdelijk) te ontlasten in een situatie van (dreigende) overbelasting, kan onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. Artikel1.2.Definities en begrippen Alle begrippen en definities die in deze beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Wet, het Uitvoeringsbesluit, de Algemene wet bestuursrecht, de Verordening maatschappelijke ondersteuning (Verordening) en het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Besluit Wmo) en zijn daarmee bindend voor deze beleidsregels. Artikel1.3.Juridische status beleidsregels De beleidsregels betreffen de uitvoeringspraktijk van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Zoeterwoude 2015. Het vaststellen van de beleidsregels is daarmee een bevoegdheid van het college. De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:18 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht: “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid”. Wanneer de beleidsregels door het college zijn vastgesteld kan naar het betreffende artikel worden verwezen in een beschikking. Hoofdstuk2.Melding, onderzoek en aanvraag Artikel2.1.Inleiding In dit hoofdstuk is de toegangsprocedure voor een inwoner met behoefte aan ondersteuning beschreven. Er worden verschillende aspecten beschreven zoals het persoonlijk plan en onafhankelijke cliëntondersteuning. Hoewel deze onderdelen niet altijd deel hoeven uit te maken van de toegangsprocedure heeft het college wel de algemene verplichting een inwoner te informeren over deze onderdelen van de toegangsprocedure. De in dit hoofdstuk benoemde termijnen zijn maximale termijnen. Artikel2.2.Melding De melding is het startpunt van het onderzoek naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Via een melding doet een inwoner van Zoeterwoude, dan wel een vertegenwoordiger daarvan, het verzoek om onderzoek naar de behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, participatie en zelfredzaamheid. De melding, wordt geregistreerd en bevestigd. Een informatie- of adviesvraag wordt niet als een melding aangemerkt. Een melding kan worden gedaan bij het loket Zorg, Werk en Inkomen van de gemeente. Dit kan telefonisch, per e-mail of schriftelijk. Artikel2.3.Scheiding melding en aanvraag In de Wet heeft de scheiding van melding en aanvraag een wettelijke basis gekregen. Na de melding van een inwoner voert het college binnen 6 weken een onderzoek uit. Pas na afloop van dat onderzoek kan de melder een aanvraag indienen tenzij het onderzoek niet binnen 6 weken is afgerond of de inwoner al uitgebreid bekend is bij het loket Zorg, Werk en Inkomen. Dan bestaat de mogelijkheid om in overleg met de inwoner direct een aanvraag in te dienen. Artikel2.4.Behandeling melding Naar aanleiding van de melding wordt contact opgenomen met de inwoner. In dit eerste contact komen de procedureregels en de mogelijkheden van (gratis) cliëntondersteuning aan de orde. Dit eerste contact kan leiden tot een gesprek bij voorkeur bij de inwoner thuis. Artikel2.5.Cliëntondersteuning Artikel2.4.1 Informatieplicht over cliëntondersteuning Het college moet de inwoner en zijn mantelzorger(

  1. s)voor de start van het onderzoek wijzen op de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Inwoners uit Zoeterwoude kunnen kosteloos een beroep doen op cliëntondersteuning welke geleverd wordt door Stichting MEE. Artikel2.4.2Onafhankelijkheid Onafhankelijkheid van de cliëntondersteuning betekent dat de inwoner erop moet kunnen vertrouwen dat de ondersteuning die geboden wordt om de inwoner bij te staan tijdens het opstellen van een plan van aanpak (arrangement) onafhankelijk is van het besluit dat de gemeente uiteindelijk neemt om een inwoner wel of niet een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget toe te kennen.. Cliëntondersteuning kan op drie manieren geboden worden: -De toegangsfunctie: Vraagverheldering, integrale intake, het in kaart brengen van mogelijkheden en persoonskenmerken, het geven van informatie voor indicatiestelling door derden. Doel: Inzicht verkrijgen in de mogelijkheden van kwetsbare inwoners en uitvoering geven aan de wettelijke taak van de Wmo waarin staat dat in ieder geval cliëntondersteuning beschikbaar moet zijn bij de toegang van onder meer Wmo, Jeugdwet en Participatiewet. -De ondersteunende functie: De kwetsbare inwoner helpen organiseren met het inrichten van diens leven op gebied van wonen, werken en vrijetijdsbesteding. Bij gezinnen is het vooral het bevorderen van kennis en bieden van opvoedondersteuning en gezinscoaching. Doel: Maatschappelijke participatie. -De specialistische functie: Gedragsdeskundigen kunnen ingeschakeld worden door generalistische ondersteuners/consulenten om diagnoses te stellen en te zorgen voor een volledige beeldvorming en kennisontwikkeling rond een inwoner. Dit is een regionale functie. Doel: Het ondersteunen van de professionals van het loket Zorg, Werk en Inkomen met kennis en expertise. Artikel2.6.Persoonlijk plan De inwoner heeft de mogelijkheid om tot 7 dagen na de melding een persoonlijk plan in te dienen. Het persoonlijk plan is een plan waarin een inwoner de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar diens mening het meest is aangewezen c.q. het beste past bij diens persoonlijke situatie. Artikel2.7.Informatie van belang voor behandeling van de melding Op grond van de Wet moet de inwoner of zijn vertegenwoordiger het college alle gegevens en bescheiden verschaffen die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Voor aanvang van het onderzoek beoordeelt het college of alle informatie die nodig is voor een onderzoek, beschikbaar is. De inwoner heeft hierin een actieve rol en kan eventueel aanvullende informatie aandragen die ook van belang is voor een goede beoordeling van de beperkingen, mogelijkheden en eventueel noodzakelijke ondersteuning. Zo kan het bijvoorbeeld nodig zijn om het advies in te winnen van een deskundige. Indien dat aan de orde is, zal het college een dergelijk advies moeten afwachten. Dat is immers noodzakelijk in het kader van een zorgvuldig onderzoek en voor het totale beeld dat het college zich moet vormen van de inwoner en diens ondersteuningsvraag. Artikel2.8.Identificatie melder Op grond van de Wet moet het college bij elk nieuw onderzoek de identiteit van de inwoner vaststellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (o.a. een geldig paspoort, Nederlandse identiteitskaart of rijbewijs). Artikel2.9.Onderzoek en gesprek De onderzoeksfase is een waarborg voor de melder om gehoord te worden en gezamenlijk tot een kwalitatieve plan van aanpak te komen. Artikel2.9.1.Het gesprek De zorgconsulent welke de melding in behandeling neemt, bespreekt samen met de inwoner en eventueel diens cliëntondersteuner en/of mantelzorger(
  2. s)wat de hulpvraag inhoudt en waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat. Hieronder wordt nadrukkelijk ook de behoefte van de mantelzorger(
  3. s)begrepen. Dit gesprek is het gesprek zoals bedoeld in artikel 2.3 van Verordening maatschappelijke ondersteuning Zoeterwoude 2015. Artikel2.9.2.Situatie voldoende bekend Als de situatie van de inwoner al voldoende bekend is en er geen nieuwe omstandigheden aanwezig zijn die op de melding van invloed zijn, kan met instemming van de inwoner worden afgezien van (delen van) het onderzoek. Artikel2.9.3.Onderdelen van het onderzoek Het zal regelmatig voorkomen dat niet alle aspecten zoals opgenomen in artikel 5 van de Verordening onderdeel van een onderzoek zijn. Dit omdat bijvoorbeeld blijkt dat aan de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan worden voldaan door het geven van informatie, een eenvoudige verwijzing of omdat bijvoorbeeld blijkt dat een combinatie van eigen kracht en gebruikelijke hulp van een huisgenoot volstaat. Als de inwoner tijdens het onderzoek te kennen geeft dat hij met aangereikte mogelijkheden uit de voeten kan of geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal doen, kan het onderzoek als afgerond worden beschouwd. Artikel2.10.Verslag en ondersteuningsplan De melding en de bespreking van de behoefte aan ondersteuning leidt in beginsel tot een ondersteuningsplan. Artikel2.10.1.Het verslag Het college verstrekt de inwoner of diens vertegenwoordiger op verzoek een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Als de inwoner aangeeft geen prijs te stellen op het ontvangen van het verslag kan verzending achterwege blijven. Indien de inwoner het niet eens is met de weergave van het onderzoek kunnen opmerkingen worden toegevoegd. Deze opmerkingen zullen binnen enkele dagen met de melder worden besproken. Indien de inwoner het uiteindelijk niet eens is met de uitkomst van het onderzoek, staat er geen wettelijke bezwaarmogelijkheid open. De inwoner kan wel alsnog een aanvraag doen voor een maatwerkvoorziening. indien op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening negatief beschikt wordt, kan daartegen bezwaar worden gemaakt. Het verslag dient binnen maximaal 6 weken gereed te zijn, na ontvangst van de melding. Indien de inwoner het niet eens is met de weergave van het onderzoek kunnen opmerkingen worden toegevoegd. Deze opmerkingen zullen binnen enkele dagen met de inwoner worden besproken. De resultaten van dit (vervolg)gesprek kunnen worden verwerkt in het verslag. Artikel2.10.2.Ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de inwoner zijn gemaakt naar aanleiding van diens melding, en de beoogde resultaten en de toekomstige evaluatie daarvan. Artikel2.11.Aanvraag van een maatwerkvoorziening Alvorens wordt overgegaan tot de verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt eerst gekeken naar andere mogelijkheden om de inwoner te helpen met zijn beperkingen. Dat kan bijvoorbeeld een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van het eigen netwerk, kortdurende ondersteuning en een verwijzing naar een algemene voorziening. De maatwerkvoorziening vormt het sluitstuk. Artikel2.11.1Voorliggende voorziening Wanneer tijdens het intakegesprek of het onderzoek blijkt dat de inwoner mogelijk recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of andere voorliggende voorzieningen, wordt het aanvragen hiervan opgenomen in het plan. De mate van zelfredzaamheid van de inwoner bepaalt of de afspraak is dat de inwoner dit zelf doet, iemand uit zijn omgeving dan wel het consulenten van het loket Zorg, Werk en Inkomen ondersteuning bieden. Artikel2.11.2Maatwerkvoorziening Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan, na afhandeling van het onderzoek, worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 lid 9 van de wet). Indien een inwoner direct een aanvraag wenst te doen voor een maatwerkvoorziening wordt de behandelingstermijn gehanteerd zoals deze is opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht. Deze termijn bedraagt acht weken. In plaats van een schriftelijk verslag kan het college ook een ondersteuningsplan opstellen. Voor cliënten die al bekend zijn kan de meldingsprocedure eventueel worden overgeslagen. Een aanvraag kan in principe pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken van de zes wekentermijn. Na de ontvangst van de aanvraag heeft het college twee weken om de beschikking te geven. Het kan voorkomen dat geruime tijd verstrijkt tussen het afronden van het onderzoek en het feitelijk indienen van een aanvraag. Dit kan tot gevolg hebben dat het verslag verouderde informatie bevat waardoor het college niet binnen de wettelijke kaders kan beslissen op de aanvraag. In voorkomende gevallen zal het college de inwoner opnieuw uitnodigen voor een gesprek voordat op de aanvraag wordt beslist. De aanvraag zal in die gevallen worden behandeld als een (nieuwe) melding. Een maatwerkvoorziening wordt in beginsel aangevraagd op een door het college beschikbaar gesteld formulier. Om administratieve lasten te voorkomen kan het ondertekende verslag / ondersteuningsplan ook als aanvraag worden aangemerkt. Als er in het ondertekende ondersteuningsplan maatwerkvoorzieningen worden voorgesteld, dan moet het voorstel in het ondersteuningsplan worden omgezet in een aanvraag. Artikel2.11.3Opschorten beslistermijn Uit de wet vloeit de mogelijkheid voort om de beslistermijn op te schorten indien de inwoner niet de benodigde gegevens, bescheiden of medewerking heeft verleend aan het gesprek (onderzoek als bedoeld in art. 2.3.2 lid 4 van de wet). Artikel2.12.Keuze persoonsgebonden budget of zorg in natura Bij de behandeling van de aanvraag moet de inwoner in de gelegenheid worden gesteld om te kiezen voor een persoonsgebonden budget of zorg in natura. Artikel2.13.Advisering In het kader van de uitvoering kan het nodig zijn om een (medisch) advies in te winnen van een (medisch) deskundige en/of een deskundige die bekend is met de problematiek van de inwoner met een psychiatrische geschiedenis of een specifieke beperking die nadere toelichting vraagt. Indien dat aan de orde is, zal het college een dergelijk advies moeten afwachten. Dat is immers noodzakelijk in het kader van een zorgvuldig onderzoek en voor het totale beeld dat het college zich moet vormen van de inwoner en diens