Nadere regels Sociaal Domein gemeente NieuwkoopHet college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, overwegende: -dat de gemeenteraad de verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015 op 16 oktober 2014 heeft vastgesteld; besluit vast te stellen de: Nadere regels Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begrippen In deze nadere regels wordt verstaan onder: begeleiding: activiteiten waarmee een inwoner wordt ondersteund bij het uitvoeren van dagelijkse levensverrichtingen en het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijk leven. vervallen. dagactiviteit: daghulp en dagopvang met als functie passende zorg die wel noodzakelijk is maar niet in de thuissituatie kan worden geboden in de directe omgeving van de inwoner; Zorg in natura: begeleiding en ondersteuning via organisaties en leveranciers waar de gemeente een afspraak mee heeft gemaakt. integraal plan: een integraal plan zoals bedoeld in artikel 3 van de verordening. kortdurend verblijf: verblijf in een instelling gedurende maximaal drie etmalen per week, gepaard gaande met persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding voor een persoon met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die aangewezen is op permanent toezicht, indien dat noodzakelijk is ter ontlasting van de persoon die hem gebruikelijke zorg of mantelzorg levert. mantelzorg: langdurige en onbetaalde ondersteuning voor iemand die chronisch ziek, beperkt of hulpbehoevend is, vanuit een persoonlijke band tussen mantelzorger en inwoner. Een mantelzorger kan een familielid zijn, maar ook een vriend of kennis. Een mantelzorger is geen beroepskracht. Mantelzorg is ondersteuning die bovenop de normale dagelijkse zorg van gezinsleden en huisgenoten voor elkaar komt, zoals zorg voor het huishouden of de gebruikelijke zorg voor de kinderen. [vervallen] persoonsgebonden budget (pgb): een pgb als bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wmo zijnde een door het college verstrekt budget aan een inwoner, dat hem in staat stelt de ondersteuning die in de vorm van een maatwerkvoorziening verstrekt is van derden te betrekken. professional: een begeleider die taken op MBO/HBO niveau uitvoert, waarbij hij algemene deskundigheid en brede kennis van ondersteuning heeft. specialist: een begeleider die taken op HBO/WO-niveau uitvoert, waarbij hij diepgaande kennis op een specifiek terrein van ondersteuning heeft. verordening: Verordening sociaal domein gemeente Nieuwkoop 2015. Hulp bij het huishouden categorie 1: Hulp bij het huishouden in categorie 1 omvat huishoudelijke werkzaamheden waarbij de zorgvrager zelf in staat de regie over het huishouden te voeren. Hulp in de huishouding omvat huishoudelijke werkzaamheden uit categorie 1 en/of wanneer de zorgvrager niet (volledig) de regie over zijn huishouden kan voeren. Hoofdstuk2Integrale benadering Paragraaf2.1Maatwerkvoorziening via een pgb Artikel2Voorwaarden pgb [vervallen] Artikel 3 Voorwaarden pgb sociaal netwerk [vervallen] Artikel4Kwaliteitseisen pgb professionele aanbieders Wmo Professionele aanbieders van maatschappelijke ondersteuning die uit een pgb betaald worden, moeten aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als de door het college gecontracteerde professionele aanbieders. De kwaliteitseisen zijn als bijlage 3 en 4 opgenomen in de verordening. De kwaliteitseisen kunnen bij aanvang of verlenging van het pgb worden getoetst door onder andere een werkbezoek Artikel5Hoogte pgb [vervallen] Artikel6Tarief pgb De aarde van de benodigde ondersteuning voor de inwoners is leidend voor het bepalen van het tarief. Ondersteuning geboden uit het sociaal netwerk komt niet in aanmerking voor het tarief van een professional of een specialist, uitgezonderd de gevallen waarbij een professional of specialist nodig is en de beoogde zorgverlener uit het sociaal netwerk van de inwoner komt Het maximale tarief voor Wmo begeleiding regulier is:: [vervallen] 80% van € 65,44 als begeleiding geboden wordt door een professional als zzp’er; € 65,44 per uur als begeleiding geboden wordt door een professional bij een zorgaanbieder. Het maximale tarief voor Wmo dagbesteding regulier is: € 53,92 per dagdeel als dagbesteding geboden wordt door een professional en de groepsgrootte groter dan vijf personen is of kan zijn; € 66,70 per dagdeel als dagbesteding geboden wordt door een specialist en de groepsgrootte vijf of kleiner dan vijf personen moet zijn vanwege de aanwezige problematiek Voor vervoer tot 20 km van en naar dagbesteding kan een bedrag van maximaal € 6,59 per dag aan het budget toegevoegd worden. Het maximale tarief voor kortdurend verblijf is: € 118,45 per dag als kortdurend verblijf geboden wordt door een professional. Een tarief voor een specialist is niet van toepassing bij kortdurend verblijf. Een tarief voor een specialist is niet van toepassing bij kortdurend verblijf. Het maximale tarief voor persoonlijke verzorging is: [vervallen] € 33,39 per uur als persoonlijke verzorging geboden wordt door een professional; € 47,48 per uur als persoonlijke verzorging geboden wordt door een specialist. Het maximale tarief voor hulp bij het huishouden bedraagt: € 40,64 per uur wanneer het om ondersteuning in categorie 1 gaat geboden door een professional in dienst van een zorgaanbieder; € 40,64 per uur wanneer het om ondersteuning in categorie 2 gaat en de ondersteuning geboden wordt door een daartoe opgeleid persoon in dienst van een zorgaanbieder. 80% van € 40,64 per uur wanneer de hulp bij het huishouden wordt geboden door een professional als zzp-er. 60% van € 40,64 per uur wanneer de hulp bij het huishouden wordt geboden door het sociaal netwerk. Het maximale tarief voor hulp uit het sociaal netwerk bedraagt € 25,11 voor begeleiding of persoonlijke verzorging Maximaal € 141,- per kalendermaand voor een hulp als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2005. Het tarief voor Ondersteuning met wonen is: Maximaal €78,19 per uur voor activering leefgebieden Maximaal 436,36 per week voor sociaal beheer Maximaal 253,33per week voor veiligheid Maximaal 343,14 per week voor huisvesting.“ Artikel7Uitbetaling pgb 1.Een pgb wordt door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) uitbetaald aan de zorgaanbieder. 