Beleidsregels bijzondere bijstand en armoede- en minimabeleid 2015Beleidsregels bijzondere bijstand en armoede- en minimabeleid 2015 Begripsbepaling In deze beleidsregels wordt verstaan onder: het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Lochem; algemene bijstand: bijstand, die wordt verstrekt voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, zoals kosten van levensonderhoud, die uit het inkomen moeten worden voldaan; de bijzondere bijstand: bijstand die bestemd is voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan, die niet kunnen worden voldaan uit het inkomen, de toepasselijke bijstandsnorm of inkomensvoorziening en/of uit het aanwezige vermogen; de bijstandsnorm: norm zoals bedoeld in artikel 20 tot en met 28 van de Pw; de individuele inkomenstoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36 Pw; de individuele studietoeslag: de toeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Pw; de voorliggende voorziening: Elke voorziening zoals bedoeld in de artikel 5 sub e en 15 van de Pw; de draagkracht: De middelen waar de belanghebbende over beschikt of redelijkerwijs kan beschikken om in de kosten te voldoen. de woonkosten bij een huurwoning: de per maand geldende rekenhuur als omschreven in artikel 5, van de Wet op de huurtoeslag; de woonkosten bij een koopwoning: de kosten die de eigenaar verschuldigd is voor: de hypotheekrente, de premie voor opstalverzekering, het eigenaar gedeelte van de onroerend zaak belasting, de omslagheffing voor huiseigenaren (de waterschapslasten), een vast bedrag voor kosten van groot onderhoud en ingrijpende reparaties. Deze kosten worden conform het budgethandboek NIBUD vastgesteld. Het gaat om onderhoud woning en onderhoud CV-installatie; de Pw: de Participatiewet; de AWBZ: de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; de WMO: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; het NIBUD: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting; 2. Algemene bepalingen Voor de bijzondere bijstand gelden de volgende voorwaarden: De kosten moeten bijzonder zijn, en De kosten moeten noodzakelijk zijn, en De kosten kunnen niet door de belanghebbende zelf worden betaald, en De kosten moeten daadwerkelijk zijn gemaakt. Vergoeding van de kosten. Door het aanvullende karakter en de vangnetfunctie van de Pw, ligt ook het niveau van de voor bijstandsverlening vatbare bijzondere voorzieningen op het niveau van het minimum. Dat wil zeggen dat de meest goedkope en eenvoudige voorziening die een adequaat noodzakelijke oplossing biedt, als passend en toereikend wordt geacht. 3.Voorliggende voorziening. In verband met het uitgangspunt dat de Pw in het stelsel van bestaansvoorzieningen de plaats inneemt van het laatste vangnet, speelt het begrip voorliggende voorziening een bepalende rol. Artikel 15 Pw is van belang: geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. De bijzondere bijstand in het kader van de Pw mag het beleid, dat gevoerd wordt bij voorliggende voorzieningen niet doorkruisen. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot de kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. 4.Nadere verplichtingen. Aan de verstrekking van bijzondere bijstand kunnen, conform artikel 55 van de Pw, nadere verplichtingen worden verbonden die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot een beperkt beroep op deze bijstand.. Een verplichting kan, op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard. Kosten, die niet voldoen aan alle bepalingen genoemd onder lid 1 komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Zeer dringende redenen. Aan een persoon die geen recht op bijzondere bijstand heeft kan het bestuur, gelet op alle omstandigheden, bijzondere bijstand verlenen indien daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn. 7.Afstemming. Het bestuur kan de hoogte van de bijzondere bijstand verlagen indien de belanghebbende niet aan de verplichtingen voldoet die verbonden zijn aan de verstrekking van de bijstand, blijk geeft van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, dan wel anderszins een maatregelwaardige gedraging te verwijten valt. De afstemming van de bijstand gebeurt conform de Maatregelenverordening 2015. 