Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Hof van TwenteBurgemeester en wethouders van Hof van Twente gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht; gelet op de artikelen 1.61, eerste lid, 1.65, eerstelid, 1.66 en 1.72, eerstelid Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; gelet op de artikelen 2.19, eerste lid, 2.23, eerstelid, 2.24 en 2.28, eerstelid, Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, besluiten: de Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Hof van Twente vast te stellen. Hoofdstuk1Algemeen Artikel1Toepassing Deze beleidsregels zijn van toepassing op de handhaving naar aanleiding van overtreding van de bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gestelde regelgeving. Artikel2Vormen van sanctioneren Bij het uitvoeren van het handhavingsbeleid heeft het college de volgende mogelijkheden: herstelsanctie; bestraffende sanctie. Artikel3Kwaliteitseisen 1.De kwaliteitseisen, waar aan voldaan moet worden, staan genoemd in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en alle aanverwante regelgeving. Ze worden tevens expliciet in het door de toezichthouder opgestelde rapport genoemd. 2.In deze Beleidsregels Handhaving kinderopvang en peuterspeelzalen Hof van Twente wordt uitgegaan van deze kwaliteitseisen. 3.In het afwegingsoverzicht dat als bijlage aan deze beleidsregels is toegevoegd worden voor de prioritering en de hoogte van de bestuurlijke boete per domein de kwaliteitseisen geclusterd weergegeven. Hoofdstuk2Herstellend traject Artikel4Herstelsancties 1.Indien gebleken is dat een houder van een kindercentrum, een gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of een peuterspeelzaal niet voldoet aan één of meer kwaliteitseisen van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en alle daaruit voortvloeiende regelgeving, start het college in beginsel een herstellend traject. Dit traject is gericht op beëindiging van de overtreding(-
- en)en voorkoming van herhaling van de overtreding(-en). 2.Bij het uitvoeren van het herstellend traject hanteert het college de volgende stappen: stap 1: aanwijzing stap 2: last onder dwangsom/last onder bestuursdwang, stap 3: exploitatieverbod stap 4: verwijdering uit het landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen 3.Indien de overtreding hiertoe aanleiding geeft, kan het college besluiten om een bepaalde stap of bepaalde stappen van het herstellende traject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen. 4.De duur van de hersteltermijn is afhankelijk van de prioriteit die is toegekend aan de kwaliteitseis zoals afgeleid kan worden uit het afwegingsoverzicht dat als bijlage is opgenomen. 5.Bij het opleggen van een aanwijzing gelden de volgende hersteltermijnen: prioriteit hoog: maximaal 1 maand prioriteit gemiddeld: maximaal 3 maanden prioriteit laag: maximaal 6 maanden Artikel5 Indien niet (langer) wordt voldaan aan de definities van de Wet kinderopvang en kwaliteits- eisen peuterspeelzalen voor wat betreft de te registreren voorzieningen (dagopvang, buitenschoolse opvang, gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal) zal de registratie worden verwijderd uit het landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen. Hoofdstuk3Bestraffend traject Artikel 6 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op gesubsidieerde peuterspeelzalen. Artikel7Gebruik bevoegdheid opleggen bestuurlijke boete Het college kan, met in acht name van Titel 5:4 van de Algemene wet bestuursrecht, een bestuurlijke boete opleggen bij: overtredingen met de prioriteit “hoog, gemiddeld en laag” zoals opgenomen in het afwegingsoverzicht in de bijlage; overtreding van een norm zoals genoemd in het afwegingsoverzicht onder “overige overtredingen” Artikel8Hoogte bestuurlijke boete 1.Bij de berekening van de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1.72, eerste lid en artikel 2.28, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, wordt voor alle overtredingen het boetebedrag dat is neergelegd in het afwegingsoverzicht als uitgangspunt gehanteerd. 