gehoord de Raadscommissie; gelet op artikel 16 van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen het volgende reglement van orde: Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad 2016 Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijvingen In dit reglement wordt verstaan onder: voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger; amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen; subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft; motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken zonder dat daaraan rechtsgevolgen zijn verbonden; voorstel van orde: voorstel tot het nemen van een beslissing betreffende de wijze, het tijdstip of de duur van de behandeling van een aanhangig onderwerp; initiatiefvoorstel: een voorstel van een lid van de raad voor een verordening of een ander voorstel, dat buiten de agenda valt en dat zo spoedig mogelijk op de agenda van de vergadering wordt geplaatst; interpellatie een verzoek van een lid van de raad om in de vergadering van de raad inlichtingen van (een lid van) het college te krijgen over een onderwerp dat niet op de agenda staat; persoonlijk feit elk lid kan tijdens een debat op elk moment het woord vragen vanwege een persoonlijk feit. Het lid dat het woord vraagt vanwege een persoonlijk feit krijgt van de voorzitter onmiddellijk het woord. Artikel2.De voorzitter De voorzitter is belast met: het leiden van de vergadering; het handhaven van de orde; het doen naleven van het reglement van orde; hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt. Artikel3.De plaatsvervangend voorzitter 1.In zijn vergadering in nieuwe samenstelling waarin de wethouders worden geïnstalleerd benoemt de raad uit zijn midden een eerste en tweede plaatsvervangend voorzitter van de raad. 2.De eerste plaatsvervangend voorzitter als bedoeld in het vorige lid wordt benoemd uit de leden van de fracties die tezamen de coalitie vormen, de tweede plaatsvervangend voorzitter wordt benoemduit de leden van de overige fracties. 3.De raad kan de door hem benoemde plaatsvervangend voorzitter uit zijn functie ontheffen als hij niet langer het vertrouwen van de raad geniet. De raad benoemt dan een nieuwe plaatsvervangend voorzitter. 4.Een plaatsvervangend voorzitter kan op zijn verzoek door de raad van zijn functie ontheven worden. De raad benoemt dan in de eerst volgende vergadering een nieuwe plaatsvervangend voorzitter. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel4.De griffier 1.De griffier is elke vergadering van de raad, de agendacommissie, het presidium en het seniorenconvent aanwezig. 2.Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door de raad aangewezen plaatsvervanger. 3.De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan beraadslagingen in raadsvergaderingen deelnemen. Artikel5.Het presidium 1.Er is een presidium dat bestaat uit de voorzitter en de fractievoorzitters. 2.Fractievoorzitters of hun conform artikel 10 derde lid bekend gemaakte plaatsvervangers kunnen deelnemen aan de beraadslagingen tijdens vergaderingen van het presidium. 3.De burgemeester is voorzitter van het presidium. Bij zijn afwezigheid wordt zijn positie ingenomen door de fractievoorzitter van de grootste fractie. 4.De voorzitter roept de vergadering van het presidium bijeen. 5.Het presidium kan anderen uitnodigen deel te nemen aan zijn vergaderingen. 6.Het presidium doet aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad en de raadscommissies voor zover het niet betreft de taken van de agendacommissie. 7.De vergaderingen van het presidium zijn openbaar. 8.Het presidium houdt een lijst van moties en toezeggingen bij en stelt deze vast. Artikel6.Het seniorenconvent 1.Er is een seniorenconvent dat bestaat uit de voorzitter en de fractievoorzitters. 2.Fractievoorzitters of hun conform artikel 10 derde lid bekend gemaakte plaatsvervangers kunnen deelnemen aan de beraadslagingen tijdens vergaderingen van het seniorenconvent. 3.De burgemeester is voorzitter van het seniorenconvent. Bij zijn afwezigheid wordt zijn positie ingenomen door de loco-burgemeester. 4.Het seniorenconvent heeft tot taak: de burgemeester desgevraagd van advies te dienen; het afstemmen van zaken en het voeren van overleg over aangelegenheden die een vertrouwelijk karakter dragen; 5.De voorzitter roept de vergadering van het seniorenconvent bijeen. 6.De vergaderingen van het seniorenconvent worden met gesloten deuren gehouden. 