3. Beleid m.b.t. inkomen, vermogen en draagkracht 3.1 Inkomen Van het in aanmerking te nemen inkomen worden middelen genoemd in artikel 31 lid 2 Pw niet tot het draagkrachtinkomen van de belanghebbende gerekend. De middelen worden dus voor de bijzondere bijstand vrijgelaten. Het inkomen wordt op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand, conform de artikelen 32 en 33 van de Pw. Bij de vaststelling van het inkomen wordt een verstrekte individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag buiten beschouwing gelaten. Inkomsten uit arbeid van ten laste komende kinderen (artikel 31 lid 2 sub h Pw) worden alleen vrijgelaten, indien het bijzondere bijstand betreft voor een ander in de bijstand begrepen persoon dan het minderjarige kind met inkomsten uit arbeid. Betreft het een aanvraag voor het minderjarige kind zelf, dan moeten deze inkomsten wel worden meegenomen. 3.2 Vermogen Het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand. Belanghebbende dient een vermogen te hebben dat minder is dan de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 Pw. Het vermogen van belanghebbenden, die actueel een uitkering ingevolge de Participatiewet ontvangen, wordt vastgesteld in overeenstemming met het laatst vastgestelde vermogen in het kader van de algemene bijstandsverlening. Er geldt een extra vermogensvrijlating indien er sprake is van uitvaartreservering in natura (niet afkoopbaar) die gereserveerd staat op een aparte rekening of een aparte polis waarvan geen opnames kunnen worden gedaan. Voor de vaststelling van de waarde van auto’s, motoren en caravans (inclusief btw) wordt in beginsel uitgegaan van de koerslijst van de ANWB (verkoopprijzen). Auto’s en motoren die vanwege de ouderdom niet meer voorkomen in de ANWB koerslijst worden niet meegerekend voor het vermogen. In afwijking van het vierde lid kan wel rekening worden gehouden met de waarde van een oudere auto of motor, wanneer het een auto of motor betreft met een historische waarde. Er geldt een vermogensvrijlating op de waarde van een auto van € 2.500,-. De waarde van maximaal één auto kan buiten beschouwing worden gelaten, wanneer er een aantoonbare medische of bijzondere sociale omstandigheden zijn die het gebruik van een auto noodzakelijk maken. In afwijking van het eerste lid blijft het vermogen buiten beschouwing bij de collectieve ziektekostenverzekering en de tegemoetkoming zorgkosten. 3.3 Draagkracht Bijzondere bijstand wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht. Bij de bepaling van de draagkracht wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Pw. Geen draagkracht hebben belanghebbenden die, op jaarbasis, een netto inkomen hebben tot 110% van de voor hen geldende bijstands- norm (inclusief vakantiegeld) en die geen vermogen hebben boven de voor hen geldende vermogensgrens, zoals bedoeld in artikel 34 lid 3 Pw. Indien de belanghebbende een hoger inkomen heeft dan 110% van de geldende bijstandsnorm en/of een hoger vermogen, als bedoeld in artikel 34 lid 3 Pw, dan wordt de draagkracht vastgesteld op 100% van het meerdere inkomen boven 110% van de geldende bijstandsnorm. In afzonderlijke regelingen kunnen afwijkende draagkrachtregels worden toegepast. De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar tot maximaal 3 jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn. Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtperiode wordt rekening gehouden met de vastgestelde draagkracht; de vastgestelde ruimte blijft dus gelden. Als bij een aanvraag blijkt dat er vóór de aanvraagdatum noodzakelijke kosten zijn gemaakt, dan wordt het draagkrachtjaar, met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 2.4., vastgesteld vanaf de eerste dag van de maand waarin deze kosten zich voor het eerst hebben voorgedaan. In geval van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht verrekend naar rato van het aantal maanden van de periode waarop deze bijstand betrekking heeft. Bij een belanghebbende aan wie een schuldsaneringsregeling is uitgesproken of een minnelijke schuldregeling doorloopt onder toepassing van de richtlijnen van de NVVK geldt dat het bestuur enkel de draagkracht kan berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft. 4. Aanvraag Bijzondere bijstand wordt in principe op aanvraag verstrekt. Aanvragen voor bijzondere bijstand kunnen worden ingediend tot en met een half jaar na het moment waarop de kosten zijn gemaakt. Het is dus mogelijk om met terugwerkende kracht bijzondere bijstand te verlenen. Voorwaarde is in ieder geval dat de noodzakelijkheid van de kosten alsnog kan worden vastgesteld en dat belanghebbende ten tijde van het ontstaan van de kosten niet over voldoende middelen kon beschikken. Afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. 5. Uitbetaling De individuele bijzondere bijstand kan alleen worden verleend voor daadwerkelijk gemaakte kosten, waarvoor betalingsbewijzen moeten worden overlegd. Als het betalingsbewijs geen factuur betreft, moet de factuur alsnog achteraf worden overlegd. De uitbetaling kan rechtstreeks aan de leverancier geschieden. Bijzondere bijstand kan in natura worden verstrekt. 