← Nederland

Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 28 augustus 2012, nr. 80B5BE58, tot vaststelling van de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal

Besluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 28 augustus 2012, nr. 80B5BE58, tot vaststelling van de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie UtrechtBesluit van gedeputeerde staten van Utrecht van 28 augustus 2012, nr. 80B5BE58, tot vaststelling van de Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht Gedeputeerde staten van Utrecht; Gelet op de artikelen 4, vierde lid en 11, derde lid van de Wet inrichting landelijk gebied Gelet op artikel 4:25 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 4, 6, 28 en 29 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht; Overwegende dat het wenselijk is de Uitvoeringsverordening subsidie Inrichting Landelijk Gebied provincie Utrecht te wijzigen in verband met de herijking van het meerjarenprogramma voor het landelijk gebied, Agenda Vitaal Platteland; Besluiten de volgende uitvoeringsverordening vast te stellen: Uitvoeringsverordening subsidie Agenda Vitaal Platteland provincie Utrecht Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze uitvoeringsverordening wordt verstaan onder: Asv: Algemene subsidieverordening provincie Utrecht; Index natuur en landschap: gemeenschappelijke natuurtaal die de typen natuur, agrarische natuur en landschap in Nederland beschrijft. De index is de basis voor de bepaling van de beheervergoedingen en -voorschriften. Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP): het Plattelandontwikkelingsprogramma 2007-2013 (afgekort POP2) is de invulling van de mogelijkheden die het Europese Plattelandsbeleid voor Nederland biedt. Het programma is gericht op: het versterken van de landbouwsector; het verbeteren van de natuur en het milieu; de leefbaarheid op het platteland en de diversificatie van de plattelandseconomie; LEADER; Landbouwonderneming: kleine en middelgrote landbouwbedrijven die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten; Micro-onderneming: een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen Euro niet overschrijdt; Gebiedscommissie: adviescommissie in het kader van Agenda Vitaal Platteland ingesteld op basis van artikel 82 van de provinciewet; Programmabureau: ondersteunend bureau werkzaam in het kader van Agenda Vitaal Platteland. Het programmabureau is het eerste aanspreekpunt voor subsidieaanvragers; Gebiedsprogramma: meerjarig programma van de 2 gebieden in het kader van Agenda Vitaal Platteland. Het gebiedsprogramma geeft voor elk gebied zowel invulling aan de inhoudelijke doelen voor het gebied als de noodzakelijke middelen voor het realiseren daarvan; Voorbereidingskosten: kosten die gemaakt worden voorafgaand aan de datum van ontvangst van de subsidieaanvraag door Gedeputeerde Staten. Het gaat om kosten die noodzakelijk zijn voor het uitvoeringsgereed maken van het project; Kosten onvoorzien: het deel van de begroting dat gereserveerd wordt voor onvoorziene uitgaven; Loonkosten eigen personeel: de loonkosten van het direct met het project belaste personeel bestaat uit de volgende 2 componenten: een uurtarief berekend op basis van de verzamelloonstaat van de betrokken projectmedewerker(s), exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke of op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, gedeeld door het aantal productieve uren; een opslag voor algemene kosten met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezicht en van leidinggevend personeel ten bedrage van maximaal 20 % van het onder 1 bedoelde uurtarief. De werkzaamheden moeten rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van het ondersteunde project en mogen niet voortvloeien uit reguliere taken of wettelijke verantwoordelijkheden; Kosten voor kavelaanvaardingswerkzaamheden: werkzaamheden die een causaal verband hebben met de toedeling in het ruilschema van een kavelruil om de betrokken ondernemers tot een vergelijkbaar agrarisch productieniveau te brengen ten opzichte van de situatie voorafgaand aan de kavelruil; Nb-wetterreinen: natuurbeschermingswetterreinen; dit zijn gebieden met een bijzondere natuurkwaliteit; Niet-productieve investeringen: in navolging van artikel 29 van EU verordening 1974/2006 wordt onder niet-productieve investeringen verstaan ’investeringen die geen aanmerkelijke stijging van de waarde of rentabiliteit van het landbouw- of bosbouwbedrijf tot gevolg hebben’; Ecologische Hoofdstructuur (EHS): gebieden die in de geldende provinciale structuurvisie zijn aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur; Stapsteen: een (klein) natuurterrein langs een ecologische verbindingszone waar soorten zich wat langer kunnen ophouden; Natuurbeheerplan: het geldende provinciale natuurbeheerplan; Soortbeschermingsplannen: door het Rijk of de provincie Utrecht opgesteld plan waarin een strategie is beschreven om de kans op duurzaam voortbestaan voor een of enkele soorten te vergroten; Leefgebiedenbenadering: nieuwe vorm van soortbescherming gericht op de leefgebieden van (groepen van) soorten; Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer: Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer provincie Utrecht en Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap provincie Utrecht; (Sub)Top-gebieden: de door de provincie en het Rijk aangewezen natuurgebieden waar de bestrijding van verdroging wordt aangepakt; Groenblauwe diensten: activiteiten op het gebied van natuur, water, landschap (inclusief cultuurhistorie) en toegankelijkheid die de kwaliteit van het landelijk gebied verhogen. De diensten gaan verder dan waartoe de beheerder wettelijk is verplicht en worden vrijwillig, meestal tegen een vergoeding, uitgevoerd; Kleine kern: een woonkern met een inwonertal tussen de 400 en 4000 inwoners; Poort: een toeristisch-recreatief attractiepunt dat als bestemming functioneert, een knooppunt van wandel-, fiets- en vaarroutes treft én waar men het achterliggende toeristisch-recreatieve gebied ervaart; Toeristisch overstappunt (TOP): een plek waar de lokale of regionale bezoeker kan starten met een recreatieve activiteit in het gebied dat vanuit het TOP wordt ontsloten. Een TOP is geen attractie en hoeft een bezoek niet vast te kunnen houden. Idealiter is het wel een pleisterplaats waar de recreant op een comfortabele wijze zijn wandeling, fiets- of vaartocht begint of eindigt met bijvoorbeeld kleinschalige horeca en diensten. Onderwaterdrainage: een drainagesysteem dat ingezet wordt om water in de bodem te infiltreren; Probleemgebieden: gebieden die door de lidstaten als zodanig zijn aangewezen op grond van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1257/1999; collectief voor agrarisch natuurbeheer: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond, die beschikt over een certificaat collectief agrarisch natuurbeheer, overeenkomstig de artikelen 3.1 en 3.4, lid 1, sub a, van deSubsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016; Natuurbeheerplan 2016: door Gedeputeerde Staten van Utrecht op 14 april 2015 vastgesteld Natuurbeheerplan 2016 voor de provincie Utrecht; positief beschikte gebiedsaanvraag ANLb 2016: een in 2015 verleende subsidie aan een collectief voor agrarisch natuurbeheer op basis van de artikelen 3.1 tot en met 3.15 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer provincie Utrecht 2016. Artikel 1.2 Hoogte subsidie In aanvulling op artikel 12 van de Asv en de bijzondere bepalingen in de hoofdstukken 2 tot en met 5 behoren tot de subsidiabele kosten in ieder geval niet: kosten die uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd; verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten; kosten van bodemsanering voor zover verhaal op de vervuiler of een beroep op fondsen mogelijk is; kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes of sancties; kosten van activiteiten die redelijkerwijs kunnen worden gedekt uit de inkomsten die met deze activiteiten verband houden; kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen. Artikel 1.3 Gegevens aanvraag In aanvulling op art. 7 van de Asv overlegt de aanvrager in het geval van een aanvraag in het kader van POP2 de volgende gegevens: de financiële planning in perioden van drie maanden; als subsidie ten behoeve van een samenwerkingsverband wordt aangevraagd, verstrekt de aanvrager een overzicht van alle andere subsidies die betrokken ondernemingen in de drie jaren die aan de aanvraag zijn vooraf gegaan, heeft verkregen of aangevraagd voor iedere deelnemer in het samenwerkingsverband en tevens een exemplaar van de samenwerkingsovereenkomst. Artikel 1.4 Subsidieplafond De subsidieplafonds voor het tijdvak 2013 tot en met 2015 bedragen: Tabel subsidieplafondsMIDDELEN BEDRAG SUBSIDIEPLAFOND AVP Gebiedsprogramma Oost € 4.200.000 Gebiedsprogramma West (Excl. regeling voor de onderwaterdrainage) € 12.300.000 Programma Nieuwe hollandse Waterlinie € 3.400.000 Recreatie om de stad Utrecht Beheer recreatieterreinen van Staatsbosbeheer € 541.081 Bethunepolder € 970.000 Overgangsregeling Agrarisch Natuurbeheer 2015 € 200.000 Regeling niet productieve investeringen agrarisch natuurbeheer 2015 € 550.000 Voorfinanciering organisatiekosten collectieven agrarisch natuurbeheer € 700.000 Totaal €22.861.081 Hoofdstuk 2 Thema Natuur Artikel 2.1 Ontpachting op landgoederen 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het pachtvrij maken van landbouwgrond op landgoederen in samenhang met het verplaatsen van een agrarisch bedrijf naar elders. