← Nederland

(Brand)preventiebeleid Bestaande Bouw : (Brandpreventieve) eisen voor bestaande gebouwen in de Gemeente Zeist (Zeist)

(Brand)preventiebeleid Bestaande Bouw : (Brandpreventieve) eisen voor bestaande gebouwen in de Gemeente ZeistVOORWOORD Gemeenten hebben de zorg voor brandveiligheid. Bepaalde gebouwen hebben een verho

Artikel 1.2 Een besloten ruimte van een gebouw ligt in een brandcompartiment.

Dit geldt niet voor een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte en een opstelplaats voor een verbrandingstoestel niet gelegen in een stookruimte als bedoeld in 4.4.1 (begripsbepalingen algemeen), en een liftschacht die wat betreft de klasse van de brandvoortplanting en de mate van rookproductie voldoet aan de eisen van een brand- en rookvrije vluchtroute. Onverminderd het eerste lid, liggen een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m², een ruimte voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen en een stookruimte als bedoeld in 4.4.1 (begripsbepalingen algemeen), in een brandcompartiment. In afwijking van het eerste lid, ligt een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, niet in een brandcompartiment. Een niet besloten verblijfsruimte ligt in een brandcompartiment. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 2.000 m² en een volgens NEN 6090 bepaalde vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m². Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m², die uitsluitend is bestemd voor de opslag van goederen of materialen, niet zijnde bij ministeriële regeling aangegevenbrandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen. Het eerste en vierde lid zijn niet van toepassing op een lichte industriefunctie met een volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van ten hoogste 200 MJ/m². Omvang Artikel 1.3 Een brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een perceel. In een brandcompartiment van een woongebouw liggen uitsluitend woonfuncties. Een brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan de in tabel 1.1 aangegeven grenswaarde. Een stookruimte als bedoeld in 4.4.1 (begripsbepalingen algemeen), is een brandcompartiment. Een technische ruimte met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m² is een brandcompartiment. Een ruimte, die bestemd is voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen, is een brandcompartiment. Een brandcompartiment waarin een groep van niet-gemeenschappelijke ruimten ligt, heeft een gebruiksoppervlakte die kleiner is dan 77 % van de totale gebruiksoppervlakte aan brandcompartiment in het gebouw waarin de celfunctie ligt. Dit geldt niet indien de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen een sub-brandcompartiment als bedoeld in artikel 1.7 waarin de niet-gemeenschappelijke ruimten liggen, en een aangrenzende celfunctie of een besloten gemeenschappelijke ruimte ten minste 60 minuten is. Daarbij kan tussen een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied en de gemeenschappelijke verkeersruimte die toegang geeft tot dat gebied, worden volstaan met ten minste 30 minuten indien: die gemeenschappelijke verkeersruimte twee toegangen heeft die een toegang zijn van het brandcompartiment of aansluiten op een route die uitsluitend door gemeenschappelijke verkeersruimten voert naar een toegang van het brandcompartiment, en de afstand tussen die toegangen ten minste 5 m is. Indien zich tussen een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van de celfunctie en de gemeenschappelijke verkeersruimte een deur bevindt, blijft bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag buiten beschouwing een oppervlak gelegen onder die deur, dat niet groter is dan 0,02 m² en waarvan de hoogte, gemeten vanaf de vloer, niet groter is dan 0,05 m. In afwijking van het derde lid, heeft een brandcompartiment waarin een sub- brandcompartiment als bedoeld in artikel 1.7 ligt, een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 1.000 m². Een brandcompartiment waarin een gedeelte van een gezondheidszorgfunctie bestemd voor aan bed gebonden patiënten ligt, heeft per bouwlaag een gebruiksoppervlakte die kleiner is dan 77 % van de totale gebruiksoppervlakte aan brandcompartiment op die bouwlaag. Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag Artikel 1.4 De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis, is niet lager dan 30 minuten. In afwijking van het eerste lid, is de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een anderbrandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis, niet lager dan 60 minuten indien het andere brandcompartiment, de besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en het niet besloten veiligheidstrappenhuis, onderdeel is van een woonfunctie. Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een ander perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen. Zelfsluitende deur Artikel 1.5 In een inwendige scheidingsconstructie van een brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructieonderdeel dan een zelfsluitende deur. 1.2 Verdere beperking van uitbreiding van brand Artikel 1.6 Een bestaand bouwwerk waarin wordt geslapen is zodanig dat uitbreiding van brand in verdergaande mate wordt beperkt dan bepaald in artikel 1.1 t/m 1.5. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 1.6 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 1.7 Een niet-gemeenschappelijke ruimte ligt in een sub-brandcompartiment.

