← Nederland

Subsidieregeling mobiliteit Zuid-Holland 2017 (Zuid-Holland)

Obsah (12)Artikel 1Artikel 2Artikel 3Artikel 4Artikel 5Artikel 6Artikel 8Artikel 9Artikel 10Artikel 11Artikel 12Artikel 13

Subsidieregeling mobiliteit Zuid-Holland 2017 (Prov. Blad 2016, 3793), gewijzigd bij besluit van 16 mei 2017 (Prov. Blad 2017, 2140)Gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland, gelet op artikel

Artikel 1

.1 Begripsbepalingen In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd die in deze regeling worden gehanteerd. Er is met het oog op de eenduidigheid van de regelgeving binnen de provincie gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de algemene bepalingen in de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland

  1. Artikel 1.2 Bestedingsplan Mobiliteit Het Bestedingsplan Mobiliteit is een uitvoeringsplan van de Subsidieregeling mobiliteit Zuid-Holland. Het bevat een overzicht van de bestedingen en een overzicht van de financiële dekking daarvan. In het Bestedingsplan Mobiliteit worden onder meer de projecten van de regio’s opgenomen die in aanmerking komen voor subsidie op grond van paragraaf
  2. Artikel 1.3 BDU verantwoording Gelden die door het rijk aan de provincie zijn verstrekt op grond van de Wet BDU verkeer en vervoer moeten indien de provincie deze middelen als subsidie heeft verstrekt aan een gemeente of openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regeling nog steeds verantwoord worden volgens de systematiek van “single information, single audit”. Indien dit het geval is, dan blijkt dit uit de subsidieverleningsbeschikking. Artikel 1.4 Weigeringsgronden In de Asv is een imperatieve weigeringsgrond opgenomen voor activiteiten die reeds uitvoering zijn voordat de aanvraag is ingediend. In deze regeling, op grond waarvan met name vaste partners van de provincie subsidie kunnen krijgen wordt dit wenselijk geacht en is er gekozen voor een facultatieve weigeringsgrond. Gelet op het belang van een stimulerend effect dat een subsidie moet hebben indien deze wordt verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening is de imperatieve weigeringsgrond dan wel van toepassing. § 2 Infrastructurele projecten Een deel van het mobiliteitsbudget kan beschikbaar worden gesteld voor regionale infraprojecten. Dit omvat alle infraprojecten, ook de projecten tot aanpassing van infrastructuur om de verkeersveiligheid te verbeteren (duurzaam veiligheid). Paragraaf 2 bevat de juridische basis om voor infraprojecten subsidie te verlenen aan individuele gemeenten, waterschappen en samenwerkingsverbanden. De regio meldt de projecten aan. De regio prioriteert, in samenspraak met de in de regio liggende wegbeherende gemeenten en waterschappen, welke projecten in aanmerking moeten komen voor subsidie. Ook doet de regio een voorstel hoe hoog de bijdrage per project is. De regio mag, bij de verdeling van de haar toekomende middelen, zelf bepalen of deze middelen voor regionale infraprojecten dan wel duurzaam veilig projecten worden aangewend. De regio is verantwoordelijk voor een correcte aanmelding van projecten. Aan het feit dat projecten in het Bestedingsplan Mobiliteit zijn opgenomen, kunnen subsidieaanvragers overigens geen recht op subsidie ontlenen. Daarnaast is het op grond van deze paragraaf mogelijk om subsidie aan te vragen voor de realisatie van een P+R terrein.