2.In afwijking van het vorige lid, geldt voor voorzieningen voor gastouderopvang als uitgangspunt dat het boetebedrag zoals neergelegd in het afwegingsoverzicht wordt gehalveerd. Artikel9Recidive Bij de vaststelling van de boete wordt uitgegaan van: 1,5 maal het onder artikel 8 bepaalde boetebedrag indien een door een bestuurlijke boete te handhaven overtreding plaatsvindt binnen een periode van twee jaar nadat een eerdere overtreding van dezelfde wettelijke norm heeft plaatsgevonden; 2 maal het onder artikel 8 bepaalde boetebedrag indien er sprake is van een derde of volgende overtreding van dezelfde wettelijke norm binnen een periode van twee jaar nadat de daaraan voorafgaande overtreding zich heeft voorgedaan. Artikel10Matiging 1.Het college kan de boete afstemmen, onder toepassing van artikel 5.46 van de Algemene wet bestuursrecht, indien de belanghebbende aannemelijk maakt dat op grond van de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan of de omstandigheden waarin de overtreder verkeert, boeteoplegging volgens deze Beleidsregels handhaving onevenredig is. 2.Van een situatie als bedoeld in het vorige lid kan in beginsel slechts sprake zijn, indien sprake is van bijzondere omstandigheden waarin bij de vaststelling van deze Beleidsregels niet is voorzien. Artikel11Samenloop De totale bij boetebeschikking op te leggen boete bestaat, ingeval er sprake is van meerdere overtredingen, uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen. Hoofdstuk4Slotbepalingen Artikel12Uitvoering Het college van burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de uitvoering van deze beleidsregel nadere regels vaststellen. Artikel13Onvoorziene gevallen In gevallen waarin deze beleidsregel niet voorziet beslist het college van burgemeester en wethouders. Artikel14Citeertitel Deze beleidsregel kan worden aangehaald als Beleidsregels Handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gemeente Hof van Twente 2013. Artikel15Inwerkingtreding en intrekking Deze beleidsregel treedt in werking op 1 december 2013, onder gelijktijdige intrekking van het Handhavingsbeleid kinderopvang en kwaliteitseisen, oktober 2009, vastgesteld bij collegebesluit van 14 juli 2009. Artikel16Overgangsbepaling Ten aanzien van beboetbare overtredingen en strafbare feiten die zijn begaan uiterlijk op de dag voor de dag waarop deze beleidsregel in werking is getreden, blijft het Handhavings- beleid kinderopvang Hof van Twente, oktober 2009 van toepassing zoals dat gold op die dag. Vastgesteld in de openbare vergadering van 12 november 2013 Burgemeester en wethouders van Hof van Twente, de secretaris, de burgemeester, mr. G.S. Stam drs. H.A.M. Nauta-van Moorsel MPM Bijlage: Afwegingsoverzicht Domein Prioriteit Bestuurlijkeboete Ouders Houder heeft een reglement oudercommissie vastgesteld Gemiddeld € 2.500,- Inhoud van reglement oudercommissie Laag € 500,- Houder heeft een oudercommissie ingesteld Laag € 500,- Voorwaarden oudercommissie Laag € 500,- Adviesrecht oudercommissie Gemiddeld € 750,- Informatie aan de ouders Laag € 500,- Het gastouderbureau is goed bereikbaar Hoog € 1250,- De houder plaatst het inspectierapport op de eigen website of legt het op een voor ouders, personeel en/of gastouders toegankelijke plaats Gemiddeld € 1000,- In de schriftelijke overeenkomst met de vraagouder is duidelijk te zien welk deel van het betaalde bedrag naar GOB gaat en welk deel naar de gastouder (GOB) Gemiddeld € 1000,- Personeel Verklaring omtrent gedrag (VOG) ●in bezit zijn van VOG ●VOG is voor aanvang werkzaamheden overlegd ●VOG is bij aanvang werkzaamheden niet ouder dan 2 maanden Hoog € 4.000,- per ontbrekende VOG of VOG die ouder is dan 2 maanden voor aanvang werkzaamheden Gebruik voorgeschreven voertaal Hoog € 4.000,- Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat er per aangesloten gastouder op jaarbasis tenminste 16 uur wordt besteed aan begeleiding en bemiddeling Gemiddeld € 3.000,- per gastouder met < 16 uur Passende beroepskwalificatie voor beroepskrachten en gastouders Hoog € 4.000,- per beroepskracht die niet voldoet Gastouder beschikt over geregistreerd certificaat eerste hulp aan kinderen bij ongevallen conform de ministeriele regeling Hoog € 2.000,- Vrijwilligersbeleid (peuterspeelzalen) Gemiddeld € 3.000,- Houder heeft vrijwilligers tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd (peuterspeelzalen) Gemiddeld € 3.000,- De houder van een kindercentrum of peuterspeelzaal waar VVE1 wordt aangeboden stelt jaarlijks een opleidingsplan op Gemiddeld € 3.000,- als geen beleid € 1.000,- als te oud beleid De gastouder is goed telefonisch bereikbaar Gemiddeld € 750,- Veiligheid