2.Een eenmalig pgb wordt vooralsnog door de gemeente uitbetaald aan de leverancier. Paragraaf2.2Terugvordering Artikel8Algemeen 1.De begrippen die in de nadere regels over terugvordering gebruikt worden en die niet nader omschreven worden, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW/IOAZ, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015. 2.De bepalingen in deze paragraaf van de nadere regels zijn naast de terugvordering op grond van de P-wet, IOAW/IOAZ en Bbz ook van toepassing op een boete, bijzondere bijstand, een bijdrage op basis van de op basis van de Wet Kinderopvang, een maatwerkvoorziening en een pgb als bedoeld in de Verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015. Artikel9Gebruikmaking wettelijke bevoegdheid 1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot: het herzien dan wel intrekken van het recht op een uitkering/pgb of maatwerkvoorziening, indien de uitkering/pgb/maatwerkvoorziening tot een te hoog bedrag of ten onrechte is verleend; het terugvorderen, invorderen en bruteren van te veel of ten onrechte verleende uitkering/pgb of maatwerkvoorziening. 2.Van het bepaalde in lid 1 sub b kan afgezien worden als het terug te vorderen bedrag lager is dan € 125, er geen andere terugvorderingen openstaan én de terugvordering niet verrekend kan worden met de periodieke uitkering voor de kosten van levensonderhoud. Artikel10Uitzonderingen die voortvloeien uit jurisprudentie 1. In afwijking van artikel 9 lid 1 vordert het college een door haar na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering, pgb of maatwerkvoorziening niet terug, voor zover deze uitkering, pgb of maatwerkvoorziening ook zes maanden na ontvangst van dit signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend, tenzij belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht heeft geschonden. Onder een signaal als genoemd in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. 2.In afwijking van artikel 9 lid 1 onder b wordt de terugvordering beperkt, bij het niet correct nakomen van de inlichtingenplicht die betrekking heeft op een overschrijding van het vrij te laten vermogen op basis van de Participatiewet, tot het bedrag dat te veel zou zijn verstrekt als de inlichtingenplicht wel correct nagekomen was. De uitkering wordt dan niet over de gehele periode van de schending van de inlichtingenplicht herzien/ingetrokken en teruggevorderd. 3.Een terugvordering wordt niet gebruteerd als de vordering is ontstaan buiten toedoen van de belanghebbende en hem niet verweten kan worden dat de betaling van de schuld niet voldaan is in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Paragraaf2.3Invordering Artikel11Terugbetaling en afloscapaciteit 1.Als de belanghebbende van de gemeente een uitkering ontvangt voor de kosten van levensonderhoud, dan wordt de vordering, in overeenstemming met de artikelen 60 van de Participatiewet en 28 van de IOAW/IOAZ, verrekend met deze uitkering. 2.Rekening houdend met de beslagvrije voet, wordt bij verrekening de afloscapaciteit vastgesteld op 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of netto grondslag IOAW/IOAZ. 3.Als verrekening van de vordering niet (meer) mogelijk is, dan wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld (het restant van) de vordering volledig te voldoen binnen zes weken of, wanneer betaling in één keer niet mogelijk is, in maandelijkse termijnen met in achtneming van de wettelijk geldende beslagvrije voet. 4.Van het minimale termijnbedrag, genoemd in lid 3, kan afgeweken worden als de belanghebbende daarom vraagt, onder overlegging van financiële en andere relevante gegevens. Het college stelt op grond van de individuele situatie het maandelijks af te lossen bedrag vast en bevestigt dit schriftelijk aan de belanghebbende. 5.[vervallen] Artikel12Uitstel van betaling 1.Het college kan uitstel van betaling verlenen als de belanghebbende daar om vraagt, omdat hij van mening is aan de eerder vastgestelde periodieke betalingsverplichting niet te kunnen voldoen. 2.Als niet eerder uitstel van betaling gegeven is én uitstel van betaling gevraagd wordt voor een periode korter dan drie maanden, dan kan het verzoek tot uitstel verleend worden zonder nader onderzoek. In elke andere situatie vindt nader onderzoek plaats naar de financiële situatie. Aan uitstel van betaling kunnen voorwaarden verbonden worden. 3. Als het verzoek tot uitstel van betaling betrekking heeft op de rente- en aflossingsverplichtingen van een Bbz lening is artikel 41 Bbz van toepassing. Artikel13Niet voldoen aan betalingsverplichtingen Als de belanghebbende niet aan de betalingsverplichtingen voldoet of als hij de voorwaarden waaronder uitstel van betaling gegeven is niet nakomt en de oorspronkelijke betalingstermijn verstreken is, dan neemt het college invorderingsmaatregelen volgens de artikelen 4:112 e.v. van de Awb. Artikel14Rente en kosten Als het college de vordering overdraagt aan het incassobureau of de deurwaarder, dan wordt de vordering verhoogd met wettelijke rente en kosten van invordering. Voor de hoogte van kosten van invordering wordt aangesloten bij de artikelen 4:113 en 4:120 van de Awb. Paragraaf2.4Kwijtschelding Artikel15Algemeen Kwijtschelding is niet mogelijk bij: [vervallen] vorderingen die gedekt worden door pand of hypotheek voor zover die vorderingen op die zaken verhaald kunnen worden; bijstand welke verstrekt is in de vorm van een lening; vorderingen die zijn ontstaan, omdat belanghebbende later met betrekking tot dezelfde periode over voldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Artikel16Kwijtschelding van vorderingen die niet het gevolg zijn van schenden inlichtingenplicht 1.Het college kan een vordering geheel of gedeeltelijk kwijtschelden als de belanghebbende: gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen voldaan heeft; gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen voldaan heeft, maar het achterstallige bedrag over die periode, met de daarover eventueel verschuldigde rente en kosten, alsnog voldoet; gedurende tien jaar géén betalingsverplichtingen op de vordering heeft verricht en het na individuele beoordeling