Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2014De raad van de gemeente Oldenzaal; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 december 2013, nr. 46/4; reg.nr. INTB-13-01109; gelet op artikelen 228 van de Gemeentewet; b e s l u i t : vast te stellen de Verordening op de heffing en de invordering van precariobelasting 2014 Artikel1Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: jaar: een kalenderjaar; zomerseizoen periode van zes maanden, ingaande op 1 april en eindigende op 30 september daaropvolgend; kwartaal: een kalenderkwartaal, niet vallende in het zomerseizoen; maand: een kalendermaand; week: een kalenderweek; dag: een periode van 24 uren, aanvangende te 00.00 uur; terras: een gelegenheid waar eet- en drinkwaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt. Artikel2Belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. Artikel3Belastingplicht 1De precariobelasting wordt geheven van degene die één of meer voorwerpen heeft onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, dan wel van degene ten behoeve van wie die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond worden aangetroffen. 2In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning of ontheffing heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft. 3Behoudens het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel wordt de precariobelasting voor reclamevoorwerpen en automaten geheven van de feitelijk gebruiker van de onroerende zaak waaraan of waarvoor de voorwerpen zijn bevestigd of geplaatst. Artikel4Vrijstellingen De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van: voorwerpen, waarvoor de gemeente een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen; voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde; voorwerpen, welke ingevolge een wettelijk voorschrift, een overeenkomst of anderszins rechtens moeten worden gedoogd; voorwerpen, welke uitsluitend voorzien in een cultureel, politiek, godsdienstig, sociaal of algemeen belang dan wel worden gebezigd voor weldadige doeleinden. Artikel5Maatstaf van heffing en belastingtarief De precariobelasting wordt geheven aan de hand van en naar de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde. Artikel6Berekening van de precariobelasting 1.Voor de berekening van de precariobelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde lengte- en oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt. 2.Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald. 3.De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek. 4.Indien voor het belastbare feit het dagtarief, onderscheidenlijk het weektarief, het maandtarief of het jaartarief niet evenredig zijn opgebouwd, wordt het recht berekend op de voor de belastingplichtige voordeligste wijze. Artikel7Belastingtijdvak 1.Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar. 2.Indien het belastbare feit zich heeft voorgedaan gedurende een gedeelte van het kalenderjaar is, in afwijking van het eerste lid, het belastingtijdvak gelijk aan dat gedeelte. 3.Indien met toepassing van het tweede lid in één kalenderjaar meer dan één tijdvak voorkomt, worden deze tijdvakken voor de toepassing van deze verordening aangemerkt als één tijdvak. Artikel8Wijze van heffing De precariobelasting wordt geheven bij wijze van aanslag. Artikel9Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.De naar jaartarieven geheven precariobelasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.In de gevallen bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, is de precariobelasting verschuldigd bij het einde van het belastingtijdvak. 3.Als de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar de jaartarieven geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. de naar zomerseizoen geheven precariobelasting voor zoveel zesde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.