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien zij leiden tot: het ontwikkelen van tenminste 10 ha natuur in de Ecologische Hoofdstructuur; het verbeteren van de landbouwstructuur; en het verbeteren van de bedrijfssituatie van het te verplaatsen bedrijf. 3 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal € 10.000 per ha. Tot de subsidiabele kosten behoren uitsluitend: kosten voor het afkopen van pachtrecht; daaraan gerelateerde notariskosten. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan particuliere landgoedeigenaren, behoudens landbouwondernemingen. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. 6 Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de Asv geldt dat binnen twee jaar na de subsidieverlening een kwalitatieve verplichting natuur op de vrijgemaakte gronden wordt gevestigd. 7 Europese regelgeving Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun. Artikel 2.2 Kwaliteitsverbetering Natuur 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht voor de volgende activiteiten: het uitvoeren van onderzoek, voor zover noodzakelijk ter voorbereiding of evaluatie van de uitvoering van één of meer van de overige te subsidiëren activiteiten; het uitvoeren van specifieke maatregelen voor de verbetering van de kwaliteit van het leefgebied van soort(groep)en; het afgraven en afvoeren van grond, humus of bagger; het verwijderen of omvormen van ongewenste begroeiing waarbij voor de bestrijding van exoten in bos geldt dat de bedekking van de exoten gezamenlijk tenminste 50% moet zijn; het aanleggen of herstellen van beplanting; het plaatsen of verwijderen van stuwen, dammen, duikers en het uitvoeren van andere maatregelen die nodig zijn voor het wijzigen van de waterhuishouding; het plaatsen of verwijderen van oeverbescherming; het plaatsen of verwijderen van rasters; het verwijderen van opstallen; het herstellen of aanleggen van wegen en paden indien dit voor het natuurbeheer noodzakelijk is; het aanleggen, herstellen of zichtbaar maken van kleinschalige natuurelementen en groene cultuurelementen in bos en natuurterrein voor zover dit projectmatig, dus niet op incidentele basis, wordt uitgevoerd; het aanleggen van faunapassages, ecoducten en voorzieningen voor vismigratie; het uitvoeren van beheermaatregelen in particuliere natuurbeschermingswetgebieden; het uitvoeren van beheerexperimenten gedurende een periode van maximaal drie jaar. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien ze leiden tot: het verbeteren van de natuurkwaliteit in de Ecologische Hoofdstructuur; het verbeteren van de natuurkwaliteit buiten de Ecologische Hoofdstructuur, voor zover dit bijdraagt aan het duurzaam in stand houden van populaties van bedreigde inheemse soorten van een vastgestelde Rode Lijst of Oranje Lijst en opgenomen in het Uitwerkingsplan Leefgebiedenbenadering Provincie Utrecht

(2009); of het verbeteren van migratiemogelijkheden van soorten. De subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, voldoen in ieder geval aan de volgende criteria: de activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a zijn noodzakelijk als voorbereiding voor de uitvoering van één of meer van de overige activiteiten; het moet gaan om eenmalige activiteiten; beheermaatregelen komen niet voor subsidie in aanmerking, met uitzondering van de activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder sub m en n; aan de activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a, zijn concreet uitvoerbare maatregelen of projecten gekoppeld die minimaal 50% van de subsidie omvatten; De subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, maken zoveel mogelijk gebruik van c.q. dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria: duurzame en natuurlijke materialen gebruikt; inheems en autochtoon plant- en zaaigoed en vastgestelde rassenlijsten; cofinanciering vanuit het gebied; gebiedsgericht werken; integrale beleidsuitvoering op het gebied van natuur, bodem, water, landschap en ruimte; de samenwerking tussen verschillende partijen en de gezamenlijke verantwoordelijkheid in het gebied; het verbeteren van het leefgebied van een groep van soorten in plaats van één of enkele soorten. 3 Weigeringsgrond Subsidie kan worden geweigerd indien voor de activiteiten reeds subsidie is verkregen op grond van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap provincie Utrecht. 4 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt: maximaal 95% van de subsidiabele kosten. GS kunnen afwijken van het maximum percentage op grond van bestaande afspraken tussen partijen of als de aard of de doelstelling van zowel de werkzaamheden als de aanvrager een hogere eigen bijdrage van de aanvrager rechtvaardigt; Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten: kosten voor de aanleg van parkeergelegenheid; de kosten voor de uitvoering van maatregelen in tuinen of (landgoed)parken, waaronder het baggeren van vijvers en waterpartijen daarin. 5 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: eigenaren en beheerders van landbouwgrond; eigenaren en beheerders van natuurterrein, waaronder particuliere natuurbeheerders; agrarische natuurverenigingen; overheden; stichtingen of verenigingen die blijkens de statuten actief zijn op het gebied van soortenbescherming of (agrarisch) natuurbeheer; particulieren. 6 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. 7 Verplichtingen subsidieontvanger In aanvulling op de Asv geldt het volgende: de gesubsidieerde activiteiten worden gedurende tenminste vijf jaar in stand gehouden; afhankelijk van de grootte en complexiteit van het project neemt een medewerker van de subsidieverstrekker zitting in een begeleidingsgroep van het project. 8 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 Aanvragen van landbouwondernemingen voor het uitvoeren van activiteiten genoemd in het eerste lid worden getoetst overeenkomstig de voorwaarden van de Catalogus Groene Blauwe Diensten. Artikel 2.3 Verdrogingsbestrijding 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in de artikelen 28 en 29, onder b en c, van de Asv die de aanpak van verdroging van natuur in TOP- en SUBTOP-gebieden tot doel hebben. De subsidiabele activiteiten betreffen: uitvoering van inrichtingsmaatregelen; het plaatsen of verwijderen van stuwen, dammen, duikers en het uitvoeren van andere maatregelen die nodig zijn voor het wijzigen van de waterhuishouding; vergoeding van voorzienbare schade of compenserende maatregelen aan derden in relatie tot activiteiten, genoemd onder a of b. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien de maatregelen plaats vinden in en rondom gebieden die zijn opgenomen in de TOP lijst (TOP en Sub-TOP) van de provincie Utrecht. 3 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt maximaal 95% van de subsidiabele kosten; Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: kosten voor de vergoeding van voorzienbare schade of compenserende inrichtingsmaatregelen; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: eigenaren en beheerders van natuurterrein, waaronder particuliere natuurbeheerders; eigenaren en beheerders van landbouwgrond; agrarische natuurverenigingen; rechtspersonen; particulieren. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden; Indien de aanvraag voorziet in activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder c, dient de aanvraag voorzien te zijn van een plan waarin deze (mitigerende) activiteiten nader zijn omschreven. 6 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 De activiteiten ten behoeve van verdrogingsbestrijding, genoemd in het eerste lid zijn nietproductieve investeringen. Artikel 2.4 Verbeteren waterkwaliteit 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die bijdragen aan de verbetering van de waterkwaliteit door middel van: het opstellen (door derden) van een waterkwaliteitsverbeterings- / inrichtingsplan; maatregelen voor herstel of aanleg van landschappelijke elementen; grondverzet; het plaatsen van een raster; afvoer van grond, of overige maatregelen voor zover noodzakelijk in verband met de desbetreffende inrichting; de inrichting van natuurvriendelijke oevers; bestrijding van eutrofiëring in natuurgebieden door: de aanleg van dammen en stuwen; het verleggen van waterstromen; het scheiden van waterstromen; het aanleggen van helofytenfilters daar waar de problemen zijn ontstaan door diffuse lozingen en derden daarvoor niet aansprakelijk gesteld kunnen worden; de aanleg van slibbezinkbassins; het toevoegen van ijzer aan de waterbodem; baggeren, verdiepen en vergroten van watergangen; aanleggen van defosfateringsinstallaties; uitbreiding van het areaal open water. herstel oorspronkelijke uiterlijke verschijningsvormen van watersystemen; vasthouden gebiedseigen water door: aanleggen van bekkens; plaatsen van stuwen of cascades; werken uit te voeren gericht op het laten meanderen van beken, verondiepen en verbreden van de watergangen; verbeteren waterkwaliteit buiten natuurgebieden door: realiseren van nulbemesting langs waterkanten; sanering riooloverstorten, voor zover bovenwettelijk; het scheiden van waterstromen; het verleggen van waterstromen. de uitvoering van projecten passend binnen maatregel 216 “Niet productieve investeringen” van het POP2 programma gericht op activiteiten als bedoeld onder a tot en met j. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder k, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende criteria is voldaan: de maatregelen zijn éénmalige maatregelen die ten goede komen aan de nutriëntenproblematiek; en de inrichtingsmaatregelen vinden plaats op landbouwgrond dan wel aan landbouwgrond grenzende gronden voor zover er sprake is van beïnvloeding van de waterhuishouding door de landbouw; De subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria: de uitvoering van het SGBP Rijndelta; het bereiken van KRW doelstellingen; de verhoging van de biodiversiteit; vergroting van het waterbergend vermogen; of verbeteren van landschappelijke kwaliteit. 3 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 95% van de subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met j; De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder k, tot een maximum van € 250.000. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; de kosten van overige maatregelen voor zover noodzakelijk in verband met de desbetreffende inrichting. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten: de verwijdering van bodemverontreiniging of afval; kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen; achterstallig onderhoud aan landschappelijke elementen; kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materialen, anders dan ten behoeve van het treffen van maatregelen als bedoeld in de categorie subsidiabele kosten; grondaankoop buiten de EHS ten behoeve van uitbreiding natuurgebieden voor het realiseren van KRW-maatregelen. 4 Subsidieontvanger Subsidie voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met j, kan worden verstrekt aan: eigenaren en beheerders van natuurterrein, waaronder particuliere natuurbeheerders; eigenaren en beheerders van landbouwgrond; agrarische natuurverenigingen; rechtspersonen; particulieren. Subsidie voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder k, kan worden verstrekt aan: Waterschappen; Landbouwondernemingen. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. 6 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland zal voor dit onderdeel primair gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel is de maatregelen 216 ”Niet productieve investeringen” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen en aanvullende nationale financiering worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan. Artikel 2.5 Communicatie, educatie en onderzoek ten behoeve van natuur en landschap 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op: het ontwikkelen en aanbieden van communicatieuitingen; het ontwikkelen en uitvoeren van educatieve projecten; het ontwikkelen en uitvoeren van activiteiten die bijdragen aan de versterking van draagvlak voor natuurbeleid; het uitvoeren van natuur- en landschapsgericht onderzoek. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende criteria is voldaan: de activiteiten hebben bovenlokaal niveau door zich te richten op ten minste drie kernen; de deelnemers aan de activiteiten of de anderen die van de activiteiten profijt hebben, leveren een bijdrage in de kosten; en de activiteiten leveren een bijdrage aan versterking van het draagvlak voor het natuur- en landschapsbeleid. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt aan de hand van het projectvoorstel de mate van integraliteit en de vorm van samenwerking beoordeeld. Projecten die gericht zijn op samenwerking of functies in het landelijk gebied integreren, hebben voorrang boven op zichzelf staande projecten. 3 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten. In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie ten behoeve van projecten in het kader van een uitvoeringsprogramma Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten; Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie; kosten voor de inzet van vrijwilligers; kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten; reiskosten; accountantskosten, voor zover van toepassing; kosten onvoorzien tot een maximum van 7% van de projectkosten. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: overheden; stichtingen en verenigingen op het gebied van natuur en landschap. coöperatie 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. 6 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 323 “Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed” en 413 “Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan. Artikel 2.6 Programmasubsidie waterschappen 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 en artikel 29, onder b en c, van de Asv die gericht zijn op één of meer van de volgende doelen: aanpak verdroging van natuur in N2000- TOP- en Sub-TOP-gebieden; realisatie (proceskosten, grondverwerving en inrichting) van herstel van natuurlijke watersystemen ten behoeve van Europese verplichtingen vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW); waterhuishoudkundige aanpassingen voor realisatie van de ecologische hoofdstructuur. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: de maatregelen hebben een significant positief effect op de hydrologische omstandigheden in de TOPlijst-gebieden (TOP en Sub-TOP), in relatie tot de te bereiken natuurdoelen; en de maatregel is realiseerbaar in afweging met andere door de provincie nagestreefde doelen. 3 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt minimaal € 125.000. 4 Subsidieontvanger Subsidie kan worden verstrekt aan de volgende waterschappen: Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Vallei & Veluwe; Amstel, Gooi en Vecht. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag kan meerdere TOP- en Sub-TOPgebieden omvatten. De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden; In aanvulling op artikel 7, tweede lid, van de Asv bevat de aanvraag: de bijdrage die de aanvrager zal leveren bij de aanpak van de doelen, genoemd in het eerste lid, in concrete, meetbare termen, voor het tijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft; een begroting van de kosten van de uitvoering, bestaande uit voor de uitvoering benodigde middelen van de provincie en van de beschikbare middelen van de aanvrager zelf, alsmede van de middelen die door andere overheden of private partijen ter beschikking worden gesteld; een planning van de activiteiten en uitgaven voor de periode van de eerstvolgende twaalf maanden; de wijze waarop de voortgang van de uitvoering wordt bewaakt. 6 Verplichtingen In aanvulling op de ASV gelden gedurende de uitvoering van het project de volgende verplichtingen ten aanzien van de rapportage over de voortgang van het project: Er wordt jaarlijks een inhoudelijk verslag ingediend van de uitgevoerde werkzaamheden; Er wordt jaarlijks een planning ingediend van de activiteiten en uitgaven voor de periode van de eerstvolgende twaalf maanden Artikel 2.7 Overgangsregeling Agrarisch Natuurbeheer 2015 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het uitvoeren van beheermaatregelen voor de in bijlage 7 lijst van beheerpakketten. 2 Nadere criteria De beheermaatregelen, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien de beheermaatregelen worden uitgevoerd binnen een terrein aangewezen in het Natuurbeheerplan. In aanvulling hierop gelden de volgende criteria: de beheermaatregelen voldoen aan het natuurbeheerplan; de beheermaatregelen worden uitgevoerd op landbouwgrond of ten behoeve van landschapselementen of watergangen direct grenzend aan landbouwgrond; de beheermaatregelen voldoen aan de instapeisen zoals omschreven in de index natuur en landschap. 3 De hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: kosten van arbeid voor het uitvoeren van de beheerpakketten; gederfde inkomsten als gevolg van het uitvoeren van de beheerpakketten; 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: Stichting Subsidiestelsel Natuur en Landschap Benschop Agrarische Natuurvereniging Lopikerwaard Agrarische Natuur - en Landschapsvereniging de Utrechtse Venen Agrarische Natuur- en Milieuvereniging Vallei Horstee 5 Verplichtingen subsidieontvanger De aanvrager ziet er op toe dat de beheervoorschriften van de beheerpakketten uit de index natuur en landschap worden nageleefd. 6 Aanvraag De subsidieaanvraag kan tot en met 27 februari 2015 worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een topografische kaart met de ligging van de percelen en het op dat perceel aanwezige beheertype en een tabel met de totale oppervlakte per beheertype. 7 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien de subsidie voldoet aan de Catalogus Groenblauwe diensten zoals goedgekeurd door de Europese Commissie (Besluit N323/2010, JOCE C/210/2011) Artikel 2.8 Niet-productieve investeringen agrarisch natuurbeheer 2015 1Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv, die gericht zijn op: niet-productieve investeringen voor het realiseren van plas/dras en hoog waterpeil ten behoeve van het leefgebied open grasland en de aanleg van natuurvriendelijke oevers ten behoeve van de purperreiger, zoals opgenomen in een positief beschikte gebiedsaanvraag AN-Lb 2016; de aanleg van natuurvriendelijke oevers die het mogelijk maakt de positief beschikte gebiedsaanvraag ANLb 2016 vanaf 2017 uit te breiden voor wat betreft het beheer van natuurvriendelijke oevers ten behoeve van de purperreiger door het indienen van een uitbreidingsaanvraag in 2016 en die bijdraagt aan het in Natuurbeheerplan 2016 van de provincie Utrecht geambieerde beheer voor de purperreiger. 2 Weigeringsgrond Conform artikel 1, lid 5, sub (
