← Nederland

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland houdende arbeidsvoorwaarden CAP Uitvoeringsregelingen van de collectieve arbeidsvoorwaarden

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland houdende arbeidsvoorwaarden CAP Uitvoeringsregelingen van de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling provincies FPU-PLUSREGELING PROVINCIES (k

. c. Hoogte van de aanvullende en nawettelijke uitkering Grondslag voor de aanvullende en nawettelijke uitkering is het dagloon dat voor de WW wordt gehanteerd. Dat volgt uit het uitgangspunt om naadloos op de WW aan te sluiten. De maximum dagloongrens wordt echter niet gehanteerd. De hoogte van de aanvullende uitkering is als volgt. In de eerste 12 maanden wordt de WW-uitkering aangevuld tot 80%, daarna tot 70% van het ongemaximeerde dagloon. De aanvulling tot 70% heeft in de WW-loondervingsfase feitelijk alleen betekenis voor hen wier bezoldiging uitkomt boven de maximum dagloongrens. De hoogte van de nawettelijke uitkering is steeds 70% van het ongemaximeerde dagloon. a. Aansluiting op de WW-systematiek Zoals hierboven weergegeven is de naadloze aansluiting op de WW-systematiek een belangrijk uitgangspunt. Dit uitgangspunt is, zoals hierboven geschetst, onder meer vertaald in het (grotendeels) overnemen van het dagloonbegrip als berekeningsgrondslag en het vereiste dat de bovenwettelijke regeling alleen openstaat als er recht op WW bestaat. Ook op andere onderdelen wordt in de bovenwettelijke regeling nauw bij de WW-systematiek aangesloten. Zo zijn de bepalingen in de WW inzake gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering (artikelen 19 en 20 WW), inzake herleving en verlenging van de uitkering (artikelen 21 en 43 WW), inzake verplichtingen en sancties (artikelen 24 t/m 28 WW), inzake anticumulatie (artikelen 34 en 35 WW) en inzake scholing (artikelen 75, 76 en 78 WW) van overeenkomstige toepassing. Een en ander is geregeld in de artikelen 6 en 13 van de regeling. De WW-systematiek wordt echter niet gevolgd ten aanzien van de indexering. Die blijft gekoppeld aan de algemene salarisontwikkeling in de sector provincies. b. Doorwerking van wettelijke maatregelen in het bovenwettelijke traject Indien de wetgever een neerwaartse wijziging in de hoogte en duur van de WW-uitkering aanbrengt zal dit - tenzij in het sectoroverleg anders wordt overeengekomen - doorwerken naar het bovenwettelijke traject. Gelet op het systeem van de bovenwettelijke uitkering, een aanvulling op de wettelijke uitkering, zou een verlaging van het wettelijke uitkeringsniveau er automatisch toe leiden dat deze verlaging wordt gecompenseerd in de bovenwettelijke uitkering (bij een verlaging van de WW naar 65% bijvoorbeeld zou een aanvulling tot 78% immers niet een aanvulling van 8% maar van 13% zijn). Hetzelfde verhaal geldt bij een duurvermindering in de WW. Dat zou automatisch tot een compensatie in de nawettelijke uitkering leiden doordat de nawettelijke uitkering zou worden verlengd met de periode waarmee de wettelijke uitkeringsduur is bekort. De doorwerkingclausule zoals opgenomen in artikel 21 van de regeling is gelijk aan die welke tussen de overheidssectorwerkgevers en centrales van overheidspersoneel is afgesproken in het model voor een bovenwettelijk invaliditeitspensioen, zij het dat hieraan is toegevoegd dat doorwerking in ieder geval niet plaatsvindt voor de afloop van het lopende SPA-akkoord over de arbeidsvoorwaarden. f. Overgangsrecht De ambtelijke wachtgeldregeling en uitkeringsregeling zijn met ingang van 1 januari 2003 vervallen. Vanaf 1 januari 2001 hebben ambtenaren wier dienstverband op of na die datum is geëindigd, geen toegang meer tot die regelingen. De wachtgeldregeling en de uitkeringsregeling blijven vanaf 1 januari 2003 wel van kracht voor gewezen ambtenaren aan wie direct voorafgaande aan 1 januari 2001 een wachtgeld of uitkering op grond van die regelingen is toegekend. g. De uitvoering van de regeling Zowel de Werkloosheidswet als de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid worden uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Wat betreft de uitvoering van de Werkloosheidswet is dat wettelijk geregeld in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI). De uitvoering van de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid is contractueel geregeld tussen de provincie en het UWV (als rechtsopvolger van de USZO). Het UWV is de uitvoering van deze regeling, inclusief de afhandeling van bezwaar- en beroepschriften, gemandateerd. 4.

Artikel 1Het eerste lid geeft aan wie onder de werking van de regeling vallen.

Arbeidsongeschikten komen alleen voor een bovenwettelijke uitkering in aanmerking als zij op de ontslagdatum voor minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn verklaard door het UWV. De WW, waarop een bovenwettelijke uitkering wordt gegeven, is immers niet van toepassing op hen die voor 35% of meer arbeidsongeschikt zijn verklaard. In het tweede lid is onder d het diensttijdbeginsel vastgelegd. Het komt materieel overeen met het huidige ABP-diensttijdbegrip. Rekening is gehouden met de jurisprudentie inzake meetellen van overheidsdiensttijd bij lidstaten van de Europese Economische Ruimte. De diensttijd is van belang voor de berekening van de duur van de nawettelijke uitkering. Diensttijd die al in aanmerking is ge- nomen voor de bepaling van de duur van een eerdere werkloosheidsuitkering ten laste van de over- heid wordt niet opnieuw in beschouwing genomen. Artikel 2 Geen recht op een aanvullende uitkering ontstaat indien geen recht ontstaat op een loongerelateerde WW-uitkering maar slechts op een kortdurende WW-uitkering op grond van hoofdstuk II B van de WW. Na ontslag heeft men slechts recht op een aanvullende uitkering voor zover men recht heeft op een (loongerelateerde) WW-uitkering i.v.m. arbeidsurenverlies ontstaan uit het ontslag bij de provin- cie. Het tweede lid geldt niet bij vermindering van WW wegens gedeeltelijke werkloosheid op grond van artikel 47, tweede lid, van de WW, maar enkel bij financiële korting of sanctie. Artikel 3 Als het recht op WW-uitkering binnen de eerste 12 maanden na ontslag eindigt (bijvoorbeeld door einde van de werkloosheid) en later herleeft, herleeft ook het recht op de aanvullende uitkering. De herleefde WW-uitkering wordt gedurende de periode dat die 12 maanden niet zijn vol gemaakt aan- gevuld tot 80% en eerst daarna voor de resterende uitkeringsduur tot 70%. Het tweede lid is noodzakelijk zolang die wet waarin een wettelijke toeslag van 3% is geregeld nog van toepassing is. In navolging van OCW zal worden verzocht deze wet in te trekken voor het pro- vinciaal personeel. Artikel 4 Bij ziekte eindigt de WW-uitkering. De aanvulling op de ZW-uitkering eindigt op het moment dat de ZW-uitkering eindigt. De WW-uitkering kan herleven als geen nieuw recht op WW ontstaat. De tijd waarin de aanvulling van de ZW-uitkering tot 80% is gegeven telt mee voor de berekening van de duur van de 12 maanden waarin de WW-uitkering tot 80% wordt aangevuld. De aanvulling van de ZW-uitkering daalt van 80% naar 70% op het moment van verstrijken van die 12 maanden. De uitkering bij zwangerschaps- en bevallingsverlof op grond van de Wet arbeid en zorg wordt aan- gevuld tot 100% van de berekeningsgrondslag. Artikel 5 Artikel 35 van de ZW voorziet in een eenmalige overlijdensuitkering. Die overlijdensuitkering wordt per dag aangevuld tot 100% van het ongemaximeerde dagloon. Artikel 6 Hierin is bepaald dat een groot aantal bepalingen van de WW van overeenkomstige toepassing zijn. Het gaat daarbij om de bepalingen inzake het recht op WW, inzake (gehele of gedeeltelijke) beëindi- ging van het recht op WW, de bepalingen inzake verlenging en herleving van het recht op WW en inzake verplichtingen en sancties, anticumulatie en scholing. Het tweede lid zorgt ervoor dat als gevolg van de overeenkomstige toepassing van de kortingsbepa- ling van andere inkomsten geen dubbele korting plaatsvindt: zowel op het wettelijke als het boven- wettelijke deel. Het vierde lid regelt dat, indien een ontslag op eigen verzoek ingeval van een voorgenomen reorga- nisatieontslag zou leiden tot sancties de wettelijke uitkering omdat sprake zou zijn van verwijtbare werkloosheid de sanctie in het bovenwettelijk deel wordt gecompenseerd. Het is uiteraard van groot belang dat de beslissingen en handelingen t.a.v. de wettelijke en aanvul- lende/ nawettelijke uitkering op elkaar zijn afgestemd. Voorkomen moet immers worden dat bijvoor- beeld eenzelfde nalatigheid tot verschillende sancties leidt. Artikelen 8 en 14 Op grond van regelgeving van de Europese Unie komt de provinciale werknemer die in het buiten- land woont bij volledige werkloosheid niet in aanmerking voor een WW-uitkering in Nederland. Be- trokkene zal in dat geval een werkloosheidsuitkering in zijn woonland moeten aanvragen. Daarmee voldoet hij niet aan de in de artikelen 2 en 9 gestelde voorwaarde voor een bovenwettelijke (= aanvullende en nawettelijke) werkloosheidsuitkering dat hij recht moet hebben (gehad) op een WW-uitkering. In de artikelen 8 en 14 is geregeld dat de provinciale werknemer die in het buitenland woont bij volledige werkloosheid toch de aanvullende en eventueel nawettelijke werkloosheidsuitke- ring ontvangt waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou hebben gewoond. Daar- mee is uitvoering gegeven aan een aanbeveling ter zake van de Raad voor het Overheidsperso- neelsbeleid (ROP). De regeling sluit aan bij het model dat Loyalis Contractmanagement B.V. op verzoek van de ROP bij wijze van handreiking heeft ontwikkeld. Dit model geeft in alle gevallen een garantie op het totale (wettelijke plus bovenwettelijke) uitkeringsniveau dat betrokkene zou hebben gehad als hij in Nederland had gewoond. Hiertoe wordt een fictief werkloosheidsrecht vastgesteld en het bovenwettelijk recht conform de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid. De op deze wijze vastgestelde totale aanspraken worden uitbetaald als een volledige bovenwettelijke uitke- ring. Als betrokkene een buitenlandse werkloosheidsuitkering ontvangt zal het bedrag van deze bui- tenlandse uitkering volledig worden gekort op de bovenwettelijke betaling (anticumulatie). Bewijs- stukken hiervan levert betrokkene maandelijks aan. De werkloze provinciale werknemer moet Nederlandse werkbriefjes blijven insturen. Veranderingen in de omstandigheden (bijv. werkhervatting of overtreding van verplichtingen) hebben hetzelfde effect dat ze zouden hebben als betrokkene in Nederland woonde. Beoordeling vindt dus steeds plaats op grond van de Nederlandse regels. In geval van ziekte bij of kort na ontslag waarbij de laatstgenoten bezoldiging wordt doorbetaald wordt de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering onderbroken. In de overige gevallen van ziekte loopt de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering door. In deze situatie zijn er twee mogelijkheden. Als betrokkene een buitenlandse uitkering wegens ziekte, zwangerschap of bevalling heeft en dit aantoont, gaat de fictieve WW-uitkering over in een fictieve uitkering op grond van de Ziektewet of de Wet arbeid en zorg. Dit betekent dat de einddatum van de fictieve WW-uitkering opschuift (bij ziekte alleen als deze meer dan 3 maanden duurt). Bovendien geldt bij zwangerschap en bevalling een hoger uitkeringspercentage. Meldt betrokkene zich ziek maar levert hij geen bewijs van een buitenlandse ziekte-uitkering dan loopt de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering door zoals bij werkloosheid. Dus zonder opschuiving van de einddatum en zonder verhoging in geval van zwangerschap en bevalling. Artikel 8, tweede lid, onderdeel b, is van belang als betrokkene later alsnog recht krijgt op WW. Dat is mogelijk in bijzondere situaties, bijv. als hij bij een volgend werkloosheidsgeval wel in Nederland woont. De bovenwettelijke uitkering als “grensarbeider” mag dan niet in mindering worden gebracht op de bovenwettelijke uitkering die is verbonden aan zijn nieuwe Nederlandse WW-recht. Het vijfde lid van artikel 8 regelt de anticumulatie van de woonlanduitkering. Het zesde lid van artikel 8 regelt de situatie van samenloop tussen een uitkering op grond van dit artikel en een andere uitkering. Als beide uitkeringen betrekking hebben op hetzelfde deel van de arbeidsuren wordt de uitkering op grond van dit artikel alleen uitbetaald voor zover die hoger is dan de andere uitkering. Dit lid is alleen van belang in bijzondere situaties, bijvoorbeeld als betrokkene opnieuw uitkering krijgt nadat hij naar Nederland is verhuisd, of anderszins geen “grensarbeider” meer is. Het zesde lid heeft geen betrek- king op de woonlanduitkeringen. Zie daarvoor het vijfde lid. Artikel 14, eerste lid, kent betrokkene het recht op een nawettelijke uitkering toe dat hij zou hebben gehad als hij in Nederland had gewoond. Het tweede lid van artikel 14 verwijst naar enkele onderde- len van artikel