Artikel 2

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie In het eerste lid zijn verschillende activiteiten duidelijker en concreter omschreven dan in voorgaande regelingen. Artikel 2.2 Doelgroep De provincie verstrekt deze subsidie niet voor het gehele grondgebied van de provincie. Voor het grondgebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag is dit de bevoegdheid van dit openbaar lichaam. Artikel 2.4 Subsidievereisten Op grond van het eerste lid is het essentieel dat projecten zijn opgenomen in het Bestedingsplan Mobiliteit, tenzij zij worden gerealiseerd met gelden die zijn vrijgevallen bij projecten waarvoor subsidie is verleend op grond van de voorgaande regelingen die zijn opgenomen bij bij het begrip vrijvalproject in artikel 1.1. Middelen voor dit soort projecten komen pas beschikbaar nadat een eerder in een vastgesteld Bestedingsplan Mobiliteit opgenomen project is komen te vervallen. Een vrijvalproject is veelal niet eerder als (reserve)project in een Bestedingsplan Mobiliteit opgenomen geweest. Teneinde het herprioriteren van vrijvallende middelen niet tegen te gaan, is het tweede lid opgenomen. Daarnaast is de uitzondering van het tweede lid ook van toepassing op projecten die de realisatie van P+R terreinen voorstaan. Artikel 2.5 Subsidiabele kosten De subsidiabele kosten zijn opnieuw geformuleerd en nu in lijn met SSK. Ook het aanvraagformulier met de bijbehorende projectbegroting zijn hierop aangepast. Artikel 2.6 Niet subsidiabele kosten Ook de niet subsidiabele kosten zijn nu in lijn met SSK. Bij kosten die ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht, kan worden gedacht aan reeds toegezegde bijdragen van derden of projectkosten die, op grond van sober- en doelmatigheid, niet in aanmerking komen voor subsidie. Te denken valt hierbij aan kosten die een direct gevolg zijn van een ander project of van bovenmatige eisen niet direct gerelateerd aan de functionaliteit van de betrokken infrastructuur, zoals architectuur of ruimtelijke uitstraling. Bij kosten die zijn toe te rekenen aan achterstallig onderhoud, kan worden gedacht aan kosten die moeten worden gemaakt om wegdek of riolering te herstellen doordat er onvoldoende onderhoud in het verleden heeft plaatsgevonden. Ook de kosten van algemeen bestuurlijke aard komen niet voor subsidie in aanmerking aangezien zij buiten de definitie vallen van het verkeer- en vervoerbeleid. Deze worden van oudsher reeds vanuit andere middelen gedekt. Artikel 2.8 Intrekking De intrekkingsgrond in het eerste lid is nu imperatief geformuleerd. Dit artikel verschaft de titel om onder voorwaarden een subsidieverleningsbeschikking in te trekken. Dit kan indien een project niet doorgaat of aanbesteding en gunning van het werk nog niet hebben plaatsgevonden binnen zes maanden. Uitzondering hierop kan worden gemaakt indien de wegbeheerder tijdig de vertraging schriftelijk heeft gemeld en een onderbouwing wordt gegeven van de oorzaken van de vertraging en waarom deze niet te voorzien waren op het moment dat de aanvraag werd ingediend. Artikel 2.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger De bewaking van de voortgang van het project is belangrijk in die zin dat als er geen activiteiten worden uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van het project, de subsidieverlening op grond van artikel 4:48 Awb ten nadele van de subsidieontvanger gewijzigd kan worden. Artikel 2.10 Prestatieverantwoording In beginsel is de verantwoordingssystematiek van het Uniform Subsidie Kader van toepassing. Dit is niet het geval indien de subsidie wordt verstrekt met gebruikmaking van BDU-middelen. In dat geval verantwoorden gemeenten en samenwerkingsverbanden de subsidie op grond van deze regeling jaarlijks in één keer in de SiSa-bijlage (Single information, Single audit) bij hun jaarrekening. Voor de overige ontvangers geldt de wijze van vaststelling zoals genoemd in dit artikel. § 3 Regionaal openbaar vervoer over weg en spoor Op grond van artikel 20, tweede lid van de Wet personenvervoer 2000 zijn Gedeputeerde Staten bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor openbaar vervoer, anders dan openbaar vervoer per trein binnen de provincie, met uitzondering van het gebied van de Metropolregio Rotterdam Den Haag. Het betreft openbaar vervoer per bus en trein. Een concessie wordt verleend voor meerdere jaren. Ieder jaar wordt door de concessieverlener (provincie) de exploitatiebijdrage verstrekt aan de concessiehouder (vervoerder). Paragraaf 3 bevat hiertoe de juridische basis.

Artikel 3

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie Subsidie op grond van dit artikel wordt verleend voor de duur van de concessie in de vorm van een boekjaarsubsidie of projectsubsidie. In artikel 22 van de Wet personenvervoer 2000 is aan concessieverleners de bevoegdheid gegeven om subsidie voor openbaar vervoer te verstrekken. Artikel 3.4 Subsidievereisten Subsidie op grond van dit artikel wordt geweigerd als de concessie bij de desbetreffende activiteit niet de mogelijkheid van subsidiëring vermeld. Artikel 3.5 Subsidiehoogte De subsidiehoogte kan jaarlijks worden geïndexeerd conform de voorschriften uit de concessiebeschikking dan wel hetgeen hierover is opgenomen in het programma van eisen. De hoogte van de exploitatiebijdrage is in de concessie vermeld. § 4 Regionaal openbaar vervoer over water Op grond van artikel 7 van het Besluit personenvervoer 2000 wordt passagiersvervoer over water omschreven als een voor een ieder openstaand personenvervoer dat volgens een dienstregeling personen per passagierschip vervoert. Ieder jaar wordt door de provincie de exploitatiebijdrage verstrekt aan de vervoerder. Paragraaf 4 bevat hiertoe de juridische basis.