niet aannemelijk is dat de belanghebbende deze op enig moment gaat verrichten. Hierbij is de voorwaarde dat het niet terugbetalen niet aan de belanghebbende te wijten is. 2.Een besluit om een vordering geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, als bedoeld in lid 1 sub a en b, wordt alleen genomen nadat de belanghebbende daar schriftelijk een verzoek voor heeft ingediend en na individuele beoordeling, waarbij het niet (verder) kunnen terugbetalen niet aan de belanghebbende te wijten is. Artikel17Kwijtschelding bij schuldregeling 1.Het college werkt altijd mee aan een schuldregeling als te voorzien is dat de belanghebbende zijn schulden niet kan betalen en zonder dit besluit geen schuldregeling tot stand komt. 2. Het college kan bij een schuldregeling een vordering alleen kwijtschelden tegen finale kwijting als: er geen sprake is van schenden inlichtingenplicht; er sprake is van schenden inlichtingenplicht waarbij géén sprake is van opzet of grove schuld of het niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht waarbij geen boete is opgelegd of aangifte is gedaan. 3. Het college kan bij meewerken aan een schuldregeling een boetevordering alleen kwijtschelden tegen finale kwijting als deze boete niet het gevolg is van opzet of grove schuld en er geen sprake is van recidive. 4.Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken als: binnen twaalf maanden geen schuldregeling tot stand komt die voldoet aan de in lid 1 gestelde eisen; de belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden verplichtingen niet nakomt of als er onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt zijn. Hoofdstuk3Voorzieningen Paragraaf3.1Maatwerkvoorziening jeugd Artikel18Vervallen Paragraaf3.2Voorzieningen op grond van de Participatiewet en IOAW/IOAZ. Artikel19Reiskosten 1.Het college kan aan de belanghebbende een vergoeding toekennen voor de gemaakte kosten voor vervoer, voor zover het college dit vervoer noodzakelijk acht voor het kunnen voldoen aan de verplichtingen die verbonden zijn aan arbeidsinschakeling. 2.In afwijking van lid 1 wordt de belanghebbende binnen een reisafstand van 10 kilometer (enkele reis) geacht te kunnen lopen of fietsen en komen reiskosten niet in aanmerking voor vergoeding. Dit wordt berekend van vertrekadres tot bestemmingsadres via Routenet.nl (kortst mogelijke route met de fiets). 3.Het college kan besluiten van lid 2 af te wijken, als lopen of fietsen vanwege de persoonlijke situatie, redelijkerwijs niet van de belanghebbende verlangd kan worden. 4.Vergoeding van reiskosten vindt plaats op basis van de kosten van openbaar vervoer tweede klasse, waarbij de goedkoopste mogelijkheid vergoed wordt. 5.In uitzonderingsgevallen kan overgegaan worden tot vergoeding van de kosten van eigen vervoer; voor de bepaling van de kosten wordt aangesloten bij de maximale onbelaste vergoedingen volgens de belastingwetgeving, waarbij de kortste reisafstand gehanteerd wordt. 6.De vergoeding wordt periodiek uitbetaald. 7.Gemaakte reiskosten kunnen tot maximaal drie maanden na de periode waarop ze betrekking hebben gedeclareerd worden. Artikel 19a Werkervaringstraject/ stage Een werkervaringstraject/stage kan worden aangeboden als deze naar het oordeel van het college bijdraagt om de vooraf gestelde leerdoelen te bereiken en bijdraagt aan arbeidsinschakeling. Een werkervaringstraject/stage duurt 6 maanden en kan in individuele gevallen verlengd worden met maximaal 6 maanden . Het doel van een werkervaringstraject/stage is het opdoen van werkervaring/vakkennis, arbeidsritme en/of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. Tussen partijen wordt in ieder geval vast gelegd: het doel en de periode van een werkervaringstraject/stage en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel 19b Proefplaatsing [vervallen] Artikel 19c Jobcoach [vervallen] Artikel20Tegemoetkoming kinderopvangtoeslag 1.Het college verstrekt aan doelgroepouders als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet Kinderopvang, in aanvulling op de door de Belastingdienst te verstrekken kinderopvangtoeslag, een bijdrage voor de voor eigen rekening blijvende kosten van kinderopvang. 2.Daarnaast komt in aanmerking voor vergoeding, de kosten voor tussenschoolse opvang als het voor het traject noodzakelijk is dat kinderen van de belanghebbende hiervan gebruik maken. Artikel21Overige kosten 1.Voor vergoeding komen in aanmerking, de kosten die de belanghebbende moet maken om werk te kunnen aanvaarden of die noodzakelijk zijn voor deelname aan het traject gericht op arbeidsinschakeling. 2.De in lid 1 bedoelde kosten: zijn, naar het oordeel van het college, noodzakelijk en aantoonbaar en kunnen in redelijkheid niet ten laste van de belanghebbende gebracht worden; kunnen niet vergoed worden vanuit een voorliggende voorziening; bedragen maximaal de goedkoopst adequate oplossing. Hoofdstuk4Specifieke bepalingen Jeugdwet Nadere regels jeugd zijn vastgesteld in de Nadere regels Jeugdhulp 2020. Hoofdstuk5Specifieke bepalingen Wmo Paragraaf5.1Regels voor bijdragen Wmo en kostprijs maatwerkvoorzieningen Artikel22Vervallen Artikel23Vervallen Paragraaf5.2Mantelzorg Artikel24Mantelzorgwaardering 1.Het college stelt jaarlijks een budget vast voor de waardering van mantelzorgers van inwoners. Indien dit bedrag wordt overschreden wordt het budget naar evenredigheid onder de aanvragers verdeeld; Het college verstrekt een geldbedrag van maximaal € 200,- per aanvrager voor de waardering van mantelzorgers van inwoners. 2. De mantelzorger kan één aanvraag indienen voor zichzelf of een mantelzorgontvanger kan twee aanvragen indienen voor zijn of haar mantelzorger (s). De aanvraag kan worden ingediend binnen een vastgestelde periode. 