  1. a)van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard; Conform artikel 1 lid 6 van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden. 3 Hoogte subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt mininaal € 3000,--; De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 300.000. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden aangevraagd door een collectief voor agrarisch natuurbeheer werkzaam in de provincie Utrecht. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan tot en met 7 december 2015 worden ingediend; De aanvraag dient, voor zover het investeringen betreft voor het realiseren van plas/dras en hoog waterpeil, voorzien te zijn van een advies van het waterschap van het gebied waarin de activiteiten plaatsvinden. 6 Verplichtingen subsidieontvanger De gesubsidieerde activiteiten worden tenminste tot en met 2021 in stand gehouden. 7 Europese regelgeving Subsidie kan worden verleend overeenkomstig de hiervoor genoemde voorwaarden waarbij hoofdstuk 1 en artikel 14 van Verordening (EU), nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren van toepassing is. Artikel 2.9 Onderzoek, experimentele ontwikkeling en pilots veenweidenproblematiek (watersysteem, bebouwing en infrastructuur) 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv, die gericht zijn op het beperken van bodemdaling, het beperken van de nadelige effecten van bodemdaling of het realiseren van een duurzaam watersysteem in het Utrechtse veenweidegebied door middel van onderzoek, experimentele ontwikkeling of pilotprojecten: innovaties in het watersysteem; innovaties in het gebruik, het beheer en de realisatie van infrastructuur in het buitengebied; innovaties in de realisatie en het beheer van bebouwing in het buitengebied. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a, richten zich zoveel mogelijk op het volgende: het verbeteren van de waterkwaliteit; het vergroten van biodiversiteit; het voorkomen van wateroverlast en/of watertekorten; het vergroten van de efficiëntie in het waterbeheer; het aanpassen van het watersysteem aan innovatieve vormen van grondgebruik. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder b en c, richten zich zoveel mogelijk op het volgende: het beperken van de belasting en beheerskosten van infrastructuur; het beperken van de effecten van bodemdaling op bebouwing. 3 Weigeringsgrond Conform artikel 1, lid 4, sub (
  2. a)van Verordening (EU) nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1, wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. Conform artikel 1 lid 4 sub (
  3. c)van Verordening (EU) Nr. 651/2014, pbEU 2014, L187/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden. 4 Hoogte van de subsidie Voor activiteiten zoals bedoeld in dit artikel bedraagt de totale bijdrage maximaal 50% van de subsidiabele kosten met inachtneming van artikel 25, lid 5 en 6 van Verordening (EU),nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1; Tot de subsidiabele kosten behoren uitsluitend: personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voorzover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze wordt gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komende kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; extra algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. 5Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: publiekrechtelijke rechtspersonen; maatschappelijke organisaties; organisaties op het gebied van onderzoek en kennisverspreiding; adviesbureaus; coöperaties. 6 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied(zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden; De aanvraag dient voorzien te zijn van een communicatieplan. 7 Verplichtingen subsidieontvanger De eindrapportage bevat een advies voor de verdere implementatie van de innovatie bij dedoelgroep waarvoor de innovatie van belang is. 8 Europese regelgeving Subsidie kan worden verleend overeenkomstig de hiervoor genoemde voorwaarden. In aanvullingop die voorwaarden is van toepassing dat indien aan ondernemingen subsidie wordt verstrektin de vorm van steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, dit geschiedt met inachtnemingvan hoofdstuk 1 en artikel 25 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1 betref-fende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van deEuropese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen. Hoofdstuk 3 Landschap en Cultuurhistorie Artikel 3.1 Behoud en ontwikkeling van landschappelijke structuren en elementen 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op: versterken van landschappelijke structuren (door bijvoorbeeld inpassing van bebouwing en wegen, beplantingsstructuren versterken en landschapselementen aanleggen); verwijderen van niet passende elementen in een landschap; herstel van landschappelijke waardevolle elementen; inpassen van nieuwe ontwikkelingen in de landschappelijke structuren (door bijvoorbeeld plaatsing van bebouwing in landschapsstructuur of het aanleggen van erfbeplantingen); opstellen van beeldkwaliteitsplannen. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien zij plaatsvinden in één van de volgende zes landschappen die zijn beschreven in de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen: Groene Hart, Linies, Rivierengebied, Eemland, Gelderse Vallei en Utrechtse Heuvelrug. 3 Hoogte van de subsidie De hoogte bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten; In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie voor stichtingen en overheden in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 75% van de subsidiabele kosten; Tot de subsidiabele kosten behoren uitsluitend: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie; Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten: kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen; kosten voor de inzet van vrijwilligers; kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: particulieren; landbouwondernemingen; terreinbeherende organisaties; gemeenten en waterschappen; stichtingen en verenigingen. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. 6 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende communautaire toetsingskaders: Indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwondernemingen die niet valt onder onderdeel b wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1408/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwproductiesector; Indien de subsidie uitsluitend wordt verstrekt aan ondernemers niet zijnde landbouwerondernemingen voor de instandhouding of de renovatie van een monument dan geschiedt dit met inachtneming van de Nationale monumenten regeling (Steunmaatregel N 606/2009). Indien subsidie wordt versterkt aan ondernemers niet zijnde landbouwondernemingen voor andere dan onder d bedoelde activiteiten, geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimis-steun. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland zal voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 323 “Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed”, 412 “Leader; Verbetering van het milieu en het platteland” en 413 “Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan. Artikel 3.2 Behoud en ontwikkeling van erfgoed en aardkundige elementen 1Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op: restaureren, in oude staat terugbrengen; consolideren of de bestaande situatie veilig stellen; renoveren en ontwikkelen of met nieuwe middelen de oude situatie beleefbaar en zichtbaar maken; renoveren met als doel het erfgoed geschikt te maken voor toekomstige (commerciële) exploitatie; openstellen en ontsluiten van erfgoed voor publiek; creëren van publieksvoorzieningen; onder de aandacht brengen bij het publiek, bijvoorbeeld via internet, via musea of via publicaties en evenementen; exploitatie gericht op het beleefbaar maken van erfgoed met de intentie op structurele voortzetting van de activiteiten; het beleefbaar maken van erfgoed; onderzoek ten behoeve van bovenstaande activiteiten; systematisch ordenen, beschrijven of registreren van gegevens en kennis. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan een of meer van de volgende criteria: projecten dragen bij aan de versterking van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur; projecten vallen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie en die zijn opgenomen in een van de uitvoeringsprogramma’s van één van de vier enveloppencommissies; projecten vallen binnen de Grebbelinie en passen binnen de Gebiedsvisie voor de Grebbelinie; projecten vallen binnen het Groene Hart en passen binnen de Gebiedsvisie voor het Groene Hart; projecten in de provincie die passen binnen de gebiedsvisies die zijn opgesteld door de overige gebiedscommissies. In aanvulling op het gestelde onder a gelden bij exploitatiesubsidies de volgende criteria: een maximum termijn van 2 jaar; de subsidie draagt bij aan de exploitatie van een publieksvoorziening; en het gaat om een nieuwe activiteit. 