Artikel 4

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie Dit artikel vormt de basis om jaarlijks een boekjaarsubsidie te verlenen aan vervoerders die het passagiersvervoer over water mogelijk maken. Daarnaast kunnen ook projectsubsidies worden verstrekt. Artikel 4.5 Subsidiehoogte De subsidiehoogte voor de boekjaarsubsidie kan jaarlijks worden geïndexeerd conform de voorschriften uit de overeenkomst. De hoogte van de exploitatiebijdrage is in de overeenkomst vermeld. § 5 Collectief vraagafhankelijk vervoer Het vraagafhankelijk doelgroepenvervoer kent verschillende vormen. De provincie is verantwoordelijk voor het zogenaamde Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV). De provinciale rol beperkt zich bij deze vervoersvorm tot de openbaar vervoer component. Het CVV wordt, zoals uit de toelichting op artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000 blijkt, door middel van overeenkomsten geregeld. Voor de subsidieverlening wordt deze regeling gevolgd. Vele subsidieverplichtingen worden in de overeenkomst opgenomen, omdat dit de vorm is die op grond van de wet gekozen moet worden.

Artikel 5

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie Dit artikel vormt de basis om jaarlijks subsidie te verlenen aan die instanties die het vervoer rondom het collectief vraagafhankelijk vervoer mogelijk maken. Hierbij kan worden gedacht aan de Stichtingen die het CVV-vervoer voor de Hopper-systemen dan wel de samenwerkingsorganen die de Regiotaxisystemen verzorgen. Het collectief vraagafhankelijk vervoer wordt conform artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000 door middel van overeenkomsten geregeld. Artikel 5.5 Subsidievereisten Met betrekking tot de aanvraag om subsidie is bepaald dat een daartoe ingediende begroting als aanvraag voor subsidie geldt. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande praktijk. Artikel 5.6 Subsidiabele kosten Dit artikel geeft de kostensoorten weer die de grondslag vormen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. In de overeenkomst die subsidieontvanger met de vervoerder heeft gesloten, zijn de kosten opgenomen die als exploitatiekosten zijn aan te merken. In de samenwerkingsovereenkomst die de subsidieontvanger met de provincie heeft gesloten is meestal een vast bedrag voor de instandhouding van de stichting dan wel regio (samenwerkingsverband) vastgelegd. Deze kosten zijn als beheerskosten aan te merken. § 6 en § 7 Oprichting en instandhouding buurtbusverenigingen Buurtbussenverenigingen rijden busroutes met een vaste dienstregeling, waarbij de busjes bestuurd worden door vrijwilligers. Het materieel wordt ter beschikking gesteld door de vervoerder, die hiervoor een bijdrage van de provincie ontvangt. De buurtbusvereniging ontvangt ook een bijdrage van de provincie, voor het in stand houden van de vereniging. Ook bestaat de mogelijkheid om eenmalig subsidie aan te vragen voor de oprichting van een nieuwe buurtbusvereniging. Vrijwilligers hoeven daardoor niet te wachten tot zij een boekjaarsubsidie kunnen aanvragen en deze ook uitgekeerd krijgen, maar worden in staat gesteld om al gedurende het lopende jaar hun initiële kosten vergoed te krijgen. De subsidies voor de oprichting en instandhouding van buurtbusverenigingen kunnen gelet op de hiermee gemoeide bedragen en rekening houdend met het USK direct worden vastgesteld zonder verlening. Voor de controle op misbruik en oneigenlijk gebruik zullen na afloop van de activiteit of het boekjaar waarvoor de subsidie is verstrekt, steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd. Gelet op de nauwe beleidsmatige betrokkenheid van de provincie bij het openbaar vervoer lijkt er hierbij sprake te zijn van een laag risico.