3. Voor de toekenning van de aanvraag gelden de volgende voorwaarden: De aanvrager biedt minimaal acht uur per week gedurende een periode van minimaal drie achtereenvolgende maanden mantelzorg; De aanvrager verleent mantelzorg aan een inwoner van de gemeente Nieuwkoop; De aanvrager kan slechts voor één inwoner van de gemeente Nieuwkoop waar hij/zij in het jaar voor de sluitingsdatum mantelzorg verleent een aanvraag doen. 4. Jonge mantelzorgers in de leeftijd van 6 t/m 15 jaar komen niet in aanmerking voor een mantelzorgcompliment maar kunnen een cadeaubon aanvragen. Voor de toekenning van de aanvraag voor jonge mantelzorgers gelden de voorwaarden als genoemd in het derde lid, onderdelen a, b en c. 5. De uitbetaling van de waardering van mantelzorgers vindt plaats in november rond de Dag van de mantelzorg van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel24a Respijtzorg Inwoners kunnen conform de bepalingen in de Verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015 een aanvraag doen voor respijtzorg. Respijtzorg kan worden verstrekt op twee manieren Kortdurend verblijf (logeeropvang van de zorgvrager) Zorg aan huis (ondersteuning van de mantelzorger thuis) Een maatwerkvoorziening voor kortdurend verblijf wordt per keer voor maximaal drie aaneengesloten etmalen verstrekt. In aanvulling op de algemene criteria genoemd in artikel 5 van de Verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015 gelden de volgende criteria voor toewijzing van een maatwerkvoorziening voor respijtzorg: Zorgvrager heeft een verstoord dag-/nachtritme Zorgvrager heeft geen Wlz-indicatie Paragraaf5.3Woonvoorzieningen Artikel25Woningsanering -vervallen- Artikel26Primaat verhuizen Als de kosten voor een woningaanpassing hoger zijn dan €7.500 dan geldt het primaat verhuizen. Als een woning volledig aanpasbaar is, maar de kosten hiervan het primaat overstijgen, dan is het mogelijk de van toepassing zijnde verhuiskostenvergoeding eenmalig uit te keren in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Voorwaarde hiervoor is dat de inwoner met een beperking de woning volledig aan laat passen, er worden geen andere woonvoorzieningen meer verstrekt anders dan die ook in een geschikte woning nodig zouden zijn geweest. Artikel27Verhuiskosten 1.Het financiële tegemoetkoming voor verhuis- en stofferingskosten wordt als volgt vastgesteld: € 1100 voor de verhuizing; € 1100 voor de stoffering van de woonkamer en de keuken; € 550 voor de stoffering van elke slaapkamer. 2.Kosten van tijdelijke huisvesting op basis van de werkelijke kosten, met een maximum van: bij zelfstandige woonruimte: het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 sub a van de Wet op de huurtoeslag; bij niet-zelfstandige woonruimte: het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 sub b van de Wet op de huurtoeslag. Artikel28Onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening 1.Verstrekking van een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening vindt plaats: in natura als de betreffende woonvoorziening in bruikleen verstrekt is; als pgb als onderdeel van het te verstrekken pgb voor de betreffende woonvoorziening; als pgb als de woonvoorziening eerder op basis van de verordening of hiermee vergelijkbare voorafgaande wetgeving in eigendom verstrekt is. 2.Voor de kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering van woonvoorzieningen die als pgb verstrekt zijn, kan jaarlijks een bedrag verstrekt worden van maximaal 7% van het verstrekte pgb. Artikel29Afschrijvingstermijnen bij aanpassing van badkamer en keuken -vervallen- Artikel29aAfschrijvingstermijn bij een eenmalig in pgb verstrekte voorziening 1.Indien degene aan wie een persoonsgebonden budget voor een voorziening is toegekend, binnen 7 jaar overlijdt, verhuist naar een andere gemeente of de voorziening niet meer adequaat is, dan kan de gemeente het bedrag van de restwaarde van de eerder verstrekte voorziening terugvorderen, tenzij de eventuele gemeente van de nieuwe woonplaats de verstrekking overneemt. 2.De restwaarde van de voorziening wordt als volgt bepaald: Bij verhuizing of overlijden van aanvrager of niet meer adequaat zijn van de voorziening Restwaarde als percentage van verstrekt aanschaf-gedeelte van het PGB ~ in het eerste jaar 85% ~ in het tweede jaar 70% ~ in het derde jaar 55% ~ in het vierde jaar 40% ~ in het vijfde jaar 25% ~ in het zesde jaar 10% Paragraaf5.4Vervoer Artikel30Autokostenvergoeding 1.Het college kan onder de volgende voorwaarden een autokostenvergoeding verstrekken: de inwoner gebruikt de auto aantoonbaar meer dan 2000 kilometer per jaar; er zijn geen andere (voorliggende) voorzieningen die de vervoersbeperking van de inwoner kunnen oplossen. 2.Alles boven de 2000 kilometer kan tot maximaal 2000 kilometer vergoed worden, hierbij geldt een kilometertarief van € 0,30 per kilometer, de maximale jaarlijkse vergoeding komt hierdoor uit op € 600. 3.Het college kan onder de volgende voorwaarden een autokostenvergoeding verstrekken aan inwoners met een vervoersbeperking, waarbij het CVV (collectief en/of individueel) geen adequate oplossing biedt en geen andere oplossingen mogelijk zijn: het gaat om wezenlijke contacten en; tegenbezoek van deze contacten is onmogelijk. 4.Afhankelijk van de vervoersbehoefte kan aan de in lid 3 genoemde inwoners maximaal € 600 per jaar aan vergoeding verstrekt worden. Paragraaf5.5Hulpmiddelen Artikel31Sportvoorziening 1.Een sportvoorziening wordt maximaal eens in de drie jaar verstrekt en bedraagt maximaal € 4000 inclusief aanschaf, onderhoud, reparatie en verzekering. 2.Als nog geen sprake is van actieve sportbeoefening, dan kan de inwoner een pgb van maximaal € 4000 ontvangen voor de huur van sporthulpmiddelen gedurende een proefperiode van maximaal zes maanden. 3.De inwoner kan alleen een pgb voor de huur van de sportvoorziening ontvangen als degecontracteerde leveranciers van de gemeente de sportvoorziening niet tijdelijk kunnen leveren. Paragraaf 5.6 Begeleiding Artikel 31a begeleiding 1. Het college kan een algemene voorziening en/of een maatwerkvoorziening begeleiding verstrekken aan inwoners die een beperking hebben bij hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. 