← Nederland

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland houdende regels omtrent mobiliteitssubsidie (Subsidieregeling mobiliteit Zuid-Holland 20

Obsah (6)Artikel 1Artikel 2Artikel 3Artikel 4Artikel 5Artikel 6

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland houdende regels omtrent mobiliteitssubsidie (Subsidieregeling mobiliteit Zuid-Holland 2017)Gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holla

Artikel 1

.1 Begripsbepalingen In dit artikel zijn de begrippen gedefinieerd die in deze regeling worden gehanteerd. Er is met het oog op de eenduidigheid van de regelgeving binnen de provincie gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de algemene bepalingen in de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland

  1. Artikel 1.2 Bestedingsplan Mobiliteit Het Bestedingsplan Mobiliteit is een uitvoeringsplan van de Subsidieregeling mobiliteit Zuid-Holland. Het bevat een overzicht van de bestedingen en een overzicht van de financiële dekking daarvan. In het Bestedingsplan Mobiliteit worden onder meer de projecten van de regio’s opgenomen die in aanmerking komen voor subsidie op grond van paragraaf
  2. Artikel 1.3 BDU verantwoording Gelden die door het rijk aan de provincie zijn verstrekt op grond van de Wet BDU verkeer en vervoer moeten indien de provincie deze middelen als subsidie heeft verstrekt aan een gemeente of openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regeling nog steeds verantwoord worden volgens de systematiek van “single information, single audit”. Indien dit het geval is, dan blijkt dit uit de subsidieverleningsbeschikking. Artikel 1.4 Weigeringsgronden In de Asv is een imperatieve weigeringsgrond opgenomen voor activiteiten die reeds uitvoering zijn voordat de aanvraag is ingediend. In deze regeling, op grond waarvan met name vaste partners van de provincie subsidie kunnen krijgen wordt dit wenselijk geacht en is er gekozen voor een facultatieve weigeringsgrond. Gelet op het belang van een stimulerend effect dat een subsidie moet hebben indien deze wordt verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening is de imperatieve weigeringsgrond dan wel van toepassing. § 2 Infrastructurele projecten Een deel van het mobiliteitsbudget kan beschikbaar worden gesteld voor regionale infraprojecten. Dit omvat alle infraprojecten, ook de projecten tot aanpassing van infrastructuur om de verkeersveiligheid te verbeteren (duurzaam veiligheid). Paragraaf 2 bevat de juridische basis om voor infraprojecten subsidie te verlenen aan individuele gemeenten, waterschappen en samenwerkingsverbanden. De regio meldt de projecten aan. De regio prioriteert, in samenspraak met de in de regio liggende wegbeherende gemeenten en waterschappen, welke projecten in aanmerking moeten komen voor subsidie. Ook doet de regio een voorstel hoe hoog de bijdrage per project is. De regio mag, bij de verdeling van de haar toekomende middelen, zelf bepalen of deze middelen voor regionale infraprojecten dan wel duurzaam veilig projecten worden aangewend. De regio is verantwoordelijk voor een correcte aanmelding van projecten. Aan het feit dat projecten in het Bestedingsplan Mobiliteit zijn opgenomen, kunnen subsidieaanvragers overigens geen recht op subsidie ontlenen. Daarnaast is het op grond van deze paragraaf mogelijk om subsidie aan te vragen voor de realisatie van een P+R terrein.

