De raad van de gemeente Nieuw-Lekkerland; Gelezen het voorstel van Burgemeester en wethouders van 3 augustus 2004 Gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel a, b en c; artikel 8a; artikel 18; artikel 30 en artikel 47 van de Wet werk en bijstand. besluit vast te stellen de navolgende verordeningregelende uitvoering en handhaving van de Wet werk en bijstand. Verordening Werk en Bijstand 2004 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Afdeling1.1Definities en omschrijvingen Artikel1.1Algemene begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet Werk en Bijstand; het college: burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuw-Lekkerland. nettominimumloon: het minimumloon per maand genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, verhoogd met de aanspraak op vakantiebijslag waarop een werknemer op grond van artikel 15 van die wet over dat minimumloon ten minste aanspraak kan maken, na aftrek van de daarvan in te houden loonbelasting, premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en het werknemersaandeel ziekenfondspremie; bijstandsnorm: de op grond van paragraaf 3.2 van de wet op de belanghebbende van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de door het college vastgestelde verhoging of verlaging. Artikel1.2Begrippen in het kader van de reïntegratie In deze verordening wordt verstaan onder: reïntegratie: het geheel van activiteiten gericht op arbeidsinschakeling van werkzoekenden; algemeen geaccepteerde arbeid: arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is; trajectplan: een op het individu toegespitst plan met als doel arbeidsinschakeling, waarin de rechten en plichten van zowel de gemeente als de werkzoekende worden opgenomen; subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor het aan het bestuursorgaan geleverde diensten; reïntegratiebedrijf: een bedrijf, dat op basis van een overeenkomst met de gemeente, activiteiten verricht gericht op reïntegratie. Artikel1.3De kwalificatie van personen In deze verordening wordt verstaan onder: bijstandsgerechtigde:persoon die recht heeft op een uitkering op grond van de wet; alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte; alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor één of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte; ten laste komend kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind, jonger dan 18 jaar, voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken. Artikel1.4Gehuwd a.In deze verordening wordt gelijkgesteld met gehuwd: als partner geregistreerd. b.Als gehuwde wordt mede aangemerkt de ongehuwde die met een persoon, niet zijnde een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte, een gezamenlijke huishouding voert. c.Als ongehuwd wordt mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. d.Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. e.Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: a.zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt; b.uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander; c.zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of d.zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding bedoeld in het vierde lid. Artikel1.5Begrippen verband houdend met de woonsituatie In deze verordening wordt verstaan onder: woning: een woonhuis een woonwagen of een woonschip; woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Huursubsidiewet (Staatsblad 1997, 197); indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke lasten worden verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsdeel van de onroerende-zaak-belasting, de brandverzekering, de opstalverzekering en het eigenaarsdeel van de waterschapslasten; hoofdverblijf: de woning waar belanghebbende zijn woonstede heeft, of bij het ontbreken daarvan de plaats waar belanghebbende werkelijk verblijf houdt; hoofdbewoner: degene die aangeslagen is voor het gebruikersgedeelte van de onroerende-zaak-belasting en nog steeds woonachtig is in de woning waarop de aanslag betrekking heeft, dan wel degene die aangeslagen zou worden voor het gebruikersgedeelte van de onroerende-zaak-belasting indien de woning op de peildatum van de onroerende-zaak-belasting nog steeds wordt bewoond; Artikel1.6Begrippen in het kader van sanctionering In deze verordening wordt verstaan onder: sanctie: een waarschuwing of een verlaging van de bijstandsnorm voor een bepaalde periode, die kan worden opgelegd op grond van artikel 18 tweede lid van de wet, door het college, indien geconstateerd is dat er sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van een aan de uitkering verbonden verplichting of het tonen van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid; gedraging: een doen of nalaten; benadelingsbedrag: het bruto uitkeringsbedrag dat ten onrechte is verstrekt, doordat de betrokkene onjuiste en/of onvolledige gegevens heeft verstrekt, dan wel voor de bepaling van het recht op uitkering relevante gegevens heeft verzwegen of niet (tijdig) verstrekt. Afdeling1.2Handhaving Artikel1.7Handhaving 1.Het college stelt jaarlijks een handhavingsplan vast en biedt dit vervolgens aan de gemeenteraad aan met daarin het te voeren beleid op gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de te verwachten resultaten. 