2. Dit kan zowel in de vorm van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening natura of een pgb. Paragraaf 5.7 Zorgval Wmo-Wlz Artikel 31b Afbouwregeling zorgval Wmo-Wlz De inwoner die na het krijgen van een Wlz-indicatie inclusief extra zorg minder ondersteuning ontvangt en hierdoor beperkt is in zijn zelfredzaamheid kan gedurende maximaal zes maanden nog aanspraak maken op ondersteuning via de Wmo tot het niveau van de oorspronkelijke Wmo maatwerkvoorziening. Paragraaf 5.8 Huishoudelijke hulp Artikel 31c De omvang van de huishoudelijke hulp wordt samen met de cliënt bepaald. Als er niet kan worden gekomen tot een gezamenlijke afspraak wordt teruggevallen op de Wmo richtlijn Indicatieadvisering voor hulp bij het huishouden van het CIZ. Paragraaf 5.9 Aanvullende voorwaarden maatwerkvoorziening Ondersteuning met wonen en Opvang Artikel 31d 1. Het college beoordeelt: in het kader van de landelijke toegankelijkheid voor de cliëntgroep Ondersteuning met wonen Opvang in hoeverre de gemeente de meest aangewezen gemeente is om de huisvesting te verlenen. in hoeverre de benodigde opvang en/of ondersteuning onderdeel is van de specialistische maatschappelijke zorg. 2. De specialistische maatschappelijke zorg omvat: Specialistische opvang- en woonvoorzieningen: 24/7 uurs aanwezige opvang of wonen met ondersteuning aan inwoners met GGZ problematiek i.c.m. verslaving, gedragsproblematiek, licht verstandelijke beperking en/of somatische problematiek. Traject woonbegeleiding ouder-kind: 24-uurs oproepbare en/of aanwezig ondersteuning aan jongvolwassen ouders (of zwangere) met GGZ- problematiek, al dan niet met bijkomende problematiek. Traject woonbegeleiding na verslavingsbehandeling: ondersteuning aan inwoners met problematiek op het gebied van GGZ, al dan niet i.c.m. een licht verstandelijke beperking, die na het volgen van een detox-traject behoefte hebben aan een nazorgtraject in geclusterde setting gericht op omgang met hun verslavingsgevoeligheid. Opvang voor inwoners die zich buiten kantoortijden melden én in het kader van de koude- en hitteregeling. Indien sprake is van bovenstaande, wordt via het team een aanvraag bij Gemeente Leiden ingediend. Gemeente Leiden is namens de gemeenten van Holland Rijnland verantwoordelijk voor de uitvoering van de specialistische maatschappelijke zorg. 3. Op basis van het gesprek over de hulpvraag wordt per leef- en resultaatgebied een inschatting gemaakt over de intensiteit van de ondersteuning die nodig is: Activering leefgebieden: Zelfzorg en gezondheid: gericht op het versterken van de vaardigheden van Inwoner ten aanzien van fysieke en mentale gezondheid (voeding, gedrag, gebruik verdovende middelen) en persoonlijke hygiëne. Er wordt onderscheid gemaakt tussen psychische en lichamelijke gezondheid. Geldzaken: gericht op het verkrijgen van een stabiele financiële situatie met een toereikend inkomen voor levensonderhoud. Sociaal en persoonlijk functioneren: gericht op het verkrijgen van wederkerige verbindingen, een betrokken leefomgeving, steun van anderen en het tegengaan van eenzaamheid. Sociaal beheer: gaat om de mate van aanwezigheid van begeleiding overdag (tussen 07:00 en 23:00) op afroep, op gezette tijden binnen een woonvoorziening of doorlopend: Trede 1: ondersteuning die op afroep (binnen 30 minuten aanwezig) of gedurende de week en in het weekend overdag op gezette tijden een oogje in het zeil houdt, poolshoogte neemt bij cliënten die zelfstandig wonen of in een geclusterde woonvoorziening en op deze momenten aanspreekbaar is voor vragen van cliënten, 7 dagen per week. Deze trede is alleen van toepassing in de Rijnstreek wanneer een woning, bestemd voor de taak Opvang, (tijdelijk) ingezet wordt voor OMW. Trede 2: ondersteuning die op afroep en op vaste tijden gedurende de dag (meestal ’s ochtends en ’s avonds) aanwezig is op een locatie, aanspreekbaar is voor bewoners en ondersteuning biedt bij het (samen)wonen, 7 dagen per week. Trede 3: ondersteuning die gedurende de hele dag (7.00 tot 23.00 uur), aanwezig is op een locatie, aanspreekbaar is voor bewoners en ondersteuning biedt bij het (samen)wonen, 7 dagen per week. Veiligheid (mate van aanwezigheid in de nacht, tussen 23:00 en 07:00): gaat om de mate van oproepbaarheid/aanwezigheid van begeleiding in de nacht en weekenden (tussen 23:00 en 07:00): Trede 1: oproepbare ondersteuning (binnen 30 minuten aanwezig in de nacht, 7 dagen per week. Trede 2: aanwezigheid direct oproepbare zorgprofessional in de nacht (slapend), 7 dagen per week. Trede 3: aanwezigheid wakkere wacht; zorgprofessional die toezicht houdt, 7 dagen per week. Huisvesting: gericht op het verzorgen van de kosten van het wonen (huisvestingslasten, nutsvoorzieningen) en hotelmatige kosten (voeding, schoonmaak, was). 4. Huisvesting: gericht op het verzorgen van de kosten van het wonen (huisvestingslasten, nutsvoorzieningen) en hotelmatige kosten (voeding, schoonmaak, was). Hoofdstuk6Specifieke bepalingen Participatiewet en IOAW/IOAZ Paragraaf6.1Individuele inkomenstoeslag Artikel32Aanvullende voorwaarden 1.Personen die op de datum van aanvraag of gedurende de 36 maanden voorafgaand aan de aanvraag door het rijk bekostigd onderwijs volgen/volgden, worden geacht uitzicht op inkomensverbetering te hebben en komen niet voor de individuele inkomenstoeslag in aanmerking. 2.Een belanghebbende komt niet in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag als gedurende twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag een maatregel opgelegd is wegens schending van de arbeids- of re-integratieplicht. 3. Indien de belanghebbende gedurende drie maanden na oplegging van de maatregel de gewenste gedragsverandering ten uitvoer heeft gebracht, kan het college individueel afwijken van lid 2 van dit artikel. 4. Het college kan bijstandsgerechtigden na de eerste toekenning van de individuele inkomenstoeslag, bij ongewijzigde omstandigheden, na 12 maanden opnieuw een individuele inkomenstoeslag toekennen. Paragraaf6.2Draagkracht Paragraaf6.2.1Vaststelling draagkracht Artikel33Algemeen De financiële draagkracht wordt gevormd door: het vast te stellen deel van het inkomen, en het vast te stellen deel van het vermogen. Paragraaf6.2.2Draagkracht naar inkomen Artikel34Draagkrachtperiode 1.De draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van twaalf maanden. 2. Als er sprake is van toekenning van periodieke bijzondere bijstand kan van lid 1 worden afgeweken, waarbij het college de draagkrachtperiode gelijkstelt aan de toekenningsperiode, met een minimum van 3 maanden en een maximum van 18 maanden. 