6. Terugvordering De beleidsregels terug- en invordering zijn van overeenkomstige toepassing op de bijzondere bijstand. 7. Kosten van algemene aard 7.1 Bijzondere bijstand voor jongeren 18-21 jaar Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten aan jongeren van 18 tot 21 jaar wordt verleend indien en voor zover de jongere geen beroep kan doen op zijn ouders omdat: de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders niet te gelde kan maken. De jongere bedoeld onder lid 1 b wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken indien: de ouder of ouders zijn overleden of in het buitenland wonen; de jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezin is geplaatst; er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de jongere zelf geen verandering kan worden gebracht. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven door een hulpverlenende instantie. De noodzakelijke kosten van bestaan van de alleenstaande jongere, alleenstaande ouder of gehuwde van 18 tot 21 jaar worden gelijkgesteld aan de toepasselijke inkomensvoorziening Pw voor alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde van 21 jaar of ouder. De bijzondere bestand wordt waar mogelijk, op grond van paragraaf 6.5 Pw verhaald. Daarmee wordt voorkomen dat de beslissing tot bijstandsverlening afbreuk doet aan de ouderlijke onderhoudsplicht. 7.2 Bijzondere bijstand voor jongeren 18-21 jaar in een inrichting Het bepaalde in artikel 7.1 geldt tevens voor jongeren van 18 tot 21 jaar die in inrichting verblijven. In afwijking van artikel 7.1 lid 3 worden de noodzakelijke kosten van bestaan gelijk gesteld op het normbedrag voor jongeren van 18 tot 21 jaar. 7.3 Bijzondere bijstand i.v.m. het niet ontvangen van de alleenstaande ouderkop Aan de alleenstaande ouder als bedoeld in de Pw, die vanwege het hebben van een toeslagpartner geen aanspraak kan maken op de alleenstaande ouderkop, kan aanvullend bijzondere bijstand worden verstrekt ter hoogte van de alleenstaande ouderkop. Aan deze verstrekking kunnen nadere verplichtingen worden verbonden die er toe strekken dat de noodzaak voor deze verstrekking op de kortst mogelijke termijn wordt opgeheven. 8. Woonkosten 8.1 Woonkostentoeslag bij een huurwoning De wet op de huurtoeslag geldt als voorliggende voorziening. In gevallen waar de belanghebbende geen aanspraak kan maken op de huurtoeslag, kan bijzondere bijstand worden verstrekt ter hoogte van de huurtoeslag. De belanghebbende is verplicht om de aanspraak op huurtoeslag te gelde te maken. 8.2 Woonkostentoeslag bij een eigen woning Woonkostentoeslag aan woningeigenaren kan worden toegekend voor zover de woonkosten lager zijn dan de maximale huurgrens. Tot de woonkosten worden gerekend: De hypotheekrente; Het eigenaarsdeel onroerendzaakbelasting; De premie voor de opstalverzekering; De erfpachtcanon; De omslagheffing voor huiseigenaren (waterschapslasten); Vaste bedragen voor de kosten van groot onderhoud. Wanneer de belanghebbende aan wie woonkostentoeslag is toegekend naderhand over dezelfde periode een teruggave van de Belastingdienst ontvangt, bepaalt het college welk bedrag moet worden teruggevorderd. 8.3 Woonkostentoeslag boven de maximale huurgrens bij een huurwoning In het geval de woonkosten boven de maximale huurgrens liggen, kan voor de duur van maximaal een jaar een woonkostentoeslag worden toegekend. Aan de verlening van woonkosten wordt de verplichting verbonden, dat de belanghebbende alles in het werk stelt om goedkopere woonruimte te verkrijgen. De woonkostentoeslag kan met maximaal een jaar worden verlengd, als de belanghebbende er niet in is geslaagd goedkopere woonruimte te verkrijgen, ondanks voldoende inspanningen daartoe. In afwijking van artikel 3.3 lid 4 wordt de draagkracht gesteld op al het meerdere inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college onvoldoende inspanningen heeft verricht om passende woonruimte te verkrijgen, kan de woonkostentoeslag worden beëindigd dan wel verlenging van de woonkostentoeslag worden geweigerd. Van de belanghebbende wordt in ieder geval verwacht dat hij Ingeschreven is als woningzoekende; Consequent en adequaat reageert op elke aangeboden woning met een huur lager dan de huurgrens, ongeacht de aard of ligging van de woning. 