ondersteuningsvraag. In de Verordening is niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben. Voor zover het college voor de beoordeling van de aanspraak extern advies nodig heeft, wordt dat gevraagd nadat de aanvraag is ingediend. Het college kan dan tevens de beslistermijn van de aanvraag opschorten. Artikel2.14.Spoedeisende situaties Wanneer er sprake is van een spoedeisende situatie, dan zal het college na de melding zo snel mogelijk een vorm van noodzakelijk ondersteuning (onder andere een maatwerkvoorziening) aanbieden. De uitkomst van het onderzoek hoeft dan niet afgewacht te worden. De inzet van deze ondersteuning is tijdelijk. Van een spoedeisende situatie kan sprake zijn bij een terminaal en/of progressief ziektebeeld of een situatie waarbij er sprake is van kinderen in thuissituatie van de inwoner. Hoofdstuk3.Resultaten, afwegingskader, algemene voorzieningen en criteria Artikel3.1.Inleiding Wanneer een inwoner beperkingen heeft op het gebied van zelfredzaamheid en participatie wordt tijdens het onderzoek en het gesprek de ondersteuningsbehoefte bepaald. Deze resulteert in een ondersteuningsplan waarin de ondersteuningsbehoefte wordt weergegeven in resultaten. Artikel3.2.Resultate de draagkracht en draaglast van de mantelzorger is in balans. een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden; wonen in een geschikte woning; het uitvoeren van dagelijkse activiteiten en het hebben van een ingevulde dag; mogelijkheid om te verplaatsen, vervoeren en sociale contacten aan te gaan; mogelijkheid om beschermd te kunnen wonen en opvang te krijgen. Artikel3.3.Mate van de beperkingen Artikel3.3.1.Ondersteuningsterreinen De inwoner kan op één of meerdere terreinen of activiteiten beperkingen in diens zelfredzaamheid en participatie ondervinden. Voor elk van deze terreinen of activiteiten worden aspecten onderscheiden waar de mate van zelfredzaamheid en mogelijkheden tot participatie betrekking op hebben. sociale redzaamheid; bewegen en verplaatsen; probleemgedrag; psychisch functioneren; geheugen- en oriëntatiestoornissen. Ad 1) Sociale redzaamheid Bij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten: begrijpen wat anderen zeggen; een gesprek voeren; zich begrijpelijk maken; initiëren en uitvoeren eenvoudige taken; kunnen lezen, schrijven en rekenen; communicatiehulpmiddel gebruiken; dagelijkse bezigheden; problemen oplossen en besluiten nemen; dagelijkse routine regelen; zelf geld beheren; initiëren en uitvoeren complexere taken; zelf administratie zaken bijhouden; (naar behoefte) sociale contacten aangaan en onderhouden. Ad 2) Bewegen en verplaatsen Bij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten: lichaamspositie handhaven; grove hand- en armbewegingen maken; fijne handbewegingen maken; lichtere voorwerpen tillen; gecoördineerde bewegingen maken met benen en voeten; lichaamspositie veranderen; trap op en af gaan zonder hulp(middelen); zich verplaatsen met hulp(middelen); voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen); gebruik maken van het openbaar vervoer; eigen vervoermiddel gebruiken; voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen); korte afstanden lopen; zwaardere voorwerpen tillen. Ad 3) Gedragsproblemen Bij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten: destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk); dwangmatig gedrag; lichamelijk agressief gedrag; manipulatief gedrag; verbaal agressief gedrag; zelf verwondend of zelfbeschadigend gedrag; grensoverschrijdend seksueel gedrag. Ad 4) Psychisch functioneren Bij psychisch functioneren, gaat het om de volgende aspecten: concentratie; geheugen en denken; perceptie van omgeving. Ad 5) Oriëntatiestoornissen Bij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten: oriëntatie in persoon; oriëntatie in ruimte; oriëntatie in tijd; oriëntatie naar plaats. Artikel3.3.2.Mate van de beperkingen Het college beoordeelt op basis van de mate van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, het verslag en eventueel het persoonlijk plan, wat de ondersteuningsbehoefte is en op welke maatwerkvoorziening de inwoner eventueel is aangewezen. De mate waarin de beperking aanwezig is speelt een rol bij het bepalen van de uiteindelijke ondersteuningsbehoefte, maar is slechts een hulpmiddel om de ondersteuningsbehoefte te bepalen. De uiteindelijke ondersteuningsbehoefte wordt in samenspraak met inwoner en zijn sociale netwerk opgesteld. Lichte beperkingen Stimuleren van het zelf uitvoeren van taken en activiteiten is nodig. Daaronder kan ook het (tijdelijk en/of deels) toezicht worden verstaan geboden door een professionele ondersteuner (aanbieder/beroepskracht). De inwoner met lichte beperkingen is in het algemeen in staat om zelf om ondersteuning te vragen. De ondersteuning kan gericht zijn op het oefenen met vaardigheden of handelingen. Daaronder kan ook het gebruik van bijvoorbeeld hulpmiddelen worden verstaan. Matige beperkingenHelpen bij het (zelf) uitvoeren van taken en activiteiten is nodig. Daaronder kan ook het (tijdelijk en/of deels) toezicht worden verstaan. Het is noodzakelijk dat een professionele ondersteuner (aanbieder/beroepskracht) al dan niet met regelmaat ondersteuning biedt ter voorkoming van een achteruitgang (verslechteren) van de zelfredzaamheid. De inwoner met matige beperkingen is niet (altijd) in staat om zelf om ondersteuning te vragen. Zware beperkingenHet (deels en/of tijdelijk) overnemen van taken en/of continu bieden van ondersteuning en/of toezicht is nodig. Dit omdat de inwoner bijvoorbeeld geen of onvoldoende regievermogen heeft. Het is noodzakelijk dat een professionele ondersteuner (aanbieder/beroepskracht) ondersteuning biedt. Denk ook aan sturing op problematisch gedrag om dat in goede banen te leiden of een inwoner met oriëntatiestoornissen. Er kan sprake zijn van risico’s voor veiligheid van de inwoner of zijn omgeving. De inwoner met zware beperkingen is meestal niet in staat om zelf om ondersteuning te vragen. Artikel3.4.Algemeen gebruikelijke voorzieningen Van een algemeen gebruikelijke voorziening is sprake indien: de voorziening niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking; de voorziening in de reguliere handel verkrijgbaar is; de voorziening niet duurder is dan soortgelijke producten met eenzelfde doel. Of een voorziening algemeen gebruikelijk is hangt af van de specifieke situatie van de inwoner en van de tijdgeest en jurisprudentie. Dit dient dan ook in elke situatie opnieuw worden afgewogen. In bijlage 2 is een lijst met voorzieningen opgenomen die in principe worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk. Deze lijst is niet limitatief. Niet relevant is of een inwoner gebruik wil maken van een algemeen gebruikelijke voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de algemeen gebruikelijke voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Hierbij wordt tijdens het onderzoek meegenomen of een inwoner redelijkerwijs had kunnen sparen voor deze kosten. Artikel3.5.Algemene voorzieningen Het college treft algemene voorzieningen die naar zijn oordeel bijdragen aan de zelfredzaamheid en de participatie van inwoners en aan de inzet van mantelzorg en vrijwilligerswerk daarvoor, waaronder in elk geval een algemene voorziening voor vervoer en huishoudelijke ondersteuning. Een algemene voorziening is toegankelijk voor alle inwoners met of zonder beperking en is voorliggend op een maatwerkvoorziening. Voor een algemene voorziening is geen toestemming en doorverwijzing van de gemeente nodig. Algemene voorzieningen zijn voor alle inwoners, met en zonder beperkingen toegankelijk. Voorbeelden zijn openbaar vervoer, boodschappenservice, maaltijdenservice, buurthuizen, klussendienst, formulierenhulp, ouderenadviseurs, consultatiebureau, huisarts, kinderopvang en het opnemen van zorgverlof. Artikel3.5.1.Algemene voorziening Huishoudelijke ondersteuning De algemene voorziening Huishoudelijke ondersteuning is gebaseerd op het resultaat standaard schoon huis. Dit betekent dat iedereen gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes, gang/trap, balkon en eventuele berging. Tot een standaard schoon huis behoort licht en zwaar huishoudelijk werk. Het gaat daarbij concreet om: opruimen van kamers; stof afnemen; bedden opmaken/verschonen; stofzuigen; schrobben en dweilen van sanitair en keuken; schoonhouden van bovenstaand genoemde ruimten; ramen zemen Om het resultaat standaard schoon huis te bereiken dienen bovenstaande ruimtes met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek wordt schoongemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. Inwoners zijn in principe zelf verantwoordelijk voor het organiseren van deze werkzaamheden, wanneer sprake is van een “algemeen gebruikelijke” frequentie. Slechts wanneer sprake is van de noodzaak tot meer schoonmaakwerkzaamheden, zoals meerdere malen per week stofzuigen in verband met (stof en mijt)allergie, of als er problematiek is op het gebied van het aanbrengen van structuur in het huishouden of het voeren van regie op het huishouden, kan het zijn dat de inwoner meer nodig heeft dan het resultaat standaard schoon huis (= een maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning). Artikel3.5.2.Collectief vraagafhankelijk vervoer De algemene voorziening in de vorm van een collectief vraagafhankelijk vervoerssysteem (CVV of Regiotaxi)is een, door Holland Rijnland gecontracteerd, voor iedereen toegankelijk vervoerssysteem waarbinnen mensen op afroep van deur tot deur zittend worden vervoerd. In het kader van de Wmo biedt het CVV aan inwoners met beperkingen die niet met het openbaar vervoer kunnen reizen een mogelijkheid om zich te kunnen verplaatsen. Deze inwoners ontvangen, nadat zij door de gemeente daarvoor zijn geïndiceerd, een vervoerspas waarmee zij toegang krijgen tot het CVV. De werking van dit systeem wordt toegelicht bij de maatwerkvoorziening vervoer in hoofdstuk 10. Artikel3.5.3.Dagbesteding met laag intensieve ondersteuning Dagbesteding met laag intensieve ondersteuning is beschikbaar voor iedere inwoner van Zoeterwoude van 18 jaar of ouder die beperkt is in zelfredzaamheid door lichamelijke en/of cognitieve achteruitgang of fysieke beperking, verstandelijke of psychiatrische beperking. Dagbesteding met laag intensieve ondersteuning biedt een inwoner een structurele, activerende dag invulling, door deel te nemen aan recreatieve of maatschappelijke activiteiten. Bij de activiteiten wordt begeleiding geboden in een groep. Het activiteitenprogramma als geheel biedt structuur, sociale contacten en zingeving en resulteert in het voorkomen van achteruitgang en het bevorderen van behoud van praktische vaardigheden, sociaal en maatschappelijke participatie, het voorkomen van overbelasting van mantelzorgers en het signaleren van ondersteuningsvragen of veiligheidsrisico’s. Via ambulante ondersteuning kan iemand worden doorverwezen naar deze algemene voorziening. Voor het vervoer naar de dagbesteding is de cliënt zelf verantwoordelijk. Indien als gevolg van het ontbreken van eigen mogelijkheden, een netwerk of informele oplossingen het niet mogelijk is de dichtstbijzijnd passende dagbestedingslocatie te bereiken, dan zal vanuit de uitvoerende organisatie van de dagbesteding vervoer georganiseerd worden. Dit is ook van toepassing op de vormen van dagbesteding zoals beschreven in hoofdstuk 7. Artikel3.5.4.Nacht- en crisisopvang Maatschappelijke opvang met beschermd wonen geldt als maatwerkvoorziening, met uitzondering van nachtopvang. Nachtopvang is het bieden van verblijf gedurende de nacht binnen het kader van de maatschappelijke opvang waaronder vrouwenopvang, en het voldoen aan een aantal algemene criteria is voldoende voor toegang; er is geen sprake van een maatwerktraject bij de nachtopvang. Ook crisisopvang is naar zijn aard is geen voorziening die men aanvraagt waarna er een beoordeling en beschikking plaatsvindt. Het gaat hierbij om kortdurend voltijd verblijf naar aanleiding van een crisissituatie, op voor specifiek dat doel bestemde plekken, voor opvang gedurende drie dagen en voor vrouwenopvang gedurende tien dagen. Er wordt snel ingegrepen en nadat de eerste crisis is bezworen, wordt nader gekeken naar de noodzaak voor meer structurele hulp, waaronder de mogelijkheid van een maatwerkvoorziening opvang. Voor 2016 verloopt deze ondersteuning nog via de centrumgemeente Leiden. Artikel3.5.5.Ambulante ondersteuning Ambulante ondersteuning wordt geleverd door zorgaanbieders en aanbieders van maatschappelijke dienstverlening en staat open voor alle inwoners van Zoeterwoude. Samen met de inwoner wordt bepaald of ondersteuning noodzakelijk is. De ondersteuning kan kortdurend of langer durend zijn, de vorm hebben van steun- en leuncontact of structureel worden ingezet. De ondersteuning kan bijvoorbeeld bestaan uit cliëntondersteuning, uit het oefenen van vaardigheden, uit woonbegeleiding en uit ondersteuning bij praktische zaken. Artikel3.6.Afstemming met de Wet langdurige zorg (Wlz) Het college is verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning van inwoners tot aan het moment dat deze een indicatie heeft voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Op dat moment is vastgesteld dat een inwoner vanwege beperkingen, als gevolg van bijvoorbeeld leeftijd of handicap, blijvend permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid nodig heeft. Die zorgplicht blijft belegd bij de aan zorgverzekeraars gelieerde zorgkantoren. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) indiceert voor deze zorg. Indien inwoners toegang hebben tot de Wlz, dan kunnen zij bepaalde maatwerkvoorzieningen zoals begeleiding en woonvoorzieningen niet meer vanuit de Wmo 2016 ontvangen. Het college kan deze maatwerkvoorziening weigeren. Hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen (als bedoeld in hoofdstuk 10) blijven in 2016 ook voor inwoner met een Wlz-indicatie nog vanuit de Wmo beschikbaar. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt dat alleen voor inwoners met een modulair pakket thuis. Artikel3.6.1.Thuis blijven wonen met een indicatie Wlz Inwoners kunnen de mogelijkheid krijgen om zorg in natura thuis in de vorm van een volledig pakket thuis (vpt) af te nemen, maar kunnen er ook voor kiezen om slechts delen (modules) van het pakket aan zorg in natura thuis geleverd te krijgen. Dit wordt het ‘modulair pakket thuis’ (mpt) genoemd. Bij dit pakket kan in 2016 nog voor hulp bij het huishouden een beroep worden gedaan op de Wmo. Artikel3.7.Algemeen afwegingskader Het college hanteert voor het opstellen van de resultaten in het ondersteuningsplan het volgende algemeen afwegingskader: allereerst beoordeelt het college in het gesprek en tijdens het onderzoek of de inwoner in staat is om op eigen kracht, met eigen verantwoordelijkheid de beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie op te lossen en het resultaat te bereiken; vervolgens beoordeelt het college of de inwoner in staat is om met mantelzorg of met ondersteuning en hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie (en of in die situatie sprake is van gebruikelijke hulp); daarnaast beoordeelt het college in het gesprek en tijdens het onderzoek de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner om de inwoner in staat te stellen te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie; het college beoordeelt de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, wettelijk voorliggende voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; ook beoordeelt het college de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie; tenslotte beoordeelt het college de mogelijkheid om met inzet van individuele maatwerkvoorzieningen een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Artikel3.8.Algemene criteria individuele maatwerkvoorziening Indien het onderzoek leidt tot de aanvraag van een individuele maatwerkvoorziening hanteert het college de volgende algemene criteria: bij het beoordelen van de aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening neemt het college het ondersteuningsplan en (indien aanwezig) het persoonlijk plan als uitgangspunt; een individuele maatwerkvoorziening kan worden verstrekt ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de inwoner met psychische of psychosociale problemen en de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de inwoner deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen; om in aanmerking te komen voor een individuele maatwerkvoorziening moet sprake zijn van een matige dan wel ernstige beperking in de zelfredzaamheid en participatie als gevolg van problematiek op tenminste 1 van de 5 terreinen zoals opgenomen in artikel 3.3.1. van deze beleidsregels; indien (medische of paramedische) behandeling van de beperking mogelijk is beoordeelt het college in hoeverre de beperkingen worden opgelost door het ondergaan van deze behandeling; bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden en op grond van artikel 2.1.2 van de wet in ieder geval de volgende criteria: een aanspraak op een algemene of andere voorziening, waaronder onder meer (aanvullende) ziektekostenverzekeringen, aansprakelijkheidsverzekeringen, of normale maatschappelijke kosten is voorliggend op een aanspraak op een maatwerkvoorziening; er is sprake van een noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang; er is geen sprake van voorzienbaarheid; kosten die tot het moment van de aanvraag al zijn gemaakt, dan wel redelijkerwijs in de nabije toekomst toch hadden moeten worden gemaakt, worden niet vergoed, tenzij de noodzaak achteraf door het college kan worden vastgesteld. het college kent in beginsel de adequaatste voorziening toe, hierbij houdt het college rekening met de prijs van de voorziening; het college vergoedt of verstrekt geen voorziening als de normale afschrijvingstermijn van de eerder vergoede of verstrekte gelijkwaardige voorziening nog niet is verstreken of deze technisch nog niet is afgeschreven, tenzij deze voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen. Hoofdstuk4.Gebruikelijke hulp Artikel4.1.Inleiding Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de levenspartner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Onder een leefeenheid wordt verstaan alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een gezamenlijk huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de inwoner behoort. Bij een commerciële huurders- of kostgangersrelaties worden volwassen huisgenoten geacht geen deel uit te maken van de leefeenheid. Artikel4.2.Algemeen uitgangspunt Bij een ondersteuningsvraag wordt eerst onderzocht of en in hoeverre inwoner zelf of met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat op dat moment naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de levenspartner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten als dat nodig en mogelijk is hun rol nemen in het huishouden. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich brengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden. Artikel4.3.Afwegingskader gebruikelijke hulp Het is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijk hulp. Het college neemt daarbij een aantal uitgangspunten over zoals die golden in de AWBZ en voor wat betreft het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden blijven de regels gelden zoals onder de Wmo 2007. In de beleidsregels wordt dan ook onderscheidt gemaakt tussen de gebruikelijk hulp bij ondersteuning en dagbesteding en bij het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Artikel4.3.1.Begeleiding en overnemen huishoudelijke werkzaamheden Het college houdt bij de boordeling of van de huisgenoot gebruikelijke hulp kan worden gevergd in ieder geval rekening met: de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner; de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de inwoner; de leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen; de mogelijkheid om de gebruikelijke hulp aan te leren. Artikel4.3.1.1.De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner De aard van de ondersteuningsbehoefte kan divers zijn. De inwoner kan aangewezen zijn op hulp bij zelfzorg, de thuisadministratie, het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie of bij problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de inwoner daarbij ondervindt. Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de inwoner wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen. Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de inwoner’ (artikel 4.3.2.) van deze beleidsregels. Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers zijn. Zo kan de inwoner zijn aangewezen op permanent toezicht wat zware eisen kan stellen aan de persoon van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd. Daarnaast kan de totale omvang van de ondersteuningsbehoefte met zich meebrengen dat (deels) niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel daarvan kan daarom als boven-gebruikelijk worden aangemerkt, tenzij het uitstelbare ondersteuning betreft of bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van andere oplossingen. Is dat niet aan de orde, dan kan het college een maatwerkvoorziening verlenen. Het kan echter ook gaan om een meer incidentele vorm van hulp die wel een structureel karakter heeft. Denk bijvoorbeeld aan hulp bij zelfzorg of participatie. De omvang van de hulp kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. Artikel4.3.1.2.Kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de inwoner. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de inwoner. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Indien er sprake is van hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geboden worden, is het in principe niet van belang of sprake is van een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte. Artikel4.3.2.De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de inwoner Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp moeten bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid hebben de keuze gemaakt om een gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de inwoner. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de inwoner. Bij de beoordeling van de duur in het kader van het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt in principe geen rekening gehouden met de aard van de relatie. Het gaat er om of sprake is van een huisgenoot binnen de leefeenheid. Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn: hulp bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. hulp bij of het overnemen van taken die tot een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie. hulp aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de inwoner. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, et cetera. hulp van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Er zijn meer voorbeelden denkbaar die afhankelijk zijn van de individuele situatie. Verder kan het zijn dat de naar algemene maatstaven geldende ‘gebruikelijke hulp’ substantieel wordt overschreden bij ouders en kinderen. Hier kan het gaan om een langdurige ondersteuningsbehoefte, die in vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel, substantieel wordt overschreden. Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer: de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg of hulp biedt bij de sociale redzaamheid. Bij elk van de terreinen die in artikel 3.3.1. Ondersteuningsterreinen, van deze beleidsregels staan genoemd, zal het college zich een oordeel moeten vormen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar mag worden verwacht. Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen naar hun ouders. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(
  4. s)bijvoorbeeld aansporen tot zelfzorg. Daarbij kan de mate van beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot zelfzorg bepalend zijn. Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. De zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Het overnemen van de gebruikelijke hulp van de kinderen kan een Wmo-aanspraak zijn, maar structurele opvang van kinderen in beginsel niet. Artikel4.3.3.De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de inwoner thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Ondersteuning bieden, zoals begeleiding, ligt minder voor de hand en dat beoordeelt het college in het individuele geval. In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Onder omstandigheden kan ook andere hulp of ondersteuning van het meerderjarige kind aan de ouder(
