BELEIDSLIJN INZAKE TIJDELIJKE RECLAMEBORDEN EN SPANDOEKEN GEMEENTE BODEGRAVEN 2008 II.Inleiding De plaatsing van tijdelijke reclameborden en het ophangen van (al dan niet commerciële) spandoeken vormen onderwerpen waarover op dit moment geen beleidsregels zijn vastgelegd, terwijl daaraan wel behoefte bestaat. Gebrek aan handhaving en toezicht op het terrein van tijdelijke reclameborden en spandoeken heeft er toe geleid dat er thans sprake is van een zekere wildgroei van deze reclameborden en spandoeken binnen de gemeente. Het onverantwoord plaatsen of ophangen van bovenstaande zaken geeft niet alleen een chaotisch aanzicht, maar is bovenal uit het oogpunt van (verkeers)veiligheid uit den boze. Het college acht het dan ook van groot belang om dit knelpunt zo spoedig mogelijk aan te pakken. Ook het door de raad op 18 november 2004 vastgestelde “Ontwikkelingsplan voor het centrum (2004-2014)” sluit aan bij de geschetste problematiek. Op dit moment zijn er geen beleidsregels vastgelegd terwijl daaraan wel behoefte bestaat. Het is daarom wenselijk dat er een eenduidig beleid wordt vastgesteld dat daadwerkelijk wordt (en ook kan worden) gehandhaafd. III Doel en uitgangspunten De onderhavige beleidslijn voorziet in regelgeving voor: Reclame in de vorm van tijdelijk geplaatste borden ter aankondiging van evenementen en overige activiteiten; Reclame in de vorm van spandoeken die worden opgehangen boven de openbare weg. Het belangrijkste doel van deze beleidslijn is om aan alle betrokken partijen helderheid te verschaffen over het te voeren beleid, de van toepassing zijnde regelgeving en de uitvoering en handhaving daarvan. Het beleid dient daarbij tevens in de praktijk handhaafbaar te zijn. In deze beleidslijn is een aantal nadere regels opgenomen die betrekking hebben op de vergunningverlening. Deze beleidslijn en de daarin opgenomen nadere regels bevatten objectieve criteria die gelden voor de gehele gemeente. Hiervoor is gekozen vanwege het feit dat een gedifferentieerd beleid, waarbij bijvoorbeeld per straat of wijk andere voorwaarden gelden, vrijwel niet handhaafbaar is en ook vergunningverlening onnodig kan vertragen. Tevens is een gedifferentieerd beeld inzake reclame-uitingen in de openbare ruimte vanuit welstandsoogpunt ongewenst. De uitgangspunten voor het beleid luiden als volgt: De gemeente kan de wijze waarop de openbare ruimte gebruikt wordt reguleren. Een belangrijk doel dat door de gemeente wordt nagestreefd is het behoud en de bevordering van de kwaliteit in de openbare ruimte. Binnen de openbare ruimte bevinden zich verschillende gebruikers met ieder hun eigen belangen en wensen. Hiermee tracht de gemeente zo veel mogelijk rekening te houden bij de vaststelling van haar beleid. De gemeente is bereid om de openbare ruimte in beperkte mate beschikbaar te stellen voor reclame-uitingen. Reclameborden en spandoeken mogen geen hinder of overlast veroorzaken als het gaat om de doorgang van het winkelend publiek en overige weggebruikers, zoals voetgangers (al dan niet met een kinder- of winkelwagen), mensen met een handicap, ouderen, het reguliere wegverkeer en hulpdiensten. Reclameborden mogen de toegangen tot- en (nood)uitgangen van gebouwen niet belemmeren. Rechtsongelijkheid tussen aanvragers van een vergunning voor een reclamebord en/of spandoek dient voorkomen te worden. Ontsiering door of vanwege reclameborden en spandoeken dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Het beleid dient vanuit het oogpunt van de openbare orde en veiligheid uitvoerbaar en handhaafbaar te zijn. IV Juridisch kader Grondwet Bij het opstellen van beleid ten aanzien van reclame in de openbare ruimte moet rekening gehouden worden met het grondrecht om gedachten en gevoelens te openbaren op grond van artikel 7 van de Grondwet. In het vierde lid van dit artikel wordt het maken van handelsreclame uitgesloten van deze grondwettelijke bescherming. Als vervolgens gekeken wordt naar hogere Europese regelgeving kan geconcludeerd worden dat artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) het recht op vrijheid van meningsuiting wel van toepassing verklaart op commerciële reclame. Een te beperkend beleid ten aanzien van commerciële reclame-uitingen kan daarom niet als redelijk worden beschouwd. Kort gezegd betekent het bovenstaande dat een verbod op commerciële reclame (waaronder spandoeken en reclameborden) niet mogelijk is. Zolang er echter geen absoluut verbod bestaat, te absolute beperkingen gelden of een te restrictief beleid wordt gevoerd en er een duidelijke noodzaak wordt aangegeven ten aanzien van de vraag waarom het maken van commerciële reclame beperkt dient te worden, zodanig dat een mogelijkheid van enige feitelijke betekenis van het middel van bekendmaking overblijft, kan het maken van handelsreclame gebonden worden aan een vergunningstelsel op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Algemene Plaatselijke Verordening Deze beleidslijn is juridisch gegrond op artikel 2.1.5.