Artikel 6

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie Gedeputeerde Staten beogen met de toekenning van de eenmalige subsidie voor buurtbusverenigingen of buurtbusverenigingen in oprichting het opstarten van de vereniging te vergemakkelijken en te versnellen. Artikel 6.2 Doelgroep Buurtbusverenigingen kunnen deze subsidie zowel net voor als net na hun feitelijke oprichting aanvragen. Daarom is zowel de buurtbusvereniging als de buurtbusvereniging in oprichting benoemd als doelgroep. De weigeringsgrond zoals genoemd in artikel 11, eerste lid, onder a van de Asv is hier, voor wat betreft de buurtbusverenigingen die al zijn opgericht, niet van toepassing. Artikel 6.3 Weigeringsgronden Omdat niet alleen een buurtbusvereniging een subsidie kan aanvragen, maar ook een buurtbusvereniging in oprichting, moet misbruik van de subsidie zoveel mogelijk worden voorkomen. Het feit dat de buurtbusvereniging of buurtbusvereniging in oprichting met de concessiehouder in contact treedt over het buurtbusproject en dat de concessiehouder bevestigt dat het in de lijn der verwachting ligt dat er een contract wordt afgesloten, bevestigt dat de intentie en capaciteiten goed zijn. Daarnaast is van belang dat ook de betrokken provinciale concessiebeheer bevestigt dat er serieuze contacten met de buurtbusvereniging of buurtbusvereniging in oprichting zijn. In de praktijk kan het gaan om een telefonische of schriftelijke bevestiging van de vervoerder die aangeeft dat zij inschat dat de buurtbusvereniging of buurtbusvereniging in oprichting de intentie en de capaciteiten heeft om het buurtbusproject ook daadwerkelijk uit te voeren. Deze werkwijze geeft voldoende zekerheid dat de subsidie ook aangewend zal worden voor het doel waarvoor ze bedoeld is. Artikel 6.4 Subsidievereisten De vervoerder stelt materiaal (de buurtbusjes) ter beschikking aan een buurtbusvereniging. Net als bij artikel 6.3 bevestigt de vervoerder dat het in de lijn der verwachting ligt er een contract wordt afgesloten. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat de buurtbusvereniging ook daadwerkelijk een buurtbusproject gaat rijden. Er kunnen altijd organisatorische, verkeerskundige, politiek-bestuurlijke of andere redenen zijn die verhinderen dat het buurtbusproject uiteindelijk zijn doorgang vindt. Artikel 7.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie De buurtbusvereniging bestaat uit vrijwilligers die chauffeursdiensten organiseren en uitvoeren. De uitwerking van de taken van de vrijwilligers staan in de overeenkomst die met vervoerders is afgesloten. Artikel 7.3 Subsidievereisten In de Regeling Vaststelling Kenmerken en Startvoorwaarden Buurtbusprojecten provincie Zuid-Holland 2006 zoals deze door Gedeputeerde Staten met ingang van 1 juli 2006 is vastgesteld, zijn de voorwaarden opgenomen waar een buurtbusproject aan moet voldoen om door Gedeputeerde Staten erkend te worden. § 8. Toegankelijkheid bushaltelocaties Het streven van de provincie is om zo veel mogelijk bushaltes toegankelijk te maken voor minder validen. Het betreft zowel bushaltes naast provinciale wegen als bushaltes aan wegen waarvoor gemeenten of waterschappen wegbeheerder zijn. Voor het toegankelijk maken van een halte aan een gemeentelijke weg, kan een gemeente subsidie aanvragen. Voor een volledige beschrijving van het provinciale beleid met betrekking tot toegankelijkheid, wordt verwezen naar het “Halteplan provincie Zuid-Holland 2006-2015”.

Artikel 8

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie Dit artikel is primair bedoeld voor het verbeteren van de toegankelijkheid van bestaande bushaltelocaties. Artikel 8.4 Subsidievereisten Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu zijn richtlijnen gegeven waar een toegankelijke bushalte minimaal aan moet voldoen. Naast de verplichtingen zoals in dit artikel opgenomen, worden nog een aanbeveling aan een subsidieontvanger in de subsidiebeschikking meegegeven te weten: - de inrichting van de halte is zodanig dat het mogelijk is de afstand tussen bushalte en voertuig te beperken tot: • horizontaal aanbevolen maximum 5 cm; • verticaal aanbevolen maximum 5 cm; Artikel 8.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger De subsidieontvanger is verplicht om de haltescan na het toegankelijk maken van een bushalte in te vullen. De haltescan is van nut voor de reiziger, de wegbeheerder en de landelijke overheid. § 9 Sociale veiligheid Betreft in dit kader de bescherming of het zich beschermd voelen tegen gevaar dat veroorzaakt wordt door of dreigt van de kant van menselijk handelen in het openbaar vervoer. Vervoerders nemen maatregelen om de sociale veiligheid te vergroten. Hiervoor kunnen ze subsidie aanvragen op basis van paragraaf 9. Verwezen wordt naar het Uitvoeringsprogramma Sociale Veiligheid Openbaar Vervoer 2016 - 2019 waarin de doelstellingen van de provincie staan beschreven en de activiteiten waarop ingezet kan worden door de subsidiegerechtigden.

Artikel 9

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie In het derde lid is aangegeven dat de activiteit leidt tot meer subjectieve en objectieve veiligheid bij het reizen met het openbaar vervoer. Bij subjectieve en objectieve veiligheid kan worden gedacht aan respectievelijke gevoelsmatige en meetbare veiligheidsverbeteringen. Artikel 9.3 Weigeringsgronden Per concessie zijn verschillende maatregelen voor sociale veiligheid opgenomen. In de concessie benoemde activiteiten op het gebied van sociale veiligheid, die op grond van die concessie al moeten worden uitgevoerd, komen niet voor subsidie in aanmerking. § 10 Bedrijfsvervoer Wet sociale werkvoorziening Bedrijfsvervoer, het vervoeren van werknemers door bedrijven zelf daar waar geen goed openbaar vervoer aanwezig is, wordt op basis van deze paragraaf alleen gesubsidieerd voor werknemers die werkzaam zijn op grond van de Wet sociale werkvoorziening.