Dit geldt niet voor een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, en een opstelplaats voor een verbrandingstoestel niet gelegen in een stookruimte als bedoeld in 4.4.1 (begripsbepalingen algemeen). Een gemeenschappelijk verblijfsgebied ligt in een sub-brandcompartiment. Een verblijfsruimte ligt in een sub-brandcompartiment. Een verblijfsruimte waarin wordt geslapen ligt in een sub-brandcompartiment. Een sub-brandcompartiment ligt in een brandcompartiment. Omvang Artikel 1.8 Een sub-brandcompartiment strekt zich uit over niet meer dan een brandcompartiment. Een sub-brandcompartiment als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, omvat in afwijking van artikel 1.3, tweede lid, uitsluitend niet gemeenschappelijke ruimten van niet meer dan één gebruiksfunctie en nevenfuncties van die gebruiksfunctie. Een sub-brandcompartiment heeft een gebruiksoppervlakte die niet groter is dan 500 m². Een sub-brandcompartiment waarin een verblijfsruimte ligt, omvat uitsluitend: een of meer met elkaar in verbinding staande ruimten met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 40 m², of die verblijfsruimte, indien de vloeroppervlakte van die verblijfsruimte groter is dan 40 m². Een gemeenschappelijk verblijfsgebied is een sub-brandcompartiment. Een sub-brandcompartiment met een verblijfsruimte waarin wordt geslapen is bestemd voor niet meer aan 40 personen en heeft een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 200 m². Een sub-brandcompartiment omvat uitsluitend een of meer verblijfsruimten voor aan bed gebonden patiënten en ruimten die ten dienste staan van die verblijfsruimten met een totale gebruiksoppervlakte van: niet meer dan 50 m², indien die verblijfsruimten niet permanent worden bewaakt, of niet meer dan 500 m², indien die verblijfsruimten permanent worden bewaakt. Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag Artikel 1.9 De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een sub-brandcompartiment naar een besloten ruimte in het brandcompartiment is niet lager dan de in tabel 1.6 aangegeven grenswaarde. In afwijking van het eerste lid, is de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een sub-brandcompartiment naar een ruimte als bedoeld in het eerste lid, die in dezelfde woonfunctie ligt, niet lager dan 30 minuten. In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met 30 minuten, indien: de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het sub- brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m², en in het gebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau. In afwijking van het eerste lid, kan tussen een sub-brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute loopt zijn volstaan met 30 minuten. Indien zich tussen een sub-brandcompartiment en een aangrenzende ruimte dietoegang geeft tot dat sub-brandcompartiment, een deur bevindt, blijft bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag buiten beschouwing een oppervlak gelegen onder die deur, dat niet groter is dan 0,02 m² en waarvan de hoogte, gemeten vanaf de vloer, niet groter is dan 0,05 m. Zelfsluitende deur Artikel 1.10 In een inwendige scheidingsconstructie van een sub-brandcompartiment waarvoor een eis voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag geldt, bevindt zich geen ander beweegbaar constructieonderdeel dan een zelfsluitende deur. Bijlage 2 Beperking van verspreiding van rook Artikel 2.1 Een bestaand bouwwerk is zodanig dat bij brand rook zich niet binnen korte tijd kan verspreiden naar een ander deel van het bouwwerk zodat op veilige wijze het aansluitende terrein kan worden bereikt. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Artikel 2.2 Een brandcompartiment is ingedeeld in een of meer rookcompartimenten.

Tussen een toegang van een verblijfsgebied en een toegang van een besloten vluchttrappenhuis van een gebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 50 m boven het meetniveau, ligt een verkeersruimte met een lengte van ten minste 2 m. Indien de verkeersruimte een besloten ruimte is, is deze een rookcompartiment. Omvang Artikel 2.3 Een sub-brandcompartiment is een rookcompartiment. De loopafstand tussen een punt in een verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt, is niet groter dan de in tabel 2.1 aangegeven grenswaarde. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie- onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, dat in het verblijfsgebied ligt, buiten beschouwing gelaten en wordt de loopafstand die in het verblijfsgebied ligt, met 1,5 vermenigvuldigd. De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en een toegang van het rookcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt, is niet groter dan de in tabel 2.1 aangegeven grenswaarde. Het hoogteverschil tussen de vloer van een verblijfsgebied en een vloer ter plaatse van een toegang waarop het verblijfsgebied is aangewezen, van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt, is niet groter dan 4 m. In afwijking van het tweede lid, is de loopafstand tussen een punt in een niet- gemeenschappelijk verblijfsgebied en een toegang van het rookcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt, niet groter dan 22,5 m. Een hoogteverschil tussen vloeren van verblijfsgebieden die in hetzelfde rookcompartiment liggen, is niet groter dan 12 m. Het vierde lid geldt niet, indien de bouwlagen met elkaar in open verbinding staan, tenzij de op vloerniveau gemeten open verbinding kleiner of gelijk is aan 25 % van de kleinste vloeroppervlakte van de bouwlagen die binnen de omhullende scheidingsconstructies van het rookcompartiment liggen. Weerstand rookdoorgang Artikel 2.4 De volgens NEN 6075 bepaalde weerstand tegen rookdoorgang van een rookcompartiment naar een besloten ruimte in het brandcompartiment is niet lager dan 30 minuten. Zelfsluitende constructieonderdelen Artikel 2.5 In een inwendige scheidingsconstructie van een rookcompartiment waarvoor een weerstand tegen rookdoorgang geldt, bevindt zich geen beweegbaar constructieonderdeel anders dan een zelfsluitend constructieonderdeel. Bijlage 3 Vluchten 3.1 Vluchten binnen een rookcompartiment en een sub-brandcompartiment Artikel 3.1 Een bestaand bouwwerk is zodanig dat een rookcompartiment en een sub- brandcompartiment voldoende snel en veilig kunnen worden verlaten. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.1.1 en tabel 3.1.2 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Verblijfsgebied en verblijfsruimte Artikel 3.2 De loopafstand tussen een punt in een gemeenschappelijk verblijfsgebied en ten minste een toegang van het sub-brandcompartiment waarin het verblijfsgebied ligt, is ten hoogste 20 m. Bij het bepalen van de loopafstand wordt een constructie-onderdeel, niet zijnde een bouwconstructie, dat in het verblijfsgebied ligt, buiten beschouwing gelaten. De loopafstand tussen een punt in een gemeenschappelijke verblijfsruimte en ten minste een toegang van het sub-brandcompartiment waarin de verblijfsruimte ligt, is ten hoogste 30 m. Een verblijfsgebied of een verblijfsruimte heeft ten minste twee toegangen, indien: in die ruimte geen opstelplaats voor een kooktoestel ligt en de vloeroppervlakte van dat gebied groter is dan 75 m², of in die ruimte een opstelplaats voor een kooktoestel ligt en de vloeroppervlakte van dat gebied groter is dan 25 m². Ten minste een toegang als bedoeld in het tweede lid, van een gemeenschappelijke verblijfsruimte is een toegang van het sub-brandcompartiment waarin die ruimte ligt, of bij ten minste een toegang begint een route die uitsluitend door gemeenschappelijke verkeersruimten naar een toegang van dat sub-brandcompartiment voert. De toegang van die verblijfsruimte mag de toegang van een andere verblijfsruimte zijn, op voorwaarde dat die ruimte ten minste twee toegangen heeft waarbij een route begint die uitsluitend door verkeersruimten naar een toegang van het sub-brandcompartiment voert. Het eerste, het tweede en het derde lid gelden niet voor een gemeenschappelijk verblijfsgebied dat in een sub-brandcompartiment ligt met een gebruiksoppervlakte van minder dan 500 m². De loopafstand tussen de toegang van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte en ten minste een toegang van het brandcompartiment of het sub-brandcompartiment waarin die ruimte ligt, is ten hoogste 15 m. Een toegang als bedoeld in het zesde lid, van een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte, is een toegang van een brandcompartiment of een sub- brandcompartiment, of ter plaatse van die toegang begint een route naar de toegang van een brandcompartiment of een sub-brandcompartiment. Een besloten ruimte op die route heeft een niet-ioniserende rookmelder die is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit en die voldoet aan de primaire inrichtingseisen en de primaire producteisen volgens NEN

  1. De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een verblijfsgebied of van een verblijfsruimte, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of die verblijfsruimte in m², vermenigvuldigd met de in tabel 3.1.1 aangegeven waarde, met een minimum van 0,85 m voor elke toegang. De deur van een toegang van een verblijfsgebied of een verblijfsruimte draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen vloeroppervlakte van dat verblijfsgebied of van die verblijfsruimte groter is dan de in tabel 3.1.1 aangegeven waarde. Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn. De loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en ten minste een toegang van die ruimte is niet groter dan de in tabel 3.1.1 aangegeven waarde. De loopafstand tussen een punt in een ruimte die bestemd is voor de opslag van of waar gewerkt wordt met bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende, bij brand gevaar opleverende of voor de gezondheid schadelijke stoffen, en ten minste een toegang van die ruimte, is ten hoogste 20 m. Een toegang als bedoeld in het tiende lid: is een toegang van het rookcompartiment waarin die ruimte ligt, is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert, of is een toegang van een andere verblijfsruimte, indien die verblijfsruimte ten minste twee toegangen heeft als bedoeld in onderdeel a of onderdeel b van dit lid. Het twaalfde lid geldt niet voor een verblijfsruimte die in een sub-brandcompartiment ligt. Indien volgens het eerste tot en met vierde lid, het tiende of het twaalfde lid twee toegangen zijn vereist, is de afstand tussen een punt van de ene toegang en een punt van de andere toegang ten minste 5 m. Ten minste een toegang van een verblijfsruimte voor aan bed gebonden patiënten en ten minste een verkeersroute die vanuit een aangrenzend brandcompartiment naar die toegang voert, hebben een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 1,2 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Deze verkeersroute voert niet over een trap of door een lift. De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte die in een rookcompartiment ligt en de toegang van dat rookcompartiment is ten hoogste 15 m, indien dat rookcompartiment niet meer dan een toegang heeft. Sub-brandcompartiment Artikel 3.3 Ten minste een toegang van een sub-brandcompartiment als bedoeld in artikel 1.7: is een toegang van het rookcompartiment waarin dat sub-brandcompartiment ligt, of is een toegang waarbij een route begint die niet door een verblijfsruimte, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte naar een toegang van het rookcompartiment voert. Het eerste lid geldt uitsluitend voor een sub-brandcompartiment waarin een gemeenschappelijk verblijfsgebied of een gemeenschappelijke verblijfsruimte ligt. Rookcompartiment Artikel 3.4 De afstand tussen een stookplaats en de verticale projectie van een trap is ten minste 1,5 m. Een rookcompartiment heeft een of meer toegangen, met een minimum van twee indien de gebruiksoppervlakte van het rookcompartiment groter is dan de in tabel 3.1.2 gegeven grenswaarde. De getalwaarde van de breedte van de totale vrije doorgang in mm van de toegangen van een rookcompartiment, is ten minste de getalwaarde van de op die toegangen aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment in m², vermenigvuldigd met de in tabel 3.1.2 aangegeven waarde, met een minimum van 0,85 m voor elke toegang. Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de op die toegang aangewezen gebruiksoppervlakte van dat rookcompartiment groter is dan de in tabel 3.1.2 aangegeven grenswaarde. Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn. Een deur van een toegang van een rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de deur van een toegang van een in dat compartiment gelegen verblijfsgebied of verblijfsruimte niet indraait tegen de vluchtrichting als bedoeld in artikel 3.2, negende lid. Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn. Een besloten ruimte waardoor een verkeersroute voert heeft tussen twee toegangen een loopafstand die niet groter is dan de in tabel 3.1.2 aangegeven grenswaarde. Indien volgens het tweede lid twee toegangen zijn vereist, is de afstand tussen een punt van de ene toegang en een punt van de andere toegang ten minste 5 m. 3.2Vluchtroutes Artikel 3.5 Een bestaand bouwwerk heeft voldoende vluchtroutes waarlangs bij brand een veilige plaats kan worden bereikt. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.5 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Veilige plaats Artikel 3.6 Een rookvrije vluchtroute leidt naar het aansluitende terrein en vandaar naar de openbare weg zonder dat deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. Een rookvrije vluchtroute van een nevenfunctie van een celfunctie, leidt, in afwijking van het eerste lid, naar een ander brandcompartiment. Een rookvrije vluchtroute leidt naar een ander brandcompartiment. Algemeen Artikel 3.7 Een bouwwerk geen gebouw zijnde heeft, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, voldoende vluchtroutes. Uit rookcompartiment Artikel 3.8 Ter plaatse van een toegang van een rookcompartiment beginnen ten minste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met één vluchtroute, indien het rookcompartiment meer dan een toegang heeft en ten minste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende vluchtroutes nergens samenvallen. Delen van de twee vluchtroutes als bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen voorzover deze in een veiligheidstrappenhuis liggen, samenvallen. Het eerste lid geldt niet voor een rookcompartiment met een totale gebruiksoppervlakte van niet meer dan 250 m2 waarin geen verblijfsruimte ligt voor het verblijven van mensen. In afwijking van het eerste lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, als de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 3.