3.De ingangsdatum van de draagkrachtperiode is de eerste van de maand waarin de aanvraag op basis van artikel 35 van de Participatiewet ingediend wordt of een voorziening als bedoeld in artikel 12 van de verordening toegekend wordt. 4.Als bijzondere bijstand met terugwerkende kracht verleend wordt, dan kan in afwijking van lid 3, de ingangsdatum van de draagkrachtperiode bepaald worden op de eerste van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. Artikel35Berekening draagkrachtruimte 1.Bij de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van het netto inkomen per maand, exclusief vakantietoeslag, keer twaalf. 2.Als de belanghebbende en zijn eventuele partner een vast inkomen hebben, dan wordt bij de berekening uitgegaan van het meest recente maandinkomen. 3.Als de belanghebbende en/of zijn eventuele partner over een wisselend inkomen beschikken, wordt uitgegaan van het gemiddelde inkomen over de afgelopen drie maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag bijzondere bijstand dan wel het toekennen van de voorziening. 4.Middelen die niet tot het inkomen gerekend worden zijn: de oudedagsvoorziening als bedoeld in artikel 33 lid 5 Participatiewet en; de individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet; De middelen genoemd in artikel 31 lid 2 van de wet. Deze middelen worden voor de draagkrachtberekening niet meegenomen. 5.De draagkrachtruimte wordt vastgesteld door op het inkomen het volgende in mindering te brengen: 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 sub c van de Participatiewet onder aftrek van de vakantietoeslag als genoemd in artikel 19 lid 3 van de Participatiewet en; eventuele buitengewone lasten die gelet op de persoonlijke situatie van de belanghebbende noodzakelijk zijn, waarvoor geen beroep gedaan kan worden op een voorliggende voorziening en geen bijzondere bijstand verleend wordt. 6.Voor de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in lid 5 wordt uitgegaan van de norm die geldt op het moment van de aanvraag. 6. Onder de buitengewone lasten genoemd in lid 5 onder b wordt in ieder geval verstaan: de gemiste huurtoeslag en zorgtoeslag ten gevolge van het inkomen. het boetebedrag van de bestuurlijke premie CAK. het ingehouden bedrag executoriaal of vereenvoudigd beslag. De CAK bijdrage bij verblijf in een instelling Artikel36Vaststelling draagkracht 1.De draagkracht wordt vastgesteld op 35% van de draagkrachtruimte. 2.Als bijzondere bijstand aangevraagd wordt voor de algemene kosten van het bestaan, dan is de draagkracht 100%. 3.Algemene kosten van het bestaan als bedoeld in lid 2 zijn kosten waarvan men gewoonlijk geacht wordt deze zelf te financieren, ook vanuit een inkomen op bijstandsniveau. Onder deze kosten wordt in ieder geval verstaan: woonkosten en inrichtingskosten. 4.[vervallen] 5. Als sprake is van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht maandelijks verrekend. 6. De draagkracht kan bij periodieke bijzondere bijstand in de volgende situaties worden aangepast: als het inkomen met tenminste 10% wijzigt; bij wijziging van het vermogen, de woon- en/of gezinssituatie welke van invloed is op de draagkrachtberekening. 7. Bij toekenning van periodieke en incidentele bijzondere bijstand wordt de draagkracht eerst verrekend met de periodieke kosten, blijft er draagkracht over wordt deze verrekend met de incidentele bijzondere bijstand. Paragraaf6.2.3Draagkracht naar vermogen Artikel37Berekening draagkracht naar vermogen 1.Het vermogen voor zover dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet wordt volledig als draagkracht aangemerkt. 2.Het vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 2 van de Participatiewet wordt niet als draagkracht aangemerkt. 3.Een auto, motor, scooter of brommer tot een waarde van € 3.000 wordt, met in achtneming van artikel 34 lid 2 sub a van de Participatiewet, niet tot het vermogen gerekend. De waarde wordt vastgesteld aan de hand van de ANWB/BOVAG koerslijst. Als de waarde met deze koerslijst niet bepaald kan worden, dan wordt een gemiddelde genomen van de waarde van drie vergelijkbare auto’s/motoren op verkoopsites. 4. Bij een verhuizing naar Nieuwkoop vanuit een gemeente waarmee Nieuwkoop voor de uitvoering van de Participatiewet een dienstverleningsovereenkomst heeft afgesloten, stelt het college het vermogen niet opnieuw vast indien de samenstelling van het huishouden niet wijzigt als gevolg van deze verhuizing. Paragraaf 6.3 Woninginrichting Artikel 38 Algemeen De kosten voor de inrichting van een woning zijn in beginsel algemene bestaanskosten. De inwoner dient hiervoor zelf te reserveren of na te gaan of gespreid betalen achteraf mogelijk is. Artikel 39 Bijzondere omstandigheden In afwijking van artikel 38 kan er bijzondere bijstand verstrekt worden in de vorm van een lening aan de inwoner die: Vanuit een periode van minimaal zes maanden dakloosheid een woning toegewezen krijgt in de gemeente Nieuwkoop en: Redelijkerwijs niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van een woninginrichting en; Redelijkerwijs niet te verwijten is dat een eerdere inboedel verloren is gegaan. Vanuit plaatsing uit een tijdelijke noodopvang, alwaar de inwoner geplaatst was nadat de vorige thuissituatie als onveilig beoordeeld was, een woning toegewezen krijgt in de gemeente Nieuwkoop en: Redelijkerwijs niet heeft kunnen reserveren voor de kosten van een woninginrichting en; Redelijkerwijs geen beschikking meer heeft over een eventuele eerdere woninginboedel. Een verblijfsstatus toegekend heeft gekregen en vanuit een AZC een woning in de gemeente Nieuwkoop toegewezen heeft gekregen. Naar oordeel van het college in een situatie verkeert én waarin de inwoner een woning gaat bewonen én door een bijzondere situatie geen inboedel heeft en dit niet uit eigen inkomen of vermogen kan betalen. Artikel 40 Hoogte tegemoetkoming 1. Het maximale grondslagbedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld aan de hand van de NIBUD prijzengids. De jaarlijkse totale maximale vergoeding is gelijk aan de maximale bijdrage zoals deze geïndexeerd is in de maand januari van het aanvraagjaar. Waarbij: Tabel 2.1A als grondslag wordt gehanteerd bij een alleenstaande; Tabel 2.1B Als grondslag wordt gehanteerd bij gehuwden. 