3 Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt: maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor overheden en stichtingen met een publieke taak; maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor particulieren; maximaal 40% van de subsidiabele kosten voor landbouwondernemingen indien het erfgoed onderdeel uitmaakt van de productieve activa van de onderneming; maximaal € 200.000 over 3 belastingjaren voor overige ondernemingen indien de subsidie bijdraagt aan een economische activiteit van de aanvrager. In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie voor stichtingen en overheden in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten; bij renovaties die tot doel hebben om het erfgoed geschikt te maken voor toekomstig (commerciële) exploitaties waarbij inkomsten gegenereerd worden, wordt slechts bijgedragen aan de “onrendabele top”, waarbij wordt verstaan dat deel van de investering dat uit de exploitatie niet kan worden terugverdiend; tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie; exploitatiekosten, voor zover wordt voldaan aan de criteria, genoemd in het tweede lid, onder b; Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: overheden; landbouwondernemingen; natuurlijke- en rechtspersonen. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. 6 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende communautaire toetsingskaders: Indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwondernemingen die niet valt onder onderdeel b wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1408/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwproductiesector; Indien de subsidie uitsluitend wordt verstrekt aan ondernemers niet zijnde landbouwondernemingen voor de instandhouding of de renovatie van een monument dan geschiedt dit met inachtneming van de Nationale monumenten regeling (Steunmaatregel N 606/2009); Indien subsidie wordt versterkt aan ondernemers niet zijnde landbouwondernemingen voor andere dan onder d bedoelde activiteiten, geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimis-steun. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland zal voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 323 Instandhouding en opwaardering van het landelijk erfgoed, 412 “Leader; Verbetering van het milieu en het platteland” en 413 “Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan. Artikel 3.3 Onderwaterdrainage tot behoud van traditionele landschappen Ingetrokken Hoofdstuk 4 Sociaal-economische vitaliteit Afdeling 4.1 Landbouwstructuurverbetering Artikel 4.1.1 Kavelruil en landbouwstructuurverbetering 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het uitvoeren van een vrijwillige kavelruil dan wel een planmatige kavelruil of andere integrale gebiedsplannen voor een omschreven begrensd gebied, zoals: het (planmatig) voorbereiden en begeleiden van een ruilproces; het juridische vastleggen van nieuwe eigendommen op basis van een ruilproces; de volgende kavelinrichtingswerken en verbeteringen in de landbouwkundige infrastructuur op basis van activiteiten zoals beschreven onder a en b: werkzaamheden om de nieuw gevormde kavels na ruiling bewerkbaar te maken, zoals het dempen van bestaande en het graven van nieuwe grenssloten, lichte egalisaties om kavels en percelen op elkaar aan te laten sluiten, het aanpassen van de drainage op het nieuwe slotenstelsel (na ruiling), het met elkaar verbinden van oude percelen binnen een nieuw kavel; het ontsluiten van kavels naar een openbare weg en kosten van aanleg/aanpassing van andere infrastructuur; het uitvoeren van energie- en waterhuishoudingsmaatregelen die de duurzaamheid van de landbouw vergroten; het uitvoeren van inpassingsmaatregelen: technische maatregelen in het gebied of in de omgeving gericht op het voorkomen van negatieve gevolgen voor de omgeving als gevolg van de verbetering van de functie landbouw. Zoals: aanbrengen van compenserende beplantingen, aanpassing van wegen- en padenstructuur, dammen en bruggen. Zowel de aanleg als de verwijdering is subsidiabel; verplaatsen van gehele en volwaardige agrarische bedrijven. aanleg van kavelpaden in het plangebied van Groot Wilnis Vinkeveen (bijlage 5 kaart 2). 2Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien de activiteiten aansluiten bij de doelen en uitgangspunten uit de landbouwvisie en het kaderdocument Agenda Vitaal Platteland waarin onder meer wordt aangeven dat de provincie inzet op agrarische structuurversterking in samenhang met andere prioritaire opgaven. Projecten die enkel gericht zijn op agrarische structuurversterking, kunnen alleen gesubsidieerd worden indien er geen mogelijkheden zijn voor integratie met andere gebiedsopgaven. In dat geval zijn alleen de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder a, b en e, subsidiabel. voor het juridische vastleggen van nieuwe eigendommen zoals beschreven in he, eerste lid, onder b, geldt dat: bij het ruilproject minimaal drie grondeigenaren onroerende zaken inbrengen en na de ruil minimaal twee eigenaren weer grond terug krijgen; de geruilde gronden waarvoor subsidie wordt gevraagd voor meer dan 50% in de provincie Utrecht liggen; in het geval er sprake is van een vrijwillige kavelruil de (minimaal drie) inbrengende partijen hun beoogde eigendomswijziging uitwerken in een door de betrokken partijen te ondertekenen, concreet ruilplan. voor de inrichtingswerkzaamheden zoals beschreven in het eerste lid, onder c, gelden de volgende criteria: het ruilproject dat aan de inrichtingswerken ten grondslag ligt draag bij aan de realisatie van de EHS of andere maatschappelijke doelen; de percelen zijn gelegen in de provincie Utrecht; als sprake is van een vrijwillige kavelruil, gelden ook de criteria, genoemd onder a; het perceel waarvoor subsidie wordt aangevraagd, is betrokken geweest in een kavelruil waarvan de datum van aktepassering is gelegen binnen 1 jaar voor de datum van indiening van de aanvraag; de technische maatregelen dienen in verhouding te staan tot de (verwachte) prestatie; Voor bedrijfsverplaatsing als bedoeld in het eerste lid, onder d, gelden de nadere criteria, weigeringsgronden en verplichtingen, genoemd in het tweede, derde en zevende lid van artikel 4.1.4 Verplaatsing grondgebonden bedrijven. 3 Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt: maximaal 100% van de subsidiabele kosten voor overheden en organisaties met een publieke activiteit; maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor privaatrechtelijke rechtspersonen voor het (planmatig) voorbereiden en begeleiden van een ruilproces; maximaal 90% van de subsidiabele kosten voor de kosten die gepaard gaan met het juridisch vastleggen van de nieuwe eigendomssituatie; maximaal 40% (50% in probleemgebieden) van de subsidiabele kosten voor kavelaanvaardingsverkzaamheden, kavelverbeteringswerkzaamheden en bedrijfsverplaatsingen tot een maximum van € 400.000 (€ 500.000 in probleemgebieden) over 3 belastingjaren per ondernemer; Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor uitvoeren van onderzoeken, inventarisaties, verkenningen, consultaties en haalbaarheidstudies) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen; notaris- en kadastrale kosten ten behoeve van de juridische vastlegging van nieuwe eigendommen; kosten voor het functioneren van een lokale kavelruilcommissie; kosten van een kavelruilcoördinator. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: landbouwondernemingen; samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen; stichtingen voor kavelruil; landbouworganisaties; bestuurscommissies (op grond van de Provinciewet en de Wet inrichting landelijk gebied); waterschappen; gemeenten; natuur- en landschapsorganisaties; Coöperatie. 5 Verplichtingen subsidieontvanger Voor het (planmatig) voorbereiden en begeleiden van een ruilproces zoals beschreven in het eerste lid, onder a, geldt dat de gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd binnen twee jaar na de subsidieverstrekking, met de mogelijkheid van een verlenging door gedeputeerde staten met nogmaals twee jaar. 6 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. Voor het (planmatig) voorbereiden en begeleiden van een ruilproces zoals beschreven in het eerste lid, onder a, geldt dat de volgende gegevens worden opgenomen in de aanvraag: de exacte begrenzing van het gebied waarvoor de subsidie wordt gevraagd; cijfers van het aantal grondgebonden bedrijven en de bijbehorende verkavelingstructuur; een redelijke onderbouwing van het aanwezig draagvlak vanuit het betrokken gebied; te verwachten aantal hectaren dat geruild zal worden; gedifferentieerde raming van de kosten. Voor het juridische vastleggen van nieuwe eigendommen op basis van een ruilproces zoals beschreven in het eerste lid, onder b, geldt dat een door de betrokken partijen ondertekende versie van het ruilplan bij de aanvraag wordt bijgeleverd - bij pacht dient zowel de verpachter als pachter te ondertekenen. Voor inrichtingswekzaamheden zoals beschreven in het eerste lid onder c dient de aktepassering van de notaris bijgevoegd te worden. 7 Weigeringsgrond Conform artikel 1, lid 5, sub (