  1. Zie de toelichting aldaar. Artikel 9 Hierin is het recht op de nawettelijke uitkering geregeld. Zie ook de tweede volzin van de toelichting op artikel
  2. Artikel 10 In het tweede en derde lid is de uitkeringsduur overeenkomstig het leeftijd+ diensttijdbeginsel gere- geld, met de correctie vanwege het vervallen van de WW-vervolguitkering (zie onderdeel 3c van de algemene toelichting). Bij (reorganisatie)ontslag op de leeftijd van 59 jaar en ouder wordt de nawette- lijke uitkering verlengd tot de AOW-gerechtigde leeftijd als betrokkene bij ontslag direct voorafgaand zonder onderbreking van langer dan 2 maanden een provinciale diensttijd had van ten minste 5 jaar. Artikelen 11 t/m 13 In artikel 13 is artikel 19, eerste lid, onder a, WW waarin beëindiging bij ziekte is geregeld, niet over- genomen bij de nawettelijke uitkering omdat alsdan betrokkene niet meer onder de ZW valt en hij in dat geval op de bijstand zou zijn aangewezen. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting op de hoofdlijnen van de regeling. Artikel 15 De wettelijke indexering van het WW-dagloon conform de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkhe- den geldt niet voor de aanvullende en nawettelijke uitkering. De berekeningsgrondslag voor de aan- vullende en nawettelijke uitkering wordt steeds aangepast op het tijdstip van de algemene salaris- maatregelen in de sector provincies. Artikelen 16 en 17 Het gaat hier om voorzieningen die ook in de oude wachtgeldregeling al voorkomen. Zij kunnen een bijdrage leveren aan een spoedige re-integratie in het arbeidsproces. Artikel 19 Het gaat hier om een ontslag in het belang van de dienst zoals bedoeld in artikel B.9, onderdeel o, van de CAP. Gedacht moet worden met name aan ontslag ingeval van onverenigbaarheid van karakters. De voorziening sluit aan op die in de huidige rechtspositieregelingen. Artikel 20[4] Hier bedoelde gewezen ambtenaren komen niet in aanmerking voor een aanvullende en nawettelijke uitkering. Wel bestaat recht op een eenmalige uitkering indien de werkgever voor 50% of meer schuld heeft aan het ontslag. Gelet op de Awb zullen gedeputeerde staten een beslissing hierover slechts kunnen nemen na een zorgvuldig onderzoek, gehoord de betreffende ambtenaar. Een paritair uit werkgevers- en werknemersleden en een onafhankelijke voorzitter bestaande com- missie zal in het kader van de heroverwegingsprocedure op grond van de Awb het provinciebestuur adviseren over het ontslag, het recht en de hoogte van de eenmalige uitkering in hun onderlinge samenhang. De ambtenaar kan zich in alle fasen laten bijstaan door een raadsman (bijv. een vak- bond als hij daarvan lid is). Artikel 23 Deze regeling treedt in werking op het moment waarop de nieuwe gevallen onder de WW gaan val- len, te weten 1 januari
  3. [4] In het SPA-akkoord 1994/1997 is vastgelegd dat in het lokale georganiseerd overleg een andere samenstelling kan worden overeengekomen van de paritaire commissie. In provincies waar een andere samenstelling is overeengekomen zal de tekst vanzelfsprekend op onderdelen wat anders komen te luiden. UITVOERINGSREGELING RECHTEN EN PLICHTEN BIJ ZIEKTE EN ARBEIDSONGE-SCHIKTHEID (krachtens artikel E.8 van de CAP) Paragraaf 1: Definities Artikel 1 Definities In deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder: a. CAP: de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies; b. herplaatsingtoelage: een herplaatsingtoelage krachtens het pensioenreglement; c. invaliditeitspensioen: een invaliditeitspensioen krachtens het pensioenreglement; d. ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet; e. WW-uitkering: een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; f. aanvullende werkloosheidsuitkering: een aanvullende uitkering krachtens de artikelen 2 en 4 van de Regeling aanvullende voorzieningen bij werkloosheid; g. zijn arbeid: hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge artikel 19 van de Ziektewet; h. IVA-uitkering: de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 6 van de WIA; i. WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van de WIA; j. loongerelateerde uitkering, loonaanvullingsuitkering en vervolguitkering: de loongerelateerde uitkering, loonaanvullingsuitkering en vervolguitkering van de WGA-uitkering, bedoeld in hoofd- stuk 7 van de WIA; k. resterende verdiencapaciteit: de resterende verdiencapaciteit, bedoeld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten; l. ABP arbeidsongeschiktheidspensioen: het arbeidsongeschiktheidspensioen, bedoeld in hoofd- stuk 11 van het pensioenreglement. Paragraaf 2: Aanspraken tijdens ziekte en arbeidsongeschiktheid Artikel 2 Aanspraak van de ambtenaar
  4. De ambtenaar heeft over de uren waarop hij bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zijn arbeid niet verricht recht op doorbetaling van a. zijn volledige bezoldiging gedurende de eerste 52 weken; b. 70% van zijn bezoldiging gedurende de daarop volgende 52 weken.
  5. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde periode wordt verlengd met de duur van: a. de vertraging indien de ambtenaar de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de WIA op deugdelijke gronden later heeft gedaan dan in of op grond van dat artikel is voorgeschre- ven; b. de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de WIA dan wel met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de WAO; en c. het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA dan wel artikel 71a, negende lid, van de WAO, heeft vastgesteld.
  6. Bij verlenging op grond van het tweede lid bedraagt het in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde tijdvak niet meer dan 104 weken.
  7. De ambtenaar geniet in de tijdvakken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en in het tweede lid, de volledige bezoldiging over de uren waarop hij bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn ar- beid wegens ziekte a. zijn arbeid niet verricht en de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrich- ten, is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelo- pen beroepsziekte; b. in het belang van zijn genezing wenselijk geachte andere arbeid verricht; c. in opdracht een opleiding volgt ten behoeve van andere werkzaamheden die hem bij de provincie in het kader van zijn re-integratie worden aangeboden.
  8. De ambtenaar die op grond van artikel E.7 van de CAP in een andere functie is benoemd voordat de termijn, bedoeld in artikel E.9, eerste lid, onderdeel a, en eventueel vierde lid, van de CAP, is verstreken, heeft tot het eind van genoemde termijn aanspraak op een aanvullende uitkering, in- dien zijn bezoldiging als gevolg van die benoeming vermindering ondergaat, ter grootte van het verschil tussen: a. het bedrag waarop de ambtenaar op grond van dit artikel recht zou hebben gehad indien hem geen andere functie zou zijn opgedragen, maar in plaats daarvan voor dezelfde arbeidsduur zijn eigen functie; en b. zijn bezoldiging na die benoeming. Artikel 3 Aanspraak van de gewezen ambtenaar
  9. De gewezen ambtenaar die wegens ziekte, ontstaan vóór het tijdstip van ingang van zijn ontslag anders dan op grond van artikel E.9, artikel E.15 en artikel G.4, eerste lid, onderdeel e, van de CAP, na zijn ontslag nog ongeschikt is een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen, heeft zolang en voor zover hij ongeschikt is tot werken wegens ziekte recht op doorbetaling van a. zijn laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de eerste 52 weken; b. 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de daarop volgende 52 weken.
  10. De gewezen ambtenaar die binnen een maand na het tijdstip van zijn ontslag als bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte ongeschikt wordt een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervul- len heeft, indien hij gedurende ten minste twee maanden onmiddellijk aan het ontslag voorafgaan- de in dienst is geweest, zolang en voor zover hij ongeschikt is tot werken wegens ziekte recht op doorbetaling van a. zijn laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de eerste 52 weken; b. 70% van zijn laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de daarop volgende 52 weken.
  11. De in het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, bedoelde periode wordt verlengd met de duur van: a. de vertraging indien de gewezen ambtenaar de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de WIA op deugdelijke gronden later heeft gedaan dan in of op grond van dat artikel is voor- geschreven; b. de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de WIA dan wel met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de WAO; en c. het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA dan wel artikel 71a, negende lid, van de WAO, heeft vastgesteld.
  12. Bij verlenging op grond van het derde lid bedraagt het in het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid, onderdeel b, bedoelde tijdvak niet meer dan 104 weken.
  13. De in het eerste en tweede lid bedoelde gewezen ambtenaar geniet ook in de tijdvakken, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, het tweede lid, onderdeel b, en het derde lid, de laatstelijk genoten bezoldiging, indien de arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte.
  14. [Vervallen.] Artikel 4 Aanspraak van de ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het pensioenreglement
  15. Het bepaalde in de artikelen 2 en 3 is niet van toepassing op de ambtenaar en de gewezen amb- tenaar die geen deelnemer is in de zin van het pensioenreglement.
  16. De ambtenaar die geen deelnemer is in de zin van het pensioenreglement, heeft over de uren waarop hij bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte zijn arbeid niet ver- richt recht op doorbetaling van a. zijn volledige bezoldiging gedurende de eerste 52 weken; b. 70% van zijn bezoldiging gedurende de daarop volgende 52 weken.
  17. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde periode wordt verlengd met de duur van: a. de vertraging indien de ambtenaar de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de WIA op deugdelijke gronden later heeft gedaan dan in of op grond van dat artikel is voorgeschre- ven; b. de verlenging van het tijdvak waarin recht bestaat op loon of bezoldiging op grond van artikel 24, eerste lid, van de WIA dan wel met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, zevende lid, van de WAO; en c. het tijdvak dat het UWV op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA dan wel artikel 71a, negende lid, van de WAO, heeft vastgesteld.
  18. Bij verlenging op grond van het derde lid bedraagt het in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde tijdvak niet meer dan 104 weken. Artikel 5 Geen aanspraak
  19. De ambtenaar en de gewezen ambtenaar hebben geen aanspraken op grond van de artikelen 2 tot en met 4: a. indien de ziekte is voorgewend, althans zodanig overdreven is voorgesteld, dat reden voor verhindering niet kan worden aangenomen; b. indien de ziekte door opzet van betrokkene is veroorzaakt, tenzij hem daarvan op grond van zijn psychische toestand geen verwijt kan worden gemaakt; c. indien de verhindering het gevolg is van een ziekte of gebrek waarover betrokkene bij zijn aanstelling opzettelijk valse inlichtingen aan de werkgever heeft verstrekt; d. voor de tijd gedurende welke betrokkene zonder deugdelijke grond de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de WIA later indient dan in of op grond van dat artikel is voorge- schreven.
  20. De gewezen ambtenaar heeft geen aanspraak op grond van artikel 3, indien hij op grond van een aanvaarde andere functie aanspraak kan maken op doorbetaling van zijn loon of bezoldiging, dan wel op een ZW-uitkering. Artikel 6 Nadere voorschriften inzake de tijdvakken in de artikelen 2, 3 en 4
  21. Het tijdvak gedurende welke de ambtenaar en de gewezen ambtenaar aanspraak hebben op doorbetaling van hun bezoldiging vangt aan op de eerste dag waarop: a. wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet is gewerkt; b. het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk is gestaakt; c. wegens ziekte geheel of gedeeltelijk niet zou zijn gewerkt; d. het werken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk zou zijn gestaakt.
  22. Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging vangt het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, aan op de dag, volgend op die waarop het buitengewoon verlof is geëindigd.
  23. Voor het bepalen van het einde van de perioden waarin aanspraken bestaan op grond van de artikelen 2, 3 en 4 worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn of haar arbeid wegens ziekte samengeteld, indien de perioden van ongeschiktheid elkaar met een onderbreking van minder dan 4 weken opvolgen. Bij de vaststelling van de periode van 4 weken blijven perioden buiten beschouwing waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof als bedoeld in artikel D.11 van de CAP wordt genoten. Artikel 7 Einde van de uitkering
  24. De aanspraken, bedoeld in artikel 2, eerste tot en met vierde lid, en artikel 4 eindigen na afloop van de uitkeringsduur, maar in elk geval: a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar op grond van artikel E.7 van de CAP in een an- dere functie is benoemd; of b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend; of c. met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of d. met ingang van de dag, volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
  25. De aanspraken, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, eindigen na afloop van de uitkeringsduur, maar in elk geval: a. met ingang van de dag waarop de ambtenaar niet meer voldoet aan de in bedoelde artikelen genoemde voorwaarden; of b. met ingang van de dag waarop de ambtenaar ontslag is verleend, waaronder het ontslag op grond van artikel E.9 en artikel E.15 van de CAP; of c. met ingang van de dag waarop de ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of d. met ingang van de dag, volgende op die waarop de ambtenaar is overleden.
  26. De aanspraken, bedoeld in artikel 3, eerste, tweede en vijfde lid, eindigen na afloop van de uitke- ringsduur, maar in elk geval: a. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar in een andere functie is benoemd overeenkomstig artikel E.7 van de CAP; b. met ingang van de dag waarop de gewezen ambtenaar de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt; of c. met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden. Paragraaf 3: Verplichtingen en sancties Artikel 8 Verplichtingen en sancties gedurende de wachttijd van de WAO en de WIA
  27. De aanspraken op gehele of gedeeltelijke doorbetaling van bezoldiging op grond van de artike- len 2, 3 en 4 vervallen wanneer en voor zolang de ambtenaar of de gewezen ambtenaar: a. weigert zich te onderwerpen aan een onderzoek vanwege de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen geneeskundige of, na voor zulk een onderzoek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt; b. weigert de volledige medewerking te verlenen aan een geneeskundig onderzoek, een ob- servatie of een maatregel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid, tenzij de maatregel een ingreep van heelkundige aard mocht zijn; c. zonder voldoende gronden nalaat zich onder behandeling van een geneeskundige te stellen of blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd; d. zich zodanig gedraagt dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd; e. tijdens de verhindering dienst te verrichten, voor zichzelf of derden arbeid verricht tenzij dit door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen geneeskundige in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht; f. in gebreke blijft op het door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen ge- neeskundige bepaalde tijdstip en in de door deze bepaalde mate zijn dienst te hervatten,tenzij hij daarvoor een inmiddels opgekomen, door deze als geldig erkende reden heeft op- gegeven; g. weigert passende arbeid te verrichten welke door gedeputeerde staten wordt opgedragen en waartoe hij door de bedrijfsgeneeskundige of een daarmee gelijk te stellen geneeskundige in staat wordt geacht; h. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door gedeputeerde staten of een door hen aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn hem in staat te stellen passende arbeid te verrichten; i. zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA en artikel 71a, tweede lid, van de WAO.
  28. De in het eerste lid bedoelde aanspraken kunnen geheel of ten dele vervallen worden verklaard indien de ambtenaar of de gewezen ambtenaar de voor hem ter zake van afwezigheid tijdens ziekte gestelde voorschriften overtreedt.
  29. Gedeputeerde staten kunnen op grond van bijzondere omstandigheden bepalen dat de in het eerste lid bedoelde aanspraken niet vervallen, maar geheel of ten dele aan anderen dan aan de ambtenaar of de gewezen ambtenaar worden uitbetaald.
  30. Voor zover gedeputeerde staten van de bevoegdheid in het derde lid geen gebruik hebben ge- maakt, kunnen zij de niet uitbetaalde aanspraken alsnog aan de ambtenaar of de gewezen ambte- naar uitbetalen. Artikel 9 Compensatie bij arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%