  2. In afwijking van het eerste lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes samenvallen, indien deze gedeelten een brand- en rookvrije vluchtroute zijn en de totale gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment die is aangewezen op deze gedeelten, niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 3.
  3. Onverminderd het zesde lid, kunnen de eerste gedeelten van de twee vluchtroutes uitsluitend samenvallen over een lengte die niet groter is dan de grenswaarde die is aangegeven in tabel 3.
  4. Bij het bepalen van de lengte worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten. De eerste gedeelten van de twee vluchtroutes als bedoeld in het zesde lid, kunnen uitsluitend samenvallen over een lengte van niet meer dan 20 m. Over samenvallende vluchtroutes als bedoeld in het zesde lid mag geen hoogteverschil worden overbrugd van meer dan 12,5 m. Bij het bepalen van het hoogteverschil worden gedeelten die in een veiligheidstrappenhuis liggen buiten beschouwing gelaten. Ter plaatse van ten minste een toegang van een rookcompartiment begint een rookvrije vluchtroute die naar een toegang van een ander brandcompartiment voert. Het gedeelte van deze vluchtroute, dat tussen de toegang van het rookcompartiment en de toegang van het andere brandcompartiment ligt, voert niet over een trap. Een vluchtroute kan een gemeenschappelijke vluchtroute zijn. Uit sub-brandcompartiment Artikel 3.9 Ter plaatse van een toegang van een sub-brandcompartiment beginnen ten minste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen. In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met één rookvrije vluchtroute, indien het sub-brandcompartiment meer dan een toegang heeft en ten minste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende rookvrije vluchtroutes nergens samenvallen. In afwijking van het eerste lid, kunnen de twee rookvrije vluchtroutes geheel of gedeeltelijk samenvallen, als het samenvallende gedeelte niet in een trappenhuis ligt en niet aan een ander sub-brandcompartiment grenst. In afwijking van het derde lid, kan het samenvallende gedeelte aan een ander sub- brandcompartiment grenzen, indien: het samenvallende gedeelte aan niet meer dan één ander sub-brandcompartiment grenst, de toegang van het sub-brandcompartiment en de toegang van het andere sub- brandcompartiment recht tegenover elkaar liggen en het samenvallende gedeelte niet langs een beweegbaar constructie-onderdeel voert, tenzij dit deel uitmaakt van de toegang van het andere sub-brandcompartiment. In afwijking van het derde lid, kan het samenvallende gedeelte in een trappenhuis liggen en aan een ander sub-brandcompartiment grenzen, indien: de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties die zijn aangewezen op dat trappenhuis niet groter is dan 800 m², geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau en geen van de woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m², op dat trappenhuis niet meer dan zes woonfuncties zijn aangewezen, waarvan geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 6 m boven het meetniveau, of dat trappenhuis een veiligheidstrappenhuis is. Een vluchtroute kan een gemeenschappelijke vluchtroute zijn. Vluchttrappenhuis Artikel 3.10 Een vluchttrappenhuis waarbinnen een hoogteverschil van meer dan 8 m kan worden overbrugd, voldoet aan de voorschriften die van toepassing zijn op een ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert. 3.3 Inrichting van rookvrije vluchtroutes Artikel 3.11 Een bestaand bouwwerk heeft zodanig ingerichte rookvrije vluchtroutes, dat in geval van brand snel en veilig kan worden gevlucht. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.166 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Artikel 3.12 Een rookvrije vluchtroute heeft een vrije doorgang met een breedte die niet kleiner is dan 0,85 m en een hoogte van ten minste 2,3 m. De breedte geldt niet voor een verkeersroute voorzover deze over een trap voert. In afwijking van het eerste lid heeft een rookvrije vluchtroute die voert naar een ander brandcompartiment een vrije doorgang waardoor een blok met een lengte van 2,3 m, een hoogte van 2,3 m en een breedte van 1,1 m horizontaal kan worden voortbewogen. Scheidingsconstructie tussen vluchtmogelijkheden Artikel 3.13 De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen rookvrije vluchtroutes bedraagt ten minste 30 minuten. Dit geldt niet voor een samenvallend gedeelde en aan het begin van twee rookvrije vluchtroutes als bedoeld in de artikelen 3.8, eerste lid en 3.9, eerste lid. Een inwendige scheidingsconstructie tussen twee rookvrije vluchtroutes bevat geen ander beweegbaar constructieonderdeel dan een zelfsluitende deur. Luchttoevoer en rookafvoer Artikel 3.14 Een niet-besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een voorziening voor afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte tijdens brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten. Permanente vuurbelasting Artikel 3.15 Het product van de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting en de netto vloeroppervlakte van een veiligheidstrappenhuis is per bouwlaag ten hoogste 3.500 MJ. Een vluchttrappenhuis, anders dan een veiligheidstrappenhuis is niet rechtstreeks bereikbaar vanuit een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een toiletruimte, een liftschacht of een technische ruimte, tenzij het product van de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting en de som van de netto vloeroppervlakten van dat vluchttrappenhuis, de besloten ruimte, de toiletruimte, de liftschacht en de technische ruimte per bouwlaag ten hoogste 3500 MJ is. Dit geldt niet voor een trappenhuis dat voldoet aan artikel 3.9, vijfde lid. Draairichting deur Artikel 3.16 Een deur tussen een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, en een vluchttrappenhuis draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in. Een deur die in de rookvrije vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting in, indien de totale op die deur aangewezen gebruiksoppervlakte aan rookcompartiment, groter is dan de in tabel 3.11 aangegeven grenswaarde. Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn. Indien een deur van een toegang van een rookcompartiment niet tegen de vluchtrichting indraait, als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, draait geen enkele deur die in een rookvrije vluchtroute van dat rookcompartiment ligt, bij het openen tegen de vluchtrichting in. Een nooddeur kan geen schuifdeur zijn. Loopafstand Artikel 3.17 Een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft tussen twee toegangen die in de rookvrije vluchtroute liggen, een loopafstand die niet groter is dan 30 m. Dit geldt niet voor een vluchttrappenhuis. Opvang- en doorstroomcapaciteit Artikel 3.18 Een ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een opvangcapaciteit en een doorstroomcapaciteit, die voldoen aan de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften. VROM-richtlijn "Vluchten bij Brand" Artikel 3.19 Van het gestelde in de artikelen 3.2 t.m. 3.4, 3.6 t.m. 3.10 en 3.12 t.m. 3.18 kan worden afgeweken mits wordt voldaan aan tenminste dezelfde mate van veiligheid, overeenkomstig het gestelde in én overeenkomstig de methodiek van, de richtlijn van het Ministerie van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM) met de titel "Vluchten bij Brand". Aan de functionele eisen als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.11 zal onverkort moeten worden voldoen. Bijlage 4 Sterkte van bouwconstructies bij brand Artikel 4.1 Een bestaand bouwwerk heeft een bouwconstructie die zodanig is dat het bouwwerk bij brand gedurende enige tijd kan worden verlaten en doorzocht zonder dat er gevaar voor instorting is. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tijdsduur bezwijken Artikel 4.2 Een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute, wordt gedurende 30 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 4.2.1 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand. Tabel 4.2.1 hoofddraagconstructie tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten indien een vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 7 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau 30 indien een vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 60 3.Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van de hoofddraagconstructie van een gebruiksfunctie waarvan een vloer van een verblijfsruimte hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, gedurende 30 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand. 4.Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 4.2.2 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand. Tabel 4.2.2 hoofddraagconstructie tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten indien een vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 5 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau 30 indien een vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau 60 Bepalingsmethode Artikel 4.3 De tijdsduur gedurende welke een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie niet wordt overschreden, als bedoeld in artikel 4.2, wordt bepaald volgens NEN
  5. Bijlage 5 Materialen 5.1 Beperking van het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie Artikel 5.1 Een bestaand bouwwerk is zodanig dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie voldoende wordt beperkt. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 5.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Stookplaats Artikel 5.2 Materiaal, toegepast ter plaatse van of in de nabijheid van een stookplaats van een gebruiksfunctie is, bepaald volgens NEN 6064, onbrandbaar, indien: ter plaatse van of in de nabijheid van die stookplaats een intensiteit van de warmtestraling kan optreden, die, bepaald volgens NEN 6061, groter is dan 2 kW/m², of in het materiaal een temperatuur kan optreden, die, bepaald volgens NEN 6061, hoger is dan 363 °K. Rookafvoer Artikel 5.3 Een voorziening voor de afvoer van rook is, bepaald volgens NEN 8062, luchtdicht. Materiaal waaruit een voorziening voor de afvoer van rook is samengesteld, is, bepaald volgens NEN 6064, onbrandbaar, indien in dat materiaal een volgens NEN 8062 bepaalde temperatuur kan optreden van meer dan 363 °K. De horizontale afstand tussen de uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook van een op vaste brandstof gestookt toestel en een brandgevaarlijk dak van een ander bouwwerk is ten minste 15 m. 5.2 Beperking van ontwikkeling van brand Artikel 5.4 Een bestaand bouwwerk is zodanig dat brand zich niet snel kan ontwikkelen. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 5.4 voorschriften zijn aangewezen, wordtvoor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Binnenoppervlak Artikel 5.5 Een constructieonderdeel heeft aan een zijde die niet grenst aan de buitenlucht een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 5.
  6. Buitenoppervlak Artikel 5.6 Een constructieonderdeel niet zijnde een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructieonderdeel, heeft aan een zijde die grenst aan de buitenlucht, een volgens NEN 6065 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die voldoet aan de klasse die voor die zijde is aangegeven in tabel 5.
  7. Een deur, een raam, een kozijn of een daarmee gelijk te stellen constructieonderdeel voldoet aan klasse
  8. Beloopbaar vlak Artikel 5.7 De artikelen 5.5 en 5.6 gelden niet voor de bovenzijde van: een vloer, een hellingbaan, een trap, en een dak. Een vloer, een hellingbaan of een trap heeft aan de bovenzijde een volgens NEN 1775 bepaalde bijdrage tot brandvoortplanting, die ten hoogste gelijk is aan de klasse die is aangegeven in tabel 5.
  9. Vrijgesteld Artikel 5.8 Op ten hoogste 5 % van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte waarvoor volgens de artikelen 5.5 tot en met 5.7 een eis geldt, is de eis niet van toepassing. 5.3 Beperking van ontstaan van rook Artikel 5.9 Een bestaand bouwwerk is zodanig dat het zich snel ontwikkelen van rook voldoende wordt beperkt. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 5.9 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tabel 5.9 gebruiksfunctie leden van toepassing artikel lid 1Woonfunctie woonfunctie gelegen in een woongebouw bestemd voor minder zelfredzame personen 2Bijeenkomstfunctie 3Celfunctie 4Gezondheidszorgfunctie a gedeelte voor aan bed gebonden patiënten b ander gedeelte 5lndustriefunctie 6Kantoorfunctie 7Logiesfunctie alogiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 500 m², niet gelegen in een logiesgebouw bandere logiesfunctie 8 Onderwijsfunctie 9Sportfunctie 10Winkelfunctie algemeen beloopbaar vlak vrijgesteld 5.10 5.11 5.12 1 2 3 4 5 6 * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * 1 2 - - - - 1 - 3 - - - 1 - 3 4 5 - 1 2 - - - 6 1 - 3 - - - 1 - 3 - - - 1 - 3 - - - 1 - 3 - - - 1 2 - - - - 1 2 - - - - 1 - 3 - - - 1 - 3 - - - Algemeen Artikel 5.10 Een constructieonderdeel heeft aan een zijde die grenst aan de binnenlucht, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-
  10. In afwijking van het eerste lid, heeft een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  11. In afwijking van het eerste lid, heeft een constructieonderdeel aaneen zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  12. In afwijking van het eerste lid, heeft een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een besloten niet-gemeenschappelijke ruimte, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  13. In afwijking van het eerste lid, heeft een constructieonderdeel aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een verkeersroute voert, gelegen tussen de toegang van een sub-brandcompartiment en een toegang van het rookcompartiment waarin het sub-brandcompartiment ligt, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  14. Een constructieonderdeel heeft aan een zijde die grenst aan de binnenlucht in een ruimte waardoor een verkeersroute voert, die ligt tussen de toegang van een sub- brandcompartiment en een toegang van het rookcompartiment waarin het sub- brandcompartiment ligt, een rookproductie met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 5,4 m-