Artikel 10

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie De subsidiëring van bedrijfsvervoer biedt vanaf 2014 alleen voor werkgevers die de Wet sociale werkvoorziening uitvoeren de mogelijkheid om subsidie te krijgen voor het bedrijfsvervoer dat zij aan hun werknemers aanbieden. Overige werkgevers komen hiervoor niet in aanmerking. Artikel 10.4 Weigeringsgronden Uit efficiencyoverwegingen is ervoor gekozen om een minimale ondergrens aan het subsidiebedrag te stellen. Artikel 10.6 Subsidiehoogte Deze bedragen zijn niet geïndexeerd. In de aanvraag geeft de subsidieaanvrager duidelijk aan voor welke optie hij gekozen heeft om de subsidie te berekenen. Uiteindelijk zal de subsidieaanvrager diens administratie hierop moeten instellen om achteraf de controleverklaring te kunnen laten opstellen. De berekeningssystematiek van de twee keuzemogelijkheden ziet er als volgt uit: - Per deelnemende werknemer: de berekening vindt plaats door het aantal deelnemers te vermenigvuldigen met het aantal dagen en het bedrag van € 1,17 waarmee het totaal aan te vragen subsidiebedrag wordt gegenereerd. - Per reizigerskilometer: de berekening vindt plaats het aantal reizigerskilometers te delen door 100 en te vermenigvuldigen met € 1,62 waarmee het totaal aan te vragen subsidiebedrag wordt bepaald. Artikel 10.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger Gecontroleerd moet kunnen worden of het Wsw-bedrijf daadwerkelijk vervoer voor haar werknemers heeft ingezet. Daarom moet het bedrijf bijhouden welke van haar werknemers gebruik maken van het ingezette vervoer. Daarnaast heeft het Wsw-bedrijf dit nodig ter bepaling van de aanvraag voor vaststelling van de subsidie. § 11 Gedragsbeïnvloeding verkeersveiligheid Samen met de Regionale Projectgroepen Verkeersveiligheid (RPV) buiten het kaderwetgebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag wordt door de provincie gestreefd naar een structurele, praktische en effectieve gedragsbeïnvloeding in Zuid-Holland. Een groot aantal activiteiten is op grond van paragraaf 11 subsidiabel. Op basis van deze regeling is het mogelijk om provinciale subsidie te krijgen voor verschillende leeftijdsgroepen. Het indienen van projecten op het gebied van gedragsbeïnvloeding zijn alleen mogelijk via de RPV’s binnen het regiegebied van de provincie Zuid-Holland. Verkeersveiligheidheidspartners binnen een regio dienen hun activiteiten of projecten bij de RPV aan te melden.