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De tekst van dit artikel luidt als volgt: Artikel2.1.5.1Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg. 1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Het verbod geldt niet voor: a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg mits; - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; - geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; - geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; d. voertuigen; e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; f. evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1; g. terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2, vijfde lid; h. standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3 3. Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien: a. deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg, b. gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of c. een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 4. Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 5. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 6. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland. b. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. c. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken; d. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voorzover in het geregeldeonderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. De grondslag voor het verlenen van een vergunning op basis van dit artikel is gelegen in het eerste lid, dat bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van burgemeester en wethouders de weg of een weggedeelte te gebruiken anders dan overeenkomstig de bestemming daarvan. In het vijfde lid worden de weigeringsgronden opgesomd. Deze zijn limitatief, hetgeen inhoudt dat de vergunning slechts geweigerd kan worden indien er sprake is van één of meer van de in dit lid genoemde weigeringsgronden. Het tweede en zesde lid verklaren het in het eerste lid omschreven vergunningstelsel niet van toepassing op een aantal zaken. Hierbij gaat het enerzijds om hogere wetgeving en anderzijds om zaken die reeds op een andere plaats in de APV geregeld zijn. Werkingsruimte van deze beleidslijn Het in deze beleidslijn omschreven reclameborden- en spandoekenbeleid heeft betrekking op het navolgende: Voor wat betreft spandoeken heeft deze beleidslijn betrekking op alle doeken en/of daarmee vergelijkbare voorwerpen die in, op, aan of boven de weg worden aangebracht en waarop commerciële en/of ideële reclame wordt gemaakt of waarop evenementen en/of activiteiten worden aangekondigd, voor zover deze niet vallen onder een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 2.1.5.1 APV. Voor wat betreft reclameborden heeft deze beleidslijn uitsluitend betrekking op alle tijdelijk geplaatste (driehoeks) reclameborden. In het tweede lid van artikel 2.1.5.1 van de APV wordt aangegeven welke zaken niet vallen onder het vergunningstelsel. Deze zaken worden dan ook niet als tijdelijke reclameborden of spandoeken in de zin van deze beleidslijn beschouwd. V Nadere regels Hieronder is een aantal nadere regels opgenomen waarin voorwaarden worden gesteld waaraan tijdelijke reclameborden en spandoeken dienen te voldoen. Deze nadere voorwaarden kunnen tevens (deels) als vergunningvoorschriften dienen bij een op grond van artikel 2.1.5.1 APV verleende vergunning. De bevoegdheid tot het opleggen van voorschriften en beperkingen aan een krachtens de APV ontleende vergunning vloeit voort uit artikel 1.4 van de APV. De voorschriften en beperkingen mogen overigens slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist. De verplichting tot naleving van voorschriften en beperkingen vloeit voort uit het tweede lid van artikel 1.4 APV. De grondslagen voor het stellen van de nadere regels zijn (zie ook artikel 2.1.5.1 lid 5 APV): 1) Het voorkomen van schade aan de weg. 2) Het waarborgen van de bruikbaarheid van de weg. 3) Het doelmatig en veilig kunnen gebruiken van de weg. 4) Het doelmatig kunnen beheren en onderhouden van de weg. 5) Het voldoen van het uiterlijk aanzien van reclameborden en spandoeken aan redelijke eisen van welstand. De nadere regels worden hieronder omschreven: HOOFDSTUK I BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel1Begripsomschrijvingen 1)Reclameborden: uitsluitend alle tijdelijk geplaatste (driehoeks) reclameborden die worden aangebracht rondom lichtmasten, palen en/of ANWB masten, inclusief bevestigingsmaterialen. 2) Spandoeken: doeken en/of daarmee vergelijkbare voorwerpen die in-, op-, aan- of boven de weg worden aangebracht en waarop commerciële en/of ideële reclame wordt gemaakt of waarop evenementen en/of activiteiten worden aangekondigd, voor zover deze niet vallen onder een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 2.1.5.1 APV. 3) College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bodegraven. HOOFDSTUK II BEPALINGEN TEN AANZIEN VAN RECLAMEBORDEN Artikel2Situering, afmeting en maximaal aantal te plaatsen reclameborden. Het maximum toelaatbaar aantal te plaatsen reclameborden in de bebouwde kom is op elk moment dertig. Het maximum toelaatbaar aantal te plaatsen reclameborden in het kader van de verkeersveiligheidsacties (3VO) is op elk moment vier. Het college wijst de locaties aan waarvoor een vergunning