engezondheid Risico-inventarisatie veiligheid ●hebben ●maximaal 1 jaar oud ●actuele situatie Hoog € 8.000,- indien risico-inventarisatie ontbreekt; € 4.000,- als > dan 1 jaar of niet actuele situatie Ongevallenregistratie Hoog € 8.000,- De houder van een gastouderbureau draagt zorg voor een inventarisatie van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s door een bemiddelingsmedewerker van het bureau (samen met gastouder) vóór aanvang van de opvang en daarna jaarlijks voor elke woning waar gastouderopvang plaatsvindt Hoog € 8.000,- 1 Voor- en vroegschoolse educatie Domein Prioriteit Bestuurlijkeboete Risico-inventarisatie gezondheid ●hebben ●maximaal 1 jaar oud ●actuele situatie Hoog € 8.000,- indien risico-inventarisatie ontbreekt; € 4.000,- als > dan 1 jaar of niet de actuele situatie Plan van aanpak bij risico-inventarisatie veiligheid en bij risico-inventarisatie gezondheid Hoog € 8.000,- Risico-inventarisaties veiligheid en gezondheid beschrijven alle veiligheids- en gezondheidsrisico’s op de vaste thema’s Hoog € 2.000,- per niet beschreven thema Personeel kan kennisnemen van risico-inventarisaties Hoog € 4.000,- Houder gastouderbureau draagt er zorg voor dat alle aangesloten gastouders handelen naar de opgestelde risico-inventarisaties Hoog € 1.000,- per gastouder die er niet naar handelt Risico-inventarisaties zijn inzichtelijk voor vraagouders van gastouderbureau Hoog € 4.000,- Meldcode kindermishandeling Hoog € 8.000,- Personeel, gastouders zijn op de hoogte van meldcode kindermishandeling Hoog € 2.000,- Houder gastouderbureau draagt er zorg voor dat alle bij zijn gastouderbureau aangesloten gastouders de meldcode naleven. Hoog € 2.000,- Medewerkers, gastouders zijn geïnformeerd over de werkwijze bij een vermoeden van gewelds-of zedendelict jegens een opgevangen kind door een collega of de houder Hoog € 2.000,- Vierogenprincipe is ingevoerd Hoog € 4.000,- Accommodatie eninrichting Binnenspeelruimte Elke stamgroep beschikt over een afzonderlijke vaste groepsruimte Gemiddeld € 2.000,- per ontbrekende ruimte Er is ten minste 3,5 m2 binnenspeelruimte beschikbaar per aanwezig kind, waaronder mede begrepen passend voor spelactiviteiten ingerichte ruimtes buiten de groepsruimte (dagopvang) Gemiddeld 3-3.5 m2 = € 2.000,- < 3 m2 = € 3.000,- Er is ten minste 3,5 m2 passend ingerichte binnenspeelruimte beschikbaar per aanwezig kind (BSO) Gemiddeld 3-3.5 m2 = € 2.000,- < 3 m2 = € 3.000,- De binnenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen. Gemiddeld € 2.000,- Er is een afzonderlijke slaapruimte voor in ieder geval kinderen tot anderhalf jaar (dagopvang, gastouderopvang) Gemiddeld € 2.500,- De woning waar gastouderopvang plaatsvindt beschikt over voldoende binnenspeelruimte en buitenspeel- mogelijkheden voor kinderen, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen Gemiddeld € 1.000,- De woning waar gastouderopvang plaatsvindt is te allen tijde rookvrij Gemiddeld € 1.000,- Buitenspeelruimte Er is ten minste 3 m2 buitenspeelruimte beschikbaar per aanwezig kind Gemiddeld 2-2.5 m2 = € 1.000,- < 2 m2 = € 2.000,- De buitenspeelruimte is toegankelijk Gemiddeld € 1.000,- Domein Prioriteit Bestuurlijkeboete De buitenspeelruimte is aangrenzend aan het kindercentrum (dagopvang) Gemiddeld € 1.000,- Aanvullende eisen indien de buitenspeelruimte niet aangrenzend is (BSO) Gemiddeld € 1.000,- De buitenspeelruimte is vast beschikbaar voor de buitenschoolse opvang (BSO) Gemiddeld € 1.000,- De buitenspeelruimte is passend ingericht in overeenstemming met de leeftijd van de op te vangen kinderen en het pedagogisch beleid Gemiddeld € 1.000,- Groepsgrootte en beroepskracht-kind-ratio(bkr) Opvang ingroepen De opvang vindt plaats in stamgroepen (dagopvang) of basisgroepen (BSO) of vaste groepen (peuterspeelzaal) Hoog € 4.000,- De maximale omvang van de stamgroep of basisgroep Hoog € 2.000,- per kind teveel De groep bestaat uit ten hoogste 16 feitelijk aanwezige kinderen (VVE en psz) Hoog € 2.000,- per kind teveel De maximale groepsgrootte per gastouder wordt afgestemd op de leeftijdscategorieën van de kinderen Hoog € 2.000,- per kind teveel Ieder kind behoort bij een basisgroep (BSO) Hoog € 4.000,- Gebruik maken van extra stamgroep of basisgroep Hoog € 2.000,- indien niet tijdelijk of indien niet vooraf schriftelijke toestemming is van ouders Vaste beroepskrachten en