  4. a)van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1,wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard; Conform artikel 1 lid 6 van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden. 8 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien de subsidie wordt verstrekt met inachtneming van hoofdstuk 1 en artikelen 14 en 15 van Verordening (EU), nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1,betreffende de toepassing van de artikelen 107en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren. Artikel 4.1.4 Verplaatsing grondgebonden bedrijven 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het verplaatsen van gehele en volwaardige agrarische bedrijven. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien aan één of meer van de volgende criteria wordt voldaan: indien de aanvraag afkomstig is van de eigenaar van het te verplaatsen bedrijf, wordt de daarbij behorende grond in eigendom: vrij van enig gebruiksrecht, aan het Bureau Beheer Landbouwgronden of de provincie verkocht; of ingebracht bij de toedeling van gronden vooruitlopend op het plan van toedeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet inrichting landelijk gebied; met instemming van de provincie aangewend voor te realiseren provinciale doelen; indien de aanvraag afkomstig is van een natuurlijk persoon of rechtspersoon die beschikt over een duurzaam gebruiksrecht op het te verplaatsen bedrijf, verklaart de eigenaar van de daarbij behorende grond akkoord te gaan met het gestelde onder i. In aanvulling op het eerste lid vindt subsidieverstrekking ten behoeve van natuurdoelen slechts plaats, als na verwerving van de grond de agrarische bestemming van de bedrijfskavel met de zich daarop bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties vervalt. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten afwijken van de onder b omschreven criterium. 3 Weigeringsgrond Onverminderd artikel 10 van de Asv wordt subsidie geweigerd indien: op de bedrijfskavel of daarbij behorende grond woningbouw is toegestaan volgens een geldend bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, of volgens een geldend projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van deze wet; indien aan de aanvrager voor de betreffende bedrijfsgebouwen en gronden een volledige schadeloosstelling is betaald op grond van de hoofdstukken I, IV of VI van de Onteigeningswet; indien aan de aanvrager voor de betreffende bedrijfsgebouwen en gronden een volledige schadeloosstelling op vrijwillige basis is betaald. 4 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt: 100 % van de subsidiabele kosten, genoemd onder e, sub i, waarbij voor de verhuiskosten een maximum geldt van € 10.000,- . De kosten moeten redelijk zijn. Richtsnoer bij de beoordeling van de kosten (redelijkheidstoets) zijn de tarieven hiervoor bij een aankoop met volledige schadeloosstelling; maximaal 40% van de subsidiabele kosten, genoemd onder e, sub ii; de totale vergoeding van het gestelde onder a, sub i en ii, mag niet meer bedragen dan € 400.000; GS kunnen afwijken van de maximale subsidie van € 400.000 indien het oppervlak van de aan het Bureau Beheer Landbouwgronden of de provincie verkochte grond niet in verhouding staat tot de waarde van de bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties. in afwijking van het gestelde onder a, sub ii, kan bij (erf)pacht voor de vervangende bedrijfskavel in plaats van de koopsom de taxatie van de agrarische gebruikswaarde in het economisch verkeer van toepassing zijn. als op grond van de subsidiecriteria, genoemd in het tweede lid, niet alle bij het bedrijf behorende grond wordt overgedragen aan het Bureau Beheer Landbouwgronden of de provincie, wordt de hoogte van de subsidie naar evenredigheid van de over te dragen oppervlakte grond berekend. er wordt minder subsidie verstrekt naar de mate dat andere overheden een vergoeding verstrekken bij de verplaatsing van het grondgebonden agrarisch bedrijf of de sloop van de zich op de bedrijfskavel bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen of installaties. De totale steun bedraagt niet meer dan het bedrag dat voortvloeit uit het gestelde onder a, b en c. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: de kosten die daadwerkelijk gemaakt zijn ten behoeve van de hervestiging, zoals notariskosten, kadastrale kosten, advieskosten, verhuiskosten, overdrachtsbelasting en kosten van eigen arbeid van de aanvrager; de kosten die het verschil uitmaken tussen enerzijds de koopsom en eventueel (aanvullende) investeringskosten van bedrijfsgebouwen en installaties op de hervestigingslocatie en anderzijds de getaxeerde waarde van gebouwen en installaties op de te verlaten locatie. Uitgangspunt hierbij is gelijke bedrijfsomvang. Wanneer er sprake is van bedrijfsuitbreiding, worden de kosten verbonden aan de uitbreiding buiten de subsidie gehouden. 5 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan landbouwondernemingen. 6 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. 7 Verplichtingen subsidieontvanger De subsidieontvanger realiseert de hervestiging van een volwaardig bedrijf op een andere plaats binnen vierentwintig maanden na het sluiten van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onder a. 8 Weigeringsgrond Conform artikel 1, lid 5, sub (
  5. a)van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1,wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard; Conform artikel 1 lid 6 van Verordening (EU) nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden. 9 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indiende subsidie wordt verstrekt met inachtneming van hoofdstuk 1 en artikelen 14 en 16 van Verordening (EU), nummer 702/2014, PbEU 2014, L193/1,betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren. Artikel 4.1.5 Verplaatsing Intensieve veehouderij Vervallen Afdeling 4.2 Duurzame landbouw Artikel 4.2.1 Pilots duurzaam ondernemen 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op: het uitvoeren van demonstratieprojecten; kennisvergaring en adviezen; stimuleren van praktijknetwerken. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende criteria: het project voldoet aan de voorwaarden die zijn opgenomen in maatregel 111 “Beroepsopleiding en voorlichting” van het Plattelandsontwikkelingsprogramma; het project past in de landbouwvisie en de bijbehorende agenda landbouw, het project leidt tot aantoonbare milieuwinst op de deelnemende agrarische bedrijven; de gedemonstreerde maatregelen gaan verder dan de wettelijke normen op het gebied van milieu; het project draagt bij aan de bevordering van de toepassing van nieuwe kennis of technologieën; en het project heeft draagvlak bij de landbouw (bottom-up). De subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, dragen zoveel mogelijk bij aan het welzijn van dieren. 3 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt Maximaal 35% van de subsidiabele kosten voor niet-landbouwers; maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor landbouwers; maximaal 70% van de subsidiabele kosten indien het project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband (alleen van toepassing voor zover begunstigden landbouwers/primaire landbouwondernemingen zijn); Indien voor de subsidiabele kosten of een gedeelte daarvan reeds uit anderen hoofde een subsidie is of zal worden verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totaal van alle subsidiebedragen niet meer bedraagt dan 90% van de subsidiabele kosten (alleen van toepassing voor zover begunstigden landbouwers/primaire landbouwondernemingen zijn); Maximaal 100% van de subsidiabele kosten in het geval van nieuwe uitdagingen. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor monitoring en analyse; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie; kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; kosten voor de catering en zaalhuur i.v.m. de organisatie van bijeenkomsten; reiskosten; Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten behorende bij de lopende bedrijfsvoering (zoals zaaizaad, grondbewerking etc.). 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: In het geval van demonstratieprojecten: organisatoren van demonstratieprojecten, zijnde MKB-ondernemers die activiteiten verrichten op het gebied van de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten, particulieren, stichtingen, publiekrechtelijke rechtspersonen, verenigingen van agrariërs, (producenten)verenigingen, maatschappelijke organisaties, adviesbureaus, onderwijs- en opleidingsinstellingen. In het geval van het stimuleren van praktijknetwerken: MKB-ondernemers in de landbouw, voedselindustrie of in de onderneming werkzame personen. particulieren, stichtingen, publiekrechtelijke rechtspersonen, (producenten) verenigingen, maatschappelijke organisaties, adviesbureaus en onderwijs- en opleidingsinstellingen. In het geval van het stimuleren van praktijknetwerken: (Deelnemers aan het) samenwerkingsverband van landbouwondernemingen, agro- MKBondernemingen,verenigingen van agrariërs, opleidings- of kennisinstellingen gerichto p de onderlingeuitwisseling van kennis en ervaring met betrekking tot uitoefening van het landbouwbedrijf. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. 