2.Het handhavingsplan wordt uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het in het eerste lid bedoelde plan betrekking heeft, door het college vastgesteld. 3.In het handhavingsplan komt op zijn minst tot uitdrukking de gemeentelijke visie op handhaving van de wet, alsmede de aanpak van fraudepreventie, controle en –repressie 4.Het college rapporteert uiterlijk op 30 juni van het jaar volgend op het jaar waarop het in het eerste lid bedoelde plan betrekking heeft aan de gemeenteraad over het op grond van het handhavingsplan gevoerde beleid en de bereikte resultaten. Hoofdstuk2Reïntegratie Afdeling2.1Inleidende bepalingen Artikel2.1Opdracht college 1.Het college biedt aan bijstandsgerechtigden tot 65 jaar, aan personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering, niet-uitkeringsgerechtigden alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing. 2.Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de werkzoekende, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. 3.Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan ondersteuning en voorzieningen. 4.De personen tot wie de opdracht van het college tot ondersteuning zich uitstrekt, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, worden in het vervolg van dit hoofdstuk aangeduid als werkzoekenden. Artikel2.2Beleidsplan en -verslag 1.Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening jaarlijks een beleidsplan vast en biedt dit vervolgens aan de gemeenteraad aan. Hierin worden beleidsprioriteiten aangegeven, alsmede de hoogte en wijze van financiering. 2.Dit plan omvat in elk geval: een omschrijving van het beleid ten aanzien van de verschillende doelgroepen en de prioritering binnen en tussen die groepen, waarbij een evenwichtige aanpak als uitgangspunt wordt genomen; een beschrijving van de voorzieningen die het college in ieder geval kan aanbieden alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. een verdeling van de beschikbare middelen over de verschillende voorzieningen; de criteria voor het ontheffingenbeleid ten aanzien van de arbeidsverplichting, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de combinatie van arbeid en zorg; het flankerende beleid ten aanzien van zorg en hulpverlening. 3.Het in het eerste lid bedoelde plan wordt uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het betrekking heeft, vastgesteld door het college. 4.Het college rapporteert uiterlijk op 30 juni van het jaar volgend op het jaar waarop het in het eerste lid bedoelde plan betrekking heeft aan de gemeenteraad over het op grond van het plan gevoerde beleid, de bereikte resultaten en de effecten van het beleid. Dit verslag wordt vormgegeven conform het verslag als bedoeld in artikel 77 van de wet. Afdeling2.2Rechten en plichten Artikel2.3Aanspraak op ondersteuning Werkzoekenden hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Artikel2.4Verplichtingen van de werkzoekende 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 9 van de wet is de werkzoekende verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden 2.Een werkzoekende die door het college een voorziening wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken. 3.De werkzoekende die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur uitvoeringorganisatie werk en inkomen, deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 4.Indien een bijstandsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het derde lid kan het college de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in hoofdstuk 4 van deze verordening 5.Indien de werkzoekende, niet zijnde een bijstandsgerechtigde, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het derde lid, kan het college de kosten van de voorziening dan wel van andere subsidies geheel of gedeeltelijk terugvorderen. 6.De hoogte van het bedrag dat op grond van het vorige lid van de belanghebbende wordt teruggevorderd wordt bepaald door: het bedrag te berekenen waarmee de uitkering op grond van het vierde lid verlaagd zou moeten worden, wanneer de in het vijfde lid bedoelde persoon bijstandsgerechtigd zou zijn; bij het aldus berekende bedrag op te tellen de aanwezige draagkracht van de niet bijstandsgerechtigde werkzoekende, voor zover daarmee nog geen rekening is gehouden bij de betaling van de subsidie. 