  5. s)onder de gebruikelijke hulp vallen. Verder gelden de volgende algemene uitgangspunten: Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken en afruimen, afwassen en afdrogen, een boodschap doen of kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, dat wil zeggen rommel opruimen, stofzuigen of het bed verschonen. Artikel4.3.4.De mogelijkheid om de gebruikelijke hulp aan te leren. Het kan voorkomen dat er geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier gebruikelijke hulp verleend kan of moet worden, maar dit wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de inwoner door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar daarin wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. De ondersteuning is dan ook gericht op het in staat te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de inwoner. Die kan betrekking hebben op het (leren) accepteren van de gebruikelijke hulp. Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de inwoner te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd, wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht. Artikel4.4.Overbelasting en gebruikelijke hulp De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Een van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Verwezen wordt naar de bijlage 2 ‘onderzoek dreigende overbelasting’ van deze beleidsregels. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp al dan niet in combinatie met een fulltime werkweek of schoolweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare ondersteuning te bieden is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Hoofdstuk5.Mantelzorg Artikel5.1.Inleiding Uitgangspunt van de Wmo 2015 is de inwoner de mogelijkheid te bieden in zijn eigen leefomgeving te blijven wonen. Ook in de situatie waarbij de mantelzorg zo zwaar belast is door de activiteiten die voortvloeien uit de mantelzorg en het dagelijkse leven van de mantelzorger zelf, dat de mantelzorg in gevaar dreigt te komen en daarmee het zelfstandig functioneren wonen van de inwoner. Artikel5.2.Definitie Mantelzorg Mantelzorg is zorg (of ondersteuning) die wordt gegeven aan een inwoner door iemand uit diens directe omgeving. Het gaat dan om onbetaalde: ondersteuning die huisgenoten, familie, vrienden, kennissen, collega’s en buren verlenen en die voortkomt uit onderlinge relaties; het gaat dus niet om hulp als gevolg van een beroep of georganiseerd vrijwilligerswerk; ondersteuning die mensen geven vanwege gezondheidsproblemen of beperkingen tot in een terminale fase; ondersteuning die varieert van huishoudelijke ondersteuning, persoonlijke verzorging tot begeleiding; ondersteuning die in principe langer dan 3 maanden en meer dan 8 uur per week wordt verleend en die boven de gebruikelijke hulp uitstijgt in zwaarte, duur en/of intensiteit. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze zorg te leveren. Het college kan en mag mantelzorg niet afdwingen. Artikel5.3.Mantelzorgondersteuning Mantelondersteuning is het pakket aan diensten, activiteiten en goederen dat beschikbaar wordt gesteld aan de mantelzorger en dat tot doel heeft die persoon te ondersteunen bij diens ondersteuning aan de zorgvrager. Het gaat hierbij onder andere om: ontspanningsactiviteiten, cursussen en themabijeenkomsten, lotgenotencontacten, emotionele en materiële hulp, informatie en advies, respijtzorg voor de meest intensieve ondersteuningssituaties en de Dag van de Mantelzorg (in de regel jaarlijks op 10 november). Artikel5.4.Voorliggende mantelzorgondersteuning Tijdens het gesprek zal naast de mantelzorgondersteuning die geboden wordt vanuit bestaande inkoop- of subsidieafspraken onderzocht worden welke mogelijkheden de (eventuele) aanvullende zorgverzekering kan bieden op het gebied van mantelzorgondersteuning. Artikel5.5.Mantelzorg en dreigende overbelasting Het college beoordeelt tijdens het gesprek of er mantelzorg aanwezig is en of er maatregelen genomen moeten worden om (dreigende) overbelasting te voorkomen of de mantelzorger te ondersteunen bij het uitvoeren van zijn taken. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen een oordeel te vormen. Zie daarvoor ook bijlage 2 “Onderzoek dreigende overbelasting”. Artikel5.6.Gebruikelijke hulp en mantelzorg Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg, verleend door personen uit de directe omgeving van de inwoner en rechtstreeks voortvloeiend uit de sociale relatie, wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. De ondersteuning door de mantelzorger vertegenwoordigd daarmee een aanspraak. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo, verpleging en verzorging zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet of ondersteuning aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Artikel5.7.Afgeleide aanspraak Als er een maatwerkvoorziening wordt verstrekt om de mantelzorger te ontlasten of hem in staat te stellen de mantelzorg te leveren, gebeurt dat altijd als afgeleide van de verzorgde op zijn of haar naam. Deze maatwerkvoorziening kan niet - als het een persoonsgebonden budget betreft - door de mantelzorger worden ingevuld; het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Artikel5.8.Respijtzorg Respijtzorg is de ondersteuning die aan de inwoner wordt toegewezen voor de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is ondersteuning te bieden. Dit wordt onderscheiden van: de maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger de ondersteuning te kunnen laten bieden; en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. Artikel5.9.Mantelzorgwaardering Mantelzorgwaardering is het pakket aan diensten, activiteiten en goederen dat beschikbaar wordt gesteld aan de mantelzorger en dat tot doel heeft die persoon te ondersteunen bij diens hulpverlening aan de zorgvrager en in staat te stellen zich te kunnen blijven ontplooien in zijn/haar maatschappelijk leven. Hoofdstuk6.Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning Artikel6.1.Inleiding Tot een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden behoren alle taken die er op zijn gericht personen een schoon, gestructureerd en leefbaar huishouden te kunnen laten voeren. Deze taken hebben niet alleen betrekking op het (zware en lichte) huishoudelijke werk, maar hebben ook betrekking op het “in staat stellen tot” het voeren van het huishouden, zoals ondersteuning bij de administratie en regie op het huishouden. Daarnaast heeft het resultaat ook betrekking op het functioneren van het huishouden zoals het beschikken over schone kleding, het doen van boodschappen, maaltijdvoorziening en het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot de leefeenheid behoren. Artikel6.2.Doel De maatwerkvoorziening huishoudelijk ondersteuning wordt ingezet met als doel: het realiseren van een schone en veilige situatie in en om de woning; en/of het bevorderen van de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner/mantelzorger. Artikel6.3.Algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen Voor een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden zijn de volgende algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen van toepassing (niet limitatieve opsomming): glazenwasser (buitenzijde); boodschappenservice; wasserij; voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse (kinder)opvang; kinderopvang door grootouders; gastouders; mogelijkheid tot het inzetten van vrijwilligers via het welzijnswerk; maaltijdenservice (zoals tafeltje-dek-je, Apetito), kant-en-klaar of koel-vers-maaltijden; beschikken over een wasmachine en droger; beschikken over een magnetron; hondenuitlaatservice; financieel administratieve ondersteuning. Artikel6.4.Activiteiten Om tot een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden te komen gaat het om activiteiten gericht op: een schoon huis; de noodzakelijke bereiding van maaltijden; de noodzakelijke wasverzorging; de noodzakelijke verzorging van minderjarige kinderen; de dagelijkse organisatie van en regie op het huishouden. Artikel6.4.1.Activiteiten gericht op een schoon huis Het betreft activiteiten die betrekking hebben op wonen in een woning die schoongehouden, opgeruimd en functioneel is, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Het gaat om het lichte en/of het zware huishoudelijke werk. De activiteiten beperken zich tot de gebruiksruimten die voor de inwoner onder diens normale gebruik van de woning vallen. Kamers die niet in gebruik (hoeven
  6. te)zijn vallen hierbuiten. Artikel6.4.2.Activiteiten gericht op noodzakelijke bereiding van maaltijden Hierbij gaat het om activiteiten die er voor zorgen dat een inwoner tweemaal per dag een broodmaaltijd en eenmaal per dag een warme maaltijd kan nuttigen. Er wordt van uitgegaan dat een magnetron aanwezig is. Artikel6.4.3.Activiteiten gericht op de noodzakelijke wasverzorging Onder activiteiten voor de noodzakelijke wasverzorging vallen activiteiten voor het aanwezig zijn van gewassen, opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed en indien (medisch) noodzakelijk gestreken. Artikel6.4.4.Activiteiten gericht op de noodzakelijke verzorging van minderjarige kinderen De zorg voor kinderen die tot de leefeenheid behoren is in eerste instantie een taak van de ouder(s). Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beiden werken opvang voor de kinderen is. Dat kan in beginsel op de manier waarop zij dat willen (bijvoorbeeld een oppasoma of kinderopvang), het is hun eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden tijdelijk opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Artikel6.5.Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning Een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning is gericht op huishoudelijke ondersteuning, waarbij meer nodig is dan een standaard schoon huis. Wanneer een inwoner voldoende heeft aan het resultaat standaard schoon huis, zal hij worden toegeleid naar de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning. De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning kent het onderscheid tussen basis, speciaal en speciaal plus. Artikel6.5.1.Huishoudelijke ondersteuning basis Een inwoner komt in aanmerking voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning basis wanneer: 1) Een of enkele van de volgende factoren bij de onderdelen licht en zwaar huishoudelijke werkzaamheden meespelen: aanwezigheid van kinderen onder de 12 jaar; allergie voor huisstofmijt, COPD: in gesaneerde woning; ernstige beperkingen in gebruik van armen en handen; woning met een hoge bezettingsgraad, of vervuilingsgraad. 2) De volledige verzorging van kleding en linnengoed nodig is. Onderdelen van de verzorging van kleding en linnengoed zijn kleding en linnengoed sorteren en wassen in wasmachine; centrifugeren, ophangen, afhalen; was drogen in droogmachine; vouwen, strijken (alleen bovenkleding) en opbergen. Artikel6.5.2.Huishoudelijke ondersteuning speciaal Een inwoner komt in aanmerking voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning speciaal wanneer: 1) Er sprake is van psychogeriatrische problematiek en/of communicatieproblemen, die de lichte en zware huishoudelijke werkzaamheden bemoeilijken. 2) Dagelijkse organisatie van het huishouden nodig is: -de organisatie van dagelijkse huishoudelijke activiteiten en plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden. 3) Advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden kortdurend (voor maximaal 6 weken) nodig is: instructie met betrekking tot omgaan met hulpmiddelen; instructie met betrekking tot licht huishoudelijk werk; instructie met betrekking tot textielverzorging; instructie bij het boodschappen doen; instructie bij het koken. Artikel6.5.3.Huishoudelijke ondersteuning speciaal plus Iemand komt in aanmerking voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning speciaal plus wanneer de bij de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning speciaal genoemde onderdelen nodig zijn, aangevuld met één of meerdere van de onderstaande activiteiten: begeleiding bij een schoon en leefbaar huis; ondersteunen bij en opbouwen van een sociaal netwerk; mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning. Artikel6.6.Verstrekkingsvorm De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning kan door het college in natura en via een persoonsgebonden budget bereikt worden. Bij een persoonsgebonden budget wordt het bedrag afgegeven als tegenwaarde van de hulp in natura. In het Financieel besluit is de omvang van het persoonsgebonden budget opgenomen. Artikel6.7.Afgeleide aanspraak mantelzorgers Ook bij mantelzorgers kan sprake zijn van problemen met een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden. Dit is een afgeleid recht van de verzorgde, zodat voor de mantelzorger geen zelfstandig recht ontstaat. Dit kan in twee situaties het geval zijn. Bij de eerste situatie komt de mantelzorger aantoonbaar niet toe aan een bijdrage tot een schoon en leefbaar huis van de verzorgde. Dat zou kunnen als gevolg van (dreigende) overbelasting. Dan kan op naam van de verzorgde hulp plaats vinden. De tweede situatie betreft het niet toekomen aan het schoonmaken van het eigen huis. Dan zou de verzorgde in plaats van hulp in natura een pgb kunnen aanvragen en dat kunnen gebruiken om de mantelzorger te betalen, die op zijn beurt met dat geld hulp in eigen huis kan bekostigen. Hoofdstuk7.Maatwerkvoorziening Begeleiding Artikel7.1.Inleiding Dit resultaat is gericht op behoud of verbeteren van zelfredzaamheid en participatie voor inwoners die, al naar gelang de zwaarte van hun beperking, hulp nodig hebben bij diverse activiteiten in hun dagelijkse leven en het organiseren van een ingevulde dag. Het gaat meestal om de ondersteuning en begeleiding bij het laten uitvoeren van deze ‘algemene dagelijkse levensverrichting’ door de inwoner zelf. De noodzaak voor deze vorm van ondersteuning bij het maatschappelijk functioneren doet zich vaak voor bij inwoners met een zintuiglijke of verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek. Een maatwerkvoorziening ten aanzien van dit resultaat kan inhouden dat de inwoner wordt ondersteund bij, of dat een taak wordt overgenomen, maar ook het oefenen met of het aanbrengen van structuur in de dagelijkse activiteiten en het ondersteunen van het voeren van regie rond de dagelijkse activiteiten waaronder het beheren van geld en het voeren van de administratie hoort daar bij. Artikel7.1.1.Dagelijkse activiteiten en ingevulde dag Tot de dagelijkse activiteiten en een ingevulde dag kunnen alle activiteiten behoren die noodzakelijkerwijs moeten gebeuren, die niet op het vlak van de persoonlijke verzorging liggen en niet tot een ander resultaat, zoals opgenomen in artikel 3.2 van deze beleidsregels, behoren. Zo