kan worden verleend om een of meerdere reclameborden te plaatsen. Door de vergunninghouder mogen maximaal 10 reclameborden tegelijkertijd worden geplaatst. De vergunning wordt verleend voor de duur van maximaal 14 aaneengesloten dagen. Reclameborden dienen te worden aangebracht rondom de daarvoor aangewezen lichtmasten en/of ANWB masten en wel zodanig dat geen schade aan gemeente-eigendommen en/of eigendommen van derden wordt toegebracht. Reclameborden dienen te worden verwijderd uiterlijk op de eerste werkdag volgend op die waarop de vergunning eindigt. Een reclamebordvergunning kan niet eerder dan 12 weken voor de datum waarop de vergunning nodig is worden aangevraagd. Reclameborden mogen uitsluitend worden benut ten behoeve van het bij de aanvraag aangegeven doel. Aanvragen voor plaatselijke reclamedoeleinden hebben voorrang boven aanvragen voor niet plaatselijke reclamedoeleinden, indien er twee of meer aanvragen voor dezelfde periode zijn ingediend. Aanvragen voor niet-commerciële reclamedoeleinden hebben voorrang boven aanvragen voor commerciële reclamedoeleinden, indien er twee of meer aanvragen voor dezelfde periode zijn ingediend. Reclameborden mogen een maximale afmeting hebben van 85 cm breed en 150 cm hoog. Onverlet hetgeen in dit artikel is gesteld, mogen reclameborden nooit op een zodanige wijze worden geplaatst dat daardoor overlast voor derden en/of verkeersonveilige situaties kunnen ontstaan. HOOFDSTUK III. BEPALINGEN TEN AANZIEN VAN SPANDOEKEN Artikel3Situering en maximaal aantal aan te brengen spandoeken Het maximum toelaatbaar aantal aan te brengen spandoeken in de bebouwde kom is op elk moment zes. Het maximum toelaatbaar aantal aan te brengen spandoeken in het kader van de verkeersveiligheidsacties (3VO) is op elk moment vier. Het college wijst de locaties aan waarvoor een vergunning kan worden verleend om een spandoek aan te brengen. Door de vergunninghouder mag maximaal 1 spandoek tegelijkertijd aangebracht worden. De vergunning wordt verleend voor de duur van maximaal 14 aaneengesloten dagen. Het aanbrengen van een spandoek geschiedt op eigen verantwoordelijkheid en risico van de vergunningsbegunstigde, en wel zodanig dat geen schade aan gemeente-eigendommen en/of eigendommen van derden wordt toegebracht. Spandoeken dienen te worden verwijderd uiterlijk op de eerste werkdag volgend op die waarop de vergunning eindigt. Een spandoekvergunning kan niet eerder dan 12 weken voor de datum waarop de vergunning nodig is worden aangevraagd. Spandoeken mogen uitsluitend worden benut ten behoeve van het bij de aanvraag aangegeven doel. Aanvragen voor plaatselijke reclamedoeleinden hebben voorrang boven aanvragen voor niet plaatselijke reclamedoeleinden, indien er twee of meer aanvragen voor dezelfde periode zijn ingediend. Aanvragen voor niet-commerciële reclamedoeleinden hebben voorrang boven aanvragen voor commerciële reclamedoeleinden, indien er twee of meer aanvragen voor dezelfde periode zijn ingediend. Onverlet hetgeen in dit artikel is gesteld, mogen spandoeken nooit op een zodanige wijze worden aangebracht dat daardoor overlast voor derden en/of verkeersonveilige situaties kunnen ontstaan. HOOFDSTUK IV OVERIGE BEPALINGEN Artikel4Het uiterlijk aanzien van tijdelijke reclameborden en spandoeken 1.Het uiterlijk en de plaatsing van reclameborden en spandoeken moet van dien aard zijn dat deze zowel op zichzelf als ten opzichte van de omgeving aan redelijke eisen van welstand voldoen. 2.Reclameborden mogen geen afbeeldingen en/of boodschappen bevatten die als onzedelijk en/of aanstootgevend kunnen worden aangemerkt. In hoeverre hiervan sprake is, is ter beoordeling van het college. 3.Het gebruik van aanduidingen en van kleuren en kleurcombinaties welke verwarring kunnen oproepen met verkeerstekens en met bewegwijzeringsborden is niet toegestaan. Artikel5Persoonlijk karakter van de vergunning De vergunning is persoonsgebonden en op naam. Zonder schriftelijke toestemming van het college mag de vergunninghouder de voor hem of haar uit de vergunning voortvloeiende rechten en verplichtingen niet aan derden overdragen. Artikel6Vergunningvoorschriften In het kader van het waarborgen van de openbare orde en veiligheid kunnen aan de vergunning voorschriften worden verbonden. Artikel7Aansprakelijkheid De houder van de vergunning is volledig aansprakelijk voor eventueel toegebrachte schade aan eigendommen van de gemeente en vrijwaart de gemeente onvoorwaardelijk voor alle aanspraken wegens geleden dan wel aan derden toegebrachte schade, ontstaan als gevolg van, c.q. in verband met het gebruik van de vergunning. Artikel8Intrekking vergunning De vergunning kan door het college van burgemeester en wethouders worden ingetrokken indien aan een of meer der gestelde voorschriften niet wordt voldaan of indien het openbaar belang dit vordert, zulks niet eerder dan nadat de houder van de vergunning door of namens de burgemeester en wethouders is ingelicht en zonodig gehoord. In dat geval dient de vergunninghouder op grond van de ingetrokken vergunning terstond voor verwijdering van het spandoek of reclamebord(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.