Artikel 2

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie In het eerste lid zijn verschillende activiteiten duidelijker en concreter omschreven dan in voorgaande regelingen. Artikel 2.2 Doelgroep De provincie verstrekt deze subsidie niet voor het gehele grondgebied van de provincie. Voor het grondgebied van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag is dit de bevoegdheid van dit openbaar lichaam. Artikel 2.4 Subsidievereisten Op grond van het eerste lid is het essentieel dat projecten zijn opgenomen in het Bestedingsplan Mobiliteit, tenzij zij worden gerealiseerd met gelden die zijn vrijgevallen bij projecten waarvoor subsidie is verleend op grond van de voorgaande regelingen die zijn opgenomen bij bij het begrip vrijvalproject in artikel 1.1. Middelen voor dit soort projecten komen pas beschikbaar nadat een eerder in een vastgesteld Bestedingsplan Mobiliteit opgenomen project is komen te vervallen. Een vrijvalproject is veelal niet eerder als (reserve)project in een Bestedingsplan Mobiliteit opgenomen geweest. Teneinde het herprioriteren van vrijvallende middelen niet tegen te gaan, is het tweede lid opgenomen. Daarnaast is de uitzondering van het tweede lid ook van toepassing op projecten die de realisatie van P+R terreinen voorstaan. Artikel 2.5 Subsidiabele kosten De subsidiabele kosten zijn opnieuw geformuleerd en nu in lijn met SSK. Ook het aanvraagformulier met de bijbehorende projectbegroting zijn hierop aangepast. Artikel 2.6 Niet subsidiabele kosten Ook de niet subsidiabele kosten zijn nu in lijn met SSK. Bij kosten die ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht, kan worden gedacht aan reeds toegezegde bijdragen van derden of projectkosten die, op grond van sober- en doelmatigheid, niet in aanmerking komen voor subsidie. Te denken valt hierbij aan kosten die een direct gevolg zijn van een ander project of van bovenmatige eisen niet direct gerelateerd aan de functionaliteit van de betrokken infrastructuur, zoals architectuur of ruimtelijke uitstraling. Bij kosten die zijn toe te rekenen aan achterstallig onderhoud, kan worden gedacht aan kosten die moeten worden gemaakt om wegdek of riolering te herstellen doordat er onvoldoende onderhoud in het verleden heeft plaatsgevonden. Ook de kosten van algemeen bestuurlijke aard komen niet voor subsidie in aanmerking aangezien zij buiten de definitie vallen van het verkeer- en vervoerbeleid. Deze worden van oudsher reeds vanuit andere middelen gedekt. Artikel 2.8 Intrekking De intrekkingsgrond in het eerste lid is nu imperatief geformuleerd. Dit artikel verschaft de titel om onder voorwaarden een subsidieverleningsbeschikking in te trekken. Dit kan indien een project niet doorgaat of aanbesteding en gunning van het werk nog niet hebben plaatsgevonden binnen zes maanden. Uitzondering hierop kan worden gemaakt indien de wegbeheerder tijdig de vertraging schriftelijk heeft gemeld en een onderbouwing wordt gegeven van de oorzaken van de vertraging en waarom deze niet te voorzien waren op het moment dat de aanvraag werd ingediend. Artikel 2.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger De bewaking van de voortgang van het project is belangrijk in die zin dat als er geen activiteiten worden uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van het project, de subsidieverlening op grond van artikel 4:48 Awb ten nadele van de subsidieontvanger gewijzigd kan worden. Artikel 2.10 Prestatieverantwoording In beginsel is de verantwoordingssystematiek van het Uniform Subsidie Kader van toepassing. Dit is niet het geval indien de subsidie wordt verstrekt met gebruikmaking van BDU-middelen. In dat geval verantwoorden gemeenten en samenwerkingsverbanden de subsidie op grond van deze regeling jaarlijks in één keer in de SiSa-bijlage (Single information, Single audit) bij hun jaarrekening. Voor de overige ontvangers geldt de wijze van vaststelling zoals genoemd in dit artikel. § 3 Regionaal openbaar vervoer over weg en spoor Op grond van artikel 20, tweede lid van de Wet personenvervoer 2000 zijn Gedeputeerde Staten bevoegd tot het verlenen, wijzigen of intrekken van concessies voor openbaar vervoer, anders dan openbaar vervoer per trein binnen de provincie, met uitzondering van het gebied van de Metropolregio Rotterdam Den Haag. Het betreft openbaar vervoer per bus en trein. Een concessie wordt verleend voor meerdere jaren. Ieder jaar wordt door de concessieverlener (provincie) de exploitatiebijdrage verstrekt aan de concessiehouder (vervoerder). Paragraaf 3 bevat hiertoe de juridische basis.