vasteruimtes Maximaal 3 vaste beroepskrachten per kind (dagopvang, peuterspeelzalen) Hoog € 1.000,- Maximaal 2 stamgroepruimtes per kind (dagopvang) Hoog € 1.000,- Beroepskracht-kind-ratio Beroepskracht-kind-ratio Hoog € 5.000,- per ontbrekende beroepskracht Als conform de beroepskracht-kind-ratio slechts één beroepskracht in het kindercentrum aanwezig is, dan is ondersteuning van deze beroepskracht door een andere volwassene in geval van calamiteiten geregeld Hoog € 2.000,- Inzet beroepskrachten in afwijking van de beroepskracht-kind-ratio bij openingstijden van Š 10 uur (dagopvang) Hoog € 2.000,- Inzet beroepskrachten in afwijking van de beroepskracht-kind-ratio (BSO) Hoog € 2.000,- Indien er meer dan 3 kinderen op het opvangadres aanwezig zijn, dan is ondersteuning van de gastouder door een andere volwassene in geval van calamiteiten geregeld. Hoog € 1.000,- De achterwacht is telefonisch bereikbaar tijdens de opvangtijden Gemiddeld € 1.000,- De achterwacht is in geval van calamiteiten binnen 15 minuten op het opvangadres aanwezig Gemiddeld € 1.000,- Pedagogischbeleid Pedagogisch beleidsplan Gemiddeld € 3.000,- Inhoud pedagogisch beleidsplan Gemiddeld € 750,- Houder draagt zorg voor uitvoering van pedagogisch beleidsplan door personeel, vrijwilligers (peuterspeelzaal) danwel gastouders Gemiddeld € 1.000,- Domein Prioriteit Bestuurlijkeboete Waarborgen emotionele veiligheid Gemiddeld € 1.000,- Zorgdragen voor ontwikkeling persoonlijke competentie Gemiddeld € 1.000,- Zorgdragen voor ontwikkeling sociale competentie Gemiddeld € 1.000,- Zorgdragen voor overdracht van normen en waarden Gemiddeld € 1.000,- Het pedagogisch beleidsplan van een gastouderbureau beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de leeftijdopbouw en aantallen kinderen die door een gastouder worden opgevangen Hoog € 4.000,- Het pedagogisch beleidsplan van een gastouderbureau beschrijft in duidelijke en observeerbare termen de eisen die gesteld worden aan de adressen waar opvang plaatsvindt Hoog € 4.000,- Gastouder kent de inhoud van het pedagogisch beleid Gemiddeld € 1.000,- Klachten Wet klachtrecht cliënten zorgsector (Wkcz) Laag € 1.500,- indien regeling ontbreekt; € 500,- indien regeling niet aan de eisen voldoet Klachtenregeling oudercommissie Laag € 1.500,- indien regeling ontbreekt; € 500,- indien regeling niet aan de eisen voldoet Administratiegastouderbureau Een contract per vraagouder Gemiddeld € 1.000,- per ontbrekende overeenkomst Kopieën van de VOG’s van de bij het gastouderbureau werkzame personen en van de aangesloten gastouders en volwassen huisgenoten Hoog € 1.500,- per ontbrekende VOG Kopieën van de getuigschriften en/of EVC- bewijsstukken en certificaten Eerste Hulp aan kinderen van de gastouders Gemiddeld € 1.500,- per ontbrekend stuk Inzichtelijke betalingen van vraagouders aan gast- ouderbureau en van gastouderbureau aan gastouders Gemiddeld € 1.500,- per vraagouder/gastouder waarbij niet inzichtelijk is Een door de gastouder en bemiddelingsmedewerkers ondertekende versie van de risico-inventarisaties veiligheid en gezondheid en de bijbehorende plannen van aanpak Gemiddeld € 1.500,- per ontbrekend stuk Kwaliteitscriteriagastouderbureau De houder draagt er zorg voor dat per gastouder beoordeeld wordt of de samenstelling van de groep kinderen die wordt opgevangen verantwoord is Hoog € 2.000,- per kind teveel Overige kwaliteitscriteria gastouderbureau Gemiddeld € 1.250,- Overigeovertredingen Schenden medewerkingsplicht artikel 5:20 Awb Hoog € 3.900 (boete tweede categorie) Exploitatie zonder toestemming college Hoog € 19.500,- (boete vierde categorie) Wijzigingen melden Hoog € 2.000,- Overtreding aanwijzing/bevel Hoog Zie de genoemde bedragen bij de betreffende overtreding Domein Prioriteit Bestuurlijkeboete Overtreden exploitatieverbod Hoog € 19.500,- (boete vierde categorie) Niet nakomen afspraak als bedoeld in artikel 167 Wet op primair onderwijs Hoog € 5.000,- Toelichting Algemene toelichting Hoofdstuk 1Een van de doelstellingen bij de invoering van de Wko was een kwaliteitsimpuls te geven aan peuterspeelzalen door de wet- en regelgeving over de kwaliteit van peuterspeelzalen te harmoniseren met die voor de kinderopvang. Sindsdien is er een landelijk kwaliteitskader voor zowel de kinderopvang als het peuterspeelzaalwerk met kwaliteitseisen, waaraan ten minste moet worden voldaan. De