2. De volgende percentages van de NIBUD-bedragen worden toegepast in verband met actieprijzen en de mogelijkheid tot aanschaf van tweedehands goederen: Op het inventarispakket 2.1A is het percentage van 35% van toepassing indien er sprake is van zelfstandige bewoning van een woning of een hoofdbewoner; Op het inventarispakket 2.1A is het percentage van 17,5% van toepassing indien er sprake is van een (meerderjarige) alleenstaande in verband met kamerbewoning; Op het inventarispakket 2.1B is het percentage van 40% van toepassing. 3. Voor elk ten laste komend kind wordt € 500,- gerekend. Paragraaf6.4Bijdrage duurzame huishoudelijke apparaten Artikel42Voorwaarden 1.De aanvrager kan in aanmerking komen voor een bijdrage voor de aanschaf of vervanging van duurzame Bijdrage duurzame huishoudelijke apparaten als: het inkomen in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag gemiddeld niet hoger is geweest dan 110% van de, ten tijde van de aanvraag, van toepassing zijnde bijstandsnorm, beide exclusief vakantiegeld/toeslag en; het vermogen niet hoger is dan het vrij te laten bedrag als genoemd in artikel 34 van de Participatiewet en; gedurende drie jaar voorafgaand aan de aanvraag een zelfstandig huishouden gevoerd is. 2.Als een bijdrage verstrekt is voor de aanschaf van een duurzaam huishoudelijk apparaat, dan kan voor dit zelfde duurzame huishoudelijk apparaat voor een periode van zeven jaar na verstrekking niet nogmaals een bijdrage worden verstrekt. Voor een computer is bovengenoemde periode vijf jaar. 3.Er bestaat géén recht op een bijdrage voor de aanschaf van een computer zoals genoemd in artikel 43 lid 2 sub b wanneer aanvrager ten laste komende kinderen heeft vanaf 7 jaar die het basisonderwijs volgen. In dat geval kan aanvrager een aanvraag indienen bij de stichting Leergeld. 4.In afwijking van lid 1 sub a wordt het inkomen gelijkgesteld met de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor: de persoon in fase 2 en 3 van een minnelijk schuldhulpverleningstraject of van de persoon die deelneemt aan een traject wettelijke schuldsanering gedurende dit traject. de persoon op wiens inkomen beslag ligt. 5. In geval bij een gezamenlijke huishouding een van beide personen een traject SHV of WSNP volgt of op het inkomen van een van beide personen beslag ligt, dient het gezamenlijke inkomen te voldoen aan het gestelde in lid 1. Artikel43Duurzame huishoudelijke apparaten 1.De bijdrage kan verstrekt worden voor duurzame huishoudelijke apparaten die noodzakelijk zijn voor het voeren van een huishouden. 2.Duurzame huishoudelijke apparaten zoals bedoeld in het eerste lid zijn: een wasmachine, stofzuiger, koelkast, kookplaat, televisie en een computer. 3.Per huishouden kan jaarlijks een bijdrage voor duurzame huishoudelijk apparaten toegekend worden. Voor de vaststelling van de maximale bijdrage worden de bedragen van het Nibud gehanteerd. De jaarlijkse totale maximale vergoeding is gelijk aan de maximale bijdrage voor de wasmachine zoals deze geïndexeerd is in de maand januari van het aanvraagjaar. Artikel44Betaling van de bijdrage 1. De bijdrage duurzame gebruiksgoederen wordt betaald na overleg van de (proforma)nota en wordt overgemaakt aan de belanghebbende of rechtstreeks aan de leverancier. 2. Wanneer de bijdrage niet aan de leverancier wordt betaald dient het originele betalingsbewijs overlegd te worden. Paragraaf6.5Collectieve zorgverzekering - bijzondere bijstand zorgkosten Artikel45Aanspraak 1.Een persoon heeft recht op deelname aan de collectieve zorgverzekering van Zorg en Zekerheid en op een bijdrage hierin van het college als: het gezamenlijk inkomen niet hoger is dan 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, exclusief vakantiegeld/toeslag; het vermogen niet hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet; voldaan wordt aan de bepalingen ingevolge de Participatiewet. 2. In afwijking van onderdeel a en b wordt het inkomen van de persoon in fase 2 of 3 van een minnelijk schuldhulpverleningstraject of de persoon die deelneemt aan een traject wettelijk schuldsanering aan een traject wettelijk schuldsanering gedurende het traject gelijkgesteld met de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 3.Het college verstrekt bij een inkomen komen niet hoger dan 110% van het sociaal minimum een bijdrage die gelijk is aan 100% van de premie voor de aanvullende Standaard verzekering en 70% van de premie voor de aanvullende Top verzekering. 4. Bij een inkomen hoger dan 110% maar niet hoger dan 130% verstrekt het college een bijdrage die gelijk is aan 50% van de premie voor de aanvullende standaard verzekering en 40% van de premie voor de aanvullende top verzekering. 5. [vervallen] Artikel46Toetsing en beëindiging (heronderzoek) 1.Jaarlijks vindt een toetsing plaats of de deelnemer, die geen bijstand ontvangt, aan de gestelde voorwaarden voor voortzetting van de deelname aan de collectieve zorgverzekering voldoet. 2.De collectieve zorgverzekering eindigt op 1 januari van het kalenderjaar nadat de deelnemer niet meer aan de voorwaarden voor deelname als bedoeld in artikel 45 voldoet. 3.In afwijking van lid 2 eindigt de collectieve zorgverzekering op de datum waarop de deelnemer niet meer ingeschreven staat als inwoner van de gemeente volgens de Basisregistratie Personen (BRP) of de uitkering beëindigd is wegens fraude. 4.Bij beëindiging van de collectieve zorgverzekering vervalt het recht op de tegemoetkoming/bijdrage in de premie van de collectieve aanvullende zorgverzekering. Artikel46aBijzondere bijstand zorgkosten 1.Een persoon kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor hierna te noemen zorgkosten als: hij niet deelneemt aan de collectieve zorgverzekering bij Zorg en Zekerheid omdat hij nog elders verzekerd is; óf hij niet kan deelnemen aan de collectieve zorgverzekering vanwege een betalingsachterstand bij de zorgverzekeraar en hij een traject schuldbemiddeling of schuldsanering volgt. 2.De bijzondere bijstand zoals bedoeld in het eerste lid betreft niet uitstelbare kosten van de tandarts, een bril of lenzen, fysiotherapie waarvoor een vergoeding mogelijk is volgens de collectieve aanvullende zorgverzekering. 3.Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de maximale bedragen op grond van de collectieve aanvullende standaard verzekering bij Zorg en Zekerheid. 