  31. De ambtenaar die door het UWV in het kader van de uitvoering van de WIA voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard en die als gevolg van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid inkomensverlies heeft, heeft aanspraak op compensatie van het inkomensverlies overeenkom- stig het bepaalde in het tweede tot en met vijfde lid.
  32. De compensatie bedraagt: a. indien de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte: 100%; en b. in overige gevallen: 70%; van het verschil tussen de bezoldiging in de oude functie en de bezoldiging in de aangepaste of nieuwe functie. Indien het in het eerste lid bedoelde inkomensverlies door verhoging van de be- zoldiging afneemt wordt de compensatie dienovereenkomstig verminderd, tenzij het een verho- ging betreft van de bezoldiging wegens algemene salarismaatregelen of een salarisverhoging op grond van artikel C.7 van de CAP. De compensatie wordt als salaris aangemerkt.
  33. Op de compensatie bestaat aanspraak vanaf de kalenderdag dat de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%, maar niet voordat de periode van gehele of gedeeltelijke door- betaling van bezoldiging bij ziekte is verstreken.
  34. De compensatie eindigt op het moment waarop het dienstverband bij de provincie eindigt doch in het geval, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, in ieder geval na 5 jaar.
  35. Bij samenloop van de compensatie met een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of een aanvullende werkloosheidsuitkering uit hoofde van de dienstbetrekking waaruit de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is verklaard, wordt de compensatie verminderd met het bedrag van deze uitkeringen. Artikel 9a Aanvulling bij arbeidsongeschiktheid ingeval van dienstongeval of beroepsziekte
  36. De ambtenaar of gewezen ambtenaar die als gevolg van een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte recht heeft op een IVA-uitkering uit hoofde van de provinciale dienstbetrekking en geen recht heeft op doorbetaling van de bezoldiging of de laatstelijk genoten bezoldiging, wordt de IVA-uitkering en het ABP arbeidsongeschiktheidspensi- oen, zolang daarop aanspraak bestaat, aangevuld tot 90% van de laatstelijk genoten bezoldi- ging.
  37. De ambtenaar of gewezen ambtenaar die als gevolg van een dienstongeval of een door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte recht heeft op een WGA-uitkering uit hoofde van zijn provinciale dienstbetrekking wordt de WGA-uitkering en het ABP arbeidsongeschikt- heidspensioen, zolang daarop aanspraak bestaat, aangevuld a. tijdens de loongerelateerde uitkering: tot 90% van het verschil tussen de laatstelijk genoten bezoldiging en het nieuwe inkomen bij volledige invulling van de resterende verdiencapaci- teit en tot 80% van dit verschil bij niet volledige invulling van de resterende verdiencapaciteit; b. tijdens de loonaanvullingsuitkering: tot 90% van het verschil tussen de laatstelijk genoten bezoldiging en het nieuwe inkomen dat bij volledige invulling van de resterende verdienca- paciteit zou kunnen worden verdiend; c. tijdens de vervolguitkering, doch niet langer dan 10 jaar: tot 75% van de laatstelijk genoten bezoldiging maal het door het UWV vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage.
  38. Als de IVA-uitkering of de WGA-uitkering wordt geweigerd of verminderd in verband met toepas- sing van een sanctie op grond van de WIA wordt die sanctie op overeenkomstige wijze als voor het ABP arbeidsongeschiktheidspensioen door vertaald naar de aanvulling op grond van dit arti- kel. Paragraaf 4: Bijzondere situaties Artikel 10 Samenloop met andere inkomsten
  39. Bij samenloop van een aanspraak krachtens deze uitvoeringsregeling met een ZW-uitkering, een WAO- of WIA-uitkering, een WW-uitkering of een aanvullende werkloosheidsuitkering op grond van dezelfde dienstbetrekking wordt deze aanspraak verminderd met het bedrag van deze uitke- ringen.
  40. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen van de ambtenaar of de ge- wezen ambtenaar de ZW-uitkering, de WAO- of WIA-uitkering, de WW-uitkering of de aanvul- lende werkloosheidsuitkering een vermindering ondergaat, dan wel de aanspraak daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt deze uitkering voor de toepassing van het eerste lid ge- acht onverminderd te zijn genoten.
  41. Indien ten aanzien van de ZW-uitkering, die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet, een verplichting wordt opgelegd of een sanctie wordt toegepast leggen gedeputeerde staten zoveel mogelijk dezelfde verplichting op dan wel passen zij zoveel mogelijk een overeenkomstige sanc- tie toe op de aanspraken krachtens deze uitvoeringsregeling waarop de ZW-uitkering in minde- ring is gebracht.
  42. De inkomsten die de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geniet in verband met het verrichten van in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid, worden op de aanspraken op grond van de artikelen 2, 3 en 4 in mindering gebracht, voor zover deze te samen met die aanspraken de bezoldiging te boven gaan.
  43. Inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf worden op het bedrag, waarop de gewezen amb- tenaar ingevolge deze uitvoeringsregeling recht heeft, in mindering gebracht, tenzij: a. de gewezen ambtenaar deze inkomsten reeds vóór het intreden van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte genoot; en b. de omvang van die arbeid niet is toegenomen. Artikel 11 Bevalling na ontslag
  44. De gewezen ambtenaar, wier bevalling waarschijnlijk is binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, ontvangt haar laatstelijk genoten bezoldiging gedurende de periode die: a. aanvangt op de 41e dag , voorafgaande aan de vermoedelijke datum van bevalling; en b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
  45. De periode, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd tot 16 weken, indien die periode door een voortijdige bevalling minder dan 16 weken heeft bedragen.
  46. De gewezen ambtenaar wier bevalling niet wordt verwacht binnen vier maanden na het tijdstip van ingang van haar ontslag, maar die niettemin binnen die termijn bevalt, ontvangt haar laatstelijk ge- noten bezoldiging gedurende de periode die: a. aanvangt op de datum van bevalling; en b. eindigt op de 70e dag na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden.
  47. Op de bezoldiging wordt via een inhouding in mindering gebracht een bedrag, gelijk aan de uitke- ring krachtens de Wet arbeid en zorg waarop de gewezen vrouwelijke ambtenaar gedurende het zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft of gehad zou hebben als zij tijdig een aanvraag voor die uitkering zou hebben gedaan.
  48. Voor zolang de gewezen ambtenaar na beëindiging van de haar ingevolge het eerste of het derde lid toekomende uitkering nog wegens ziekte ongeschikt is tot werken, dan wel binnen een maand na deze beëindiging ongeschikt wordt tot werken, heeft zij gedurende 52 weken recht op doorbeta- ling van de bezoldiging overeenkomstig artikel
  49. Deze termijn wordt geacht aan te vangen op de eerste dag na de bevalling.
  50. Ongeschikt tot werken, geheel of gedeeltelijk, in de zin van het vijfde lid is de vrouwelijke gewezen ambtenaar die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om een naar aard en omvang soortgelijke functie als zij ver- vulde, te vervullen. Paragraaf 5: Overige bepalingen Artikel 12 Aanpassing bedrag / begrip bezoldiging en bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuit- kering
  51. Het bedrag van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 11 wordt in voor- komende gevallen gewijzigd overeenkomstig een algemene salariswijziging voor het personeel in provinciale dienst.
  52. Indien onderdelen van de bezoldiging niet in een vast bedrag per maand zijn of kunnen worden uitgedrukt, wordt voor die onderdelen gerekend met het bedrag dat gemiddeld per maand is toege- kend in de drie kalendermaanden, voorafgaande aan de maand waarin: a. de ambtenaar ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte; b. de gewezen ambtenaar wegens ziekte ongeschikt is geworden een naar aard en omvang soortgelijke functie te vervullen. Gedeputeerde staten kunnen van een langere periode dan de in de vorige volzin genoemde drie kalendermaanden uitgaan, indien toepassing van het bepaalde in de vorige volzin tot onredelijke uitkomsten leidt.
  53. Voor zover de ambtenaar of de gewezen ambtenaar geen drie kalendermaanden in dienst is ge- weest, wordt voor de toepassing van het tweede lid gerekend met het bedrag dat hem gemiddeld aan bezoldiging per maand is toegekend over het tijdvak waarin hij in dienst is geweest vóór het ontstaan van de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid respectievelijk tot het vervullen van een naar aard en omvang soortgelijke functie. Artikel 13 Vervallen Artikel 14 Overlijdensuitkering gewezen ambtenaar Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden op grond van artikel 3 in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, is artikel B.14 van de CAP van overeenkomstige toepassing. Artikel 15 Aanvullende uitkering bij overlijden wegens dienstongeval / beroepsziekte
  54. Indien het overlijden van de ambtenaar is veroorzaakt door een dienstongeval of een door het ver- richten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, wordt aan degene die in verband met dit overlijden krachtens het pensioenreglement een partnerpensioen of een wezenpensioen geniet, een uitkering toegekend ten bedrage van 18% van dit partnerpensioen, onderscheidenlijk dit wezenpensioen.
  55. De uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de overledene de AOW-gerechtigde leeftijd zou hebben bereikt dan wel met ingang van de maand, volgende op de datum waarop de weduwe of weduwnaar aan wie een partnerpensioen is toegekend, een nieuwe partner heeft.
  56. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de gewezen ambtenaar ten aan- zien van wie artikel 9a toepassing heeft gevonden, indien zijn overlijden het rechtstreeks gevolg is van het dienstongeval of de door het verrichten van zijn arbeid opgelopen beroepsziekte, bedoeld in dat artikel. Overgangsregeling Tot het tijdstip waarop de Werkloosheidswet van toepassing zal zijn op de ambtenaren gelden ten aan- zien van artikelen 2 en 3 de volgende afwijkende regelen:
  57. Aan artikel 2, tweede lid, wordt een tweede volzin toegevoegd, luidende: De ambtenaar heeft, ingeval op grond van artikel 19, vierde lid, van de WAO geen recht op een WAO-uitkering uit hoofde van zijn dienstbetrekking bestaat, indien en voor zolang de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte na het in het eerste lid bedoelde tijdvak van 52 weken voortduurt, aanspraak op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens dit artikel, waarbij wordt uitgegaan van een WAO-uitkering van nihil.
  58. In artikel 2, zevende lid, wordt de zinsnede "15 tot 25%: 18,00%" vervangen door: minder dan 25%: 18,00%.
  59. In artikel 3, vijfde lid, wordt de zinsnede "15 tot 25%: 18,00%" vervangen door: minder dan 25%: 18,00%.
  60. Aan artikel 3 wordt een zevende lid toegevoegd, luidende:
  61. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, en derde en vierde lid, is het bepaalde in artikel 2, tweede lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing. Overgangsregeling Ten aanzien van de ambtenaar en gewezen ambtenaar wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen vóór 1 september 2004 blijven de bepalingen van de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid van toepassing, zoals deze op 30 april 2005 luidden. Overgangsregeling [5]
  62. Artikel 2, zesde en zevende lid, en artikel 7, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, zoals die op de dag vóór inwerkingtreding van dit besluit luidden, blijven van toepassing op de ambtenaar die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit recht heeft op een aanvullende uitkering krachtens deze bepalingen, met dien verstande dat in artikel 2, zesde lid voornoemd, de zinsnede “vijfde lid” wordt vervangen door: vierde lid.
  63. Artikel 3, zesde tot en met achtste lid, artikel 7, vierde lid, en artikel 15, derde lid, van de Uitvoe- ringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid, zoals die op de dag vóór in- werkingtreding van dit besluit luidden, blijven van toepassing op de gewezen ambtenaar die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit recht heeft op een aanvullende uitkering krachtens deze bepalingen. [5] Datum van inwerkingtreding van het in de overgangsregeling bedoelde besluit is 1 juni 2007 TOELICHTING OP UITVOERINGSREGELING RECHTEN EN PLICHTEN BIJ ZIEKTE EN ARBEIDSONGESCHIKTHEID Algemeen In deze uitvoeringsregeling van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) zijn de rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid neergelegd. Op hoofdlijnen ziet het stelsel er vanaf 1 januari 2006 voor de provincieambtenaar als volgt uit. De ambtenaar heeft over de uren waarop hij wegens ziekte zijn arbeid niet kan verrichten ten laste van de werkgever in het 1e jaar recht op doorbetaling van 100% en in het 2e jaar van 70% van zijn bezoldiging. Bij dienstongevallen wordt ook in het 2e ziektejaar de bezoldiging volledig doorbetaald. Een en ander is geregeld in artikel 2 van de uitvoeringsregeling. In die 2 jaar zullen werkgever en ambtenaar zich optimaal inspannen om ervoor te zorgen dat de ambtenaar weer aan het werk komt, hetzij in de eigen functie, hetzij in andere passende arbeid. Onder voorwaarden komen ook gewezen ambtenaren na ontslag bij ongeschiktheid om te werken wegens ziekte in aanmerking voor gehele of gedeeltelijke doorbetaling van de (laatstelijk genoten) bezoldiging. Hun aanspraken zijn geregeld in artikel
  64. Een aparte voorziening is in artikel 4 te vinden voor zieke ambtenaren die niet deelnemen in de pensioenregeling van het ABP. De ambtenaar die niet weer (volledig) aan het werk komt kan onder voorwaarden na 2 jaar (de wachttijd) in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar ar- beidsvermogen (WIA).[6] Deze wachttijd kan in een aantal gevallen worden verlengd met maximaal 52 weken, te weten op gezamenlijk verzoek van de werkgever en de ambtenaar, als sanctie voor de werkgever i.v.m. onvoldoende re-integratie-inspanningen of vanwege een te late aanvraag van de WIA-uitkering. Een verlengde wachttijd betekent ook een verlengde periode van (gedeeltelijke) door- betaling van de bezoldiging bij ziekte. Bij een te late aanvraag van de WIA-uitkering is dat alleen het geval als de ambtenaar daarvoor een deugdelijke grond heeft. In de WIA is uitgangspunt dat werken altijd meer loont dan niet werken. De ambtenaar wordt door het UWV voor de WIA gekeurd. Het UWV bekijkt dan wat de ambtenaar nog kan en hoeveel hij nog kan verdienen. De ambtenaar die volgens het UWV meer dan 65% van het oude inkomen kan verdienen heeft geen recht op een uitke- ring krachtens de WIA. De ambtenaar zal in principe in provinciale dienst blijven. De re-integratie- inspanningen zullen worden voortgezet. Slechts bij een zwaarwegend dienstbelang kan de ambte- naar wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid ontslag worden verleend. De ambtenaar die blij- vend minder dan 20% van zijn oude inkomen kan verdienen wordt door het UWV volledig en duur- zaam arbeidsongeschikt verklaard. Hij heeft, totdat hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt, recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WIA, de zogenaamde IVA-uitkering. De ambtenaar die nog 20% tot 65% van zijn oude inkomen kan verdienen wordt door het UWV ge- deeltelijk arbeidsgeschikt verklaard en heeft onder voorwaarden recht op een werkhervattingsuitke- ring op grond van de WIA, de zogenaamde WGA-uitkering. Wie 50% of meer van zijn resterende verdiencapaciteit benut heeft achtereenvolgens recht op een loongerelateerde WGA-uitkering gedurende maximaal 3 jaar en 2 maanden[7] en op een WGA- loonaanvullingsuitkering maximaal tot de AOW-gerechtigde leeftijd. De ambtenaar die minder dan 50% van zijn resterende verdiencapaciteit benut heeft achtereenvolgens recht op de loongerelateer- de WGA-uitkering en op een WGA-vervolguitkering maximaal tot de AOW-gerechtigde leeftijd.. De loongerelateerde WGA-uitkering is, wanneer niet wordt gewerkt: 70% van het oude inkomen (maar ten hoogste 70% van het maximum dagloon) en indien wel wordt gewerkt: 70% van het ver- schil tussen het oude inkomen (tot het maximum dagloon) en het nieuwe inkomen. De WGA- loon- aanvullingsuitkering is 70% van het verschil tussen het oude inkomen (tot het maximum dagloon) en het nieuwe inkomen bij volledige benutting van de resterende verdiencapaciteit. De WGA- vervolguitkering bedraagt het WIA-arbeidsongeschiktheidspercentage maal het minimumloon. De IVA-uitkering is 75% van het oude inkomen, maar ten hoogste 75% van het maximum dagloon.[8] In aanvulling hierop ontvangt de ambtenaar onder voorwaarden een arbeidsongeschiktheidspensioen van het ABP. [6] De WIA geldt voor hen die vanaf 1 januari 2006 arbeidsongeschikt zijn. Bestaande WAO-gevallen blijven onder de WAO. De WAO blijft ook van toepassing op hen die vóór 1 januari 2006 arbeidsongeschikt waren en dat binnen 5 jaar weer worden met dezelfde oorzaak. De uitvoeringsregeling houdt ook met deze gevallen rekening. [7] Bij instroom vóór 1 januari 2008: maximaal 5 jaar [8] De IVA-uitkering is/wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 verhoogd van 70% naar 75%.