7.Het op grond van het vorige lid berekende bedrag is niet hoger dan de kosten van de voorziening of andere subsidie. Afdeling2.3Algemene bepalingen over voorzieningen Artikel2.5Sluitende aanpak 1.Elke werkzoekende krijgt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 2 maanden nadat de aanspraak op ondersteuning is ontstaan, een aanbod voor een voorziening gericht op inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien en voor zover het college heeft bepaald dat voor deze persoon een volledige ontheffing van de arbeidsverplichting geldt. 3.Indien de ontheffing zoals bedoeld in het vorige lid door het college wordt ingetrokken, dan wel de tijdsduur waarvoor de ontheffing is verleend is verstreken, krijgt de werkzoekende zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 2 maanden nadat het besluit tot intrekking van de ontheffing is genomen dan wel de tijdsduur waarvoor de ontheffing is verleend is verstreken, een aanbod voor een voorziening gericht op inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel2.6Algemene bepalingen over voorzieningen 1.Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere verplichtingen verbinden. 2.Het college kan een voorziening beëindigen: indien de werkzoekende die aan de voorziening deelneemt een of meer verplichtingen genoemd in de wet of in deze verordening niet nakomt; indien de werkzoekende die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet; indien de werkzoekende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze voorziening; indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling van de werkzoekende 3.Het college kan ten aanzien van een of meer in deze verordening genoemde voorzieningen met inachtneming van hetgeen daarover in het beleidsplan is bepaald, beleidsregels stellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op: de voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden; de weigeringsgronden bij het aanbieden van voorzieningen; de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of – vaststelling; de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies en premies; de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten; overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het verstrekken van subsidies. Afdeling2.4De werkplaats Artikel2.7De werkplaats 1.Er is een voorziening genaamd “de werkplaats” . 2.De werkplaats is een voorziening zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 aanhef en sub a van de wet. 3.Met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.5 van deze verordening krijgt iedere werkzoekende het aanbod om gebruik te maken van de in het eerste lid bedoelde voorziening. 4.Een aanbod zoals bedoeld in het vorige lid kan achterwege blijven wanneer een werkzoekende reeds gebruik maakt van een andere voorziening. 5.De werkzoekende verricht in de werkplaats, zolang zijn zoekacties en andere activiteiten gericht op arbeidsinschakeling zonder resultaat blijven, een (werk)stage. 6.Het doel van de (werk)stage zoals bedoeld in het vorige lid is het opdoen van werkervaring en het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 7.Zonodig wordt in de werkplaats een diagnose gesteld met betrekking tot de afstand van de werkzoekende tot de arbeidsmarkt en een advies gegeven voor een vervolgtraject dat zo snel mogelijk leidt naar regulier werk. 8.De maximale periode dat een werkzoekende gebruik kan maken van de in het eerste lid bedoelde voorziening bedraagt 6 maanden. 9.Het college draagt er zorg voor dat plaatsing van de werkzoekende in de werkplaats niet leidt tot een onverantwoorde beïnvloeding van de concurrentieverhoudingen. Afdeling2.5Arbeidsmarkt gerelateerde uitstroomtrajecten Artikel2.8Werkstages 1.Het college draagt er zorg voor dat aan werkzoekenden een werkstage kan worden aangeboden gericht op arbeidsinschakeling. 2.Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.Deze werkstage duurt maximaal 6 maanden. 4.Het college draagt er zorg voor dat de werkzoekende alleen geplaatst wordt op een werkstage indien daardoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt. 5.Het doel van de werkstage, alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt wordt schriftelijk vastgelegd. 6.Het college kan een stimuleringssubsidie verstrekken aan het reïntegratiebedrijf dat belast is met het organiseren en begeleiden van de werkstages wanneer arbeidsinschakeling plaats vindt binnen de in het derde lid genoemde periode van 6 maanden. Artikel2.9Detacheringsbanen 1.Het college draagt er zorg voor dat aan werkzoekenden een dienstverband bij een reïntegratiebedrijf kan worden aangeboden, gericht op arbeidsinschakeling; 2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. 3.Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt. 4.Met het reïntegratiebedrijf worden in ieder geval schriftelijke afspraken gemaakt over de van toepassing zijnde rechtspositie. Artikel2.10(Loonkosten)subsidie aan een reïntegratiebedrijf 1.Het college kan subsidie verstrekken aan een reïntegratiebedrijf dat met een werkzoekende een arbeidsovereenkomst sluit gericht op arbeidsinschakeling; 2.Het college stelt beleidsregels ten aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden. 3.De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. Artikel2.11Voorzieningen gericht op nazorg Het college kan aan een persoon die algemeen geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, zonder dat de onderneming waar de arbeid wordt verricht gesubsidieerd wordt op grond van artikel 2.10 van deze verordening, gedurende een periode van maximaal 6 maanden, voorzieningen bieden gericht op nazorg. Afdeling2.6Kweekvijver Artikel2.12De kweekvijver 1.Er is een voorziening genaamd “ de kweekvijver”. 2.De kweekvijver is een voorziening zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 aanhef en sub a van de wet. 3.Met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.5 van deze verordening kan iedere werkzoekende het aanbod krijgen om gebruik te maken van de in het eerste lid bedoelde voorziening. 4.Een aanbod zoals bedoeld in het vorige lid blijft achterwege wanneer een werkzoekende reeds gebruik maakt van een andere voorziening. 5.In de kweekvijver verricht de werkzoekende activiteiten die erop zijn gericht de werkzoekende kennis, vaardigheden en attituden te laten verwerven, waardoor de kans op arbeidsinschakeling wordt vergroot. 6.Het college kan aan, gelet op het vorige lid, de werkzoekende uitkeringsgerechtigde activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering. 7.Onder sociale activering zoals bedoeld in het vorige lid wordt verstaan het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten ter voorbereiding op een traject gericht op arbeidsinschakeling. Afdeling2.7Flankerende voorzieningen Artikel2.13Scholing 1.Het college kan werkzoekenden een vorm van scholing aanbieden gericht op arbeidsinschakeling. 2.Het college kan beleidsregels stellen ten aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de maximale kosten. Artikel2.14Kinderopvang 1.Het college kan met het oog op de arbeidsinschakeling kinderopvang aanbieden aan alleenstaande ouders of gehuwden, zolang het jongste kind de leeftijd van 12 jaar nog niet heeft bereikt. 2.Het college kan beleidsregels stellen ten aanzien van de noodzakelijkheid van de kinderopvang, de duur en de maximale vergoeding Artikel2.15Schuldhulpverlening Het college kan mede met het oog op de arbeidsinschakeling informatie, advies, hulp en begeleiding bij het oplossen van problematische schulden aanbieden. 2.Het college kan beleidsregels stellen ten aanzien van de in het eerste lid genoemde voorziening. Artikel2.16Overige flankerende voorzieningen 1.Het college kan, behalve de in deze afdeling al genoemde flankerende voorzieningen, met het oog op de arbeidsinschakeling andere, niet nader omschreven flankerende voorzieningen ontwikkelen, laten ontwikkelen en aanbieden. 2.Het college kan beleidsregels stellen ten aanzien van de in het eerste lid genoemde voorzieningen. Afdeling2.8Inkomstenvrijlating Artikel2.17Inkomstenvrijlating 1.De vrijlating zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 onder o van de wet wordt toegepast indien de werkzoekende aannemelijk maakt dat de inkomsten uit deeltijdarbeid binnen een periode van 6 maanden zullen stijgen tot een zodanig niveau, dat geen recht meer bestaat op een (aanvullende) bijstandsuitkering. 2.Van een situatie zoals bedoeld in het eerste lid is in ieder geval sprake wanneer: er sprake is van een leer- werkovereenkomst waarbij de werkcomponent binnen een periode van een half jaar zodanig in omvang toeneemt dat geen recht meer bestaat op een (aanvullende) bijstandsuitkering. er een schriftelijke verklaring van de werkgever is waaruit blijkt dat bij gebleken geschiktheid de omvang van het dienstverband binnen maximaal 6 maanden wordt uitgebreid tot een zodanig niveau dat geen recht meer bestaat op een (aanvullende) bijstandsuitkering. Afdeling2.9Stimuleringssubsidies Artikel2.18Stimuleringssubsidies 1.Het college kan aan werkzoekenden een stimuleringssubsidie toekennen. 2.Deze subsidie wordt verstrekt bij het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. 3.Het college stelt beleidsregels vast over de doelgroepen en de hoogte van de stimuleringsubsidies. Afdeling2.10Overige subsidiëring en geldleningen Artikel2.19Doel van de subsidie 1.Het doel van de in deze afdeling bedoelde subsidie is het zo veel mogelijk opheffen van de financiële belemmeringen die de werkzoekende ondervindt in het kader van zijn uitstroomtraject. 