4.De draagkrachtregels op grond van paragraaf 6.2 zijn bij een aanvraag voor deze kosten van toepassing. 5.De bijzondere bijstand aan de persoon genoemd in het eerste lid sub a wordt slechts verstrekt tot uiterlijk het eerstvolgende kalenderjaar en aan de persoon genoemd in het eerste lid sub b tot uiterlijk de datum waarop men (weer) kan deelnemen aan de collectieve aanvullende zorgverzekering bij Zorg en Zekerheid. Artikel 46b Maatwerk bij verlening van bijzondere bijstand 1. Als naar oordeel van het college dringende omstandigheden aanwezig worden geacht om de alleenstaande of het gezin financiële ondersteuning te bieden, terwijl de kosten deze financiële ondersteuning te verstrekken niet of niet geheel aangemerkt kunnen worden als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet, kan er ook sprake zijn van een noodzaak tot verlening van bijzondere bijstand als door deze bijzondere bijstand: hogere maatschappelijke kosten voor de gemeente in de toekomst worden voorkomen; een doorbraak wordt geforceerd in de omstandigheden van de persoon of het gezin of de situatie van de persoon of het gezin significant verbetert en de zelfredzaamheid daardoor wordt vergroot; escalatie van de problematiek, waar de persoon of het gezin mee wordt geconfronteerd, wordt opgelost dan wel wordt voorkomen. 2. Als maatwerk in de vorm van bijzondere bijstand nodig is, dient aan tenminste twee van de drie voorwaarden, zoals genoemd in het eerste lid, te worden voldaan. 3. De te verstrekken bijzondere bijstand is aanvullend op de middelen waarover belanghebbende de beschikking heeft om in de betreffende kosten te voorzien en richt zich op de goedkoopste adequate voorziening. 4. De in het eerste lid bedoelde bijzondere bijstand kan ook betrekking hebben op kosten die gerekend worden tot de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan, waarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verstrekt. 5. De bijzondere bijstand wordt zo mogelijk in natura verstrekt. Artikel 46c Draagkrachtbepalingen voor de verlening van maatwerk 1. Als bijzondere bijstand noodzakelijk is op grond van artikel 46b, wordt geen toepassing gegeven aan de draagkrachtbepalingen, genoemd in artikel 34 tot en met 37. 2. In afwijking van het eerste lid: wordt een bedrag aan liquide middelen gelijk aan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5 lid c Participatiewet inclusief vakantiegeld, vrijgelaten om te kunnen voorzien in de dagelijkse kosten van het levensonderhoud. worden de middelen, zoals genoemd in artikel 31 tweede lid van de Participatiewet, tot de middelen van belanghebbende gerekend. wordt de vermogensgrens, zoals genoemd in artikel 34 tweede lid onder b van de Participatiewet, op nul gesteld. Artikel46d Verplichtingen verbonden aan de bijstand die als maatwerk wordt verstrekt 1. Het voorkomen dat belanghebbende binnen afzienbare tijd weer terugvalt in de situatie voor aanvang van de bijstandsverlening, zoals het accepteren van begeleiding in het beheer van de financiën; 2. Beheersing van de Nederlandse taal of specifieke computervaardigheden die nodig zijn om de financiën te kunnen beheren; 3. Begeleiding die voor belanghebbende van belang wordt geacht om een stabiele situatie te bereiken of in stand te houden. Paragraaf6.6Overige bepalingen bijzondere bijstand Artikel47Ingangsdatum bijzondere bijstand 1. Van lid 1 kan worden afgeweken, als de kosten gemaakt zijn in de periode van maximaal één maand voorafgaand aan de datum van de aanvraag en de kosten nog niet zijn betaald. 2. Van lid 1 kan worden afgeweken, als de kosten gemaakt zijn in de periode van maximaal één maand voorafgaand aan de datum van de aanvraag en de kosten nog niet zijn betaald. Deze uitzonderingsbepaling is niet van toepassing op een aanvraag duurzame huishoudelijke apparaten zoals bedoeld in artikel 43 van de Nadere regels. Artikel 47a Bijzondere bijstand gedetineerden 1. De persoon die rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan op grond van de individuele situatie gedurende een periode van maximaal 6 maanden, aaneengesloten en te rekenen vanaf eerste dag van detentie, in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de kosten van de huur, gas, elektriciteit en water. 2. Het eerste lid is niet van toepassing wanneer bij aanvang van de detentie duidelijk is dat de periode van vrijheidsbeneming langer zal duren dan 6 maanden. 3. De gemeente betaalt de bijzondere bijstand rechtstreeks aan de verhuurder en/of de leverancier van gas, elektriciteit en water. 4. De bijzondere bijstand op grond van het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een geldlening en indien mogelijk in termijnen verrekend met de toe te kennen uitkering, dan wel teruggevorderd, zodra belanghebbende uit detentie is. 5. Als belanghebbende over de periode genoemd in het eerste lid een huurtoeslag van de belastingdienst ontvangt, welke redelijkerwijs in deze periode niet voor de betaling van de huur kon worden aangewend, dan wordt de bijzondere bijstand tot het bedrag van de huurtoeslag zo mogelijk in één keer terugbetaald als aflossing van de leenbijstand. Paragraaf6.7Overige bepalingen Participatiewet Artikel48Verlaging bijstand wegens ontbreken woonkosten 1.Gelet op artikel 27 van de Participatiewet wordt de uitkering verlaagd als een woning bewoond wordt waaraan voor belanghebbende geen kosten van huur, dan wel kosten van de eigen woning, verbonden zijn. 2.De verlaging bedraagt 20% van de van toepassing zijnde norm op grond van artikel 20 en 21 van de Participatiewet.. Artikel48aGebruikmaking wettelijke bevoegdheid verhaal 1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van bijstand als bedoeld in artikel 62f van de Participatiewet. 2.In de situaties van onderhoudsplicht zoals bedoeld in artikel 62 van de Participatiewet wordt geen verhaal van bijstand toegepast, maar wordt aan de uitkering op grond van artikel 55 van de Participatiewet één of meer van de volgende verplichtingen verbonden: bij de rechtbank alimentatie eisen tot de grens van de onderhoudsplicht voor belanghebbende en/of minderjarig(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.