8.4 Woonkostentoeslag boven de maximale huurgrens bij een eigen woning In het geval de woonkosten boven de maximale huurgrens liggen, kan voor de duur van maximaal een jaar een woonkostentoeslag worden toegekend. Aan de verlening van woonkosten wordt de verplichting verbonden, dat de belanghebbende alles in het werk stelt om goedkopere woonruimte te verkrijgen. De woonkostentoeslag kan met maximaal een jaar worden verlengd, als de belanghebbende er niet in is geslaagd goedkopere woonruimte te verkrijgen, ondanks voldoende inspanningen daartoe. In afwijking van artikel 3.3 lid 4 wordt de draagkracht gesteld op al het meerdere inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college onvoldoende inspanningen heeft verricht om passende woonruimte te verkrijgen, kan de woonkostentoeslag worden beëindigd dan wel verlenging van de woonkostentoeslag worden geweigerd. Van de belanghebbende wordt in ieder geval verwacht dat hij Een makelaar heeft ingeschakeld; Zijn woning via een advertentie te koop aanbiedt (in krant, op een specifieke, vrij toegankelijke website voor het aanbieden van koopwoningen, e.d.); Aantoonbaar actief op zoek is naar nieuwe woonruimte; Een reële vraagprijs stelt, waarbij de WOZ-waarde als uitgangspunt geldt; De vraagprijs zo nodig naar beneden bijstelt, waarbij 80% van de WOZ-waarde nog acceptabel wordt geacht. De inspanning wordt in ieder geval onvoldoende geacht, wanneer de belanghebbende Uitsluitend een makelaar heeft ingeschakeld, zonder dat de makelaar verdere marktgerichte activiteiten onderneemt; Een feitelijk bod weigert, ook al is dit bond onder zijn vraagprijs; Zijn vraagprijs niet naar beneden bijstelt; Een goedkopere beschikbare woning weigert. 8.5 Waarborgsom en administratiekosten Bijzondere bijstand voor de waarborgsom en administratiekosten is mogelijk, indien de noodzaak voor de verhuizing niet voorzienbaar was voor de belanghebbende. 8.6 Eerste maand huur Bijzondere bijstand voor de eerste maand huur is mogelijk, indien de noodzaak voor de verhuizing niet voorzienbaar was voor de belanghebbende. In het geval van asielzoekers, die zich in het kader van de taakstelling voor huisvesting in Lochem vestigen, wordt in ieder geval gesteld dat er omstandigheden zijn bijzondere bijstand te verstrekken. 9. Kosten in verband met ziekte en ondersteuning 9.1 Collectieve ziektekostenverzekering Belanghebbenden met een netto maandinkomen tot en met 130% van de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld, kunnen deelnemen aan de collectieve ziektekostenverzekering van de door het bestuur aangewezen zorgverzekeraar. Er wordt geen vermogensgrens gesteld. De peildatum voor deze inkomenstoets is de datum van de aanvraag. Het college levert een bijdrage in de premie conform het financiële besluit. De collectiviteitskorting die de ziektekostenverzekeraar geeft komt ten gunste van de deelnemer. De basisverzekering en de aanvullende verzekering “Garant Verzorgd 3” worden als voorliggende voorziening beschouwd voor het verlenen van bijzondere bijstand. Deelname aan de collectieve aanvullende zorgverzekering gaat in op 1 januari van het volgende kalenderjaar. Wanneer de aanvrager reeds verzekerd is bij Menzis kan deze deelname gedurende het gehele kalenderjaar plaatsvinden. Het bestuur beëindigt de deelname van een deelnemer aan de collectieve ziektekostenverzekering wanneer de deelnemer niet meer aan de voorwaarden voldoet of op eigen verzoek van de deelnemer. De deelname wordt niet eerder beëindigd dan met ingang van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de deelnemer niet meer aan de voorwaarden voldoet, tenzij de deelnemer verzoekt de beëindiging eerder te doen plaatsvinden. Het bestuur meldt de deelnemer af bij de zorgverzekeraar. De deelnemer is verplicht om het bestuur onverwijld in te lichten over wijzigingen van zijn inkomen en/of vermogen, verhuizing buiten de gemeente of wijzigingen waarvan hij redelijkerwijs kan verwachten dat zij van invloed zijn op de aanspraak op de collectieve ziektekostenverzekering. 9.2 Medische kosten Medische kosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. De ziektekostenverzekering geldt als een voorliggende voorziening. In bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. Voor eigen bijdragen voor medisch noodzakelijke voorzieningen genoemd in de Zorgverzekeringswet kan wel bijzondere bijstand worden verstrekt. De aanvullende verzekering “Garant Verzorgd 3” wordt als voorliggende voorziening beschouwd voor het verlenen van bijzondere bijstand, voor zover de belanghebbende hier redelijkerwijs gebruik van had kunnen maken. 