Archeologieverordening Almere 2016Archeologieverordening Almere2016 De raad van de gemeente Almere, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 38 van de Monumentenwet 1988 en artikel 149 van de Gemeentewet; overwegende dat het wenselijk is om regels vast te stellen ter bescherming van het archeologisch bodemarchief; Besluit vast te stellen: De Archeologieverordening Almere2016 Artikel1Archeologisch waardevolle terreinen Het college wijst archeologisch waardevolle terreinen aan waarbinnen zich behoudenswaardige archeologische waarden bevinden of worden verwacht. Artikel2Vaststelling Archeologische Beleidskaart Almere (ABA) 1.Het college stelt een archeologische beleidskaart vast, waarop op een topografische ondergrond de archeologisch waardevolle terreinen bedoeld in artikel 1 zijn aangegeven. 2.Op de onder lid 1 bedoelde beleidskaart wordt de archeologische waarde van de terreinen aangeduid met waarden 1 tot en met 6, welke waarden als volgt worden gedefinieerd: waarde 1: terrein met mogelijke archeologische waarden (dekzand en Oude Getijden) op een diepte vanaf 150 cm onder maaiveld ; waarde 2: terrein met mogelijke archeologische waarden (dekzand) op een diepte vanaf 100 cm onder maaiveld; waarde 3: terrein met mogelijke archeologische waarden (dekzand) op een diepte vanaf 50 cm onder maaiveld; waarde 4: terrein met mogelijke archeologische waarden (oeverwallen) op een diepte vanaf 50 cm onder maaiveld; waarde 5: terrein met door het college vastgestelde archeologische waarde; waarde 6: terrein met mogelijke archeologische waarden (prehistorie, scheeps- en vliegtuigwrakken buitendijks). 3.De onder lid 1 bedoelde beleidskaart dient integraal in alle toekomstige bestemmingsplannen, omgevingsplannen en beheersverordeningen te worden overgenomen, met een met deze verordening overeenkomende bescherming. Artikel3Archeologievergunning 1.Het is verboden zonder vergunning van het college of in strijd met bij zodanige vergunning verbonden voorschriften bouwactiviteiten of de volgende werkzaamheden uit te voeren op of in de krachtens artikel 1 aangewezen terreinen: Het verlagen van de bodem, het uitvoeren van grondwerkzaamheden of het afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingsvergunning nodig is; Het ophogen van de bodem met meer dan 50 cm; Het aanleggen van bos of boomgaard bestaande uit meer dan 10 bomen; Het verlagen van het waterpeil; Het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverharding; Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatie- of andere leidingen en daarmee verband houdende constructies; Het graven, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; Alle overige werkzaamheden die de archeologische waarden kunnen aantasten en die niet aan te merken zijn als het normale gebruik van het terrein. 2.Het verbod in lid 1 is niet van toepassing voor bouw- en aanlegactiviteiten: in terreinen die op de beleidskaart in waarde 1 vallen, voor zover de activiteiten een oppervlakte van minder dan 500 m2 beslaan en niet dieper zijn dan 1,5 meter onder maaiveld; in terreinen die op de beleidskaart in waarde 2 vallen, voor zover de activiteiten een oppervlakte van minder dan 500 m2 beslaan en niet dieper zijn dan 1 meter onder maaiveld; in terreinen die op de beleidskaart in waarde 3 vallen, voor zover de activiteiten een oppervlakte van minder dan 500 m2 beslaan en niet dieper zijn dan 0,5 meter onder maaiveld; in terreinen die op de beleidskaart in waarde 4 vallen, voor zover de activiteiten een oppervlakte van minder dan 100 m2 beslaan en niet dieper zijn dan 0,5 meter onder maaiveld; in terreinen die op de beleidskaart in waarde 6 vallen, voor zover de activiteiten een oppervlakte van minder dan 25.000 m2 beslaan 3.Het verbod in lid 1 is ook niet van toepassing indien de werkzaamheden: het normale onderhoud van de gronden betreffen; onderdeel zijn van een reeds vergund initiatief op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan, omgevingsplan of beheersverordening; worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). 4.Het verbod in lid 1 is niet van toepassing bij door het college in nadere regels vastgestelde situaties. 