6 Verplichtingen subsidieontvanger Gedurende de uitvoering van het project gelden de volgende verplichtingen ten aanzien van de rapportage over de voortgang van het project: de monitoring wordt op een duidelijke manier gerapporteerd. Daaruit blijkt hoeveel bedrijven zijn bereikt, welke maatregelen zijn toegepast, en wat het gemeten of berekende effect is van deze maatregelen en van het project als geheel, zowel wat betreft milieu, als praktisch en sociaal-ecomomisch; de rapportage bevat ook een advies voor de verdere implementatie van de maatregel bij de doelgroep. 7 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 Voor subsidiëring vanuit de Agenda vitaal platteland zal voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel is de maatregel 111 “Beroepsopleiding en voorlichting” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen en aanvullende nationale financiering worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan. Artikel 4.2.2 Integrale duurzame landbouw (opleiding, kennisuitwisseling, demonstratie en voorlichting) 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv: Acties op het gebied van beroepsopleiding en de verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops, studiegroepen, coaching, demonstratieactiviteiten en voorlichting gericht op integrale implementatie van milieumaatregelen en het opzetten van certificering; Acties op het gebied van beroepsopleiding en de verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops, studiegroepen, coaching, demonstratieactiviteiten en voorlichting gericht op implementatie van energiebesparingsmaatregelen door middel van de volgende activiteiten: het uitvoeren van energiescans gericht op het inzichtelijk maken van maatregelen waarmee het meeste energie bespaard kan worden tegen de laagste kosten; het uitvoeren van haalbaarheidsstudies naar energiebesparing van duurzame energie; monitoring en onderzoek naar mogelijkheden voor optimalisatie voor installaties waarmee energie bespaard kan worden; 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien: het project past in de landbouwvisie en de bijbehorende agenda landbouw en draagt bij aan de milieudoelen daarvan; het project aan de bevordering van de toepassing van nieuwe kennis of technologieën bijdraagt; er draagvlak is bij de landbouw (bottom-up); het in samenwerking met andere partijen wordt uitgevoerd; en de organisaties die acties inzake kennisoverdracht en voorlichting aanbieden, beschikken over hiertoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder b sub i, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: de energiescans zijn gericht op het realiseren van een besparing van minimaal 30% (doelstelling Schoon en Zuinig Agrosectoren); en de energiescans worden aangevraagd door een samenwerkingsverband van ondernemers. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder b sub ii, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: er is sprake van samenwerking met andere energieproducenten, kennisinstellingen of afnemers; en de provincie wordt betrokken bij het onderzoek. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder b sub iii, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aangetoond kan worden dat door monitoring een initiatief gecontinueerd dan wel opgeschaald kan worden. Aangetoond moet worden dat energiebesparing of energieproductie achterblijft ten opzichte van de geprognotiseerde waarden. In aanvulling op het gestelde onder a worden bij de beoordeling van de aanvraag de volgende aspecten betrokken: welke spin-off te verwachten is; op hoeveel en welk type bedrijven de activiteiten moetenkunnen worden toegepast; hoe groot het deel is van de doelgroep dat bereikt wordt in het project; hoe de doelgroep als geheel bereikt wordt; de subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, dragen zoveel mogelijk bij aan het welzijn van dieren. 3Weigeringsgrond Conform artikel 1 lid 5 sub (
  6. a)MKB Landbouwvrijstellingsverordening EU Nr. 702/2014 wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 4Hoogte van de subsidie Voor activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid, onder a bedraagt de totale overheidsbijdrage maximaal 90% van de subsidiabele kosten waarbij voor de in het eerste lid onder a bedoelde demonstratieproject het steunbedrag beperkt is tot € 100.000 over een periode van drie belastingjaren; Voor activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid, onder b bedraagt de totale overheidsbijdrage maximaal 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 100.000. In het geval van een onder b bedoelde demonstratieproject is het steunbedrag beperkt tot € 100.000 over een periode van drie belastingjaren; 5 In aanmerking komende kosten: a. de kosten van de organisatie van beroepsopleiding en de acties voor de verwerving van vaardigheden, waaronder: opleidingscursussen, workshops, studiegroepen en coaching, demonstratieactiviteiten en voorlichtingsacties. Deze kosten bestaan uit: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek en ondernemersplan) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor monitoring en analyse; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie; de kosten in verband met de reis-, verblijfs- en dagvergoedingen van de deelnemers; de kosten van vervangende diensten tijdens de afwezigheid van deelnemers; als het gaat om demonstratieprojecten in verband met investeringen: de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie; de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten in verband met de onder i en ii bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van het bepaalde onder i en ii worden gedaan; de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken. De onder d, bedoelde kosten komen slechts in aanmerking voor zover en zolang zij voor het demonstratieproject worden gemaakt. Alleen de afschrijvingskosten die met de looptijd van het demonstratieproject overeenstemmen, als berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, worden als in aanmerking komende kosten beschouwd. De onder a en c bedoelde steun wordt niet toegekend in de vorm van rechtstreekse betalingen aan de begunstigden. De onder a en c bedoelde steun wordt betaald aan de aanbieder van de acties inzake kennisoverdracht en voorlichting. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor kosten die tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming behoren, zoals routinematig belastingadvies, regelmatige dienstverlening op juridisch gebied of reclame. 6 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: samenwerkingsverband van landbouwondernemingen; stichtingen; publiekrechtelijke rechtspersonen; verenigingen van agrariërs; (producenten)verenigingen; maatschappelijke organisaties; adviesbureaus; onderwijs- en opleidingsinstellingen; coöperaties. 7 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden; 8 Verplichtingen subsidieontvanger Gedurende de uitvoering van het project gelden de volgende verplichtingen ten aanzien van de rapportage over de voortgang van het project: de monitoring wordt op een duidelijke manier gerapporteerd waaruit blijkt hoeveel bedrijven zijn bereikt, welke activiteiten zijn uitgevoerd, en wat het gemeten of berekende effecten zijn van deze activiteiten in brede zin (te denken valt aan milieu, de feitelijke toepassing en de sociaaleconomische aspecten); de rapportage bevat ook een advies voor de verdere implementatie van de maatregel bij de doelgroep. 9 Europese regelgeving Subsidie kan worden verleend overeenkomstig de hiervoor genoemde voorwaarden waarbij artikel 21 van de verordening (EG), nummer 702/2014, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren van toepassing is. Artikel 4.2.3 Projecten duurzame energie 1 Subsidiabele activiteite Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op energieproductie door middel van de volgende activiteiten: het uitvoeren van energiescans gericht op het inzichtelijk maken van maatregelen waarmee het meeste energie geproduceerd kan worden tegen de laagste kosten; het uitvoeren van haalbaarheidsstudies naar energieproductie van duurzame energie; het aanleggen van basisvoorzieningen voor hernieuwbare energie met als doel het verbeteren en oprichten van basisvoorzieningen rond hernieuwbare energie. monitoring en onderzoek naar mogelijkheden voor optimalisatie voor installaties waarmee energie geproduceerd kan worden. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid onder a, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: de energiescans zijn gericht op het realiseren van een besparing van minimaal 30% (doelstelling Schoon en Zuinig Agrosectoren); en de energiescans worden aangevraagd door een samenwerkingsverband van ondernemers. De activiteiten, genoemd in het eerste lid onder b, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan: er is sprake van samenwerking met andere energieproducenten, kennisinstellingen of afnemers; en de provincie wordt betrokken bij het onderzoek. De activiteiten, genoemd in het eerste lid onder c, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien; de aanvragen passen binnen de provinciale landbouwvisie en aantoonbaar bijdragen aan decentrale energieopwekking subsidie wordt aangevraagd door een samenwerkingsverband van ondernemer De activiteiten, genoemd in het eerste lid onder d, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aangetoond kan worden dat door monitoring een initiatief gecontinueerd dan wel opgeschaald kan worden. Aangetoond moet worden dat energiebesparing of energieproductie achterblijft ten opzichte van de geprognotiseerde waarden. 