Artikel 11

.2 Doelgroep Als doelgroep worden regio’s aangemerkt, omdat regio's als openbare lichamen zijn ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen en daarmee in staat zijn om een subsidie te ontvangen. De RPV's verrichten echter de feitelijke werkzaamheden: het beoordelen van de subsidieaanvragen en het opnemen van de subsidieaanvragen in een gecoördineerde subsidieaanvraag na een positieve beoordeling. Verkeersveiligheidspartners dienen hun activiteiten of projecten dan ook bij de RPV in hun regio aan te melden. Voor deze constructie is gekozen omdat RPV's geen openbare lichamen met rechtspersoonlijkheid zijn en dus zelf geen subsidie kunnen ontvangen. Artikel 11.4 Subsidievereisten Het betreft hier regionale en lokale activiteiten. Onderdeel a tot en met f: onder activiteiten voor verschillende leeftijdscategorieën worden op het gebied van educatie en training. Onderdeel g: onder activiteiten op het gebied van communicatie en publiciteit wordt het verrichten van activiteiten ter bevordering van persoonlijke bescherming en naleving van verkeersregels door communicatie en publiciteit verstaan. Onderdeel h: onder kleine gedragsgerelateerde verkeersmaatregelen worden lokale ondersteunende verkeersmaatregelen als bijvoorbeeld voetgangersoversteekplaatsen verstaan die nodig zijn om het gedrag van verkeersdeelnemers te beïnvloeden. Onderdeel i: onder activiteiten op het gebied van onderzoek en evaluatie wordt het verrichten van onderzoek en uitwerking van getroffen maatregelen participatie door burgers en (andere) belanghebbenden verstaan. Onderdeel j: onder activiteiten op het gebied van planvorming wordt het uitwerken van beleidsplannen, uitvoeringsprogramma’s en afzonderlijke verkeersveiligheidsmaatregelen verstaan. Onderdeel k: . Onderdeel l: in afwijking van het eerste lid verlenen Gedeputeerde Staten voor projectleiders die werkzaamheden voor activiteiten uitvoeren maximaal 100% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 50.000,00 per jaar voor de regio’s Alblasserwaard/Vijfheerenlanden, Drechtsteden, Hoeksche Waard, Midden Holland en Goeree-Overflakkee, en met een maximum van € 100.000,00 per jaar voor de regio Holland-Rijnland § 12 Veerprojecten In het Hoofdlijnenakkoord 2015-2019 is het voornemen opgenomen een nieuw revolverend verenfonds op te zetten voor vernieuwing en groot onderhoud. Daarmee beoogt de provincie de 21 veren voor forensen en scholieren in de provincie op een kwalitatief hoog niveau voor de toekomst te behouden. Dit krijgt gestalte door het verstrekken van leningen aan veerexploitanten voor vernieuwing en renovatie van veerponten. Op basis van de Algemene wet bestuursrecht wordt het verstrekken van een dergelijke geldlening juridisch aangemerkt als subsidieverlening, in dit geval op basis van de Subsidieregeling Mobiliteit. Met het nieuwe revolverend fonds kunnen meer veerdiensten worden geholpen dan tot nu toe het geval was. Door het revolverende karakter van het fonds komen de geleende middelen in principe terug. Vervolgens kunnen deze middelen opnieuw worden ingezet. Er wordt hiermee een toekomstbestendig fonds gecreëerd waarmee meer veerdiensten gedurende een langere periode worden geholpen. Alleen forensenveren en scholierenveren die het gehele jaar varen komen in aanmerking voor financiële ondersteuning van de provincie. Veren die het hele jaar door forensen en scholieren vervoeren zijn voor de mobiliteit het meest belangrijk. Voor hun voortbestaan moeten de veerexploitanten van deze veren grote investeringen doen in de vernieuwing en renovatie van hun veerponten. Zij kunnen hiervoor een lening krijgen van de provincie. Dit is een uitzondering op het provinciaal financieel beleid. De provincie stelt hiertoe vanuit een revolverend verenfonds € 12 miljoen beschikbaar. Hiermee worden in de provincie de veerverbindingen voor forensen en scholieren in stand gehouden. Beoogd wordt hiermee tevens de verduurzaming van de veerponten te stimuleren. Financiering van de investeringen voor vernieuwing en renovatie van de veerponten vindt plaats op basis van onderhavige regeling, gekoppeld aan een subsidiebeschikking en een individuele overeenkomst tot lening. Hiervoor is € 12 miljoen beschikbaar gebaseerd op een risicoreserve van € 5 miljoen. De provincie kan geld beschikbaar stellen aan veerexploitanten voor vernieuwing en renovatie van forensen- en scholierenveren, tegen een lagere rente dan gebruikelijk in de financiële markt.De te betalen rente bedraagt 0%, tenzij er ter voorkoming van ongeoorloofde staatssteun een hogere rente gevraagd moet worden. De leningen worden verstrekt binnen de staatssteunkaders van de-minimisverordening of de artikelen 36 of 37 (milieubescherming) van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Van de subsidie-verleningsbeschikkingen wordt, als de Algemene groepsvrijstellingsverordening wordt toegepast, kennis gegeven aan de Europese Commissie. De aflossingstermijn van de leningen is in principe gelijk aan de afschrijvingstermijn(circa 8 tot 10 jaar voor de vervanging van motoren, roetfilters en katalysatoren, 10 tot 20 jaar voor de vervanging van laad- en loskleppen, 20 jaar a 25 jaar afhankelijk van grootte veerpont- voor een nieuwe veerpont), tenzij de staatssteunkaders andere aflossingstermijnen voorschrijven. De aflossing van de lening vindt lineair plaats. De-minimissteunWanneer aan een onderneming niet meer dan € 200.000,00 per drie belastingjaren aan subsidie of voordeel wordt verleend geeft de Europese commissie aan dat dit als de-minimissteun wordt gezien en niet