Artikel 2

De bepaling inzake het recht op (gehele of gedeeltelijke) doorbetaling van bezoldiging heeft betrekking op de uren van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Over de uren waarop de ambtenaar zijn arbeid wel verricht ontvangt hij uiteraard steeds de volle bezoldiging. Dat geldt ook over de uren waarop betrokkene andere dan zijn eigen arbeid verricht. Het moet dan reguliere, loonvormende arbeid betreffen die betrokkene verricht in het belang van zijn genezing. Er wordt geen reguliere, loonvormende arbeid verricht als op therapeutische basis wordt gewerkt. Daarvan is alleen sprake als wordt voldaan aan alle daarvoor door het UWV geformuleerde criteria. Het UWV verstaat onder arbeidstherapie het volgende: a. de activiteiten moeten binnen een tevoren aangegeven periode worden uitgevoerd. b. de periode mag niet langer zijn dan 6 weken. c. de activiteiten moeten deel uitmaken van een opbouwend re-integratietraject. d. het mag niet gaan om een bestaande omschreven functie. e. het moet een gecreëerde functie zijn. f. er moet te allen tijde begeleiding aanwezig zijn. g. de betrokkene moet op elk moment weg kunnen gaan. Ingeval van werken op therapeutische basis bestaat in het 2e ziektejaar recht op doorbetaling van 70% van de bezoldiging. Met werken wordt gelijk gesteld het in opdracht volgen van een opleiding ten behoeve van andere werkzaamheden die de provinciale werkgever hem in het kader van zijn re-integratie aanbiedt. In dat geval wordt ook na het 1e ziektejaar de bezoldiging volledig doorbetaald. In de algemene toelichting is al aangegeven dat bij dienstongevallen en beroepsziekten ook na de eerste 52 weken de bezoldiging volledig wordt doorbetaald. Dat is ook het geval als de werkgever in voldoende mate aan zijn plicht als goed werkgever heeft voldaan. Wat onder beroepsziekte en dienstongeval wordt verstaan is geregeld in artikel A.1 van de CAP. De provinciale werkgever zal nadrukkelijk rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte en in die gevallen telkens de afweging maken of onverminderde doorvoering van de korting van de bezoldiging na het 1e ziektejaar uit een oogpunt van redelijkheid en billijkheid wenselijk is. Bij terminale ziektes zal daarnaast alles in het werk worden gesteld om een vervroegde WIA-keuring voor een IVA-uitkering te realiseren. Artikel 4 Voor een beperkte groep ambtenaren gelden bijzondere regels ten aanzien van de aanspraken bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Het betreft de groep ambtenaren die geen deelnemer zijn in de ABP-pensioenregeling. Wie dat zijn is geregeld in de Wet privatisering ABP, het pensioenreglement ABP en de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de Wet privatise- ring ABP. Het gaat daarbij, voor de provincies, vooral om mensen die in het kader van een werkgelegenheids- maatregel in tijdelijke provinciale dienst zijn genomen en om personen die incidenteel en voor een beperkte periode als seizoenkracht in dienst zijn genomen. Voor deze beperkte groep geldt artikel

  1. Artikel 5 Hierin is geregeld in welke gevallen geen aanspraak bestaat op de (gehele of gedeeltelijke) doorbe- taling van bezoldiging bij ziekte. De gronden komen overeen met die welke t.a.v. de wettelijke loon- doorbetalingverplichting bij ziekte voor het overheidspersoneel zijn geregeld in de vierde afdeling van de Ziektewet. Artikel 6 De bepaling van de eerste ziektedag in het eerste lid is conform het bepaalde bij en krachtens de Ziektewet. Dat is bij aanvang van de ziekte tijdens het werk de dag waarop de arbeid is gestaakt (onderdeel b) en ingeval betrokkene wegens ziekte de werkdag niet heeft aangevangen, die werkdag (onderdeel a). De onderdelen c en d zien op het ontstaan van ziekte tijdens algemeen en bijzonder verlof. Artikel 8 Hierin zijn de verplichtingen en sancties geregeld in de (2 maximaal 3 jaar) wachttijd voor de WIA/WAO. Zij sluiten aan bij die welke t.a.v. de wettelijke loondoorbetalingverplichting bij ziekte voor het overheidspersoneel zijn geregeld in de vierde afdeling van de Ziektewet. Artikel 9 Dit artikel bevat een compensatieregeling voor de groep gedeeltelijk arbeidsongeschikten die geen recht op een WIA-uitkering hebben en in beginsel ook na die 2 jaar in dienst van de provincie blijven. Het gaat hier om degenen die door het UWV voor meer dan 65% arbeidsgeschikt zijn verklaard. Werkhervatting kan hier leiden tot inkomensverlies, omdat de ambtenaar in een aangepaste functie (bijvoorbeeld zijn eigen functie voor minder uren) of in een andere functie op een lager salarisniveau gaat werken. Het inkomensverlies wordt tijdelijk tot een redelijk niveau gecompenseerd. Bij dienston- gevallen en beroepsziektes geldt een gunstiger compensatieregeling. Indien het inkomensverlies door inkomensverbetering bij de provincie afneemt leidt dit slechts tot een navenante verlaging van de compensatie als de inkomensverbetering niet het gevolg is van algemene salarismaatregelen of van salarisstappen op grond van artikel C.7 van de CAP. Overige verhogingen van de bezoldiging worden wel in mindering gebracht. De compensatie wordt als salaris aangemerkt, hetgeen betekent dat zij ook grondslag vormt voor de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering en meestijgt met de algemene salarisontwikkeling van het provinciepersoneel. Artikel 9a Bij dienstongevallen en beroepsziektes krijgt de ambtenaar een aanvulling op de WIA-uitkering en het ABP arbeidsongeschiktheidspensioen. In artikel 9a is dat uitgewerkt voor de verschillende situa- ties binnen de WIA, dus voor hen die recht hebben op een IVA-uitkering, een WGA-loongerelateerde uitkering, een WGA-loonaanvullingsuitkering of een WGA-vervolguitkering. In artikel 9 is de aanvul- ling bij dienstongevallen en beroepsziektes geregeld voor hen die voor minder dan 35% arbeidson- geschikt zijn verklaard. Artikel 10 Hierin is geregeld dat de uitkeringen op grond van de ZW, WAO/WIA, WW of de Regeling aanvullen- de voorzieningen bij werkloosheid in mindering worden gebracht op de aanspraken krachtens de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en arbeidsongeschiktheid. Samenloop kan bijvoor- beeld spelen als vervroegd (binnen de wachttijd van 2 jaar) recht op een IVA-uitkering bestaat van- wege volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. De IVA-uitkering wordt in dat geval in mindering gebracht op de doorbetaalde bezoldiging bij ziekte. Het tweede en derde lid voorzien in gevallen waarin deze uitkeringen een vermindering ondergaan. Om te voorkomen dat de vermindering in de uitkering ongedaan wordt gemaakt doordat de aanspra- ken op doorbetaling van bezoldiging onverminderd worden uitbetaald, dienen op de eerste plaats deze uitkeringen als onverminderd genoten te worden beschouwd. Dit wordt geregeld in het tweede lid. Op de tweede plaats moet een aan een ambtenaar opgelegde wettelijke sanctie evenzo worden toegepast op de aanspraken ingevolge de Uitvoeringsregeling rechten en plichten bij ziekte en ar- beidsongeschiktheid. Dat is in het derde lid bepaald. SUPPLETIEREGELING BIJ GEDEELTELIJKE ARBEIDSONGESCHIKTHEID (VERVALLEN PER 1 JUNI 2007) [Deze regeling is ingetrokken.] UITVOERINGSVOORSCHRIFTEN KRACHTENS DE ARTIKELEN 15, EERSTE EN TWEEDE LID, 16 EN 17 VAN DE SUPPLETIEREGELING BIJ GEDEELTELIJKE ARBEIDSONGE- SCHIKTHEID [Vervallen.] Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. suppletieregeling: Suppletieregeling bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid; b. suppletie: suppletie, bedoeld in artikel 6 van de suppletieregeling; c. betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de suppletieregeling; d. Loyalis: Loyalis Contractmanagement B.V. aan wie de werkzaamheden, verbonden aan de uit- voering van de suppletieregeling zijn opgedragen; e. Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekerin- gen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen aan wie Loyalis de werkzaamheden, verbonden aan de uitvoering van de suppletieregeling heeft uit- besteed. Artikel 2
  2. De artikelen 1 tot en met 6 van het Besluit Uitkeringsreglement WW 1997 gelden voor zoveel mogelijk als uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van een doelmatige controle van betrokkenen en als uitvoeringsvoorschriften met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie, met dien verstande dat voor de hierna te noemen begrippen uit het Besluit Uitke- ringsreglement moet worden gelezen: a. uitvoeringsinstelling: het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; b. werknemer: betrokkene; c. werkgever: het bestuursorgaan dat bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen; d. uitkering: suppletie .
  3. Met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie gelden als uitvoe- ringsvoorschriften de Regels betreffende het begrip vakantie en de perioden van vakantie met behoud van recht op uitkering, vastgesteld bij besluit van de toenmalige Sociale Verzekerings- raad van 23 januari1992 (Stcrt. 1992, 19) welke op basis van artikel 44 van de Invoeringswet Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen gelden als ministeriële regeling op grond van artikel 19, vijfde lid, van de Werkloosheidswet, met dien verstande dat voor uitkering wordt gelezen: suppletie.
  4. Wijzigingen in het in het eerste lid genoemde Besluit Uitkeringsreglement, onderscheidenlijk de in het tweede lid genoemde Regels, gelden, voor zover deze als uitvoeringsvoorschriften van de suppletieregeling zijn aangeduid, als wijzigingen van deze Uitvoeringsvoorschriften. Artikel 3 Betrokkene is verplicht om met inachtneming van de nadere aanwijzingen van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het ontstaan van de ziekte als gevolg waarvan hij verhinderd is arbeid te verrichten, aan het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te melden, alsook zijn herstel daarvan. Artikel 4 Het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijke opleiding of scholing, blijft be- staan totdat die opleiding of scholing is beëindigd, indien: a. de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is, deel uitmaakt van het re-integratieplan dat door het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in samenspraak met betrokkene is vastgesteld en naar aard en omvang niet meer omvat dan in het re-integratieplan is vastgesteld; of b. de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is en, wanneer er geen re-integratieplan is zoals bedoeld in onderdeel a, het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen daarvoor toestem- ming geeft. Artikel 5 In afwijking van artikel 4 blijft het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen noodzakelijke op- leiding of scholing, na afloop van de ingevolge de artikelen 2, 6 en 7, onderscheidenlijk artikel 18 van de suppletieregeling vastgestelde reguliere duur van de suppletie niet bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd, indien: a. tijdens de opleiding of scholing ter zake van die opleiding of scholing recht bestaat op een voor- ziening in de derving van de inkomsten; b. de opleiding of scholing de strekking heeft om na afloop daarvan werkzaamheden bij één be- paalde werkgever te gaan verrichten; c. de opleiding of scholing langer duurt dan één jaar; d. tijdens de opleiding of scholing sprake is van het verrichten van productieve werkzaamheden. Artikel 6 De betrokkene kan de in artikel 16 van de suppletieregeling bedoelde onbeloonde activiteiten ver- richten met behoud van suppletie, indien naar het oordeel van het uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen: a. de betreffende activiteiten van de betrokkene geen bedrijfsmatig karakter hebben; b. de betreffende activiteiten van de betrokkene in de gegeven situatie doorgaans niet door een betaalde kracht zullen of kunnen worden verricht; en c. de instelling of het bevoegd gezag die de niet betaalde werkzaamheden organiseert, geen sub- sidie heeft of kan verkrijgen voor wat betreft de loonkosten. TOELICHTING OP SUPPLETIEREGELING BIJ GEDEELTELIJKE ARBEIDSONGESCHIKT- HEID Algemeen Per 1 januari 1996 is met de privatisering van het ABP en de invoering van een wettelijke arbeidsonge- schiktheidsverzekering voor het overheidspersoneel [10] ook het herplaatsingswachtgeld als bedoeld in hoofdstuk K van de ABP-wet vervallen. Ter vervanging van dit herplaatsingswachtgeld is gekozen voor een suppletieregeling. De suppletieregeling draagt het karakter van een werkloosheidsregeling sui generis. De lasten van de suppletieregeling worden gedragen door de provincie zelf. De feitelijke uit- voering van de regeling is gemandateerd aan Loyalis Contractmanagement B.V. [10] Vanaf 1 januari 1998 geldt de WAO voor het overheidspersoneel. Van 1 januari 1996 tot 1 januari 1998 gold voor het overheidspersoneel een wettelijke WAO-conforme regeling

Artikel 1Artikel 1 bevat de definitiebepalingen.