7.Voor de afloop van de vergadering beslist het seniorenconvent of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. Artikel7.De agendacommissie, samenstelling en vergaderingen 1.Er is een agendacommissie die bestaat uit de voorzitter van de raad en de voorzitters van de raadscommissies. De voorzitter van de raad is adviserend lid. 2.De agendacommissie wijst uit zijn midden een eerste en tweede voorzitter aan. 3.De agendacommissie beslist ter zake van procedurele kwesties met betrekking tot de vergaderingen van de raad en de door de raad ingestelde commissies, waaronder in elk geval wordt begrepen: de vaststelling van de voorlopige agenda voor de raadsvergaderingen; de vaststelling van de agenda van de vergaderingen van de door de raad ingestelde commissies; de beoordeling van de lijst mededelingen en ingekomen stukken voor de raad; de voorbereiding van hoorzittingen van de door de raad ingestelde commissies. 4.Het bepaalde in het derde lid heeft geen betrekking op de rekenkamercommissie, de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften, de auditcommissie, de werkgeverscommissie, de commissie Broekpolder, de IJmond-commissie, de commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven en het Presidium. 5.Vergaderingen van de agendacommissie zijn openbaar. 6.Bij afwezigheid van de voorzitter van de raad heeft de door het college, op grond van het bepaalde in de eerste volzin van artikel 77, eerste lid, van de Gemeentewet, aangewezen wethouder recht om in de vergadering van de agendacommissie aanwezig te zijn en aan de beraadslagingen deel te nemen. 7.Fractievoorzitters of hun conform artikel 10 derde lid bekend gemaakte plaatsvervangers kunnen deelnemen aan de beraadslagingen tijdens vergaderingen van de agendacommissie. 8.Indien in de vergadering van de agendacommissie over een onderwerp gestemd moet worden, is de stemming beperkt tot de leden die raadslid zijn. 9.De agendacommissie stelt periodiek de lange termijnagenda vast. Hoofdstuk2Onderzoek geloofsbrieven; fracties Artikel8.Commissie tot onderzoek van geloofsbrieven 1.De voorzitter van de raad benoemt bij aanvang van elke zittingsperiode een commissie tot onderzoek van geloofsbrieven, bestaande uit vijf leden van de raad. 2.De commissie als bedoeld in het eerste lid benoemt uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. 3.Indien de commissie door ontstentenis van commissieleden niet bijeen kan komen in de samenstelling als genoemd in artikel 9 tweede lid is de voorzitter van de commissie bevoegd ad-hoc één of meerdere leden van de raad aan te wijzen om in vervanging van de ontbrekende leden van de commissie te voorzien. Artikel9.Het onderzoek van de geloofsbrieven van leden en wethouders 1.Het onderzoek van de geloofsbrieven en de daarbij behorende overige bescheiden van benoemde leden van de raad geschiedt door de commissie als bedoeld in artikel 8, eerste lid. 2.Indien het onderzoek van geloofsbrieven betrekking heeft op nieuw gekozen leden van de raad na periodieke aftreding, wordt het onderzoek door de commissie in voltalligheid verricht. In alle overige gevallen wordt het onderzoek verricht door tenminste drie leden uit de commissie, de voorzitter inbegrepen. 3.De commissie tot onderzoek van de geloofsbrieven brengt zo spoedig mogelijk in een vergadering van de raad verslag uit van haar bevindingen. De raad beslist vervolgens terstond, of - zo de zaak dat vordert - op een daartoe te bepalen dag omtrent de toelating van het lid. 4.Over de toelating van leden die benoemd zijn verklaard na periodieke aftreding besluit de raad in zijn oude samenstelling. 5.De commissie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderzoekt bij de benoeming van een wethouder of de kandidaat voldoet aan de eisen van de Gemeentewet. Het tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel10.Fracties 1.De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. 2.Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad wil voeren. 3.De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens plaatsvervanger optreden, worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter. 4.Indien: 1° één of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie gaan optreden; 2° twee of meer fracties als één fractie gaan optreden; 3° één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie; wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter. 5.Met de in het vorige lid beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na de mededeling. Hoofdstuk3Vergaderingen Paragraaf1Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen Artikel11.Vergaderfrequentie 1.De vergaderingen van de raad vinden plaats op een donderdag overeenkomstig het door de agendacommissie vastgestelde schema voor raads- en commissievergaderingen en worden gehouden in het stadhuis. 2.De vergaderingen vangen aan om 19.30 uur en worden uiterlijk om 22.30 uur beëindigd dan wel geschorst, bijzondere gevallen - ter beoordeling van de agendacommissie of de raad - voorbehouden. 3.De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag, aanvangsuur en eindtijd bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie, overleg met de agendacommissie. 