wordt aangemerkt als staatssteun. Alle entiteiten die vallen onder juridische of feitelijke zeggenschap van dezelfde entiteit worden daarbij als één onderneming beschouwd,; dit wordt uitgewerkt in art 2, tweede lid van de De-minimisverordening. Daarnaast is een de-minimisverklaring vereist. Voorts moet de steunverlening voldoen aan de eisen die ten aanzien van cumulatie worden gesteld zoals uiteengezet in artikel 5 van de De-minimisverordening. Algemene groepsvrijstellingen voor milieubeschermingEr kan gebruik worden gemaakt van de Algemene groepsvrijstellingen voor milieubescherming (artikel 36 en 37), als de aanvragen daadwerkelijk leiden tot het bereiken van een hoger niveau van milieubescherming. Dit moet de aanvrager aantonen. Ook moet er worden voldaan aan aanvullende eisen die onder andere betrekking hebben op cumulatie. In artikel 36, vijfde lid en artikel 37, derde lid van de Algemene groepsvrijstellingverordening wordt nadrukkelijk bepaalt dat alleen de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om verder te gaan dan de toepasselijke Unienormen of om, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen, voor subsidie in aanmerking komen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld: wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op milieubescherming betrekking hebbende kosten de in aanmerking kosten; in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in milieubescherming vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de steun op geloofwaardige wijze zou zijn verricht. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met milieubescherming verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten. De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet voor subsidie in aanmerking. Het vervolgens te subsidiëren bedrag bedraagt 40% van de in aanmerking komende kosten hetgeen afhankelijk van de grootte van de onderneming met 10 of 20 procentpunten verhoogt mag worden. Alle voor een bepaald project verleende staatssteunmiddelen dienen bij elkaar opgeteld te worden om zo het totale steunbedrag te bepalen (cumulatie). Hierdoor kan - kortgezegd - nagegaan worden of er voldaan is aan de maximale steunintensiteiten. Cumulatie van de de-minimissteun met steun op basis van de Algemene groepsvrijstellingsverordening is niet mogelijk voor dezelfde in aanmerking komende kosten wanneer daarmee de maximale steunintensiteit op basis van de Algemene groepsvrijstellingsverordening wordt overschreden. In artikel 8 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening wordt cumulatie nader uiteengezet. Voor het verstrekken van leningen wordt een risicoanalyse uitgevoerd. Bij de risicoanalyse wordt ook gekeken naar de kredietwaardigheid en solvabiliteit van de veerexploitant en de constructie en toekomstbestendigheid van de veerdienst. Daarnaast wordt gekeken of tegen de veerexploitant geen collectieve insolventieprocedure loopt en de veerexploitant niet voldoet aan de criteria volgens nationaal recht om, op verzoek van zijn schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. Getoetst wordt of de aanvragen van de veerexploitanten voldoen aan de voorwaarden ten aanzien van het staatssteunrecht alsmede ten aanzien van de eigen voorwaarden van de provincie. Het risico voor de provincie wordt verkleind door het vestigen van het 1e hypotheekrecht op de nieuwe veerpont of het vestigen van een pandrecht van ten minste 50% van de lening voor de renovatie van een veerpont. Voor het revolverend verenfonds wordt samengewerkt met oevergemeenten (en andere partijen) die exploitatietekorten dekken van veerdiensten. Om (potentiële) veerexploitanten die een lening aanvragen inzicht te geven in de praktische uitwerking van de de-minimisregeling, zijn hieronder ter illustratie twee voorbeelden gegeven. Aanvrager x doet een aanvraag voor een lening van € 1.000.000 met het verzoek deze af te lossen binnen 10 jaar. Afhankelijk van de rating (kredietwaardigheid) van de aanvrager en de zekerheden die de aanvrager stelt kan het rentepercentage worden bepaald om binnen de kaders van de de-minimisregeling (maximale steun in drie jaar € 200.000) te blijven. Hierbij worden eerder ontvangen subsidies ook meegenomen. De referentiepercentages worden berekend op basis van de Mededeling van de Europese Commissie (Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentierente en disconteringspercentages worden vastgesteld). Voorbeeld 1 Onderstaand is uitgegaan van een BBB-rating (gemiddelde solvabiliteit) met een lage zekerheidsstelling Basisgegevens voorbeeld 1 Rating veerdienst BBB Totaal bedrag lening € 1.000.000 Looptijd lening (lineair) 10 jaar Overige subsidies de-minimisperiode € 100.000 Ruimte binnen de-minimisperiode € 100.000 Referentierente volgens EU regelgeving 2,21% Totaal verschil met referentierente bij gevraagde rente van 0 % 2,21% Jaar 1 € 22.100 Jaar 2 € 19.890 Jaar 3 € 17.680 Overige subsidie binnen de-minimisperiode € 100.000 Totaal binnen de-minimisperiode € 159.670 Voorbeeld 2 Onderstaand is uitgegaan van een AAA-rating (goede solvabiliteit) met een lage zekerheidsstelling Basisgegevens voorbeeld 2 Rating veerdienst AAA Totaal bedrag lening € 1.000.000 Looptijd lening (lineair) 10 jaar Overige subsidies de-minimisperiode € 100.000 Ruimte binnen de-minimisperiode € 100.000 Referentierente volgens EU regelgeving 1,01% Totaal verschil met referentierente bij gevraagde rente van 0 % 1,01% Jaar 1 € 10.100 Jaar 2 € 9.090 Jaar 3 € 8.080 Overige subsidie binnen de-minimisperiode € 100.000 Totaal binnen de-minimisperiode € 127.270