wetgever wil voor jonge kinderen in kindercentra en peuterspeelzalen een veilige, stimulerende omgeving creëren. Dat is al met al een groot goed en dat wil de wetgever graag gerealiseerd zien. Om dit te bewerkstellingen zal wetgeving gehandhaafd moeten worden. Niet alleen om bovenstaande doelen te realiseren maar ook voor het maatschappelijk draagvlak. Er is immers belastinggeld mee gemoeid. Als wet- en regelgeving voor kinderopvang niet wordt nageleefd, komt handhaving in beeld. Het bestuursorgaan heeft een beginselplicht tot handhaven als natuurlijke personen of rechtspersonen een overtreding begaan. In de Algemene wet bestuursrecht of een andere wet is niet bepaald wanneer een bestuursorgaan tot handhaving dient over te gaan. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2004 een uitspraak hierover gedaan; “Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts in bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan dit weigeren te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhaving zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.” Uit de uitspraak kan worden afgeleid dat het bestuursorgaan in beginsel handhaving moet toe passen tenzij er uitzicht is op legalisatie of als er sprake is van onevenredigheid. Enkele in het oog springende wijzigen in de Wko zijn de continue screening op de VOG en het vierogen principe. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de aanbevelingen uit het rapport Gunning opgemaakt naar aanleiding van de Amsterdamse zedenzaak. Hoofdstuk 2 Herstellend trajectIn een herstellend traject zijn verschillende stappen te onderscheiden. ●Stap 1: aanwijzing (artikel 1.65, eerste lid en 2.23, eerste lid van de Wko) Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin zich een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau of een peuterspeelzaal bevindt dat de bij of krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3, of hoofdstuk 2, afdeling 2, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften (de ‘kwaliteitseisen”) niet of in onvoldoende mate naleeft, geeft de houder een schriftelijke aanwijzing. In een aanwijzing wordt met redenen omkleed aangegeven op welke punten de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder binnen de gestelde termijn genomen dienen te worden. De duur van de hersteltermijn is afhankelijk van de prioriteit die is toegekend aan de kwaliteitseis zoals afgeleid kan worden uit het afwegingsoverzicht dat als bijlage is opgenomen. In geval van een overtreding met de prioriteit hoog, zal de hersteltermijn maximaal één maand bedragen. Is er sprake van een overtreding met een gemiddelde of lage prioriteit dan bedraagt de hersteltermijn maximaal respectievelijk 3 of 6 maanden. Na het verstrijken van de hersteltermijn dient de overtreding beëindigd te zijn. Ter controle hiervan kan de handhaver schriftelijke bewijsstukken opvragen dan wel opdracht geven voor een herinspectie. Is de overtreding niet beëindigd, dan zal een volgende stap worden ingezet. ●Stap2:lastonderdwangsomoflastonderbestuursdwang(artikel 125, tweede lid Gemeentewet en artikel 5:32 Awb) De algemene bestuursdwangbevoegdheid is neergelegd in artikel 125 van de Gemeentewet. In gevallen waarin het bestuursorgaan de mogelijkheid heeft om zelf de overtreding te beëindigen (op kosten van de overtreder) kan een last onder bestuursdwang opgelegd worden. De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom is een van de bestuursdwangbevoegdheid afgeleide bevoegdheid; neergelegd in artikel 5:32 Awb. Een last onder dwangsom wordt opgelegd met als doel herstel van de overtreding en/of voorkoming van herhaling van de overtreding. De stap last onder dwangsom kan meerdere keren worden genomen voor een geconstateerde overtreding. Indien een eerste last onder dwangsom geen resultaat heeft gehad, kan worden overwogen een nieuwe, hogere last onder dwangsom op te leggen. Dit vereist dan wel een nieuw besluit. Ook kan besloten worden een volgende stap in het herstellend traject te zetten. De last onder dwangsom kan ook preventief worden opgelegd. Van een preventieve last is sprake als de last wordt opgelegd voordat enige overtreding heeft plaatsgevonden. Hiervoor geldt dat het gevaar van de overtreding klaarblijkelijk dreigt, dat wil zeggen dat de overtreding zich met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal voordoen. ●Stap 3: exploitatieverbod (artikel 1.66 en 2.24 Wko) Het college kan de houder verbieden een kindercentrum, een voorziening voor gastouderopvang, een gastouderbureau of peuterspeelzaal in exploitatie te nemen dan wel de exploitatie voort te zetten. Dit kan het college in de volgende gevallen: zolang de houder een bevel of aanwijzing niet opvolgt en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is; als een kindercentrum, gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal niet of niet langer aan de kwaliteitseisen voldoet. ●Stap4:verwijderinguithetlandelijkregisterkinderopvangenpeuterspeelzalen (artikel 1.47a, tweede lid en 2.4a, tweede lid van de Wko en artikel 8, eerste lid en artikel 14, eerste lid van het Besluit registers kinderopvang en peuterspeelzaalwerk) Er zijn verschillende gronden waarop het college, in het kader van handhaving, een voorziening uit het register kinderopvang of het register peuterspeelzaalwerk kan verwijderen: indien is gebleken dat de houder niet langer de kinderopvangvoorziening of peuterspeelzaal exploiteert; indien uit een GGD-inspectie of anderszins is gebleken dat de houder naar verwachting niet dan wel niet langer voldoet aan de bij en krachtens hoofdstuk 1 afdeling 3, paragrafen 2 en 3 dan wel hoofdstuk 2 afdeling 2 , paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften; indien drie maanden na de registratie de exploitatie van de organisatie voor kinderopvang of peuterspeelzaal niet daadwerkelijk is aangevangen. Vanaf het moment dat een voorziening is verwijderd uit het register, is er geen sprake meer van kinderopvang of een peuterspeelzaal in de zin van de wet. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale kinderopvang of peuterspeelzaal en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten. Hoofdstuk 3 Bestraffend trajectEen bestraffende sanctie bestraft een overtreding die ‘in het verleden’ begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. De vorm van een bestraffende sanctie onder de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is de bestuurlijke boete (artikel 1.72, eerste lid en 2.28, eerste lid, van de Wko). In de Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Hof van Twente is neergelegd op welke wijze het college invulling geeft aan zijn beleidsvrijheid. Het beleid houdt in dat het college kan besluiten in geval van een overtreding gebruikt maakt van zijn bevoegdheid en een boete ter hoogte van het in het afwegingsoverzicht genoemde bedrag (met inachtneming van de bepalingen over de boete in deze Beleidsregels) oplegt. Uitzondering hierop is de voorziening voor gastouderopvang. Hiervoor geldt dat de hoogte van de boete zoals opgenomen in het afwegingsoverzicht wordt gehalveerd. De achterlig- gende gedachte hierbij is het bijzondere karakter van deze voorziening. Als er sprake is van een overtreding zoals genoemd in het afwegingsoverzicht onder “overige overtredingen” dan legt het college eveneens een boete op. De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen bepaalt dat een bestuurlijke boete alleen opgelegd kan worden aan niet-gesubsidieerde peuterspeelzalen. Bij gesubsidieerde peuterspeelzalen wordt via de subsidie ingegrepen. Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1Dit artikel behoeft geen toelichting Artikel 2In dit artikel worden de vormen van handhaving benoemd. Een herstelsanctie is gericht op herstel van een overtreding en/of voorkoming van herhaling. Een bestraffende sanctie (punitief) is gericht op bestraffen van een begane overtreding. In de Algemene wet bestuursrecht wordt ook wel gesproken over leedtoevoeging. Artikel 3De kwaliteitseisen waaraan bij of krachtens de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen voldaan moet worden staan in de wet- en regelgeving. Een volledige opsomming is ook terug te vinden in de door de toezichthouder gebruikte modelrapporten. Artikel 4Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de algemene toelichting op hoofdstuk 2 hierboven. Artikel 5Indien een geregistreerde voorziening, te weten dagopvang, buitenschoolse opvang, gastouderbureau, voorziening voor gastouderopvang of peuterspeelzaal, niet meer voldoet aan de definitie hiervan in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, zal deze uit het register worden verwijderd. Dit omdat uitsluitend voorzieningen die aan de definitie