4.Indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit de raad bestaat schriftelijk, met opgave van reden, om een extra vergadering verzoekt, pleegt de voorzitter overleg met de agendacommissie over dag, tijdstip en eindtijd waarop die vergadering wordt gehouden. Artikel12.Oproep en publicatie voorstellen 1.De burgemeester publiceert ten minste dertien dagen voor een vergadering een oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering. 2.De agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken worden tegelijkertijd met die oproep gepubliceerd. 3.Indien een aanvullende agenda wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 14, vierde lid, worden deze agenda en de daarop vermelde voorstellen door de voorzitter zo spoedig mogelijk, doch voor aanvang van de vergadering gepubliceerd. In uitzonderlijke gevallen worden deze stukken voor de aanvang van de vergadering door de voorzitter ter hand gesteld van de leden van de raad. 4.Indien een extra vergadering wordt gehouden als gevolg van het bepaalde in artikel 11, vierde lid, kan de voorzitter afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn met dien verstande dat tussen het tijdstip van publicatie van de oproep en het tijdstip van de vergadering een termijn van tenminste 48 uur is gelegen. Artikel13.Agenda 1.Voordat de oproep wordt gepubliceerd, stelt de agendacommissie de voorlopige agenda op. 2.Bij het opstellen van de agenda als bedoeld in het eerste lid, kan een lid van de agendacommissie een voorstel doen om bij de behandeling van een bepaald onderwerp spreektijden vast te stellen per fractie en voor de leden van het college in totaliteit. 3.De agenda bevat in elk geval: a.een overzicht van voorstellen die, gelet op de adviezen van de commissies, als bedoeld in artikel 24, derde lid van de verordening op de raadscommissies, zonder beraadslaging kunnen worden afgedaan; b.een overzicht van voorstellen die met beraadslaging worden afgedaan. Dit overzicht geeft tevens de volgorde weer waarin de voorstellen worden behandeld alsmede de beschikbare tijd voor de beraadslaging; c.in voorkomende gevallen een overzicht van ingekomen burgerinitiatieven als bedoeld in artikel 24 van de Participatieverordening. 4.In spoedeisende gevallen kan de voorzitter van de agendacommissie, in overleg met de fractievoorzitters, na de publicatie van de oproep tot uiterlijk het tijdstip van aanvang van een vergadering een aanvullende voorlopige agenda opstellen. 5.In afwijking van het eerste lid stelt de voorzitter, in overleg met de leden van de agendacommissie, de voorlopige agenda op indien een extra vergadering wordt gehouden als gevolg van het bepaalde in artikel 11, vierde lid. Artikel14.Ter inzage leggen van stukken 1.Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de griffier en verleent de griffier de leden van de raad inzage. Op verzoek van een lid van de raad wordt door de griffier aan hem een gewaarmerkte kopie verstrekt. 2.Stukken respectievelijk schriftelijke mededelingen die het college respectievelijk de burgemeester aan de raad wensen te doen ter uitvoering van het bepaalde in artikel 160, tweede lid, artikel 169, tweede en vierde lid en artikel 180 van de Gemeentewet worden gedurende een periode van dertig dagen voor de leden van de raad ter inzage gelegd. Het tweede lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing. 3.Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kunnen stukken ook op elektronische wijze ter beschikking worden gesteld. Artikel15.Openbare kennisgeving 1.De vergadering wordt door aankondiging in een plaatselijk nieuwsblad, op de voor afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze en door plaatsing op de internetsite van de gemeente ter openbare kennis gebracht. 2.De openbare kennisgeving vermeldt: de datum, aanvangstijd en plaats van de vergadering; een aanduiding van de onderwerpen en voorstellen, die in de vergadering aan de orde komen; de wijze waarop en de plaats waar een ieder de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken kan inzien. Paragraaf2Orde van de vergadering Artikel16.Presentielijst Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld. Artikel17.Zitplaatsen 1.De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een vaste zitplaats, door de voorzitter, na overleg in het presidium bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad aangewezen. 2.Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg in het presidium. 3.De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders, secretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn uitgenodigd. Artikel18.Opening vergadering; ontbreken vergaderquorum 1.De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde tijdstip, indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig is. 2.Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden van de raad aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden van de raad, dag en uur van de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet. 3.Indien de voorzitter tijdens de vergadering vaststelt dat het vereiste aantal leden van de raad niet meer aanwezig is, sluit hij de vergadering. Artikel19.Notulen 1.De griffier draagt zorg voor het bijhouden van het audio- en videoverslag en de besluitenlijst van de vergadering. 2.Het audio- en videoverslag omvat de volledige vergadering; wordt geïndexeerd naar de onderwerpen die besproken zijn en de sprekers die het woord hebben gevoerd; wordt zo spoedig mogelijk via de website van de gemeente gepubliceerd. 3.De besluitenlijst bevat een opsomming van de genomen besluiten, afspraken en toezeggingen en wordt zo spoedig mogelijk na de vergadering via de website van de gemeente en in het plaatselijk nieuwsblad gepubliceerd. Artikel20.Ingekomen stukken 1.Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college of de burgemeester aan de raad, worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt gelijktijdig met de voorlopige agenda gepubliceerd en ter inzage gelegd. 2.Indien na het afsluiten van de lijst nog stukken inkomen die betrekking hebben op onderwerpen die voor de vergadering zijn geagendeerd, worden die toegevoegd aan de lijst van mededelingen en ingekomen stukken. 3.De raad bepaalt op voorstel van de agendacommissie de wijze van afdoening van de ingekomen stukken. Uitgangspunt hierbij is dat de raad slechts een besluit neemt ten aanzien van de procedure van afdoening en de voorzitter desgevraagd, bij wijze van uitzondering, kan toestaan dat de leden van de raad hun gevoelens over de inhoud van het ingekomen stuk uiten. Artikel21.Vaststelling agenda, sprekerslijst, hamerstukken, volgorde agendapunten 1.De leden van de raad delen voor het begin van de vergadering door middel van het plaatsen of laten plaatsen van een aantekening op de sprekerslijst mede over welke punten van de voorlopige agenda zij het woord wensen te voeren. 2.De raad stelt bij aanvang van de vergadering de agenda vast. 3.Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar een commissie of aan het college nadere inlichtingen vragen. 4.Onder aanduiding van het kopje ‘hamerstukken' plaatst de raad bij het vaststellen van de agenda de onderwerpen als bedoeld in artikel 13, derde lid, onder a. Over deze onderwerpen wordt het woord niet gevoerd. 5.De voorzitter stelt de agendapunten als bedoeld in het vierde lid en de agendapunten waarover geen van de leden van de raad het woord wenst te voeren collectief aan de orde en constateert dat deze voorstellen zonder hoofdelijke stemming zijn aangenomen. 6.Bij het vaststellen van de agenda kan de raad in uitzonderingsgevallen het bepaalde in het vierde afwijken, indien een lid van de raad daartoe uiterlijk 24 uur voor de aanvang van de raadsvergadering een gemotiveerd verzoek bij de voorzitter indient. Artikel22.Spreekregels 1.De leden van de raad spreken vanaf het spreekgestoelte of vanaf hun plaats en richten zich tot de voorzitter. 2.Wethouders spreken vanachter het spreekgestoelte. Artikel23.Aantal spreektermijnen 1.De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. Na iedere termijn van de raad wordt het lid van het college dat het aangaat in de gelegenheid gesteld te reageren. Zo nodig volgt er een derde termijn waarin uitsluitend de leden van de raad spreekrecht hebben. 2.Een lid van de raad voert het woord na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben. 3.Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten. 4.Een lid van de raad mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel. 5.Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing op: de rapporteur van een commissie; het lid van de raad dat een (sub)amendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat (sub)amendement, die motie of dat voorstel. 6.Bij de bepaling hoeveel malen een lid van de raad over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde of een persoonlijk feit. Artikel24.Handhaving orde; schorsing vergadering 1.Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren. 2.De voorzitter kan interrupties toestaan. Deze dienen te bestaan uit korte opmerkingen of vragen zonder inleiding. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden. 3.Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen. 4.Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de voorzitter kan de raad besluiten de beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden van de raad de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 26, derde lid van de Gemeentewet kan de voorzitter ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten. Artikel25.Deelname aan de beraadslaging door anderen 1.De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige leden van de raad, de wethouder, de secretaris, de griffier en de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging. 2.Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één der leden van de raad genomen alvorens met de beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt genomen. Artikel26.Stemverklaring Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, heeft ieder lid van de raad het recht zijn uit te brengen stem kort te motiveren. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing bij het afdoen van de hamerstukken als bedoeld in artikel 21, vierde lid. Artikel27.Beslissing 1.Wanneer de voorzitter vaststelt, dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de raad anders beslist. 2.Nadat de beraadslaging is gesloten, vindt na een stemming over eventuele amendementen, de stemming plaats over het voorstel, zoals het dan luidt, in zijn geheel tenzij geen stemming wordt gevraagd. 3.Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen eindbeslissing. Paragraaf3.Stemmingen Artikel28.Algemene bepalingen over stemming 1.De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke stemming is aangenomen. 2.In de vergadering aanwezige leden van de raad kunnen aantekening in de notulen vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of conform artikel 28 Gemeentewet zich van stemming te hebben onthouden. 3.Indien door één of meer leden van de raad hoofdelijke stemming wordt gevraagd, doet de voorzitter daarvan mededeling. 4.Alvorens de aangekondigde voorstellen aan de orde te stellen, deelt de voorzitter mede, bij welk lid van de raad, de hoofdelijke stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van de presentielijst aangewezen. 5.De voorzitter of de griffier roept de leden van de raad bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid van de raad dat daarvoor overeenkomstig het voorgaande lid is aangewezen. Vervolgens geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst. 6.Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid van de raad, dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, verplicht zijn stem uit te brengen. 7.De leden van de raad brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige toevoeging. 8.Heeft een lid van de raad zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid gestemd heeft. Bemerkt het lid van de raad zijn vergissing pas later, dan kan hij - nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt - wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen verandering. 9.De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit. Artikel29.Stemming over amendementen en moties 1.Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd. 2.Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement. 3.Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel, dat het meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in stemming wordt gebracht. 4.Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over de motie gestemd en vervolgens over het voorstel. Artikel30.Stemming over personen 1.Wanneer een stemming over personen voor het doen van een voordracht of het opstellen van een voordracht of aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter twee leden van de raad tot stembureau. 2.Ieder ter vergadering aanwezig lid van de raad dat zich niet op grond van artikel 28 van de Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn. 3.Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje. 4.Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal leden van de raad dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden. 5.Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden van de raad die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan: een blanco ingevuld stembriefje; een ondertekend stembriefje; een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming verschillende vacatures betreft; een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen; een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die waartoe de stemming is beperkt; een stembriefje dat de naam van de te kiezen persoon niet duidelijk aanwijst. 6.In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad, op voorstel van de voorzitter. 7.Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd. Artikel31.Herstemming over personen 1.Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan. 2.Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal plaatshebben. 3.Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot. Artikel32.Beslissing door het lot 1.Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven. 2.Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud. 3.Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen. Hoofdstuk4Bevoegdheden, instrumenten raadsleden Artikel33.Amendementen 1.Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen beraadslaagd kan worden over amendementen die ingediend zijn door leden van de raad, die de presentielijst getekend hebben en in de vergadering aanwezig zijn. 2.Ieder lid van de raad dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement dat door een lid van de raad is ingediend, een wijziging voor te stellen (subamendement). 3.Elk (sub)amendement en elk voorstel moet, om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde – oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan. 4.Elk schriftelijk ingediend amendement of subamendement wordt zo spoedig mogelijk vermenigvuldigd en aan de leden van de raad rondgedeeld, tenzij de voorzitter heeft bepaald dat met voorlezing kan worden volstaan. 5.Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is mogelijk, totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden. Artikel34.Moties 1.Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen. 2.Een motie moet, om in behandeling genomen te kunnen worden, schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend. 3.Een in behandeling komende motie wordt zo spoedig mogelijk vermenigvuldigd en aan de leden van de raad rondgedeeld, tenzij de voorzitter heeft bepaald dat met voorlezing kan worden volstaan. 4.Een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel kan worden ingediend zolang de beraadslaging over het aanhangig onderwerp of voorstel nog niet is gesloten. 5.De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats. 6.De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld. Een lid van de raad kan voorstellen de motie op een ander tijdstip te behandelen. Artikel 35, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. 7.Intrekking, door de indiener(s), van de motie is mogelijk totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden. Artikel35.Voorstellen van orde 1.De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht. 2.Over een voorstel van orde beslist de raad terstond. Artikel36.Initiatiefvoorstel 1.Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk - door tussenkomst van de griffier - bij de voorzitter van de agendacommissie worden ingediend. 2.De agendacommissie zendt het voorstel naar het college zodat dit zijn wensen en bedenkingen ten aanzien van het voorstel kenbaar kan maken. Vervolgens plaatst de agendacommissie het voorstel op de agenda van de eerstvolgende vergadering, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is. In dit laatste geval wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende vergadering geplaatst. 3.De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende voorstellen en onderwerpen zijn behandeld, tenzij de raad oordeelt dat: het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden behandeld; het voorstel eerst dient te worden behandeld in een raadscommissie. Artikel37.Collegevoorstel 1.Een voorstel voor een verordening of een ander voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op de agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad. 2.Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug aan het college moet worden gezonden, bepaalt de agendacommissie in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt. Artikel38.Interpellatie 1.Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste achtenveertig uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk - door tussenkomst van de griffier - bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen. 2.De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en de wethouders. Bij de behandeling van de ingekomen stukken van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek, wordt het verzoek in stemming gebracht. 3.De raad verleent het verlof in ieder geval indien tenminste 6 leden waaruit de raad bestaat het verzoek tot het houden van een interpellatie ondersteunt. Stemming als bedoeld in het tweede lid blijft dan achterwege. 4.Wanneer de raad het verlof verleent, bepaalt de raad op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden. 5.De voorzitter stelt de interpellant in de gelegenheid het woord te voeren. Vervolgens geeft de voorzitter het woord aan de leden van het college. Daarna verleent de voorzitter het woord aan de leden van de raad. Hierna volgt een tweede termijn voor de leden van het college en de leden van de raad. Indien interpellant dat wenst, wordt een derde termijn gehouden waarbij de raad bepaalt wie aan deze termijn deel kunnen nemen. Artikel39.Inlichtingen 1.Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe schriftelijk, door tussenkomst van de griffier, ingediend bij het college of de burgemeester. 