  15. Beloopbaar vlak Artikel 5.11 Artikel 5.10, tweede tot en met zesde lid, geldt niet voor de bovenzijde van: een vloer een hellingbaan en een trap. Vrijgesteld Artikel 5.12 Op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de constructie-onderdelen van elke afzonderlijke ruimte waarvoor volgens artikel 5.10 een eis geldt, is die eis niet van toepassing. Bijlage 6 Bestrijding van brand Artikel 6.1 Een bestaand bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de bestrijding van brand, dat brand binnen redelijke tijd kan worden bestreden. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 6.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tabel 6.1 gebruiksfunctie leden van toepassing grens-waarden artikel lid 1Woonfunctie woonfunctie gelegen in een woongebouw voor minder zelfredzame personen 2Bijeenkomstfunctie a bijeenkomstfunctie voor kinderopvang b andere bijeenkomstfunctie 3Celfunctie 4Gezondheidszorgfunctie a gedeelte voor aan bed gebonden patiënten b andere gezondheidszorgfunctie 5lndustriefunctie a lichte industriefunctie b andere industriefunctie 6Kantoorfunctie 7Logiesfunctie a logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw b logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw 8Onderwijsfunctie 9Sportfunctie 10Winkelfunctie aanwezigheid aantal veiligheid aanwezigheid 6.2 6.3 6.4 6 .2 1 2 3 4 5 6 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 3 4 1 - - - 5 6 1 - 3 4 5 1 2 3 - 5 [m2] [m2] - - 1 2 3 4 - 6 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 - - 1 2 3 4 - 6 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 250 500 1 - - - 5 6 1 - 3 4 5 1 2 3 - 5 - - 1 - - - 5 6 1 - 3 4 5 1 2 3 - 5 - - 1 2 3 4 - 6 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 250 500 1 2 3 4 - 6 1 - - - - 1 - - - - - - 1 2 3 4 - 6 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 500 1000 1 2 3 4 - 6 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 250 500 1 2 3 4 - 6 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 250 500 1 - - - 5 6 1 - 3 4 5 1 2 3 - 5 - - 1 - - - 5 6 1 - 3 4 5 1 2 3 - 5 - - 1 2 3 4 - 6 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 250 500 1 2 3 4 - 6 1 2 3 4 5 1 2 3 4 5 250 500 Aanwezigheid Artikel 6.2 Een gebruiksfunctie met een verblijfsruimte waarvan de vloer hoger ligt dan 20 m boven het meetniveau, heeft ten minste een al dan niet gemeenschappelijke droge blusleiding. Een gebruiksfunctie heeft ten minste een al dan niet gemeenschappelijke draagbaar blustoestel. In afwijking van het tweede lid heeft een gebruiksfunctie die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 6.1, ten minste een al dan niet gemeenschappelijke minihaspel. In afwijking van het tweede en derde lid heeft een gebruiksfunctie die groter is dan de grenswaarde vermeld in tabel 6.1, ten minste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel. Een gebruiksfunctie heeft ten minste een al dan niet gemeenschappelijke brandslanghaspel. Een gebruiksfunctie waarin een kooktoestel is opgesteld, heeft ten minste een al dan niet gemeenschappelijke draagbaar blustoestel en een blusdeken. Aantal Artikel 6.3 Het aantal droge blusleidingen is zodanig, dat de loopafstand tussen een brandslangaansluiting van een droge blusleiding en een toegang van een op die aansluiting aangewezen rookcompartiment niet groter is dan 70 m. Het aantal minihaspels is zodanig dat de loopafstand tussen een brandslanghaspel en elk punt van de vloer van een gebruiksfunctie niet groter is dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 2,5 m. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Het aantal brandslanghaspels is zodanig dat de loopafstand tussen een brandslanghaspel en elk punt van de vloer van een gebruiksfunctie niet groter is dan de lengte van de brandslang, vermeerderd met 5 m. Dit geldt niet voor de vloer van een niet in een verblijfsgebied gelegen ruimte, die vanaf de toegang van de gebruiksfunctie niet door besloten ruimten kan worden bereikt. Bij het bepalen van de loopafstand als bedoeld in het tweede en derde lid, wordt een constructieonderdeel niet zijnde een bouwconstructie, gelegen in een verblijfsgebied, buiten beschouwing gelaten. Bij het bepalen van de loopafstand als bedoeld in het tweede en derde lid, wordt de loopafstand gelegen in een verblijfsgebied met 1,5 vermenigvuldigd. Veiligheid Artikel 6.4 De inrichting van een droge blusleiding, als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, voldoet aan NEN 1594 voor: de drukbestendigheid, de onbrandbaarheid van het materiaal van de leiding, de soorten koppelingen voor de aansluiting van brandslangen, de aanduiding van de brandslangaansluitingen en de aanduiding van de voedingsaansluitingen. Een brandslanghaspel als bedoeld in artikel 6.2, vierde en vijfde lid, en een minihaspel als bedoeld in artikel 6.2, derde lid: is aangesloten op een voorziening voor drinkwater en ligt bij voorkeur niet in een vluchttrappenhuis. Een brandslanghaspel als bedoeld in artikel 6.2, vierde en vijfde lid, heeft een slang met: een lengte van niet meer dan 30 m en een statische druk van niet minder dan 100 kPa en een capaciteit van 1,3 m³/h, bij gelijktijdig gebruik van twee brandslanghaspels aangesloten op dezelfde voorziening voor drinkwater. Een minihaspel als bedoeld in artikel 6.2, derde lid, heeft een slang met een lengte van niet meer dan 15 m. Een draagbaar blustoestel als bedoeld in artikel 6.2, tweede en zesde lid, heeft een inhoud van tenminste 6 liter sproeischuim of 6 kg poeder of 5 liter koolzuursneeuw. De gekozen blusstof moet zijn geschikt voor de meest voorkomende brandklasse waarvoor het blustoestel bedoeld is. Bijlage 7 Noodverlichting Artikel 7.1 Een bestaand bouwwerk heeft een zodanige verlichtingsinstallatie dat het bouwwerk veilig kan worden verlaten. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 7.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tabel 7.1 Aanwezigheid Artikel 7.2 Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor noodstroom, indien de verlichtingsinstallatie volgens artikel 7.3 moet zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom. Veiligheid Artikel 7.3 Een voorziening voor noodstroom voldoet aan bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften. Een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 7.2, geeft binnen 15 seconden na het uitvallen van de voorziening voor elektriciteit, voldoende stroom om de betrokken verlichtingsinstallatie gedurende ten minste 60 minuten te laten werken. Verlichtingssterkte Artikel 7.4 Een verblijfsruimte heeft een verlichtingsinstallatie die de vloer van de verblijfsruimte kan verlichten met een verlichtingssterkte van ten minste de grenswaarde die is aangegeven in tabel 7.