voldoen dienen te worden geregistreerd. Er zal in dit geval geen herstellend handhavingstraject worden ingezet, als herstel niet aan de orde zal zijn. Artikel 6Aangezien de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen niet toestaat dat er boetes worden opgelegd aan gesubsidieerde peuterspeelzalen wordt hier expliciet nog eens bepaald dat dit hoofdstuk dan ook niet van toepassing is op gesubsidieerde peuterspeelzalen. Deze uitsluiting betreft uitsluitend het bestraffende traject. Artikel 7 Gebruik bevoegdheid opleggen bestuurlijke boeteHet opleggen van een bestuurlijke boete is een bevoegdheid van het college. Dit betekent dat het college een bestuurlijke boete op kan leggen, maar daartoe niet verplicht is. Indien het college overgaat tot het opleggen van een boete, is hetgeen in deze beleidsregels is bepaald onverkort van toepassing. Een boete kan worden opgelegd in geval van een overtredingen bij of krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3 en hoofdstuk 2, afdeling 2 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen gestelde eisen, bij overige overtredingen en overtredingen genoemd in artikel 1.72, eerste lid en 2.28, eerste lid Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Ad 1. De overtredingen van de kwaliteitseisen zijn geprioriteerd. In deze gevallen maakt het college gebruik van zijn bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen. Ad 2. Deze overige overtredingen betreffen het niet melden van wijzigingen als bedoeld in de artikelen 1.47 en 2.4 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, de verplichtingen op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, het exploiteren in strijd met artikel 1.45 of 2.2 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; het niet naleven van een aanwijzing of bevel als bedoeld in de artikel 1.65 en 2.23 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en het niet nakomen, dan wel in strijd handelen met een verbod krachtens artikel 1.66 en 2.24 van laatstgenoemde wet. Als er sprake is van dergelijke “overige overtredingen” maakt het college eveneens gebruik van zijn bevoegdheid. De cautie bij het opleggen van een boeteDe cautie is gebaseerd op het recht van verdachten om te zwijgen en om zichzelf niet te incrimineren. Het doel ervan is om te voorkomen dat een verdachte ongewild meewerkt aan zijn eigen veroordeling. De algemene wet bestuursrecht verwoord het in artikel 5:10a als volgt: Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Vóór het verhoor wordt aan de betrokkene meegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Het geven van de cautie komt voor in het strafrecht en heeft als doel dat men zichzelf niet hoeft te incrimineren en dat het geven van de cautie behoort tot de elementaire kenmerken van een eerlijke procedure. Als een controlerende ambtenaar, bijvoorbeeld een inspecteur van de belastingdienst of een medewerker van de sociale dienst, vragen stelt, is de burger over het algemeen verplicht om te antwoorden. Als deze ambtenaar hierdoor die burger gaat verdenken, moet hij een cautie geven. Er is dan sprake van een sfeerovergang (van de controlesfeer naar de opsporingssfeer). Artikel 8 Hoogte bestuurlijke boete Eerste lidIn de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is het maximaal op te leggen boetebedrag aangegeven. Het college heeft derhalve beleidsvrijheid ten aanzien van de hoogte van het op te leggen boetebedrag. Voor overtreding van de kwaliteitseisen geldt dat het college de hoogte van de boete- bedragen heeft afgestemd op de prioritering van de overtreding. Een hoge prioritering betekent dat er ook in algemene zin sprake is van een ernstige overtreding, terwijl aan minder ernstige overtredingen een lag(ere) prioritering (gemiddeld of laag) is toegekend. Mede gelet op het in artikel 1.72 en 2.28 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen neergelegde boetemaximum heeft dit geleid tot de volgende verdeling. Prioritering Boetebedrag Hoog € 1.000,- tot € 8.000,- Gemiddeld € 750,- tot € 3.000,- Laag Maximaal € 1500,- Uitzonderingen hierop zijn: In geval van overtreding van de artikelen 1.66, 2.24 en 1.45 en 2.2 is sprake van economische delicten, gesanctioneerd in de Wet op de Economische Delicten. In artikel 1 en 6 van deze wet is bepaald dat deze overtredingen beboet worden met een boete van de vierde categorie. De