2.Een afschrift van dit verzoek wordt door de indiener in afschrift toegezonden aan de raad. 3.De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven. 4.De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven. Artikel40.Mondelinge vragen 1.De voorzitter geeft de leden van de raad aan het begin van de vergadering de gelegenheid tot het stellen van mondelinge vragen aan het college of de burgemeester. De maximale beschikbare tijd voor dit agendapunt bedraagt dertig minuten. 2.Het lid van de raad dat van de mogelijkheid om mondelinge vragen te stellen gebruik wil maken, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp ten minste 10 uur voor aanvang van de vergadering - door tussenkomst van de griffier - bij de voorzitter. De voorzitter kan na overleg met de agendacommissie weigeren een onderwerp aan de orde te stellen indien het onderwerp in de raadsvergadering op diezelfde dag aan de orde komt. 3.De voorzitter nodigt de leden van het college die het onderwerp van de vragen het meest aangaan uit voor de raadsvergadering. 4.De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen aan de orde worden gesteld. 5.De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor de wethouders, voor de burgemeester en voor de overige leden van de raad. 6.Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer vragen aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven. 7.Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen. 8.Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord verlenen om hetzij aan de vragensteller, hetzij aan het college vragen te stellen over hetzelfde onderwerp. 9.Tijdens de behandeling van de mondelinge vragen kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interrupties toegelaten. Artikel41.Schriftelijke vragen 1.Schriftelijke vragen aan het college of aan de burgemeester worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd. 2.De vragen worden - door tussenkomst van de griffier - bij de voorzitter van de raad ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college worden gebracht. Gelijktijdige kennisgeving vindt plaats aan de plaatselijke dag- en nieuwsbladen. 3.Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden, stelt het college de vragensteller hiervan schriftelijk en gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord. 4.De antwoorden worden door het college of de burgemeester aan de raad medegedeeld. Gelijktijdige kennisgeving vindt plaats aan de plaatselijke dag- en nieuwsbladen. 5.De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering, na de behandeling van de op de agenda voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen omtrent het door de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist. Hoofdstuk5Begroting en rekening Artikel42.Procedure begroting Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding, het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting volgens een procedure die het presidium vaststelt. Artikel43.Procedure jaarrekening Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding en het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel indemniteitsbesluit volgens een procedure die het presidium vaststelt. Hoofdstuk6Besloten vergadering Artikel44.Notulen 1.De notulen van een besloten vergadering worden niet gepubliceerd, maar liggen uitsluitend voor de leden van de raad alsmede de leden van het college ter inzage bij de griffier. Op verzoek van een lid van de raad of een lid van het college wordt door de griffier aan hem een gewaarmerkte kopie verstrekt. 2.Deze notulen worden zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar maken van deze notulen. De vastgestelde notulen worden door de voorzitter en de griffier ondertekend. Artikel45.Geheimhouding Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. De raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen. Artikel46.Opheffing geheimhouding Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55, tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd. Hoofdstuk7Toehoorders en pers Artikel47.Toehoorders en pers 1.De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen. Indien de beschikbare ruimte ontoereikend is, neemt de voorzitter de nodige maatregelen om de overige toehoorders in de gelegenheid te stellen het verloop van de vergadering te volgen. 2.Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is verboden. Artikel48.Maatregelen van orde Onverminderd het bepaalde in artikel 26, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet kan de voorzitter, indien hij dit nodig oordeelt de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen ter handhaving van de orde op de publieke tribune. Hoofdstuk8Slotbepalingen Artikel49.Uitleg reglement In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter. Artikel50.In werking treden 1.Dit reglement treedt in werking op 1 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.