kan het gaan om de behandeling van post, om de financiële administratie of om het veranderen van iemands lichaamspositie of om het regelmatig doorspreken van activiteiten met de inwoner zodat deze weer weet wat hij of zij doen moet. De dagelijkse activiteiten vinden over het algemeen in de woning van de inwoner plaats. Om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen is het van belang dat een inwoner over een ingevulde dag kan beschikken. Voor veel mensen is het hebben van een ingevulde dag heel gewoon. Vanaf 4 jaar bezoekt een ieder het onderwijs, na het onderwijs vinden de meeste mensen werk, als er niet meer gewerkt hoeft te worden zijn veel mensen uitstekend in staat hun dag te vullen. Het is niet mogelijk een lijst te geven van dagelijkse activiteiten die onder dit resultaat vallen, omdat dit te beperkend zou zijn. Uitgangspunt is dat alle dagelijkse zaken die nodig zijn om zelfstandig in een zelfstandige woonsituatie te kunnen functioneren en een ingevulde dag te hebben kunnen daar onder vallen, mits zij niet onder een andere wettelijke regeling of onder een ander resultaat vallen. Artikel7.2.Eigen verantwoordelijkheid Het college wijst in eerste instantie een inwoner op de eigen verantwoordelijkheid om tot een oplossing te komen. De vraag doet zich dan ook voor of een inwoner de activiteiten kan leren zelf te doen. Of de vraag kan zijn of er hulpmiddelen zijn waarmee iemand de dagelijkse activiteiten zelf kan doen. Is dat mogelijk, dan hoeft voor dat onderdeel geen maatwerkvoorziening verstrekt te worden. Dat geldt ook als men in staat is zelf voor een daginvulling te zorgen. Denk bijvoorbeeld aan het doen van vrijwilligerswerk, het zoeken van een passende hobby of het bezoeken van (welzijns)activiteiten die georganiseerd worden. Artikel7.3.Gebruikelijke hulp Zijn er geen mogelijkheden dat een inwoner de dagelijkse activiteiten zelf kan doen of zelf in staat is een voor daginvulling te zorgen, dan wordt beoordeeld of er is sprake is van gebruikelijke hulp. De vraag is hoe vaak dat voorkomt en of het mogelijk is op die momenten de ondersteuning die nodig is te krijgen van de aanwezige huisgenoot of huisgenoten. Dit moet concreet worden geïnventariseerd. Er mag van uitgegaan worden dat het algemeen gangbaar is dat huisgenoten elkaar helpen met de dagelijkse activiteiten, maar niet met een ingevulde dag. Als deze activiteiten kortdurende ondersteuningsvragen zijn, hoeft het geen probleem te zijn voor huisgenoten. Zo nodig zal beoordeeld moeten worden wat wel en wat niet in redelijkheid van huisgenoten gevraagd kan worden. Voor de criteria met betrekking tot gebruikelijke hulp wordt verder verwezen naar bijlage 3. Artikel7.4.Voorliggende voorzieningen Als er een indicatie is voor de Wet langdurige zorg is er in die situaties geen aanleiding een maatwerkvoorziening te treffen. De Zorgverzekeringswet, die verantwoordelijk is voor persoonlijke verzorging, is een andere voorliggende voorziening. Met name als het gaat om het veranderen van lichaamspositie. Er moet wel beoordeeld worden wat vanuit de Zorgverzekeringswet mogelijk is. Wat buiten die momenten valt, blijft voor de Wmo. Niet wettelijk voorliggende voorzieningen kunnen zijn budgetbeheer, budgetbegeleiding, vrijwillige schuldhulp en/of vrijwillige schuldhulpverlening en zogenaamde formulierenbrigades, hulp via vakverenigingen en ouderenorganisaties et cetera. Artikel7.5.Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een algemeen gebruikelijke voorziening bij het voeren van een (financiële) administratie kan een computer zijn, voor een blinde eventueel met een braille-leesregel. Daarvoor is wel noodzakelijk dat men een computer kan bedienen. Artikel7.6.Algemene voorzieningen Het college beoordeelt of er algemene voorzieningen zijn. Artikel7.7.Maatwerkvoorziening begeleiding De maatwerkvoorziening begeleiding is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de inwoner opdat hij zolang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. De maatwerkvoorziening begeleiding kent de volgende producten: Begeleiding groep basis (A/B) Begeleiding groep speciaal (A/B) Begeleiding individueel basis Begeleiding individueel speciaal Artikel7.7.1.Begeleiding groep Groepsbegeleiding is voorliggend op individuele begeleiding. Artikel7.7.1.1.Begeleiding groep basis Bij Begeleiding groep basis gaat het om inwoners met een psychiatrische achtergrond, een licht verstandelijke beperking of is een oudere met beperkingen. Voorbeelden van begeleiding groep basis zijn de dagbestedingsgroepen voor ouderen en dagactiviteitencentrum voor mensen met psychiatrische problematiek. De activiteiten in groepsverband zijn gericht op ondersteuning bij dagbesteding, handhaven en bevorderen zelfstandig functioneren, voorkomen van sociaal isolement, verlichting van de mantelzorger en voorkomen van achteruitgang bij cliënt van fysieke, cognitieve en/of sociaal-emotionele vaardigheden. Begeleiding groep basis A: Doelgroep ouderen met (licht somatische) beperkingen Begeleiding groep basis B: Doelgroep cliënten met psychiatrische en/of verstandelijke beperkingen Artikel7.7.1.2.Begeleiding groep speciaal Bij Begeleiding groep speciaal gaat het om forse problematiek door somatische aandoeningen of een psychogeriatrische stoornis (waarbij dementie is vastgesteld). Voorbeelden van Begeleiding groep speciaal zijn de ontmoetingscentra dementie en dagbehandeling. Het aanbod bij Begeleiding groep speciaal onderscheidt zich van het aanbod bij Begeleiding groep basis door de inzet van een hoger opgeleide medewerker in aansluiting op de forsere problematiek van de cliënt en een kleinere groepsomvang. Bovendien worden bij dit aanbod meer eisen gesteld aan de faciliteiten die in de ruimte aanwezig zijn. Begeleiding groep speciaal A: Doelgroep ouderen met zware somatische beperkingen en/of dementie Begeleiding groep speciaal B: Doelgroep cliënten met lichamelijk handicap of matige dan wel ernstige verstandelijke beperking Artikel7.7.2.Intensiteit begeleiding groep Bij Begeleiding groep bestaan twee intensiteiten, te weten intensiteit 1 (normaal: 0-24 dagdelen per periode van vier weken) en intensiteit 2 (intensief: 24-36 dagdelen per periode van vier weken). Onder een dagdeel wordt minimaal 3,5 uur verstaan. Intensiteit 1 is de standaard intensiteit. Intensiteit 2 betekent een hogere tijdsinzet van ondersteuning en zal worden ingezet als de doelen bij de cliënt niet binnen de maximale uren/dagdelen van de normale intensiteit kunnen worden bereikt. Artikel7.7.3.Vervoer begeleiding groep Wanneer een inwoner niet in staat is zelfstandig te reizen of op eigen kracht naar de dagbesteding te reizen (fiets, openbaar vervoer, etc.) en dat niet kan worden geleerd, kan een indicatie voor vervoer naar dagbesteding als worden toegekend. Het betreft een vast tarief. De indicatie voor dit betreffende vervoer maakt deel uit van de indicatie voor Begeleiding groep. Artikel7.7.4Begeleiding individueel Begeleiding individueel is aan de orde als de doelen bij cliënt niet worden bereikt met groepsbegeleiding, bijvoorbeeld omdat een inwoner thuis begeleiding nodig heeft. Binnen begeleiding individueel wordt In de regel wordt onderscheid gemaakt tussen basis en speciaal. Artikel7.7.4.1Begeleiding individueel basis Bij Begeleiding individueel basis gaat het om inwoners met somatische aandoeningen, psycho-sociale beperkingen, licht psychiatrische beperkingen, lichamelijke beperkingen en/of een verstandelijke beperking. De activiteiten bij Begeleiding individueel basis zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid die strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing. Verder kan het gaan om ondersteuning bij beperkingen op het vlak van zelfregie over het dagelijks leven. Artikel7.7.4.2.Begeleiding individueel speciaal Bij Begeleiding individueel speciaal gaat het om inwoners met niet aangeboren hersenletsel (NAH) of ernstige psychiatrische problematiek. Het is alleen aan de orde als gespecialiseerd begeleiding noodzakelijk is vanwege ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen dan wel ernstig regieverlies als gevolg van NAH of psychiatrische problematiek. Het aanbod bij Begeleiding individueel speciaal onderscheid zich van het aanbod bij begeleiding individueel basis door de inzet van een medewerker met specifieke vaardigheden en/of deskundigheid in verband met ernstige tekort schietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen/zwaar regieverlies als gevolg van NAH of psychiatrische problematiek. Naast praktische begeleiding en ondersteuning bij het dagelijks leven, wordt ook ondersteuning geleverd voor het omgaan met de beperking. In individuele gevallen kan ook een inwoner met multiproblematiek vanwege bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld een beperkt probleeminzicht, risico van zorgmijding) en bij afwezigheid van andere ondersteuning (tijdelijk) onder begeleiding individueel speciaal vallen. Artikel7.8.Resultaatgebieden Er zijn vijf resultaatsgebieden bij maatwerkvoorziening begeleiding: Begeleiden bij een schoon en leefbaar huis Ondersteunen bij en opbouwen van sociaal netwerk inwoner; Ondersteuning bij onderwijs/arbeidsparticipatie/dagbesteding; Mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning; Ondersteunen bij zelfzorg. Ad 1) Resultaatgebied: Begeleiden bij een schoon en leefbaar huis -de inwoner is in staat taken uit te voeren die leiden tot een schoon en leefbaar huis Ad 2) Resultaatgebied: Ondersteuning bij en het opbouwen van sociaal netwerk inwoner de inwoner heeft een gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende sociale rol. de inwoner is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar sociaal netwerk de inwoner kan eigen problematiek in relatie tot sociaal netwerk hanteren bij bemoeizorg: cliënt staat open voor opbouw sociaal netwerk NB. Bij bemoeizorg en geïsoleerde inwoners zonder een sociaal netwerk is het resultaat ‘Inwoner heeft een gezond sociaal netwerk’ een brug te ver. Het gaat hier om het opbouwen van een sociaal netwerk met als achterliggende doelstelling mensen uit isolement of uit ‘verkeerde/foute sociale omgeving’ te halen. Ad 3) Resultaatgebied: Ondersteuning bij onderwijs/arbeidsparticipatie/ dagbesteding de inwoner volgt een opleiding. de inwoner heeft een zinvolle dagbesteding; de inwoner heeft onbetaald werk met ondersteuning; de inwoner heeft onbetaald werk zonder ondersteuning; de inwoner heeft betaald werk met ondersteuning; de inwoner heeft betaald werk zonder ondersteuning. Ad 4) Resultaatgebied: Mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning (alleen in combinatie met een van de eerdergenoemde drie resultaten). de draagkracht en draaglast van de mantelzorger is in balans; vrijwilliger/mantelzorger is ondersteund; sociaal netwerk is ondersteund. Ad 5) Resultaatgebied: Ondersteunen bij zelfzorg inwoner is in staat zichzelf te verzorgen; inwoner draagt schone kleding; inwoner ziet er verzorgd uit; inwoner komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na. Artikel7.9.Activiteiten De zorgaanbieder kan een of meer van de volgende activiteiten uitvoeren binnen de in artikel 7.8 genoemde resultaatsgebieden: Het oefenen of ondersteunen bij het oefenen met vaardigheden of handelingen. en gebruik hulpmiddelen voor communicatie, stimuleren van wenselijk gedrag, inslijpen van gedrag. Het kan hierbij gaan om: Hulp bij uitvoeren of overnemen van eenvoudige of complexe taken/activiteiten, of bij oplossen van praktische problemen die buiten de dagelijkse routine vallen. Hulp bij het leren omgaan met geld. Hulp bij openbaar vervoer gebruik (alleen in de zin van oefenen). Hulp bij of overnemen van post openmaken, voorlezen en regelen afhandeling praktische zaken. (