5.Een uitzondering op het verbod zoals genoemd in lid 2 is niet van toepassing als gedurende de periode van 36 maanden voor verstrekking van de omgevingsvergunning een uitzondering op het verbod in lid 2 van toepassing is geweest op bouw- en aanlegactiviteiten zoals genoemd in lid 1 in terreinen op een afstand van minder dan 50 m van het onderhavige terrein, voor zover de voorgenomen activiteiten in het onderhavige terrein een oppervlakte hebben van meer dan 100 m2. De afstand van 50 meter wordt gemeten over de kortste afstand tot de eerder gebouwde of aangelegde structuren. Artikel4Aanvraag archeologievergunning 1.Een aanvraag om vergunning wordt met de daarbij behorende bescheiden ingediend bij het college. 2.Het college stelt de indieningsvereisten vast voor de aanvraag om vergunning. 3.Het college is bevoegd nadere gegevens van de aanvrager te verlangen. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan worden bepaald dat de aanvrager van een vergunning een rapport overlegt waarin de (te verwachten) archeologische waarde die blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgelegd. Artikel5Archeologisch onderzoek in het kader van de vergunningaanvraag 1.Indien in het kader van vergunningverlening een rapport moet worden overgelegd waarvoor archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd, voldoet dit onderzoek aan de meest recente versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). 2.In het kader van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid dient het plan van aanpak en het programma van eisen door het college te worden goedgekeurd; dient toezicht en handhaving op de uitvoering van het plan van aanpak en het programma van eisen te worden georganiseerd op aanwijzing van het college; dienen aanwijzingen van het college tijdens het onderzoek in acht te worden genomen. Artikel6Beslistermijn 1.Het college beslist binnen 8 weken nadat de aanvraag om vergunning is ontvangen. 2.Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn van 8 weken met ten hoogste 6 weken verlengen mits het de aanvrager daarvan in kennis stelt binnen de in het eerste lid genoemde termijn. 3.Indien het college niet voldoet aan het eerste of tweede lid wordt de vergunning geacht te zijn verleend. 4.Van een verleende vergunning, al dan niet van rechtswege, wordt binnen twee weken na vergunningverlening door het college kennis gegeven in een van gemeentewege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huis blad. Artikel7Voorschriften vergunning 1.Het college kan in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een vergunning voorschriften verbinden. 2.Het college kan aan de vergunning een bepaalde geldigheidsduur verbinden. Artikel8Toetsingscriteria De vergunning wordt geweigerd indien de activiteiten of het object waarvoor vergunning wordt gevraagd leidt tot aantasting van archeologische waarden. Artikel9Intrekken vergunning Het college kan de vergunning intrekken indien: de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; de vergunninghouder de aan de vergunning verbonden voorschriften niet naleeft; niet binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning daarvan gebruik is gemaakt; de vergunninghouder daartoe verzoekt. Artikel10Niet van toepassing zijn van verordening en verbod 1.Deze verordening is niet van toepassing op een bestemmingsplan waarin bepalingen zijn opgenomen omtrent de archeologische monumentenzorg. 2.Deze verordening is eveneens niet van toepassing indien de activiteiten of werkzaamheden een verstoring of wijziging betreffen van een wettelijk beschermd archeologisch monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988. Artikel11Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening is belast de stadsarcheoloog en overige door het college aangewezen personen. Artikel12Strafbepaling Degene die handelt in strijd met artikel 4 van deze verordening, kan worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. Artikel13Intrekken oude regeling De Archeologieverordening, in werking getreden op 12 juli 2009, wordt ingetrokken. Artikel14Overgangsrecht Op aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening is de in artikel 13 bedoelde verordening van toepassing. Artikel15Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking ervan. Artikel16Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Archeologieverordening Almere 2016. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeenteraad Almere d.d. 21 april 2016de griffier, de voorzitter,J.D. Pruim F.M. WeerwindToelichting Archeologieverordening Almere 2016 Algemene toelichting De Archeologieverordening Almere 2016 geeft uitwerking aan de in de Nota Archeologische Monumentenzorg 2016 van de gemeente Almere genoemde uitgangspunten voor archeologisch waardevolle terreinen en gebieden van mogelijke archeologische waarde, rekening houdend met: de Algemene wet bestuursrecht (Awb); de herziene Monumentenwet 1988 (herziening 1 september 2007) met name artikelen 38, 38a, en artikelen 39, 40 en 41; de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) artikel 2.1, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) artikel 3.1,de Gemeentewet in het bijzonder artikel 149. Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6. Toelichting per artikelArtikel 1 Archeologisch waardevolle terreinenArtikel 1 en 2 regelen de aanwijzing van archeologisch terreinen. Een archeologisch terrein met waarde 5 is een terrein waarvoor is vastgesteld dat er behoudenswaardige waarden aanwezig zijn. In dat terrein zijn sporen uit het verleden aanwezig die bijzonder, gaaf, uniek, van groot wetenschappelijk belang, van landelijk en/of internationaal belang zijn en die daarom behouden worden. Het gaat dus om zeer hoogwaardige archeologische resten. Deze terreinen worden behouden voor toekomstig wetenschappelijk archeologisch onderzoek en ingericht, conform de daartoe vastgestelde normen en richtlijnen binnen de gemeente Almere, en opgenomen op de Archeologische Beleidskaart Almere (ABA). Archeologisch waardevolle terreinen zijn in de Nota Archeologische Monumentenzorg 2016 gedefinieerd. De aanwijzing daarvan geschiedt middels een aanwijzingsbesluit en door opname op de ABA en heeft slechts betrekking op een locatie waarvan is vastgesteld dat deze behoudenswaardig is. Daartoe worden vaste criteria gehanteerd vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), en in het vigerend Almeers archeologiebeleid. Indien een behoudenswaardige vindplaats wordt aangetroffen in gebieden met waarde 1 t/m 4 of waarde 6 dan dient deze altijd behouden te blijven, bij voorkeur door planinpassing met een specifieke terreininrichting die ten dienste staat van verder onderzoek - waaronder de monitoring van de kwaliteit van de vindplaats - en van de herkenbaarheid en beleefbaarheid van de vindplaats. Als dat behoud ter plekke (in situ) en de specifieke inrichting van de behoudenswaardige vindplaats niet kunnen worden gerealiseerd, dan dient de behoudenswaardige vindplaats behouden te worden behouden door middel van een professionele opgraving (ex situ). Het is van belang dat een behoudenswaardige vindplaats voor iedereen kenbaar is (ook digitaal). Het aanwijzingsbesluit heeft daarom plaats in directe samenhang met de waardestelling (behoudenswaardige vindplaats). Een behoudenswaardige vindplaats is immers per definitie een (archeologisch waardevol) terrein dat behouden wordt en waartoe deze verordening strekt. Wanneer er plannen zijn om de bestaande inrichting van een dergelijk terrein te wijzigen is het raadzaam om naast het raadplegen van de ABA tijdig nader informatief contact op te nemen met de accounthouder archeologie voor desbetreffende stadsdeel. Dit, omdat soms bijvoorbeeld het vooronderzoek of de verwerking van de gegevens daarvan nog niet zijn afgerond. Door het contact te leggen geraakt men op de hoogte van de laatste stand van zaken. Zodra uit een onderzoek binnen een gebied van mogelijke archeologische waarde blijkt dat een terrein behoudenswaardig is, dient deze vindplaats zo spoedig mogelijk de kwalificaties van behoudenswaardige vindplaats, en in samenhang daarmee ‘waarde 5’ te krijgen. Om dit besluit te markeren wordt dit door de stadsarcheoloog of namens het college in een aanwijzingsbesluit vastgelegd (archeologisch selectiebesluit), waarbij het terrein op de ABA aangegeven moet worden. De inhoudelijke onderbouwing van de kwalificatie wordt verschaft door of namens de stadsarcheoloog, op basis van archeologisch onderzoek en op grond van criteria zoals vastgelegd in door de KNA, geformuleerd is in de Nota Archeologische Monumentenzorg 2016, aangevuld met de provinciale beleidsregels en -verordeningen en de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA). Uit archeologisch onderzoek kan naar voren komen dat een archeologisch waardevol terrein geen behoudenswaardige archeologische waarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.