Artikel 3

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie Subsidie op grond van dit artikel wordt verleend voor de duur van de concessie in de vorm van een boekjaarsubsidie of projectsubsidie. In artikel 22 van de Wet personenvervoer 2000 is aan concessieverleners de bevoegdheid gegeven om subsidie voor openbaar vervoer te verstrekken. Artikel 3.4 Subsidievereisten Subsidie op grond van dit artikel wordt geweigerd als de concessie bij de desbetreffende activiteit niet de mogelijkheid van subsidiëring vermeld. Artikel 3.5 Subsidiehoogte De subsidiehoogte kan jaarlijks worden geïndexeerd conform de voorschriften uit de concessiebeschikking dan wel hetgeen hierover is opgenomen in het programma van eisen. De hoogte van de exploitatiebijdrage is in de concessie vermeld. § 4 Regionaal openbaar vervoer over water Op grond van artikel 7 van het Besluit personenvervoer 2000 wordt passagiersvervoer over water omschreven als een voor een ieder openstaand personenvervoer dat volgens een dienstregeling personen per passagierschip vervoert. Ieder jaar wordt door de provincie de exploitatiebijdrage verstrekt aan de vervoerder. Paragraaf 4 bevat hiertoe de juridische basis.

Artikel 4

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie Dit artikel vormt de basis om jaarlijks een boekjaarsubsidie te verlenen aan vervoerders die het passagiersvervoer over water mogelijk maken. Daarnaast kunnen ook projectsubsidies worden verstrekt. Artikel 4.5 Subsidiehoogte De subsidiehoogte voor de boekjaarsubsidie kan jaarlijks worden geïndexeerd conform de voorschriften uit de overeenkomst. De hoogte van de exploitatiebijdrage is in de overeenkomst vermeld. § 5 Collectief vraagafhankelijk vervoer Het vraagafhankelijk doelgroepenvervoer kent verschillende vormen. De provincie is verantwoordelijk voor het zogenaamde Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV). De provinciale rol beperkt zich bij deze vervoersvorm tot de openbaar vervoer component. Het CVV wordt, zoals uit de toelichting op artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000 blijkt, door middel van overeenkomsten geregeld. Voor de subsidieverlening wordt deze regeling gevolgd. Vele subsidieverplichtingen worden in de overeenkomst opgenomen, omdat dit de vorm is die op grond van de wet gekozen moet worden.

Artikel 5

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie Dit artikel vormt de basis om jaarlijks subsidie te verlenen aan die instanties die het vervoer rondom het collectief vraagafhankelijk vervoer mogelijk maken. Hierbij kan worden gedacht aan de Stichtingen die het CVV-vervoer voor de Hopper-systemen dan wel de samenwerkingsorganen die de Regiotaxisystemen verzorgen. Het collectief vraagafhankelijk vervoer wordt conform artikel 6 van het Besluit personenvervoer 2000 door middel van overeenkomsten geregeld. Artikel 5.5 Subsidievereisten Met betrekking tot de aanvraag om subsidie is bepaald dat een daartoe ingediende begroting als aanvraag voor subsidie geldt. Hiermee wordt aangesloten bij de bestaande praktijk. Artikel 5.6 Subsidiabele kosten Dit artikel geeft de kostensoorten weer die de grondslag vormen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. In de overeenkomst die subsidieontvanger met de vervoerder heeft gesloten, zijn de kosten opgenomen die als exploitatiekosten zijn aan te merken. In de samenwerkingsovereenkomst die de subsidieontvanger met de provincie heeft gesloten is meestal een vast bedrag voor de instandhouding van de stichting dan wel regio (samenwerkingsverband) vastgelegd. Deze kosten zijn als beheerskosten aan te merken. § 6 en § 7 Oprichting en instandhouding buurtbusverenigingen Buurtbussenverenigingen rijden busroutes met een vaste dienstregeling, waarbij de busjes bestuurd worden door vrijwilligers. Het materieel wordt ter beschikking gesteld door de vervoerder, die hiervoor een bijdrage van de provincie ontvangt. De buurtbusvereniging ontvangt ook een bijdrage van de provincie, voor het in stand houden van de vereniging. Ook bestaat de mogelijkheid om eenmalig subsidie aan te vragen voor de oprichting van een nieuwe buurtbusvereniging. Vrijwilligers hoeven daardoor niet te wachten tot zij een boekjaarsubsidie kunnen aanvragen en deze ook uitgekeerd krijgen, maar worden in staat gesteld om al gedurende het lopende jaar hun initiële kosten vergoed te krijgen. De subsidies voor de oprichting en instandhouding van buurtbusverenigingen kunnen gelet op de hiermee gemoeide bedragen en rekening houdend met het USK direct worden vastgesteld zonder verlening. Voor de controle op misbruik en oneigenlijk gebruik zullen na afloop van de activiteit of het boekjaar waarvoor de subsidie is verstrekt, steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd. Gelet op de nauwe beleidsmatige betrokkenheid van de provincie bij het openbaar vervoer lijkt er hierbij sprake te zijn van een laag risico.