  7. e)Instructie bij en/of het toezien op zelfzorg/persoonlijke verzorging. Hulp bij plannen en stimuleren van contact in persoonsgebonden sociale omgeving. Hulp bij communicatie in de persoonsgebonden omgeving bij bijvoorbeeld afasie. Oefenen van de mantelzorger/gebruikelijke zorger/vrijwilliger hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de Inwoner. Het oefenen of ondersteunen bij het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur of het voeren van regie. Het kan hierbij gaan om: Hulp bij initiëren of compenseren van eenvoudige of complexe taken, besluiten nemen en gevolgen daarvan wegen. Hulp bij het regelen van randvoorwaarden op het gebied van wonen, onderwijs, werk, inkomen, iets kopen/betalen, het stimuleren tot en voorbereiden van een gesprek met dit type instanties. Hulp bij plannen, stimuleren en (voor)bespreken van activiteiten. Hulp bij het initiëren of compenseren van op/bijstellen van dag/weekplanning, dagelijkse routine. Inzicht geven in (mogelijke) gevolgen van besluiten. Hulp bij zich aan regels, afspraken houden, corrigeren van besluiten of gedrag. Het overnemen van toezicht en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis, thuis of elders. Coördinatie en/of regie bij Inwoners waarbij dementie is gediagnostiseerd en waarbij er geen aanspraak gemaakt kan worden op casemanagment via de Zorgverzekeringswet. Het overnemen van toezicht gericht op het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig in kan worden gegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte en medicijngebruik. Het aansturen van gedrag met ernstige tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen (dagelijkse bezigheden regelen, besluiten nemen, plannen en uitvoeren taken, beheerszaken regelen, communicatie sociale relaties, organisatie van het huishouden, persoonlijk zorg). Het begeleiden in verband met ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen (dagelijkse bezigheden regelen, besluiten nemen, plannen en uitvoeren van taken, beheerszaken regelen, communicatie, sociale relaties, organisatie van de huishouding, persoonlijke zorg). Het begeleiden bij sociaal-emotionele problematiek die samenhangt met de stoornis. Instructie bij persoonlijk verzorging. Het begeleiden bij de mogelijke integratie in de samenleving en de sociale participatie (bijvoorbeeld hulp bij de opbouw van een sociaal netwerk) met als doel zelfredzaamheid. Het begeleiden bij de mogelijke integratie in de samenleving, met extra aandacht voor ontwikkeltrajecten op het vlak van wonen, werken, sociaal netwerk (doelgericht toepassen van methoden van casemanagement). Communicatietraining aan auditief beperkten en/of en van het sociale netwerk. Het begeleiden bij onderwijs, arbeidsmatige dagbesteding (activiteiten met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst, afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de Inwoner). Het begeleiden bij “activering” (activiteiten gericht op zinvol besteden van de dag, aangepast aan mogelijkheden en interesse van de Inwoner, waaronder handvaardigheid, expressie, beweging, belevingsactiviteiten). Het begeleiden bij “activering, individueel belevingsgericht” (belevingsgerichte activiteiten op een eenvoudig niveau met extra aandacht voor sfeer, geborgenheid, veiligheid, ritme en regelmaat Artikel7.10.Specialistische begeleiding bij personen met een zintuiglijke beperking Bij de ondersteuning aan inwoners met een zintuiglijke beperking gaat het om specialistische ondersteuning. Het gaat om ondersteuning waarvoor geldt dat er een gering aantal inwoners gebruik van maakt, er een beperkt aantal aanbieders voor is en de inhoud van het aanbod zeer specialistisch is. Artikel7.10.1.Landelijke inkoop specialistische begeleiding De VNG heeft, in afstemming met het ministerie van VWS, landelijke inkoopafspraken voor de specialistische ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking tot stand gebracht. Deze afspraken zijn opgenomen in een raamovereenkomst tussen gemeenten en aanbieders van specialistische begeleiding betreffende mensen met een zintuiglijke beperking. De raamovereenkomst gaat over de inhoud van de ondersteuning en de afgesproken werkwijze tussen de gemeenten en aanbieders. Het college moet beoordelen of de beperkingen van de betreffende inwoner onder deze landelijke afspraken valt. Zo ja, dan heeft het college geen ‘aparte’ ondersteuningsplicht. Het college geeft de beschikking af voor de specialistische begeleiding. Voor de doelgroep is een (landelijk) programma van eisen vastgesteld. Het gaat om: Specialistische begeleiding voor doofblinde volwassen; Specialistische begeleiding voor visueel volwassenen; Specialistische begeleiding voor vroegdove volwassen. Artikel7.10.2.Doventolk Het college is gehouden om een maatwerkvoorziening te verlenen aan de inwoner voor zover het ondersteuning betreft die niet is opgenomen in de landelijke inkoop afspraken én de inwoner vanwege de mate van zelfredzaamheid is aangewezen op deze specialistische vorm van maatschappelijke ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een doventolk bij het voeren van een gesprek in de normale leefsituatie zoals een bezoek aan huisarts of specialist, een notaris, de kerk, een conferentie of een ouderavond op school. Artikel7.11.Afgeleide aanspraak mantelzorgers Het resultaatgebied mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning betreft een afgeleide aanspraak op begeleiding. Het kan daarbij specifiek gaan om het omgaan met de beperkingen van de persoon waar de mantelzorg geleverd wordt. Een maatwerkvoorziening daarvoor wordt afgegeven op naam van de persoon die de mantelzorg ontvangt. Hoofdstuk8.Maatwerkvoorziening woonvoorziening Artikel8.1.Inleiding Het te bereiken resultaat ”wonen in een geschikte woning” omvat de elementaire woonfuncties. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich horizontaal en verticaal verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Er wordt geen rekening gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen worden, als de inwoner deze noodzakelijk en regelmatig gebruikt. Artikel8.2.Eigen verantwoordelijkheid Uitgangspunt is dat iedere inwoner zelf zorg dient te dragen voor een geschikte woning. Daarbij mag er vanuit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Als de problemen een gevolg zijn van een verhuizing naar een niet geschikte woning (al dan niet vanuit een geschikte woning) en er zijn geen belangrijke redenen, zoals een medische noodzaak of de nabijheid van mantelzorg of sociale problematiek, voor de verhuizing, is de inwoner zelf verantwoordelijk voor het realiseren van een oplossing voor deze problemen. Wanneer de ondervonden problemen in de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen of uit de slechte staat van onderhoud van de woning is het oplossen van deze problemen de verantwoordelijkheid van de inwoner. Artikel8.3.Algemeen gebruikelijke voorzieningen Voor het resultaat “wonen in een geschikte woning” geldt dat dit gerealiseerd kan worden met de algemeen gebruikelijke voorzieningen uit bijlage 1. Een inwoner is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf, en eventuele montage van deze voorzieningen, tenzij tijdens het onderzoek is gebleken dat een inwoner daar niet toe in staat kan worden geacht. Niet relevant is of men gebruik wil maken van eigen mogelijkheden of van een algemeen gebruikelijke of voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de eigen mogelijkheden dan wel voorliggende of algemeen gebruikelijke voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk, te weten een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Artikel8.4.Plotselinge noodzaak Bij plotselinge noodzaak gaat het om problemen met de geschiktheid van de woning die onverwacht zijn ontstaan, doordat een inwoner op een bepaald moment, zonder dat dit op basis van leeftijd te verwachten is, geconfronteerd wordt met een beperking met consequenties voor de geschiktheid van de woning. Artikel8.5.Zelfstandige woonruimte Een zelfstandige woning kan zowel een gekochte woning als een huurwoning zijn. Voorwaarde is dat het een zelfstandige woonruimte betreft. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van woning. De woonwagen/de woonboot mag niet ouder zijn dan tien jaar en moet een technische levensduur hebben van nog minimaal vijf jaar, vastgesteld door een taxateur. De woonwagen/de woonboot moeten daarnaast nog minimaal vijf jaar op de standplaats/ligplaats kunnen blijven staan dan wel liggen. Tenslotte moet de woonwagen ten tijde van de melding en het onderzoek bij de gemeente op de standplaats staan en moet de hoofdbewoner van de woonwagen in het bezit zijn van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Huisvestingswet. Artikel8.6.Primaat van verhuizen Als blijkt uit het onderzoek dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om het probleem op te lossen beoordeelt het college eerst of het resultaat “wonen in een geschikte woning” ook te bereiken is via een verhuizing. Dit gebeurt in ieder geval indien de individuele maatwerkvoorziening het bedrag van € 10.000,- overstijgt. Hierbij zullen tenminste de volgende aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een nieuwe woning beschikbaar komt (in verband met de medisch en sociaal verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de inwoner en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Hierbij kunnen de volgende aspecten aan de orde komen: gevolg van de verhuizing op de reisafstand voor de mantelzorger; frequentie van mantelzorg (aantal keren per dag of per week); gevolg van de verhuizing op het sociaal netwerk (het verdwijnen/verkleinen van het sociale netwerk als gevolg van een verhuizing betekent vaak lastenverzwaring voor de mantelzorger). Artikel8.6.1.Tijdelijke maatwerkvoorzieningen Het aanbrengen van eenvoudige, tijdelijke maatwerkvoorzieningen is mogelijk als de situatie in de huidige woning zodanig is, dat er per direct enige aanpassingen noodzakelijk zijn. Indien er direct grote aanpassingen nodig zijn en de verwachting is dat een nieuwe woning niet direct beschikbaar komt, dan dient opnieuw een afweging tussen aanpassen en verhuizen plaats te vinden. Artikel8.6.2.Financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten bij primaat van verhuizen Als het primaat van verhuizen van toepassing is, kan het college, zonder aparte aanvraag, een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten verstrekken. Bij beoordeling van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend. Artikel8.7.Maatwerkvoorziening voor wonen in een geschikte woning De maatwerkvoorziening moet er zorg voor dragen dat de inwoner zich in, om en nabij zijn woning zodanig kan redden zodat normaal, of in ieder geval acceptabel, functioneren mogelijk is. Het gaat hierbij dus om alle verplaatsingen die nodig zijn voor een normaal gebruik van de woning. Bij het normale gebruik van de woning horen ook verplaatsingen naar een centrale hal in een flat, waar veelal de brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon. Wat het balkon betreft moet het mogelijk zijn daar te komen, de inrichting van het balkon is een eigen verantwoordelijkheid. Artikel8.7.1.Bouwkundige en niet bouwkundige maatwerkvoorzieningen Als het gaat om het wonen in een geschikte woning kan het college zowel bouwkundige als niet-bouwkundige, evenals losse en nagelvaste, maatwerkvoorzieningen verstrekken. Uitgangspunt is daarbij dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. Het is niet zo dat een gemeente voor een woning moet zorgen. De maatwerkvoorzieningen kunnen nieuw of gebruikt zijn. Het is niet zo dat de maatwerkvoorziening altijd een nieuwe voorziening moet zijn. Bij grotere bouwkundige aanpassingen moet worden gewerkt met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden conform het gemeentelijk inkoopbeleid. Artikel8.7.2.Specifieke criteria ten aanzien van een maatwerkvoorziening voor wonen in een geschikte woning 1.In aanvulling op de algemene criteria voor een maatwerkvoorziening kan een inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening als hij: aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen, of een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis, met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen. 2.Een inwoner met beperkingen kan alleen voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. 3.Een maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als de inwoner zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de maatwerkvoorziening wordt getroffen. 