Artikel 12

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie Het begrip “veerproject” is opgenomen in de begripsbepalingen en heeft zowel betrekking op de aanschaf van een nieuwe veerpont als de renovatie van een bestaande. Artikel 12.2 Doelgroep De doelgroep is limitatief beperkt doordat alleen de veerverbindingen die in de regeling zijn opgenomen voor subsidie in aanmerking komen. Hiermee wordt voorkomen dat er subsidie wordt verstrekt voor verbindingen die naar het oordeel van de provincie onvoldoende van belang zijn voor forensen en scholieren. Artikel 12.4 Weigeringsgronden De eerste weigeringsgrond voorkomt dat een lening wordt verstrekt voor een veer dat slechts een beperkt aantal uren per week actief is en de tweede weigeringsgrond is opgenomen om te voorkomen dat een lening wordt verstrekt voor een veerverbinding waarvan nu al duidelijk is dat deze binnen 5 jaar zal worden beëindigd. Dat kan blijken uit jaarrekeningen, een uitdraai van Graydon, of aanvullend onderzoek van een expert naar de constructie en toekomstbestendigheid van de veerdienst. Artikel 12.5 Opschortende voorwaarde Ter uitvoering van de subsidieverleningsbeschikking wordt een overeenkomst afgesloten. Deze overeenkomst krijgt de vorm van een leningovereenkomst. De opschortende voorwaarde uit artikel 12.5 heeft tot doel te voorkomen dat de subsidieverleningsbeschikking al in werking treedt voordat de overeenkomst tot stand is gekomen. Artikel 12.6 Subsidievereisten In dit artikel zijn de algemene vereisten opgenomen waar een veerproject aan moet voldoen. Onder een sluitend financieringsplan, zoals beschreven in onderdeel b, wordt verstaan: een investeringsplan voor de vernieuwing of renovatie van een veerpont en een plan voor de jaarlijkse aflossingen met maximaal een looptijd van de technische levensduur van de nieuwe of gerenoveerde veerpont, waarin de verwachte inkomsten en uitgaven van de veerdienst zijn opgenomen. Artikel 12.7 Hoogte van de lening De hoogte van de te verstrekken lening hangt af van de kosten van het veerproject, maar zal in de praktijk vaak worden beperkt door de regels ter voorkoming van ongeoorloofde staatssteun. Artikel 12.10 Leningovereenkomst De inhoud van de overeenkomst wordt niet limitatief duidelijk gemaakt in dit artikel. Dit biedt de mogelijkheid voor maatwerk. Artikel 12.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger In voorkomende gevallen kan afgeweken worden van artikel 12.11, onderdeel c, te denken valt aan gevallen waarin ook een bank een lening voor het veerproject verstrekt. Dan wordt ten behoeve van de provincie een hypotheek- of pandrecht gevestigd ter grootte van het verleende bedrag of andere zekerheden afgesproken als een bankgarantie. Bij afloop van het veerrecht/veercontract worden over de verplichting van onderdeel e nadere afspraken gemaakt met de veerexploitant en de betrokken oevergemeenten. § 13 Veerinfrastructuurprojecten

Artikel 13

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie Voor subsidie komen in aanmerking projecten die de inrichting van aanmeerlocaties verbeteren zoals renovatie of nieuwbouw van veerstoepen en aanmeersteigers; wachtruimtes, fietsenstallingen en reisinformatiesystemen. Artikel 13.7 Subsidiehoogte Naar aanleiding van de mogelijkheid een subsidie te verstrekken aan veerinfrastructuur is de subsidie van de provincie Zuid-Holland zoals genoemd in artikel 13.1, aan een maximum gebonden van € 200.000,00 per project echter in uitzonderlijke gevallen kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken bijvoorbeeld in de situatie van urgentie of groot regionaal draagvlak. Terughoudendheid zal hierbij wel worden betracht. Er is geen sprake van een uitzonderlijk geval indien deze wordt gebruikt in normale voorziene gevallen. Artikel 13.10 Verplichtingen van de subsidieontvanger In dit artikel zijn de verplichtingen voor de subsidieaanvrager beschreven. Als verplichting is onder meer in de regeling opgenomen dat de subsidieontvanger het veerinfrastructuurproject uiterlijk binnen twee jaar na subsidieverlening realiseert. Deze verplichting dient ertoe dat de subsidieontvanger het project binnen een redelijke termijn tot uitvoering laat komen. De verplichting om de veerinfrastructuur vijf jaar in stand te houden is opgenomen in de regeling om een duurzame en doelmatige investering tot stand te brengen. Om deze investering nog verder zeker te stellen hebben Gedeputeerde Staten de mogelijkheid een vergoeding voor vermogensvorming op te leggen aan de subsidieontvanger. Deze mogelijkheid ontstaat alleen indien de subsidieontvanger de infrastructuur vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt danwel de exploitatie daarvan beëindigt. De vergoeding bedraagt 1/60 gedeelte van het vastgestelde subsidiebedrag voor iedere maand die verstrijkt nadat zich een geval voordoet als bedoeld in de vorige zin, tot het moment dat er 60 maanden zijn verstreken vanaf het moment waarop de subsidie is verleend. § 16 Energietransitie in mobiliteit De mogelijkheid voor het geven van een subsidie voor projecten, die bijdragen aan de doelen van energietransitie en innovatie bij mobiliteit, is een uitwerking van de in de Visie Ruimte en Mobilit

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.