De meeste bepalingen spreken voor zich. Een beperkt aantal onderdelen behoeft nadere uitleg. Ter zake van die onderdelen wordt het volgende opgemerkt. Onderdeel d Met het begrip "arbeidsongeschiktheidsuitkering" is in deze suppletieregeling elke wettelijke of boven- wettelijke uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid bedoeld. Onderdeel e De doelgroep van de suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknemers die zijn ontslagen uit een dienstbetrekking bij de provincie op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in de zin van de WAO. Van suppletie is echter uitgezonderd degene die uitsluitend vanwege inkomsten uit één of meer aan- gehouden betrekkingen, minder dan 80% arbeidsongeschikt is in vorenbedoelde zin. Ingevolge de systematiek van de WAO wordt namelijk de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op grond van het resterend verdienvermogen dat de betrokkene heeft. Wanneer de betrokkene één of meer aange- houden betrekkingen heeft, is hij ingevolge die systematiek dus altijd minder dan 80% arbeidsonge- schikt in de zin van de WAO. De suppletie is echter bedoeld voor degenen die minder dan 80% ar- beidsongeschikt zijn ten aanzien van de dienstbetrekking waaruit zij zijn ontslagen op grond van onge- schiktheid tot het verrichten van hun arbeid wegens ziekte. De overheidswerknemer die op bovengenoemde grond is ontslagen en die toen minder dan 15% ar- beidsongeschikt is verklaard, heeft, gelet op de definiëring, eveneens recht op suppletie. Met de om- schrijving dat de betrokkene overheidswerknemer is, bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP, wordt niet beoogd een andere omschrijving te geven dan die van het ambtenaarschap in de zin van de ABP-wet, zoals die luidde op 31 december