  16. Een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een verlichtingsinstallatie die een verlichtingssterkte van ten minste 10 lux kan geven opeen vloer, een trap en een hellingbaan waarover die rookvrije vluchtroute voert, over een breedte als bedoeld in artikel 3.12 en over een breedte die is bestemd voor opvang en doorstroming als bedoeld in artikel 3.
  17. Een liftkooi heeft een verlichtingsinstallatie die de vloer van de liftkooi kan verlichten met een verlichtingssterkte van ten minste 10 lux. Stroomvoorziening Artikel 7.5 Een verlichtingsinstallatie als bedoeld in artikel 7.4, is aangesloten op een voorziening voor elektriciteit als bedoeld in artikel 7.
  18. Noodverlichting Artikel 7.6 Een verlichtingsinstallatie van een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte die groter is dan de grenswaarde die in tabel 7.1 is aangegeven, is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 7.
  19. Een verlichtingsinstallatie van een besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, als bedoeld in artikel 7.4, tweede lid, is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 7.
  20. Een verlichtingsinstallatie van een liftkooi is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 7.
  21. Voorziening voor noodstroom Artikel 7.7 Een verlichtingsinstallatie die is aangesloten op een voorziening voor noodstroom, als bedoeld in artikel 7.6, geeft gedurende de periode als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, een verlichtingssterkte van ten minste 1 lux. De verlichtingssterkte wordt gemeten op het in artikel 7.4 bedoelde oppervlak. Bijlage 8 Algemene sterkte van de bouwconstructie Artikel 8.1 Een te bouwen bouwwerk heeft een bouwconstructie die gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 8.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Tabel8.1 gebruiksfunctie leden van toepassing belastings - combinaties bouwconstructie belasting hoofddraag constructie uiterste grenstoestand artikel 8.2 8.3 8.4 lid 1Woonfunctie woonfunctie gelegen in een woongebouw voor minder zelfredzame personen 2Bijeenkomstfunctie 3Celfunctie 4Gezondheidszorgfunctie 5Industriefunctie a lichte industriefunctie b andere industriefunctie 6Kantoorfunctie 7Logiesfunctie a logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw b logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw 8Onderwijsfunctie 9Sportfunctie 10Winkelfunctie 1 2 3 4 5 6 1 2 1 2 3 4 5 1 2 3 – – – 1 2 3 – – – 1 2 3 – – – 1 2 3 – – – 1 2 3 – 5 – 1 2 3 – – – 1 2 3 – – – 1 2 3 – – – 1 2 3 – – – 1 2 3 – – – 1 2 3 – – – 1 2 3 – – – 1 2 1 – 1 – 1 – – – 1 – 1 – 1 2 1 – 1 – 1 – 1 – 1 2 3 4 5 1 2 3 – 5 1 2 3 – 5 1 2 3 – 5 1 2 3 – 5 1 2 3 – 5 1 2 3 – 5 1 2 3 4 5 1 2 3 – 5 1 2 3 – 5 1 2 3 – 5 1 2 3 – 5 Belastingcombinaties bouwconstructie Artikel 8.2 Een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie wordt niet overschreden bij de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  22. Voorzover NEN 6702 niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties, wordt uitgegaan van NEN
  23. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een dak of een vloerafscheiding niet overschreden bij de bijzondere belastingscombinaties als bedoeld in NEN
  24. Daarbij wordt uitgegaan van een stootbelasting. In afwijking van het eerste lid, kan voor de bouwconstructie van een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, een opstelplaats voor een warmwatertoestel en een opstelplaats voor een stooktoestel worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  25. Voor het bepalen van de fundamentele belastingscombinaties voor de fundering voor een woonwagen wordt, in afwijking van het eerste lid, uitgegaan van: een laststelsel dat bestaat uit twee verticale, evenwijdige lijnlasten die elk een rekenwaarde hebben ter grootte van 6,8 kN/m en een lengte van 15 m, en die op een afstand van ten minste 2,5 m en ten hoogste 3 m van elkaar liggen; indien de standplaats ligt in een onbebouwd gebied I, als bedoeld in NEN 6702, wordt voor de lijnlasten uitgegaan van een rekenwaarde ter grootte van 7,3 kN/m, een puntlast met een rekenwaarde van 50 kN die in rekening wordt gebracht als eenvrije belasting als bedoeld in NEN 6702, en de rekenwaarde van het eigen gewicht van de fundering. In afwijking van het eerste lid kan worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  26. In afwijking van het eerste lid kan voor een gebouw met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
  27. Belastingcombinaties hoofddraagconstructie Artikel 8.3 1.Een uiterste grenstoestand van een hoofddraagconstructie wordt, onverminderd artikel 8.2, niet overschreden bij bijzondere belastingscombinaties als bedoeld in NEN
  28. Daarbij wordt uitgegaan van: een gasexplosie, een botsing door een voertuig, en een extreme grondwaterstand. Indien NEN 6702 niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties wordt uitgegaan van NEN
  29. 2.Onverminderd het eerste lid wordt eveneens uitgegaan van het wegvallen van de bijdrage aan de standzekerheid die wordt geleverd door constructie-onderdelen op een aangrenzend perceel. Uiterste grenstoestand Artikel 8.4 Het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 8.2 wordt bepaald volgens: NEN 6710 of NEN 6770, indien de bouwconstructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen, NEN 6720 of NEN 6790, indien de bouwconstructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen, NEN 6760, indien de bouwconstructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm, NEN 2608, indien de bouwconstructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm, of NEN 6707, indien de bouwconstructie de bevestiging van dakbedekking is als bedoeld in die norm. Indien voor een bouwconstructie wordt uitgegaan van de belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859, wordt, in afwijking van het eerste lid, het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand bepaald volgens NEN