2.Voor subsidiëring kunnen uitsluitend die kosten in aanmerking komen die gevormd worden door de noodzakelijke onkosten die de werkzoekende maakt of moet maken in het kader van zijn uitstroomtraject. Artikel2.20Bepaling noodzakelijke kosten 1.Tot de noodzakelijk kosten als bedoeld in artikel 2.19 lid 2 van deze verordening worden gerekend: de kosten die in het trajectplan genoemd worden; de niet in het trajectplan opgenomen kosten die naar het oordeel van het college als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt gelet op de belemmerende werking richting uitstroom die ervan uitgaat en de relatie met het trajectplan; 2.Bij de subsidiëring van noodzakelijke kosten zoals bedoeld in het vorige lid wordt steeds gekozen voor de goedkoopste doch adequate oplossing om de belemmering op te heffen. Artikel2.21Terugbetalingsverplichting 1.Het college kan besluiten naast de in deze afdeling bedoelde subsidies ook leningen voor de in deze afdeling bedoelde kosten te verstrekken. De condities met betrekking tot de terugbetaling worden dan opgenomen in het trajectplan. 2.Het college kan tot gehele of gedeeltelijke terugvordering van de in deze afdeling bedoelde subsidies overgaan indien het traject door het toedoen van de gesubsidieerde niet tot een goed einde wordt gebracht. Artikel2.22Afstemming met bijzondere bijstand De in deze afdeling bedoelde subsidies en leningen zijn voorliggende voorzieningen voor de verstrekking van bijzondere bijstand voor de in dit hoofdstuk bedoelde werkzoekenden. Afdeling2.11Specifieke bepaling voor niet bijstandgerechtigde werkzoekenden Artikel2.23Subsidieverlening aan niet bijstandgerechtigde werkzoekenden 1.De in dit hoofdstuk behandelde ondersteuning aan niet bijstandsgerechtigde werkzoekenden kan worden aangeboden in de vorm van een subsidie met in achtneming van artikel 2.4 lid 6 2.Het college kan besluiten bij de bepaling van de hoogte van een of meer subsidies die op grond van dit hoofdstuk verstrekt worden aan niet bijstandgerechtigde werkzoekenden, rekening te houden met de bij die werkzoekende aanwezige draagkracht. 3.Bij de berekening van de in het vorige lid bedoelde draagkracht wordt overeenkomstig gehandeld als bij het berekenen van aanwezige draagkracht in het kader van de verstrekking van bijzondere bijstand. Hoofdstuk3Toeslagen en verlagingen Artikel3.1Leeftijdsbeperking 1.De bepalingen in dit hoofdstuk hebben slechts betrekking op bijstandsgerechtigden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. 2.Bij bijstandsverlening aan gehuwden gelden de bepalingen van dit hoofdstuk slechts wanneer beide partners 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn. Artikel3.2Categorieën 1.Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een categorieaanduiding. 2.De categorieën worden als volgt aangeduid: a.alleenstaande; b.alleenstaande ouder; c.gehuwde. Artikel3.3Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm 1.De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.De toeslag, bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met diens ten laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag. 3.De toeslag, bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede lid niet van toepassing is, behoudens het bepaalde in artikel 3.7 van dit hoofdstuk, 15 procent van het netto minimumloon. Artikel3.4Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag bij gehuwden 1.De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.De verlaging, bedoeld in het eerste lid blijft achterwege indien in de woning van de gehuwden of de gehuwden met ten laste komende kinderen geen ander zijn hoofdverblijf heeft. 3.De verlaging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor de gehuwden op wie het tweede lid niet van toepassing is, behoudens het bepaalde in artikel 3.7 van dit hoofdstuk, 5 procent van het netto minimumloon. Artikel3.5Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag bij 21- en 22 jarigen 1.Toeslag, zoalsis vastgesteld op grond vanartikel 3.3 van deze verordening wordt voor een alleenstaande van 21 jaar verlaagd met 20 procent van het netto minimumloon. 2.Indien voor een 21-jarige alleenstaande op grond van artikel 3.3 van deze verordening een toeslag van minder dan 20 procent van het netto minimumloon is vastgesteld, wordt de verlaging, bedoeld in het vorige lid gelijkgesteld aan deze toeslag. 3.De toeslag, zoals is vastgesteld op grond van artikel 3.3 van deze verordening wordt voor een alleenstaande van 22 jaar verlaagd met 15 procent van het netto minimumloon. Artikel3.6Ontbrekende woonkosten 1.De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden, danwel als gevolg van het niet aanhouden van een woning. 