  1. Onderdelen g en h De berekeningsgrond van de suppletie is het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO/WIA, vermeerderd met het bedrag aan pensioenbijdrageverhaal. Onderdeel i Met het begrip "werkloosheidsuitkering" is in deze suppletieregeling elke wettelijke of bovenwettelijke uitkering ter zake van werkloosheid of ontslag bedoeld. Daarmee is ook geanticipeerd op de invoering van de Werkloosheidswet (WW) bij de overheid. Overigens zijn uitkeringen van buitenlandse mogendheden of van de Nederlandse Antillen of Aruba ook begrepen onder het begrip "werkloosheidsuitkering". Artikel 2 Het recht op suppletie gaat in na ontslag op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Aangezien ontslag op genoemde grond pas mogelijk is na 24 maanden ongeschiktheid, kan het recht op suppletie derhalve niet eerder ingaan dan na die 24 maanden. De maximale uitkeringsduur van de suppletie is geregeld in artikel
  2. Zoals bij dat artikel wordt toege- licht, is de maximale uitkeringsduur 66 maanden, te rekenen vanaf het einde van genoemde periode van 24 maanden. Na ommekomst van de maximale uitkeringsduur, eindigt het recht op suppletie. Dat is nadat 90 maanden zijn verstreken sedert de aanvang van de ongeschiktheid wegens ziekte. Verge- lijk artikel 5, onderdeel a. Sociale partners hebben afgesproken dat, indien het ontslag pas op een mo- ment na die 90 maanden wordt verleend, geen recht op suppletie meer zal kunnen ingaan. Deze af- spraak vindt zijn neerslag in het tweede lid. Artikel 3 Ten aanzien van de suppletieregeling geldt een verplichtingen- en sanctieregime dat overeenkomt met de WW. Artikel 6 In het eerste lid is bepaald dat de suppletie een percentage van de berekeningsgrondslag bedraagt. In het tweede lid is de indexering geregeld. De hoogte van de suppletie is opgenomen in het derde lid. De suppletie bedraagt gedurende de eerste drieëndertig maanden 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie en gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70% van die berekeningsgrond- slag. Artikel 7 Artikel 7 ziet op de ingangsdatum van de duur van de suppletie. De "klok" van de duur van de suppletie begint te lopen op het moment waarop de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Ook als op dat moment nog geen ontslag heeft plaatsgevonden. Wanneer de betrokkene derhalve ontslag wordt verleend op een latere datum dan genoemd moment, wordt de tussen die data gelegen periode in mindering gebracht op de totale uitke- ringsduur van de suppletie. De betrokkene geniet in een dergelijke situatie in ieder geval gedurende een kortere periode 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie dan wanneer hij zou zijn ontslagen op het moment dat hij 24 maanden onafgebroken wegens ziekte ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Wordt betrok- kene ontslagen op een moment dat genoemde ongeschiktheid 57 maanden heeft geduurd dan heeft hij geen recht meer op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie, maar op 70% van die bere- keningsgrondslag. Artikel 8 In artikel 8, eerste lid, komt tot uiting dat de suppletieregeling een aanvullend karakter heeft. Indien de betrokkene gedurende de periode dat de suppletie tot uitbetaling komt, ter zake van het dienstverband waaruit hij is ontslagen recht heeft op één of meer wettelijke of bovenwettelijke uitkeringen ter zake van ziekte, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, wordt het bedrag van genoemde uitkeringen in minde- ring gebracht op het bedrag van de suppletie. De suppletie komt derhalve tot uitbetaling wanneer en voor zover het bedrag aan suppletie hoger is dan de van toepassing zijnde wettelijke en bovenwettelij- ke uitkeringen. De suppletieregeling vult aan tot een bepaald niveau, maar alleen wanneer de betrokkene niet reeds via andere inkomstenbronnen tot dat niveau komt. Inkomstenbronnen die betrokkene reeds had vóór hij aanspraak had op suppletie, worden echter niet meegerekend. Wanneer de betrokkene echter later meer inkomsten gaat genereren uit die "oude" inkomensbronnen dan ligt het in de rede dat dit meerde- re wordt verrekend met de suppletie. Voor wat betreft inkomsten uit of in verband met arbeid is deze systematiek opgenomen in artikel
  3. Een vergelijkbare situatie doet zich voor in het geval er in plaats van inkomsten uit arbeid een arbeids- ongeschiktheidsuitkering wordt genoten. Het tweede lid van artikel 8 ziet om die reden op de situatie dat de betrokkene op het ingangsmoment van de suppletie reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van die arbeidsongeschiktheidsuitkering kan na het ingaan van de suppletie worden verhoogd, bijvoorbeeld als gevolg van de uitval uit de dienstbetrekking ter zake waarvan suppletie is toegekend. Door die verhoging van het arbeidsongeschiktheidspercenta- ge stijgt ook het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ingevolge artikel 8, tweede lid, dient dat meerdere, die verhoging van inkomsten, in mindering te worden gebracht op het bedrag van de supple- tie. Artikel 9 Voor degene die tijdens zijn recht op suppletie nieuwe inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verwerft, geldt de in artikel 9, eerste lid, opgenomen anti cumulatieregeling. Betrokkene heeft bij inactiviteit een garantieniveau van 80% onderscheidenlijk 70% van de bereke- ningsgrondslag van de suppletie. Indien betrokkene er in slaagt door middel van arbeid of bedrijf in- komsten te verwerven, heft hij zijn (resterende) werkloosheid op. Wanneer hij zijn werkloosheid geheel opheft doordat hij zijn resterend verdienvermogen volledig benut, heeft hij recht op een herplaatsingtoe- lage van de Stichting Pensioenfonds ABP en komt zijn recht op suppletie niet meer tot uitbetaling (zie artikel 4, onderdeel b). Wanneer hij zijn werkloosheid gedeeltelijk opheft, behoeft de suppletiegarantie niet meer voor dat gedeelte te gelden. De suppletiegarantie wordt alsdan lager en wel op de volgende wijze: (berekeningsgrondslag suppletie -/- nieuwe inkomsten) * 80% [70%] = X. Het verschil met artikel 8 is dus dat de te anti cumuleren inkomsten ingevolge artikel 9 in mindering worden gebracht op de berekeningsgrondslag van de suppletie, niet op het bedrag van de suppletie. In het tweede lid is bepaald op welke inkomsten uit of in verband met arbeid de in het eerste lid opge- nomen anti cumulatieregeling ziet. Deze bepaling spreekt verder voor zich. Een voorbeeld van een situatie waarbij van bijzondere omstandigheden sprake kan zijn, in welk geval artikel 9, derde lid, van toepassing zou kunnen zijn, is het geval van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, welke in de plaats komen van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het eerste lid. Artikel 10 In artikel 10 is bepaald dat de suppletiegarantie niet het effect compenseert van sancties in betrokken wettelijke of bovenwettelijke uitkeringen die het gevolg zijn van diens handelingen of nalaten van han- delingen. In voorkomend geval worden de wettelijke en de bovenwettelijke uitkeringen voor de toepas- sing van de artikelen 8 en 9 steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten. Artikel 12 Hierin is een garantie-uitkering geregeld bij benoeming in een andere functie van een arbeidsonge- schikte overeenkomstig de aanbeveling van de Pensioenkamer van de Raad voor het Overheids- personeelsbeleid (ROP) aan het SPA, gedaan bij brief van 1 maart
  4. Artikelen 13, 14, 15 en 16 Zoveel mogelijk is aangesloten bij de WW. In artikel 13 zijn de aanvraag en de betaling van de supple- tie geregeld conform de WW (artikel 22, eerste en tweede lid, 30, eerste lid, 32, 33, eerste lid, van de WW). Eveneens conform de WW (artikel 31, WW) is de in artikel 14 geschapen mogelijkheid dat een voorschot wordt vastgesteld. Tevens zijn in de artikelen 15 en 16 de bepalingen van de WW opgeno- men inzake opleiding en scholing respectievelijk inzake het verrichten van onbetaalde arbeid met be- houd van uitkering (artikelen 74 tot en met 77 WW). Artikelen 18 en 19 Hierin is het overgangsrecht per 1 januari 1996 opgenomen. Artikel 20 In artikel 20 is vastgelegd dat de sectorale sociale partners met elkaar in overleg treden indien het niveau van de WAO door redenen anders dan door wijziging als gevolg van individuele feiten en omstandigheden, algemeen neerwaartse wijzigingen ondergaat. In dat overleg zal dan de vraag centraal staan op welke wijze de sociale partners in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer zullen omgaan met die algemeen neerwaartse wijzigingen. Voor het geval dat dit overleg niet tot overeenstemming heeft geleid binnen een periode van zes maanden na de datum van publicatie in het Staatsblad van de maatregel, houdende die algemeen neerwaartse wijzigingen, geldt het volgende. In dat geval worden die algemeen neerwaartse wijzigin- gen effectief ten aanzien van de suppletieregeling vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van in- werkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van publicatie daarvan in het Staatsblad. Artikel 21 De afhandeling van bezwaarschriften in het kader van de Algemene wet bestuursrecht is eveneens aan Loyalis Contractmanagement B.V. gemandateerd. In artikel 21 wordt gedeputeerde staten de be- voegdheid verleend hieraan (in overleg met Loyalis) nadere invulling te geven. De formele verantwoor- delijkheid voor de inrichting van de bezwaarschriftenprocedure blijft bij de provincie (met de bonden als overlegpartner). REGELING JAARGESPREKKEN (krachtens artikel F.7 van de CAP) Artikel 1 Definities In deze regeling wordt verstaan onder: a. leidinggevende: degene die voor de toepassing van deze regeling als directe hiërarchisch lei- dinggevende is aangewezen; b. competenties: de competenties, vastgelegd in de lijst van competenties die als bijlage 1 onder- deel uitmaakt van deze regeling; c. werkresultaten: resultaten met betrekking tot de werkzaamheden waarover in het planningsge- sprek afspraken zijn gemaakt. Artikel 2 Planningsgesprek
  5. In de regel voeren de leidinggevende en de ambtenaar eenmaal per 12 maanden een plan- ningsgesprek.
  6. Het planningsgesprek wordt gevoerd aan de hand van een formulier waarvan het model als bijlage 2 onderdeel uitmaakt van deze regeling.
  7. De leidinggevende en de ambtenaar kunnen afspreken dat andere personen bij het plannings- gesprek aanwezig zijn.
  8. In het planningsgesprek wordt in ieder geval aandacht besteed aan de door de ambtenaar te bereiken werkresultaten, het functioneren, de competenties, de opleiding, de loopbaan- perspec- tieven, de werktijden en de arbeidsomstandigheden van de ambtenaar en aan de ondersteuning van de leidinggevende.
  9. De leidinggevende en de ambtenaar maken in het planningsgesprek voor een periode van in de regel 12 maanden afspraken over de te bereiken werkresultaten, de ontwikkeling van de voor de functie geldende competenties en de eventuele daartoe benodigde middelen en faciliteiten.
  10. De leidinggevende en de ambtenaar kunnen in het planningsgesprek ook andere afspraken maken.
  11. De in het vijfde en zesde lid bedoelde afspraken worden vastgelegd in het formulier plannings- gesprek. De leidinggevende en de ambtenaar ondertekenen het formulier voor akkoord.
  12. Als de leidinggevende en de ambtenaar het niet eens worden over de te maken afspraken be- slist de leidinggevende en kan de ambtenaar zijn zienswijze vermelden op het formulier. In dat geval tekent de ambtenaar voor gezien. Artikel 3 Voortgangsgesprek
  13. De leidinggevende en de ambtenaar voeren ten minste eenmaal in de periode, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, een voortgangsgesprek. De leidinggevende kan besluiten dat een door hem aange- wezen ambtenaar het voortgangsgesprek voert.
  14. Het voortgangsgesprek heeft tot doel de realisering van de in het formulier planningsgesprek vastgelegde afspraken te volgen en te ondersteunen. Zo nodig worden de afspraken nader inge- vuld, aangevuld dan wel bijgesteld. Afspraken over nadere invulling, aanvulling of bijstelling wor- den schriftelijk vastgelegd.
  15. Artikel 2, derde en achtste lid, is voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Artikel 4 Evaluatie- en beoordelingsgesprek
  16. Na afloop van de periode, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, voeren de leidinggevende en de ambte- naar een evaluatie- en beoordelingsgesprek. Zo nodig wordt dit gesprek, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, eerder gevoerd of vinden extra gesprekken plaats.
  17. In het evaluatie- en beoordelingsgesprek evalueren de leidinggevende en de ambtenaar de ont- wikkeling van de voor de functie geldende competenties en de werkresultaten, alsmede andere afspraken welke zijn neergelegd in het formulier planningsgesprek en eventueel nader zijn inge- vuld, aangevuld of bijgesteld in het voortgangsgesprek. Het evaluatie- en beoordelingsgesprek wordt afgesloten met een beoordeling door de leidinggevende welke wordt vastgelegd in een beoordelingsformulier waarvan het model als bijlage 3 onderdeel uitmaakt van deze regeling.
  18. De leidinggevende en de ambtenaar kunnen afspreken dat andere personen bij het evaluatie- en beoordelingsgesprek aanwezig zijn.
  19. De leidinggevende kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ten behoeve van de uit te brengen beoordeling inlichtingen van derden inwinnen. Hij deelt de ambtenaar mee welke infor- matie hij van deze derden heeft ontvangen.
  20. Indien de ambtenaar weigert deel te nemen aan het evaluatie- en beoordelingsgesprek of daar- aan niet kan deelnemen terwijl uitstel naar het oordeel van de leidinggevende niet verantwoord is, kan de leidinggevende besluiten de beoordeling buiten aanwezigheid van de ambtenaar uit te brengen. De leidinggevende stelt de ambtenaar hiervan tijdig tevoren schriftelijk en gemotiveerd in kennis.
  21. De beoordeling van de ontwikkeling van de voor de functie geldende competenties mondt uit in een van de navolgende scores: a. uitstekend: de duurzame groei in het functioneren van de ambtenaar overtreft de gestelde eisen in uitzonderlijke mate; b. zeer goed: de duurzame groei in het functioneren van de ambtenaar overtreft de gestelde eisen in ruime mate; c. normaal: de duurzame groei in het functioneren van de ambtenaar voldoet aan de gestelde eisen; d. matig: de duurzame groei in het functioneren van de ambtenaar voldoet niet geheel aan de gestelde eisen; e. slecht: de duurzame groei in het functioneren van de ambtenaar voldoet niet aan de gestel- de eisen.