  30. Bij het bepalen van het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 8.2 blijven bouwconstructies die op een ander perceel zijn gelegen buiten beschouwing. In afwijking van het derde lid, blijven bouwconstructies van een op een ander perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort niet buiten beschouwing. Indien een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 8.2, bepaald volgens NEN
  31. Bijlage 9 Vloerafscheiding Artikel 9.1 Een bestaand bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het van een vloer vallen voldoende wordt voorkomen. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 9.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 9.1 geen voorschrift is aangewezen. Tabel9.1 gebruiksfunctie leden van toepassing grenswaarden aanwezigheid hoogte openingen opstapmogelijk- heden openingen artikel 9.2 9.3 9.4 9.5 9.4 lid 1Woonfunctie woonfunctie gelegen in een woongebouw voor minder zelfredzame personen 2Bijeenkomstfunctie a bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar b andere bijeenkomstfunctie voor kinderopvang c andere bijeenkomstfunctie 3Celfunctie 4Gezondheidszorgfunctie 5Industriefunctie 6Kantoorfunctie 7Logiesfunctie 8Onderwijsfunctie 9Sportfunctie 10Winkelfunctie 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 3 – 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 1 1 1 – – – – – – – – – – 2 2 2 – – – – – – – – – – 1 1 1 1 – – – – – – 1 – – 2 – – – 2 2 2 2 2 2 – 2 2 2 [m] 0,2 0,1 – – – – – – – – – – Aanwezigheid Artikel 9.2 Een vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water. Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan: een trap of een hellingbaan. Onverminderd het tweede lid geldt het eerste lid niet voor: een rand van een podium, een rand van een vloer die aan een bassin grenst, een rand van een laadvloer, een rand van een perron en een met een rand als bedoeld onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer. Hoogte Artikel 9.3 Een afscheiding als bedoeld in artikel 9.2, heeft een vanaf de vloer gemeten hoogte vanten minste 0,9 m. Een afscheiding als bedoeld in artikel 9.2, heeft, in afwijking van het eerste tot en met derde lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m. Indien de som van de hoogte en de breedte van een horizontaal vlak op die hoogte ten minste 1 m is, heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 9.2, in afwijking van het eerste lid, een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m. Openingen Artikel 9.4 Tussen een afscheiding als bedoeld in artikel 9.2, en de vloer is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,1 m. Een afscheiding als bedoeld in artikel 9.2, heeft tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer geen openingen met een breedte groter dan de in tabel 9.1 aangegeven grenswaarde. Opstapmogelijkheden Artikel 9.5 Een afscheiding als bedoeld in artikel 9.2, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer. In een gedeelte mede bestemd voor bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 9.2, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer. Bijlage 10 Trap 10.1 Overbrugging van hoogteverschillen Artikel 10.1 Een te bouwen bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 10.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 10.1 geen voorschrift is aangewezen. Tabel10.1 gebruiksfunctie leden van toepassing voorzienin g artikel 10.2 lid 1Woonfunctie woonfunctie gelegen in een woongebouw voor minder zelfredzame personen 2Bijeenkomstfunctie 3Celfunctie 4Gezondheidszorgfunctie 5Industriefunctie alichte industriefunctie bandere industriefunctie 6Kantoorfunctie 7Logiesfunctie 8Onderwijsfunctie 9Sportfunctie 10Winkelfunctie 1 2 1 – 1 – 1 – 1 – – – 1 – 1 – 1 – 1 – 1 – 1 – Voorziening Artikel 10.2 Een hoogteverschil tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten en vloeren op een verkeersroute die deze ruimten verbindt, of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. Een hoogteverschil tussen voor bezoekers toegankelijke vloeren of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan. 10.2 Trap Artikel 10.3 Een te bouwen trap die een hoogteverschil als bedoeld in paragraaf 10.1 overbrugt, kan veilig worden gebruikt. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 10.2 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 10.2 geen voorschrift is aangewezen. Afmetingen trap Artikel 10.4 Een trap als bedoeld in artikel 10.2, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 10.3, kolom A. In afwijking van het eerste lid, heeft een trap als bedoeld in artikel 10.2, bestemd voor het ontsluiten van een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2, afmetingen die voldoen aan tabel 10.3 kolom B. Indien de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied, die is aangewezen op een trap als bedoeld in artikel 10.2 groter is dan 600 m2, heeft die trap, in afwijking van het eerste lid, afmetingen die voldoen aan tabel 10.3, kolom B. Een aantrede, een optrede en de breedte van een tredevlak van een trapvormige vloer van een verblijfsgebied hebben afmetingen die voldoen aan tabel 10.3, kolom B. Een trap als bedoeld in artikel 10.2, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 10.4, kolom A. Indien de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied, die is aangewezen op een trap alsbedoeld in artikel 10.2 groter is dan de in tabel 10.2 aangegeven grenswaarde, heeft die trap, in afwijking van het vijfde lid, afmetingen die voldoen aan tabel 10.4, kolom B. Een aantrede,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.