4.Er worden geen maatwerkvoorzieningen verstrekt voor: het aanpassen van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; het aanpassen van, specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel maatwerkvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen. 5.De aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan in ieder geval worden geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op maatwerkvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het gebouw te bereiken zijn met een rolstoel; het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders; het aanbrengen van een trapleuning bij een portiekwoning; het plaatsen van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het gebouw; de inwoner verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud of is ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld. Artikel8.8.Eigenaar maatwerkvoorziening De kosten van een maatwerkvoorziening in de vorm van een bouwkundige aanpassing worden uitbetaald aan de eigenaar van de woning. De beschikking wordt verstuurd aan de inwoner aan wie de maatwerkvoorziening wordt verstrekt, met een afschrift aan de eigenaar. In overleg met de Woningbouwvereniging kan hiervan worden afgeweken. Artikel8.9.Gestegen woningwaarde als gevolg van een maatwerkvoorziening Indien een maatwerkvoorziening is verstrekt in de vorm van een uitbouw aan de woning, die eigendom is van de inwoner, kan er vanuit worden gegaan dat de woning in waarde is gestegen. Daarom dienen de door het college gesubsidieerde kosten bij verkoop van de woning te worden terugbetaald volgens een afschrijvingsschema dat is opgenomen in het Financieel besluit. Artikel8.10.Bezoekbaar / logeerbaar maken van de woning voor inwoners van een instelling De situatie waarbij de inwoner in een instelling verblijft en er een maatwerkvoorziening aangevraagd wordt voor het bezoekbaar maken van de woning van ouders of van de partner is een uitzonderingssituatie. Er is dan weliswaar sprake van één hoofdverblijf, namelijk de instelling, maar er wordt ook één woning zeer regelmatig bezocht, namelijk de woning van ouders of van de partner. De ondersteuningsplicht gaat hier in beginsel niet verder dan dat de inwoner de woonruimte, de woonkamer, een slaapvoorziening (kan bed in woonkamer zijn) en het toilet moet kunnen bereiken en gebruiken. Artikel8.11.Verstrekkingsvorm Het college kan een maatwerkvoorziening voor wonen in een geschikte woning verstrekken in natura en via een persoonsgebonden budget. Bij een persoonsgebonden budget wordt het bedrag afgegeven als tegenwaarde van de ondersteuning in natura. Dit kan vastgesteld worden aan de hand van prijslijsten in natura, maar ook op offertebasis (complexe aanpassingen). Artikel8.12.Onderhoud, keuring en reparatie maatwerkvoorzieningen voor wonen in een geschikte woning Indien het college wettelijk verplicht is een maatwerkvoorziening voor wonen in een geschikte woning te onderhouden en te repareren kunnen deze vergoed worden. Dat deze kosten onderdeel uitmaken van de maatwerkvoorziening wordt vermeld in de beschikking. Het gaat daarbij alleen om voorzieningen waarbij de gemeente verplicht is om de technische staat te keuren en te onderhouden, zoals een traplift of plafondlift. Bij het bepalen van de hoogte van de maatwerkvoorziening, kunnen alleen de werkelijk gemaakte reële kosten van keuring en onderhoud en reparatie voor vergoeding in aanmerking komen. Hierbij wordt ook de afweging gemaakt of het verwijtbare/ te voorkomen kosten betreft. De kosten worden op declaratiebasis, indien het incidentele kosten betreft met toestemming van het college vooraf, toegekend. Indien een maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget is verstrekt, zijn de kosten van keuring en onderhoud en/of reparatie in het persoonsgebonden budget als instandhoudingskosten meegenomen. Artikel8.13.Verwijderen maatwerkvoorzieningen Er kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt in de vorm van een vergoeding voor het verwijderen van een ingrijpende woningaanpassing, die op grond van de Wmo is verstrekt, als de woonruimte in de huidige staat niet opnieuw verhuurbaar of verkoopbaar is. De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de werkelijk gemaakte reële kosten. Artikel8.14.Woningsanering Er kan eenmalig een maatwerkvoorziening voor het wonen in een geschikte woning in de vorm van een woningsanering worden verstrekt. Hiervoor gelden wel een aantal voorwaarden. Er is een acute noodzaak voor woningsanering, vanwege klachten aan de luchtwegen in verband met een allergie voor huisstof of huisstofmijt, vastgesteld. Deze noodzaak dient door middel van een bericht van een longverpleegkundige te worden aangetoond. De aanvraag voor de woningsanering moet zijn aangevraagd binnen één jaar nadat voor de eerste maal de allergie voor huisstofmijt is vastgesteld. Bij de aanschaf van de huidige vloer- en raambedekking is geen sprake van een (verwachte) noodzaak tot woningsanering en mag de huidige woning niet eerder door de inwoner op grond van de Wet of andere wet- en regelgeving zijn gesaneerd. Artikel8.15.Belang mantelzorgers Bij het bepalen van een maatwerkvoorziening in de vorm van bouwkundige woonvoorzieningen moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Artikel8.15.1.Mantelzorgwoning Als sprake is van een voornemen tot realisatie van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde(
  8. n)had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen et cetera. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Voor de plaatsingskosten van de mantelzorgwoning wordt geen subsidie verleend. Hoofdstuk9.Maatwerkvoorziening rolstoelvoorziening Artikel9.1.Inleiding Een maatvoorziening in de vorm van een rolstoelvoorziening is bedoeld om een inwoner in staat te stellen zich in en om de woning zittend te verplaatsen. Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning en om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Onder het verplaatsen in de woning wordt verstaan dat een inwoner in staat moet zijn de woonkamer, het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de douche, de berging indien daar noodzakelijk en regelmatig gebruik van wordt gemaakt, de tuin of het balkon te kunnen bereiken en er zich zodanig te kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk is. De maatwerkvoorziening kan nieuw of gebruikt zijn. Artikel9.2.Aanvullende criteria In aanvulling op de onder artikel 3.8. genoemde algemene criteria voor individuele maatwerkvoorzieningen gelden voor rolstoelen nog een aantal specifieke criteria. Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om inwoners die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal zo nodig via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Hierbij is bepalend dat de verleende mantelzorg relevant en substantieel is. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verstrekt kan worden. De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. Deze wordt gezien als een maatwerkvoorziening bedoeld om deel te nemen aan recreatieve activiteiten. Artikel9.3.Incidenteel rolstoelgebruik Slechts in uitzonderlijke gevallen kan een rolstoel voor incidenteel gebruik worden verleend indien een inwoner zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de korte vervoersafstanden. Het gaat dan om inwoners die rolstoelafhankelijk zijn. Dat wil zeggen dat er sprake is van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is doorgaans niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Afhankelijk van de aard van het gebruik wordt eerst beoordeeld of gebruik gemaakt kan worden van een rolstoel van de uitleen (thuiszorgwinkel) of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn (bijvoorbeeld in ziekenhuizen, pretparken). Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop de inwoner is aangewezen om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Artikel9.4.Verstrekkingsvorm Het college kan een voorziening verstrekken in de vorm van een in natura voorziening of een persoonsgebonden budget. Artikel9.4.1.Persoonsgebonden budget -Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die de inwoner zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen. -De gemeente hanteert een gebruiksduur van 7 jaar voor een rolstoel. -De inwoner is verplicht om gedurende de gebruiksduur de via het persoonsgebonden budget aangeschafte rolstoel voldoende te laten onderhouden. -De inwoner is verplicht om gedurende de gebruiksduur voor de via het persoonsgebonden budget aangeschafte elektrische rolstoel een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten. -De gemeente vergoedt alleen de werkelijk gemaakte kosten van de aanschaf van de rolstoel op basis van aankoopbewijs of vooruitbetaald op basis van een offerte. Hierbij gelden als maximum de in het Financieel besluit 2016 opgenomen bedragen voor de aanschaf en inclusief standaard fabrieksopties en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering. -De meerkosten die verband houden met noodzakelijke individuele aanpassingen aan de rolstoel worden voor 100% vergoed. Artikel9.4.Restwaarde rolstoel Indien vaststaat dat de inwoner de rolstoel niet meer gebruikt, is hij gehouden de restwaarde ervan te vergoeden. Bij overlijden van de inwoner binnen de gebruiksduur van de voorziening rust deze verplichting op de erfgenamen van de inwoner. Indien vanwege medische redenen binnen 7 jaar opnieuw een persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt aangevraagd, dan wordt deze eventueel verstrekt onder inhouding van het bedrag van de restwaarde van de eerder verstrekte rolstoel. Indien de inwoner aan wie een persoonsgebonden budget voor een rolstoel is toegekend, binnen 7 jaar verhuist, dan wordt het bedrag van de restwaarde van de eerder verstrekte rolstoel gevorderd, tenzij de gemeente van de nieuwe woonplaats de verstrekking overneemt. De restwaarde van de rolstoel wordt bepaald op basis van een in het Financieel besluit 2016 opgenomen percentage. Hoofdstuk10.Maatwerkvoorziening vervoersvoorziening Artikel10.1.Inleiding De maatwerkvoorziening vervoer zal ingezet worden wanneer een inwoner geen gebruik kan maken van het regulier- en het aanvullend openbaar vervoer. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, is afhankelijk van de individuele situatie. Bij maatwerkvoorzieningen voor vervoer moet worden gedacht aan scootmobielen, driewielfietsen en de Regiotaxi. Ook de voorziening voor de reguliere individuele (rolstoel)taxi of eigen auto, die kan worden vergoed als de Regiotaxi geen of onvoldoende compensatie kan bieden, behoort tot deze categorie. Deze vergoeding wordt op declaratiebasis verstrekt. Andere voorbeelden van mogelijke voorzieningen zijn een financiële tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de eigen auto of ander verplaatsingsmiddel en, in uitzonderlijke gevallen, een auto of een gesloten buitenwagen. Artikel10.2.Gemiddelde vervoersbehoefte De omvang van de maatwerkvoorziening voor vervoer bedraagt tenminste 1500 kilometer per jaar. Dit betekent niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het kan voorkomen dat er een grotere of kleinere vervoersbehoefte bestaat. Van belang is allereerst vast te stellen of er een realistische vervoersbehoefte is, gezien de medische, maar ook gezien de financiële situatie van de inwoner. Artikel10.2.1.Aanpassing omvang bij grotere vervoersbehoefte Een aanpassing van de omvang van de maatwerkvoorziening voor vervoer kan bijvoorbeeld plaatsvinden in situaties waarbij het vervoer noodzakelijk zo frequent is (bijvoorbeeld bij intensieve medische behandeling of een partner die in een verpleeghuis verblijft) dat het beschikbaar gestelde vervoer bijna geheel aan dit vervoer gebruikt zou worden. In deze situatie kan een aanvullende maatwerkvoorziening worden geboden in de vorm van extra vervoer. Artikel10.2.2.Aanpassing omvang bij combinatie met andere vervoersvoorziening Als gebruik wordt gemaakt van een andere verstrekte maatwerkvoorziening voor vervoer zoals een scootmobiel, dan wel van een eigen verplaatsingsmiddel kan een aanpassing plaatsvinden in de toegekende omvang van de maatwerkvoorziening. Het aantal kilometers kan worden verlaagd, afhankelijk van de mate waarin het andere verplaatsingsmiddel in de vervoersbehoefte voorziet. Indien een partner aanwezig is met eenzelfde vervoersvoorziening of ander individueel vervoer, kan een aanpassing plaatsvinden in de toegekende omvang van de maatwerkvoorziening, afhankelijk van de gezamenlijke vervoersbehoefte. Tenslotte kan een aanpassing plaatsvinden in de toegekende omvang van de maatwerkvoorziening indien het gaat om een vervoersvoorziening voor kinderen. Kinderen hebben een andere vervoersbehoefte dan volwassenen en hebben geen volledige zelfstandige vervoersbehoefte. Artikel10.3.Directe leefomgeving Als leefomgeving in het kader van het vervoeren en verplaatsen wordt een afstand van 15 tot 20 kilometer rondom de woning als redelijk aangemerkt. Wel is het zo dat de inwoner een minimaal aantal basisvoorzieningen moet kunnen bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld een NS-station met dienstverlening, winkels voor het doen van boodschappen, artsen, paramedici of specialisten en een ziekenhuis. De ondersteuningsplicht van het college is gericht op de leefomgeving waarin bovengenoemde voorzieningen te bereiken zijn. Verder kan de vervoersvoorziening worden toegekend om betrokkene de mogelijkheid te bieden bestemmingen te bereiken waar men contact heeft met medemensen en/of deel kan nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken van kerkdiensten, het deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het volgen van cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen. Bij dreigend sociaal isolement kan de vervoersvoorziening worden afgegeven voor reizen buiten de directe woon- en leefomgeving. Artikel10.4.Voorliggende voorzieningen Het college houdt tijdens het gesprek en het onderzoek rekening met de mogelijkheden om de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie op het gebied van vervoeren en verplaatsen rekening met voorliggende voorzieningen. Artikel10.4.1.Vervoer in het kader van betaalde arbeid Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een vervoermiddel gemaakt moeten worden in verband met betaalde arbeid en regulier onderwijs. Heeft men voor dit vervoer een aparte voorziening nodig, die verder gaat dan de normale voorziening voor het verplaatsen in het kader van het leven van alledag, dan kan deze voorziening vergoed worden vanuit de voorzieningen ten behoeve van werken: zoals de Wia of via de werkgever. Artikel10.4.2.Vervoer in het kader van onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van het leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap. In het kader van de Wet passend onderwijs worden scholen (waarschijnlijk) verantwoordelijk voor het vervoer. Artikel10.4.3.Vervoer in het kader van dagbesteding Vervoer naar en van dagbesteding is opgenomen in de maatwerkvoorziening