  22. De beoordeling van de door de ambtenaar te behalen werkresultaten mondt uit in een van de navolgende scores: a. uitstekend: de werkresultaten van de ambtenaar overtreffen de gestelde eisen in uitzonder- lijke mate; b. zeer goed: de werkresultaten van de ambtenaar overtreffen de gestelde eisen in ruime mate; c. normaal: de werkresultaten van de ambtenaar voldoen aan de gestelde eisen; c. matig: de werkresultaten van de ambtenaar voldoen niet geheel aan de gestelde eisen; d. slecht: de werkresultaten van de ambtenaar voldoen niet aan de gestelde eisen.
  23. De leidinggevende ondertekent het beoordelingsformulier voor akkoord. De ambtenaar onderte- kent het beoordelingsformulier voor gezien. Indien de ambtenaar het niet eens is met de beoor- deling kan hij binnen 2 weken de geschilpunten op het beoordelingsformulier vermelden.
  24. De beoordeling wordt vastgesteld binnen 4 weken nadat zij is uitgebracht. Artikel 5 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als Regeling jaargesprekken. Artikel 6 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking, na uitgifte van het provinciaal blad waarin zij is geplaatst, op 1 janu- ari
  25. OVERGANGSRECHT I.V.M. DE INVOERING VAN DE VIJFPUNTSCHAAL [Vervallen.] Artikel III De Regeling jaargesprekken, alsmede de artikelen C.7 en C.9, eerste lid, van de Collectieve Ar- beidsvoorwaardenregeling Provincies, zoals die luiden op de dag vóór inwerkingtreding van dit be- sluit blijven van toepassing op de cyclus van plannings-, voortgangs-, evaluatie- en beoordelingsge- sprekken die op basis van de toen luidende bepalingen is aangevangen vóór de dag van inwerking- treding van dit besluit. BIJLAGE 1 REGELING JAARGESPREKKEN: LIJST VAN COMPETENTIES BIJLAGE 1 REGELING JAARGESPREKKEN: LIJST VAN COMPETENTIES BIJLAGE 2 REGELING JAARGESPREKKEN: FORMULIER PLANNINGSGESPREK BIJLAGE 2 REGELING JAARGESPREKKEN: FORMULIER PLANNINGSGESPREK BIJLAGE 3 REGELING JAARGESPREKKEN: BEOORDELINGSFORMULIER BIJLAGE 3 REGELING JAARGESPREKKEN: BEOORDELINGSFORMULIER BEOORDELING WERKRESULTATEN EN ONTWIKKELING COMPETENTIES BEOORDELING WERKRESULTATEN EN ONTWIKKELING COMPETENTIES TOELICHTING Beleidsmatige achtergronden en uitgangspunten CAO-afspraken In het SPA-akkoord 2000/2001 zijn afspraken gemaakt over de invoering van een systeem van jaar- gesprekken teneinde het werk beter te structureren, sturing en beoordeling van werknemers te ver- beteren en loopbaanbeleid handen en voeten te geven. Enerzijds vormt het een instrument voor het organiseren van de werkprocessen, anderzijds betreft het hier een zaak van rechtspositionele orde- ning. In het SPA-akkoord 2002/2003 zijn in aanvulling hierop afspraken gemaakt over de invoering van een beoordelingssysteem dat is afgestemd op het systeem van jaargesprekken en op het belo- ningssysteem. Het beoordelings- en beloningssysteem is in 2005 ingevoerd en in 2010 (beperkt) aangepast op grond van een in 2008 uitgevoerde evaluatie. Systeem van jaargesprekken Het systeem van jaargesprekken houdt kort samengevat in een cyclus van plannings-, voortgangs-, evaluatie- en beoordelingsgesprekken waarvan de basis wordt gevormd door een individueel werk- plan dat, als afgeleide van het jaarplan van de werkeenheid, de concrete afspraken vastlegt tussen manager en werknemer. De afspraken omvatten in ieder geval het resultaat, het functioneren, de competenties, opleiding, loopbaanperspectief, werktijden, arbeidsomstandigheden en de ondersteu- ning van de leidinggevende. Deze afspraken zijn de basis voor de concrete evaluatie en beoordeling aan het einde van de afgesproken periode. Doelstellingen Invoering van een systeem van jaargesprekken is geen doel op zich. Het maakt onderdeel uit van een breder P&O-beleid. Zo is er bijv. een duidelijke relatie met het beloningsbeleid, het loopbaan- en mobiliteitsbeleid en het scholingsbeleid. Jaargesprekken zijn verder een onmisbaar instrument voor de ontwikkeling van een meer resultaatsgerichte organisatie. Samengevat worden met de invoering van een systeem van jaargesprekken de volgende doelen beoogd: - het werk beter structureren; - werknemers effectiever aansturen op basis van resultaten en gemaakte afspraken; - een beter instrumentarium bieden voor het nemen van rechtspositionele beslissingen, waaronder het nemen van bewuste beloningsbeslissingen; - faciliteiten bieden en de zelfstandigheid stimuleren van werknemers en de kwaliteit van het ma- nagement behouden c.q. verbeteren; - een bijdrage leveren aan het zelf lerend vermogen van de organisatie als thermometer voor de ontwikkelingsfase van de organisatie - bevorderen dat reële afspraken met het bestuur worden gemaakt over o.a. prioriteiten en posteri- oriteiten en met de individuele werknemer over de werkbelasting e.d. Uitgangspunten Van belang is dat het systeem van jaargesprekken een goede bedrijfsorganisatorische inbedding krijgt. Daarover hebben sociale partners in het SPA de provincies een aantal concrete aanbevelingen gedaan. Een belangrijke voorwaarde voor succes is dat het systeem van jaargesprekken aansluit bij de doelstellingen en cultuur van de organisatie en dat er een breed draagvlak binnen de organisatie aanwezig is. Andere uitgangspunten zijn: - de beschikbaarheid van jaarplannen van de organisatie-eenheid en een logische onderlinge aan- sluiting van de plannen; - betrokkenheid van de werknemers bij het opstellen van de jaarplannen van de organisatie- eenheid; - coachend leidinggeven en zelfstandige, resultaatsgerichte werknemers; - een inzichtelijk, betrouwbaar, eenvoudig en hanteerbaar systeem; - een goede grondslag voor rechtspositionele beslissingen; - waarborgen voor zorgvuldigheid, rechtsgelijkheid, rechtszekerheid en rechtsbescherming - een open communicatie; - één systeem voor de hele provinciale organisatie met ruimte voor maatwerk per functie en/of persoon Het beoordelingssysteem Het beoordelingssysteem is ingebed in het systeem van jaargesprekken en is afgestemd op het beloningssysteem. Het beoordelingssysteem beoordeelt zowel de duurzame groei in functioneren als de werkresultaten, zulks afgezet tegen de daarover gemaakte afspraken in het planningsgesprek. Daarbij wordt uitgegaan van een vijfpuntschaal van beoordeling met als scores uitstekend (in school- cijfers:9 of 10), zeer goed (in schoolcijfers: 8), normaal (in schoolcijfers: 6 of 7), matig (in schoolcij- fers: 5) en slecht (in schoolcijfers: 4 of lager). Met het oog op de duurzame groei in het functioneren worden in het planningsgesprek afspraken gemaakt over de ontwikkeling van de voor de functie geldende competenties. Er is een duidelijke samenhang tussen beide componenten van de beoorde- ling. Er is sprake van tweerichtingsverkeer. Afspraken over de ontwikkeling van de competenties hebben als doel in de toekomst te komen tot duurzaam hogere prestaties. Als het goed is beïnvloedt de ontwikkeling van de competenties dus de werkresultaten in positieve zin. Daarom zal de ontwik- keling van de competenties achteraf mede worden beoordeeld aan de hand van de daadwerkelijke prestaties en niet alleen worden afgemeten aan de manier waarop het werkresultaat wordt bereikt. Het betekent derhalve dat het oordeel over de duurzame groei in het functioneren wordt bepaald door zowel de geleverde prestaties als de ontwikkeling van de competenties. Op basis van de be- haalde resultaten zullen vervolgens de nieuwe afspraken over de ontwikkeling van de competenties worden gemaakt. Beide componenten worden afzonderlijk beoordeeld. De structurele beloning is immers afhankelijk van het oordeel over de duurzame ontwikkeling in het functioneren, terwijl de daadwerkelijk geleverde prestaties in de afgesproken periode de basis vor- men voor een eventuele incidentele bonus over die periode. De samenhang zal blijken uit de beoor- deling. Het ligt niet voor de hand dat de beoordelingsscores voor de ontwikkeling van de competen- ties en voor de behaalde werkresultaten ver uiteen zullen lopen. Competenties Om de functie naar behoren te kunnen vervullen en de afgesproken werkresultaten te kunnen beha- len zal de werknemer over een aantal competenties moeten beschikken. Competentie is een verza- melnaam voor kennis, deskundigheden en vaardigheden die mensen geschikt (ofwel ‘competent’) maken voor hun werk. Het gaat niet alleen om kennis en vaardigheden maar ook om gedragseigen- schappen als bijvoorbeeld het goed kunnen samenwerken en de bereidheid en alertheid deze kwali- teiten op het juiste moment in te zetten. Of een medewerker over voldoende kwaliteiten beschikt en bereid is deze in de praktijk te brengen is niet alleen af te meten aan het werkresultaat maar ook aan de manier waarop dat resultaat wordt bereikt. De competenties zijn niet voor alle werknemers de- zelfde maar zijn afhankelijk van de eisen die aan de functie worden gesteld. Voor elke functie zijn daarom enkele competenties vastgesteld waarvan het aantal varieert van minimaal 4 tot maximaal
  26. Voor een functie hoeven overigens niet permanent dezelfde competenties te gelden. Zo kunnen bijvoorbeeld, afhankelijk van de fase waarin bepaalde werkzaamheden zich bevinden, van werkne- mers andere vaardigheden worden verlangd. Voor de gezamenlijke provincies geldt een lijst van competenties waarin is vastgelegd welke competenties aan functies kunnen worden toebedeeld. Er kunnen derhalve aan functies geen competenties worden verbonden die niet voorkomen in deze lijst van competenties. De lijst van competenties maakt onderdeel uit van deze regeling. Voor elke functie zullen de competenties worden vastgelegd in een competentieprofiel. De competenties worden in het competentieprofiel zodanig uitgewerkt dat zij optimaal aansluiten op inhoud en het niveau van de functie. Dat betekent dus dat competenties afhankelijk van de functie een verschillende uitwerking en invulling kunnen krijgen. Vervolgens worden in het planningsgesprek afspraken gemaakt over de ontwikkeling van de competenties. Daarbij moet het gaan om afspraken die volgens het SMART- principe Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden zijn. De werknemer wordt beoordeeld op de ontwikkeling van de voor de functie geldende competenties waarover tussen hem en zijn leidinggevende in het planningsgesprek afspraken zijn gemaakt. Beoordeling als basis voor rechtspositionele beslissingen Het beoordelingssysteem bevat waarborgen voor zorgvuldig te nemen en objectief te onderbouwen rechtspositionele beslissingen waarbij het functioneren van de ambtenaar een rol speelt. Het biedt de grondslag voor bewuste beloningsbeslissingen, maar ook voor beslissingen over bijvoorbeeld ont- slag wegens disfunctioneren of de omzetting van een dienstverband voor bepaalde tijd op proef in een dienstverband voor onbepaalde tijd. Beoordeling en beloning De beoordeling kan directe gevolgen hebben voor zowel de structurele beloning als de variabele outputbeloning. Daarover het volgende. De structurele beloning De structurele beloning heeft als doel het leveren van duurzaam hogere prestaties in de toekomst. Beoordeling van de daarvoor benodigde duurzame groei in het functioneren vindt plaats aan de hand van de ontwikkeling van de voor de functie geldende competenties en de werkresultaten. Deze wor- den tijdens het evaluatie- en beoordelingsgesprek vergeleken met de ter zake gemaakte afspraken. Uit deze vergelijking kan vervolgens de conclusie worden getrokken tot welk structureel niveau in kwaliteit en kwantiteit de in de toekomst te leveren prestaties zich ontwikkelt en op basis hiervan wordt de groei in het vaste inkomen bepaald. Op basis van de vijfpuntschaal voor de beoordeling kunnen de volgende vijf beloningsbeslissingen worden genomen. Beoorde- lingsscore ‘vertaling’ Groei in vast inkomen Uitstekend (cijfer 9 of 10) De duurzame groei in het functioneren van de medewerker overtreft de gestelde eisen in uitzonderlijke mate 6% van het maximumbedrag van de salarisschaal Zeer goed (cijfer 8) De duurzame groei in het functioneren van de medewerker overtreft de gestelde eisen in ruime mate 4% van het maximumbedrag van de salarisschaal Normaal (cijfer 6 of 7) De duurzame groei in het functioneren van de medewerker voldoet aan de ge- stelde eisen 3% van het maximumbedrag van de salarisschaal Matig (cijfer 5) De duurzame groei in het functioneren van de medewerker voldoet niet geheel aan de gestelde eisen 1% van het maximumbedrag van de salarisschaal Slecht (cijfer 4 of lager) De duurzame groei in het functioneren van de medewerker voldoet niet aan de gestelde eisen Geen groei in vast inkomen De variabele outputbeloning Naast de structurele beloning kan voor extra prestaties een variabele beloning worden gegeven. Daarbij gaat het om beloning van output. Uitgangspunten zijn hier het motiveren, stimuleren en waarderen van medewerkers om te komen tot werkresultaten door het toekennen van flexibele inci- dentele elementen. Met de medewerker worden in het planningsgesprek afspraken gemaakt over het realiseren van vooraf vastgelegde, concrete en zoveel mogelijk kwantificeerbare doelstellingen. Vari- abele beloning is een outputbeloning die alleen wordt gegeven bij uitstekende of zeer goede werkre- sultaten. De outputbeloning heeft een incidenteel karakter en is 3% of 7%. Een en ander is hierna schematisch weergegeven. Beoorde- lingsscore ‘Vertaling’ Variabele beloning (uitgedrukt als % van jaarsalaris in jaar waarin resultaten zijn behaald) Uitstekend De werkresultaten van de medewerker overtreffen de gestelde eisen in uitzonder- lijke mate Outputbeloning van 7% Zeer goed De werkresultaten van de medewerker overtreffen de gestelde eisen in ruime mate Outputbeloning van 3% De rechtspositionele regeling van de jaargesprekken De cao-afspraken over een systeem van jaargesprekken met bijbehorend beoordelingssysteem hebben geleid tot de Regeling jaargesprekken waarin de rechtspositionele aspecten zijn geregeld. De regeling bevat bepalingen over rechten en plichten en procedures en heeft betrekking op de drie fases van de jaarcyclus, te weten het planningsgesprek, het voortgangsgesprek en het evaluatie- en beoordelingsgesprek. De betekenis van de uitgebrachte beoordeling voor de beloning is geregeld in de bezoldigingsregeling. Implementatie (P.M. lokaal in te vullen)