Artikel 6

.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie Gedeputeerde Staten beogen met de toekenning van de eenmalige subsidie voor buurtbusverenigingen of buurtbusverenigingen in oprichting het opstarten van de vereniging te vergemakkelijken en te versnellen. Artikel 6.2 Doelgroep Buurtbusverenigingen kunnen deze subsidie zowel net voor als net na hun feitelijke oprichting aanvragen. Daarom is zowel de buurtbusvereniging als de buurtbusvereniging in oprichting benoemd als doelgroep. De weigeringsgrond zoals genoemd in artikel 11, eerste lid, onder a van de Asv is hier, voor wat betreft de buurtbusverenigingen die al zijn opgericht, niet van toepassing. Artikel 6.3 Weigeringsgronden Omdat niet alleen een buurtbusvereniging een subsidie kan aanvragen, maar ook een buurtbusvereniging in oprichting, moet misbruik van de subsidie zoveel mogelijk worden voorkomen. Het feit dat de buurtbusvereniging of buurtbusvereniging in oprichting met de concessiehouder in contact treedt over het buurtbusproject en dat de concessiehouder bevestigt dat het in de lijn der verwachting ligt dat er een contract wordt afgesloten, bevestigt dat de intentie en capaciteiten goed zijn. Daarnaast is van belang dat ook de betrokken provinciale concessiebeheer bevestigt dat er serieuze contacten met de buurtbusvereniging of buurtbusvereniging in oprichting zijn. In de praktijk kan het gaan om een telefonische of schriftelijke bevestiging van de vervoerder die aangeeft dat zij inschat dat de buurtbusvereniging of buurtbusvereniging in oprichting de intentie en de capaciteiten heeft om het buurtbusproject ook daadwerkelijk uit te voeren. Deze werkwijze geeft voldoende zekerheid dat de subsidie ook aangewend zal worden voor het doel waarvoor ze bedoeld is. Artikel 6.4 Subsidievereisten De vervoerder stelt materiaal (de buurtbusjes) ter beschikking aan een buurtbusvereniging. Net als bij artikel 6.3 bevestigt de vervoerder dat het in de lijn der verwachting ligt er een contract wordt afgesloten. Dit hoeft overigens niet te betekenen dat de buurtbusvereniging ook daadwerkelijk een buurtbusproject gaat rijden. Er kunnen altijd organisatorische, verkeerskundige, politiek-bestuurlijke of andere redenen zijn die verhinderen dat het buurtbusproject uiteindelijk zijn doorgang vindt. Artikel 7.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie De buurtbusvereniging bestaat uit vrijwilligers die chauffeursdiensten organiseren en uitvoeren. De uitwerking van de taken van de vrijwilligers staan in de overeenkomst die met vervoerders is afgesloten. Artikel 7.3 Subsidievereisten In de Regeling Vaststelling Kenmerken en Startvoorwaarden Buurtbusprojecten provincie Zuid-Holland 2006 zoals deze door Gedeputeerde Staten met ingang van 1 juli 2006 is vastgesteld, zijn de voorwaarden opgenomen waar een buurtbusproject aan moet voldoen om door Gedeputeerde Staten erkend te worden. § 8. Toegankelijkheid bushaltelocaties Het streven van de provincie is om zo veel mogelijk bushaltes toegankelijk te maken voor minder validen. Het betreft zowel bushaltes naast provinciale wegen als bushaltes aan wegen waarvoor gemeenten of waterschappen wegbeheerder zijn. Voor het toegankelijk maken van een halte aan een gemeentelijke weg, kan een gemeente subsidie aanvragen. Voor een volledige beschrijving van het provinciale beleid met betrekk

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.