Begeleiding groep (zie artikel 7.7.3.). Artikel10.4.4.Ziekenvervoer via de Zorgverzekeringswet (Zvw) Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de inwoner onder de doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen) of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. Artikel10.4.5.Vervoer in het kader van ontspanning en recreatie Het college heeft geen ondersteuningsplicht als de ondersteuningsbehoefte enkel bestaat uit verplaatsingen en vervoer gericht op recreatie en ontspanning.. Te denken valt hierbij aan bewoners van een Wlz-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen. Artikel10.5.Valysregeling Wanneer een inwoner een vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 5 zones openbaar vervoer vanaf het woonadres van de inwoner of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 5 zones openbaar vervoer vanaf het woonadres van de inwoner (met andere woorden: buiten de directe woon- en leefomgeving) kan het vervoer geregeld worden met de Valysregeling. Voordat gebruik gemaakt kan worden van de Valysregeling zal de inwoner hiervoor een pas moeten aanvragen. Artikel10.6.Algemeen gebruikelijke voorzieningen Voor het resultaat “de mogelijkheid om te verplaatsen, vervoeren en sociale contacten aan te gaan ” geldt dat dit gerealiseerd kan worden met de algemeen gebruikelijke voorzieningen uit bijlage 1. Een inwoner is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van deze voorzieningen. Artikel10.7.Beoordelingscriteria ten aanzien van de mobiliteit Tijdens het onderzoek naar de vervoersbehoeften houdt het college rekening met de volgende aspecten: Mobiliteit maximale loopafstand op goede dag; maximale loopafstand op slechte dag; gebruik loophulpmiddel (rollator, wandelstok, kruk, et cetera). Uithoudingsvermogen maximale reisduur; kan gedurende de reis overstappen; invloed weersomstandigheden op functioneren; invloed tijdstip (overdag/avond) op functioneren. Organisatie en begeleiding van de reis kan zonder begeleiding met het OV; kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi; kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi; kan alleen met begeleiding met de taxi. Combinatiemogelijkheden bij vervoer in de taxi kan met iedereen gecombineerd worden; kan alleen met eigen doelgroep gecombineerd worden; kan met niemand gecombineerd worden. Artikel10.8.Primaat van collectief vraagafhankelijk vervoer Indien het onderzoek aangeeft dat er sprake is van een ondersteuningsplicht ligt het primaat, voor het verplaatsen in de directe woonomgeving, altijd bij het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV of regiotaxi). Een uitzondering op dit primaat geldt voor de vergoeding voor het gebruik van de eigen auto. Artikel10.9.Regiotaxi In de regio Leiden en de bollenstreek is het collectief vervoer beschikbaar middels de Regiotaxi Holland Rijnland. De Regiotaxi is een vorm van aanvullend openbaar vervoer. Deze taxi rijdt van deur tot deur. Net als een gewone lijnbus rijdt de Regiotaxi in zones die de ritprijs bepalen. Dit zijn dezelfde zones als in het reguliere openbaar vervoer. Het vervoerssysteem is toegankelijk voor een ieder die, met of zonder rolstoel, zelfstandig of met begeleiding kan reizen. De Regiotaxi kent een aantal vaste opstapplaatsen daar waar er mogelijk misverstanden kunnen ontstaan over de exacte ophaalplaats (station, winkelcentrum). Met de Regiotaxi kan ook buiten de regio (meer dan 5 zones) worden gereisd, hiervoor geldt het volledige tarief. Inwoners met beperkingen die geen gebruik kunnen maken van het reguliere openbaar vervoer, kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding voor dit collectieve vervoersysteem vanuit de Wmo. Voor wat betreft de Regiotaxi is de gemeente verantwoordelijk voor de vervoersbehoefte van de pashouder tot en met vijf OV-zones vanaf diens woonadres of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand tot en met 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder. Artikel10.9.1.Vorm van verstrekken De standaardvergoeding betreft een vergoeding voor het gebruik van de Regiotaxi, waarbij een tegemoetkoming wordt gegeven voor de meerkosten van het CVV ten opzichte van het reguliere openbaar vervoer voor een maximaal aantal zones per jaar. Dit aantal is opgenomen in het Financieel Besluit. De meerkosten worden door de gemeente rechtstreeks afgerekend met de vervoerder. De inwoner met beperkingen heeft een pasje en betaalt in de Regiotaxi het regulier openbaarvervoerstarief. Daarnaast wordt een vrij besteedbaar bedrag toegekend ten behoeve van vervoer per eigen auto, (rolstoel)taxi of vervoer door derden, of vervoer met de Regiotaxi. Uitbetaling van het vrij besteedbare bedrag vindt op basis van declaratie in twee termijnen plaats, in de maanden juli en januari. Het vrij besteedbaar bedrag kan ook geheel worden overgeheveld naar de Regiotaxi. Artikel10.9.2.Begeleiding bij het gebruik van de Regiotaxi Inwoners kunnen voor hun verplaatsingen met de Regiotaxi aangewezen zijn op begeleiding. Die noodzaak van begeleiding kan verschillende achtergronden hebben: 1)Medische noodzaak van begeleiding onderweg De begeleider moet kunnen ingrijpen, bijvoorbeeld bij een epilepsieaanval of een andere uiting die het gevolg is van de beperking. Bij deze groep is het noodzakelijk dat er iemand aanwezig is die kennis van zake heeft en kan ingrijpen wanneer dat nodig is. 2) Medische noodzaak waardoor er behoefte is aan toezicht onderweg De noodzaak van begeleiding tijdens de rit ligt vervat in het feit dat er een medische oorzaak is waardoor de inwoner de regie kwijt kan raken.In verband met bijvoorbeeld gedragsproblemen kan er niet zonder toezicht worden gereisd, omdat extra aandacht is vereist van iemand met enig overwicht. Voorbeelden hiervan zijn psychogeriatrische (bijvoorbeeld dementie), psychiatrische ziektebeelden (bijvoorbeeld fobieën) of mensen met gedragsstoornissen ten gevolge van hersenbeschadigingen. Artikel10.10.Afwijken van primaat van collectief vraagafhankelijk vervoer Indien collectief vervoer niet mogelijk is, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van bijvoorbeeld een (rolstoel)taxi of het gebruik van de eigen auto verstrekken. Om redenen van medische, psychische en/of sociale aard kan het collectief vervoer voor bepaalde mensen geen adequate oplossing voor het vervoersprobleem bieden. Hierbij kan worden gedacht aan: inwoners die tijdens de rit een noodzakelijk gebruik moeten maken van bepaalde hulpmiddelen en deze hulpmiddelen niet mee kunnen nemen in de regiotaxi; inwoners die vanwege ernstige maag-darm-blaasstoornissen te kampen hebben met niet op te vangen incontinentie; inwoners die ernstige benauwdheid ondervinden als gevolg van bijvoorbeeld allergie, CARA, longemfyseem waardoor reizen met anderen onmogelijk is; situaties in verband met privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gêne tot gevolg hebben voor de inwoner. Artikel10.11.Financiële tegemoetkoming gebruik eigen auto Een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto is bedoeld voor inwoners die in aanmerking zouden komen voor een vergoeding voor de Regiotaxi en beschikken over een eigen auto. Voor deze groep inwoners is de mogelijkheid gecreëerd om te kiezen tussen de Regiotaxi inclusief het bijbehorende vrij besteedbare budget en een bedrag voor het gebruik van de eigen auto. Uit cijfers en enquêtes blijkt immers dat zij zelden of nooit gebruik (zullen) maken van de Regiotaxi. Deze keuze is niet toegestaan als men meereist in de auto van anderen. Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto, wordt beoordeeld of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan kan er sprake zijn van een vervoersprobleem en komt men in aanmerking voor een individuele voorziening (zie hoofdstuk 15). Artikel10.12.Duur van de verstrekking -De beschikking wordt voor onbepaalde tijd afgegeven. Bij wijzigingen in het soort vervoer, in de hoogte van tegemoetkomingen, de gezinssituatie of het inkomen moet een nieuwe beschikking worden afgegeven. -De voorziening gaat in per de eerste van de maand waarin de voorziening is aangevraagd en eindigt per de eerste van de maand volgend op de datum waarop het recht op de voorziening eindigt. In geval van overlijden is het de datum van overlijden. -Er vindt soms toekenning van een vergoeding plaats voor een tijdelijke periode. Dit is het geval als in het medisch advies een herkeuring wordt aangegeven. In dat geval vindt er een nieuw medisch onderzoek plaats om te kijken of de vergoeding verlengd kan worden. Artikel10.13.Maatwerkvoorziening vervoer Bij maatwerkvoorzieningen voor vervoer moet worden gedacht aan bijvoorbeeld scootmobielen en driewielfietsen, die al dan niet in combinatie met de Regiotaxi voor compensatie van de ervaren beperking van de zelfredzaamheid of participatie moet zorgen. Ook de voorziening voor de reguliere individuele (rolstoel)taxi of eigen auto, die kan worden vergoed als de Regiotaxi geen of onvoldoende compensatie kan bieden, behoort tot deze categorie. Deze vergoeding wordt op declaratiebasis verstrekt. Andere voorbeelden van mogelijke voorzieningen zijn een financiële tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de eigen auto of ander verplaatsingsmiddel en in uitzonderlijke gevallen een auto of een gesloten buitenwagen. Artikel10.13.1.Criteria maatwerkvoorziening Het college kan een maatwerkvoorziening voor verplaatsen en vervoeren vertrekken. Deze noodzaak zal aanwezig zijn als een inwoner geen gebruik van het regulier openbaar vervoer en de Regiotaxi kan maken. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, zal afhankelijk zijn van de individuele situatie. Artikel10.13.2.Omvang maatwerkvoorziening Uitgangspunt is een gemiddelde vervoersbehoefte van tenminste 1500 km per jaar (zoals vastgesteld in jurisprudentie). Dit betekent echter niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en is daarom in individuele gevallen bevoegd om af te wijken. Het kan voorkomen dat er een grotere of kleinere vervoersbehoefte bestaat. Van belang is allereerst vast te stellen of dat een realistische vervoersbehoefte is, gezien de medische, maar ook gezien de financiële situatie van de inwoner. Immers, met een laag inkomen kan men wel de wens hebben veel verplaatsingen te maken, maar omdat voor iedere Nederlander verplaatsen een prijskaartje heeft zal dat ook voor mensen met een handicap gelden. Daarbij is het van belang vast te stellen of de vervoersbehoefte hiermee spoort. Een aanpassing van de omvang van de maatwerkvoorziening voor vervoer kan bijvoorbeeld plaatsvinden in situaties waarbij het vervoer noodzakelijk zo frequent is (bijvoorbeeld bij intensieve medische behandeling of een partner die in een verpleeghuis verblijft) dat het beschikbaar gestelde vervoer bijna geheel aan dit vervoer gebruikt zou worden. In deze situatie kan een aanvullende maatwerkvoorziening worden geboden in de vorm van extra vervoer. Artikel10.14.Aanpassing eigen auto Wanneer inwoners een eigen auto hebben en geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, een ander vervoermiddel op twee wielen dan wel de Regiotaxi of wanneer mensen de auto veelal in gezinsverband gebruiken, kunnen zij mogelijk in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van autoaanpassingen. Deze aanpassingen kunnen betreffen: de bediening en besturing van de auto; het in en uit de auto komen; de zithouding; de verzorging van de gehandicapte; het mee kunnen nemen van hulpmiddelen Artikel10.14.1.Voorwaarden aanpassing eigen auto De financiële tegemoetkoming voor de autoaanpassing wordt voor een periode van zeven jaar toegekend. Een nieuwe aanvraag voor een zelfde aanpassing binnen deze periode wordt slechts naar rato van de verstreken termijn vergoed. Dit geldt niet bij een calamiteit. De tegemoetkoming wordt alleen toegekend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: er kan géén gebruik gemaakt worden van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het (aanvullend)openbaar vervoer of de taxi; óf de belanghebbende maakt deel uit van een gezin bestaande uit meer dan 2 personen, én kan geen gebruik maken van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het openbaar vervoer, én de gezinssituatie speelt een substantiële rol in de vervoersbehoefte van belanghebbende. Dwz: men kan aannemelijk maken dat er veelal in gezinsverband wordt gereisd. de eigen auto kan niet worden gebruikt als de auto niet is aangepast aan de beperkingen van de inwoner; er is geen (medische) contra-indicatie om in een auto te kunnen rijden; de bestuurder is de aanvrager of lid van het gezin van de aanvrager; de bestuurder heeft een geldig rijbewijs en is of komt in het bezit (eigenaar) van een auto, gelijktijdig met de autoaanpassing; er treedt naar alle waarschijnlijkheid geen ingrijpende wijziging op in de rijbevoegdheid van de bestuurder. Ook aan de eigen auto worden randvoorwaarden gesteld. De auto moet redelijk aan te passen en in goede staat zijn; de goedkoopst aan te passen model zijn; in principe niet ouder dan drie jaar

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.