Artikel 1

Definities Uitgangspunt is dat de integraal manager verantwoordelijk is voor de jaargesprekken. Dat betekent dat de gesprekken worden gevoerd tussen de werknemer en zijn directe hiërarchisch leidinggeven- de. In artikel 1 is daarom bepaald dat als leidinggevende voor de toepassing van de regeling jaarge- sprekken de directe hiërarchisch leidinggevende wordt aangemerkt. Artikel 2 Planningsgesprek In het planningsgesprek gaat het om de productdoelstellingen van de werknemer en om persoons- gebonden doelstellingen. In het vierde lid is concreet aangegeven waaraan in het planningsgesprek in ieder geval aandacht moet worden besteed. Productdoelstellingen hebben betrekking op te realiseren producten en te verrichten activiteiten zo mogelijk gekoppeld aan termijnen of te investeren tijd. Zij worden afgeleid van de doelstellingen van de organisatie en van de functie die de werknemer vervult. De productdoelstellingen dienen zoveel mogelijk te voldoen aan het SMART-principe, dat wil zeggen dat ze specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden moeten zijn. Bij persoonsgebonden doelstellingen gaat het om ontwikkel- punten waarin de werknemer een ontwikkeling wil of moet doormaken. Het planningsgesprek is een gesprek van de werknemer met zijn leidinggevende. Er zijn geen ande- ren bij aanwezig tenzij zij samen anders afspreken. Het planningsgesprek heeft een tweezijdig ka- rakter en

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.