boetebedragen in onderhavig beleid komen hiermee overeen. Overtreding van artikel 5:20 Algemene wet bestuursrecht is een strafbaar feit; strafbaargesteld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht: “Hij die opzettelijk niet voldoetaan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door eenambtenaarmetdeuitoefeningvanenigtoezichtbelastofdooreenambtenaarbelastmetofbevoegdverklaardtothetopsporenofonderzoekenvanstrafbarefeiten,alsmedehijdieopzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering vanenigwettelijkvoorschrift,belet,belemmertofverijdelt,wordtgestraftmetgevangenisstrafvanten hoogste drie maanden of geldboete van de tweedecategorie.” Het boetebedrag voor deze overtreding, komt overeen met het in het Wetboek van Strafrecht genoemde bedrag voor overtredingen van de tweede categorie. Tweede lidGezien het bijzondere karakter van de voorziening voor gastouderopvang is ervoor gekozen de hoogte van de op te leggen boete met de helft te verlagen. Dit geldt niet wanneer het een kwaliteitseis is die specifiek alleen aan de gastouder wordt gesteld. In dat geval is de boete al op deze situatie afgestemd. Artikel 9 RecidiveBij recidive treedt strafverzwaring op. Dit artikel bepaalt de hoogte van de strafverzwaring. In het geval de overtreder de afgelopen twee jaar al eerder is beboet voor eenzelfde overtreding verhoogt het college de boete met 50%. Daarbij is irrelevant of de in het verleden gepleegde overtreding(
- en)al dan niet betrekking hadden op hetzelfde kindercentrum, gastouderbureau, peuterspeelzaal of gastouderopvang waarvoor de nieuwe boete wordt opgelegd. Bepalend is of de overtreder als houder al eerder een boete is opgelegd. Iedere volgende overtreding binnen de periode van twee jaar wordt bestraft met een boete van 2 maal het in het afwegingsoverzicht opgenomen boetebedrag. Artikel 10 afstemming van de boeteHet onder artikel 8 en 9 verwoorde laat onverlet dat het college op grond van artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht gehouden is de hoogte van de bestuurlijke boete af te stemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, waarbij het college zo nodig rekening houdt met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het college heeft door middel van de prioritering en de aansluiting op de betreffende strafrechtelijke overtredingen de ernst van de overtredingen geobjectiveerd. Artikel 11 SamenloopDit artikel spreekt voor zich. Artikel 12 UitvoeringDit artikel spreekt voor zich Artikel 13 Onvoorziene gevallenVoor dergelijke en andere situaties waarin de beleidsregels niet voorziet, is in artikel 13 bepaald dat het college beslist. Hierbij dient in redelijkheid gehandeld te worden. Uitgangspunt bij de besluitvorming dient te zijn dat in de geest van de wet en de beleidsregels wordt gehandeld. Artikel 14 CiteertitelDit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 15 Inwerkingtreding en intrekkingDit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 16 OvergangsbepalingDit artikel regelt welk handhavingregime van toepassing is als wordt besloten een boete of een hersteltermijn op te leggen. Bij het bepalen welk handhavingregime moet worden toegepast, is het moment van geconstateerd verzuim leidend. Bij veranderende regelgeving mag namelijk een houder niet in een ongunstigere positie worden gebracht. Als blijkt dat op het moment van de overtreding een ander, en gunstiger regime van toepassing was dan zal handhaving moeten plaatsvinden onder toepassing van dat gunstigere beleid. De reden hiervan is dat een houder er op moet vertrouwen dat de overheid het juiste besluit neemt onder toepassing van de juiste, geldende regels. Hij moet precies weten waar hij aan toe is. Dit wordt het rechtszekerheidbeginsel genoemd. Voor het bepalen van de herstellende en/of bestraffende sanctie houdt dit het volgende in. Als een overtreding is geconstateerd voordat deze beleidsregel in werking is getreden en het besluit tot handhaving wordt genomen nadat deze beleidsregel in werking is getreden, wordt de sanctie bepaald door het Handhavingsbeleid dat van toepassing was op het moment van de geconstateerde overtreding, tenzij het nieuwe Handhavingsbeleid voor de houder gunstiger is. Voor het bepalen van de hersteltermijn en de hoogte van de boete houdt dit in dat gekeken moet worden welke vigerende wetgeving toegepast moet worden.