9.3 Medisch advies In voorkomende gevallen kan het bestuur de medische noodzaak laten vaststellen door een hiervoor aangewezen instantie. De bijzondere bijstand moet aangevraagd zijn voor met de (voortgezette) behandeling wordt gestart en de kosten zijn gemaakt, zodat eerst een medisch advies kan worden opgevraagd om de noodzaak en eventueel de goedkoopst adequate voorziening vast te stellen. 9.4 Tandheelkundige kosten Eigen bijdragen en kosten (niet het eigen risico) die rechtstreeks verband houden met een verstrekking op grond van de basis Zorgverzekeringswet, zoals volledige gebitsprotheses, komen voor vergoeding in aanmerking. Bijzondere bijstand voor alle tandartskosten, inclusief orthodontie, die niet onder de basiszorgverzekering vallen, kan, ongeacht de soort kosten, worden verleend tot een bedrag van maximaal € 350,00 per persoon per kalenderjaar. In gevallen waarbij de belanghebbende niet aanvullend is verzekerd voor tandheelkundige kosten wordt rekening gehouden met de vergoeding die mogelijk geweest zou zijn indien men zich bij zijn/haar verzekering verzekerd zou hebben middels het goedkoopste aanvullende verzekeringspakket, inclusief tandartsverzekering. 9.5 Tegemoetkoming zorgkosten Als tegemoetkoming in de zorgkosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt, indien de belanghebbende heeft aangetoond dat hij het verplicht eigen risico in het jaar van de aanvraag volledig heeft benut. De tegemoetkoming bedraagt € 230,- per gezinslid, dat het eigen risico volledig heeft benut, en kan maximaal één maal per verzekeringsjaar worden verstrekt. De aanvraag dient te geschieden in het jaar waarop het eigen risico betrekking heeft, tenzij de zorgaanbieder de rekening later heeft ingediend. Dan kan de aanvraag met terugwerkende kracht worden aangevraagd. De terugwerkende kracht werkt niet verder terug dan 1-1-2015. Indien de belanghebbende aanvullend verzekerd is via de Garant Verzorgd 3 wordt dit in relatie tot de tegemoetkoming zorgkosten gezien als een toereikende en passende voorliggende voorziening. Indien belanghebbende inkomenscompensatie in verband met arbeidsongeschiktheid in het kader de WAO, WIA, Wajong of WAZ ontvangt, heeft belanghebbende geen recht op de tegemoetkoming. 9.6 Eigen bijdragen WMO- of AWBZ-voorzieningen De aanvullende verzekering “Garant Verzorgd 3” wordt als voorliggende voorziening beschouwd voor het verlenen van bijzondere bijstand, voor zover de belanghebbende hier redelijkerwijs gebruik van had kunnen maken. Voor zover de aanvrager niet redelijkerwijs gebruik kan maken van Garant Verzorgd 3 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdragen, voor zover deze door het CAK zijn vastgesteld. 9.7 Tegemoetkoming kosten schoonmaakhulp: VERVALLEN PER 1 JUNI 2016 Kosten voor schoonmaakhulp worden aangemerkt als noodzakelijke uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten indien de belanghebbende: niet zelf in staat is tot het uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden ten behoeve van een schoon en leefbaar huis. geen gebruikelijke hulp heeft door partners onderling, door volwassenen kinderen of andere huisgenoten. Voor onderdelen kan ook sprake zijn van gebruikelijke hulp door minderjarige kinderen, afhankelijk van leeftijd en vaardigheden. Uitzonderingen: Voor zover een partner, kinderen of andere huisgenoten geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om deze gebruikelijke ondersteuning ten behoeve van de cliënt uit te voeren en deze vaardigheden (nog) niet kan aanleren wordt van hen geen bijdrage verwacht. Hierbij speelt bijvoorbeeld de leeftijd van het kind een rol. Voor zover een partner, kind en/of andere huisgenoot overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen gebruikelijke hulp verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende: . wanneer voor de partners, ouder, kind en/of andere huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorzieningen hiertoe te worden aangewend. . de partners, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot moet bereid zijn (maatschappelijke) activiteiten te beperken, voor zover dat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van een tijdsindicatie (uren) die bepaald is op basis van onderzoek, (keukentafel)gesprek en verslag zoals bedoeld in de beleidsregels Wmo2015, hoofdstuk 2 toegangsprocedure.\ De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van ingeleverde declaraties tot een maximum van € 15,16 per uur. 9.8 Begrafenis- of crematiekosten Bijzondere bijstand ten behoeve van begrafenis of crematie kan verleend worden aan de nabestaande van de overledene, voor zover de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden en de nabestaande niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.