2.De verlaging, bedoeld in het eerste lid bedraagt 20 procent van het netto minimumloon. Artikel3.7Cumulatie en anticumulatie 1.Indien de bijstandsgerechtigde tevens hoofdbewoner van de woning, de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met meer dan één persoon, wordt de toeslag zoals bedoeld in artikel 3.3 van deze verordening verder verlaagd met 5 procent van het minimumloon voor iedere volgende persoon die zijn hoofdverblijf houdt in de woning, respectievelijk de verlaging zoals bedoeld in artikel 3.4 van deze verordening verder verhoogd met 5 procent van het minimumloon voor iedere volgende persoon die zijn hoofdverblijf houdt in de woning. 2.Indien de bijstandsgerechtigde, niet zijnde hoofdbewoner van de woning, de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen met meer dan één persoon, wordt de toeslag zoals bedoeld in artikel 3.3 van deze verordening verder verlaagd met 5 procent van het minimumloon voor iedere volgende persoon die zijn hoofdverblijf houdt in het gedeelte van de woning, dat op basis van een huur- of kostgangersovereenkomst ter beschikking staat aan belanghebbende, respectievelijk de verlaging zoals bedoeld in artikel 3.4 van deze verordening verder verhoogd met 5 procent van het netto minimumloon. 3.Alleenstaande ouders met hun ten laste komende kinderen, en gehuwden met hun ten laste komende kinderen worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als één persoon. 4.De uitkering bedraagt: minimaal 50 procent van het netto minimumloon voor een alleenstaande; minimaal 70 procent van het netto minimumloon voor een alleenstaande ouder; minimaal 80 procent van het netto minimumloon voor gehuwden. Artikel3.8Afstemming Verhoging of verlaging van de bijstandsnorm of afwijkende vaststelling van de toeslag vindt plaats onverminderd artikel 18, eerste lid van de wet. Hoofdstuk4Sancties Afdeling4.1Inleidende bepalingen Artikel4.1Het toepassen van een sanctie 1.Aan de belanghebbende wordt overeenkomstig dit hoofdstuk van de verordening een sanctie opgelegd indien de belanghebbende: a.naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan; b.uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen of deze verordening voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. c.zich jegens het college of zijn ambtenaren zeer ernstig misdraagt. 2.Een sanctie wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. Artikel4.2Verwijtbaarheid 1.Het college ziet af van het opleggen van een sanctie indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt in ieder geval indien: de verwijtbare gedraging niet kan worden toegerekend aan de belanghebbende wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens; de belanghebbende door overmacht is gedrongen tot de verwijtbare gedraging; de belanghebbende tot de verwijtbare gedraging is gekomen door naleving van een wettelijk voorschrift. 3.De mate van verwijtbaarheid, als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid van deze verordening, kan worden onderscheiden in de volgende gradaties: Er is sprake van lichte verwijtbaarheid, indien de gedraging van de belanghebbende is voortgekomen uit slordigheid, onachtzaamheid, onzorgvuldigheid en/of onervarenheid. Er is in ieder geval geen sprake van lichte verwijtbaarheid indien aan de belanghebbende reeds eerder voor een vergelijkbare gedraging een sanctie is opgelegd. Er is sprake van standaard verwijtbaarheid indien de belanghebbende weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat er sprake is van een verwijtbare gedraging. Er is sprake van zware verwijtbaarheid indien de belanghebbende zich stelselmatig schuldig maakt aan verwijtbare gedragingen, dan wel bij de verwijtbare gedraging gebruik heeft gemaakt van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. Artikel4.3Dringende redenen 1.Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van het opleggen van een sanctie indien het college daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 2.Indien het college toepassing geeft aan lid 1 wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Afdeling4.2Gedragingen in verband met de arbeidsinschakeling Paragraaf4.2.1Gedragingen in de werkplaats en bij andere voorzieningen Artikel4.4Verzuimprotocol 1.Het college stelt een verzuimprotocol vast. Hierin worden onder andere regels opgenomen met betrekking tot de aanwezigheid op de werkplaats, de gronden voor afwezigheid, de wijze waarop de afwezigheid gemeld moet worden en de consequenties van het niet nakomen van deze regels. 2.Iedere belanghebbende die in de werkplaats te werk wordt gesteld krijgt een afschrift van het verzuimprotocol. Artikel4.5Ongeoorloofd verzuim op de werkplaats 1.Verzuim in strijd met het verzuimprotocol wordt aangemerkt als ongeoorloofd verzuim. 2.Ongeoorloofd verzuim wordt onderscheiden, naar aantal perioden van verzuim in één kalendermaand, in de navolgende categorieën: a.Eerste categorie:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.