3 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 100.000 over 3 belastingjaren. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek en ondernemersplan) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor monitoring en analyse; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie; reiskosten; kosten van vervangende diensten tijdens de afwezigheid van de landbouwer of een bedrijfsmedewerker. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt onder dit artikel in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten: kosten voor beheer en onderhoud; kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties; kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: Landbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen; Rechtspersonen. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. 6 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 411 “Leader” ; het versterken van de landbouwsector en 413 “Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan. Artikel 4.2.4 Onderzoek, experimentele ontwikkeling en pilots veenweideproblematiek (Agrarisch) 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv, die gericht zijn op het beperken van bodemdaling, het beperken van de nadelige effecten van bodemdaling,of het realiseren van een duurzaam watersysteem in het Utrechtse veenweidegebied door middel van onderzoek, experimentele ontwikkeling of pilotprojecten: innovaties ten behoeve van de melkveehouderij; nieuwe verdienmodellen of nieuwe teelten. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a richten zich zoveel mogelijk op het volgende: het stimuleren van draagvlak voor het toepassen van maatregelen door met de boeren bestaande kennis te delen (onbekendheid verminderen en kennis te vergroten), of gerichte onderzoeken te doen naar effecten (onzekerheid beperken); het samen met boeren zichtbaar maken van de voordelen voor de bedrijfsvoering van maatregelen in de bedrijfsvoering die tegelijkertijd een voordeel opleveren voor milieudoelen als afremmen bodemdaling en beperken van emissies naar lucht- en water; het vertalen van generieke maatregelen om milieuprestaties (bijvoorbeeld beperken bodemdaling en emissies, zorgvuldig gebruik van water en andere grondstoffen etcetera) te verbeteren naar de specifieke omstandigheden van het veenweidegebied; het met boeren ontwikkelen van nieuwe maatregelen of instrumenten om de milieuprestaties (bijvoorbeeld beperken bodemdaling en emissies, zorgvuldig gebruik vanwater en andere grondstoffen et cetera) van veenweidebedrijven te vergroten. De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder b richten zich zoveel mogelijk op het ontwikkelen en testen van innovaties die passen bij de specifieke omstandigheden van het veenweidegebied en breder in het gebied toepasbaar zijn. 3 Weigeringsgrond Conform artikel 1 lid 4 sub (
  7. a)van Verordening (EU) nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1, wordt betaling uitgesloten van steun aan een onderneming ten aanzien waarvan er een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarbij steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. Conform artikel 1 lid 4 sub (
  8. c)van Verordening (EU) Nr. 651/2014, pbEU 2014, L187/1, wordt geen steun toegekend aan ondernemingen in moeilijkheden. 4 Hoogte van de subsidie Voor activiteiten zoals bedoeld in dit artikel bedraagt de totale bijdrage maximaal 50% van de subsidiabele kosten met inachtneming van artikel 25, lid 5 en 6 van Verordening (EU),nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1; Tot de subsidiabele kosten behoren uitsluitend: personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voorzover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduurvoor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoud-kundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komende kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; extra algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. 5 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: publiekrechtelijke rechtspersonen; maatschappelijke organisaties; organisaties op het gebied van onderzoek en kennisverspreiding; adviesbureaus; coöperaties. 6 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden; De aanvraag dient voorzien te zijn van een communicatieplan. 7 Verplichtingen subsidieontvanger Gedurende de uitvoering van het project gelden de volgende verplichtingen ten aanzien van de rapportage over de voortgang van het project: de monitoring wordt op een duidelijke manier gerapporteerd waaruit blijkt hoeveel bedrijven zijn bereikt, welke activiteiten zijn uitgevoerd, en wat het gemeten of berekende effecten zijn van deze activiteiten in brede zin (te denken valt aan milieu, de feitelijke toepassing en de sociaaleconomische aspecten); de rapportage bevat ook een advies voor de verdere implementatie van de maatregel bij de doelgroep. Vóór de begindatum van het gesteunde project wordt op het internet de volgende informatie bekendgemaakt: dat het gesteunde project wordt uitgevoerd; de doelstellingen van het gesteunde project; de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesteunde project worden verwacht; de plaats waar de van het gesteunde project verwachte resultaten op het internet zullen worden bekendgemaakt; de vermelding dat de resultaten van het gesteunde project gratis beschikbaar zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke landbouw- of bosbouwsector of -subsector actief zijn. De resultaten van het gesteunde project worden op internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesteunde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten blijven op internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesteunde project. 8 Europese regelgeving Subsidie kan worden verleend overeenkomstig de hiervoor genoemde voorwaarden. In aanvulling op die voorwaarden is van toepassing dat indien aan ondernemingen subsidie wordt verstrektin de vorm van steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, dit geschiedt met inachtnemingvan hoofdstuk 1 en artikel 25 van Verordening (EU), nummer 651/2014, pbEU 2014, L187/1 betref-fende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van deEuropese Unie op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen. Afdeling 4.3 Plattelandsontwikkeling en Leefbaarheid Artikel 4.3.1 Professionalisering Multifunctionele landbouw 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op: vraaggericht en klantgericht ondernemen; het versterken van de plattelandseconomie door het inspelen op (recreatieve) marktkansen; de uitvoering van projecten passend binnen de doelstellingen van de ontwikkelingsplannen van de plaatselijke groepen van Leader voor activiteiten als bedoeld onder a en b; de uitvoering van samenwerkingsprojecten passend binnen de doelstellingen van de ontwikkelingsplannen van de plaatselijke groepen van Leader. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien: er sprake is van inhoudelijke en financiële betrokkenheid (het draagvlak) van agrarische ondernemers samen met andere betrokkenen; uit het ondernemingsplan de noodzaak van de subsidie is aangetoond. De subsidiabele activiteiten, genoemd onder a, dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria: de mate waarin projecten inspelen op (recreatieve) marktkansen; de mate waarin projecten integrale arrangementen opleveren; de mate waarin projecten resulteren in (versterking van) solide samenwerkingsvormen; de mate van perspectief die het project biedt op spin-off in de regio; de mate waarin projecten aansluiten op poorten en toeristische overstappunten. 3 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 25.000,- per project. In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten en tot een door GS nader te bepalen bedrag ten behoeve van onder het eerste lid sub c omschreven samenwerkingsprojecten. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor werving en ondersteuning deelnemers tot een maximum van 40% van de projectkosten; kosten voor opleiding verbonden aan professionalisering tot een maximum van 40% van de projectkosten; kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten; Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt onder dit artikel in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten: kosten voor beheer en onderhoud; kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties; kosten verbonden aan het realiseren en het uitbrengen van boeken of andere publicaties; kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen; In afwijking van het gestelde onder d sub iv kan voor Leaderprojecten, zoals bedoeld onder lid 1 sub c en d, GS een maximale EU-bijdrage van € 25.000 verlenen voor de kosten van de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: overheden; natuurlijke en rechtspersonen; samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden; In aanvulling op artikel 7 van de Asv blijkt uit de aanvraag de inhoudelijke en financiële betrokkenheid (het draagvlak) van agrarische ondernemers en eventueel andere betrokkenen. 6 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 312 “Steun voor de oprichting en ontwikkeling voor micro-ondernemingen”, 313 “Bevordering van toeristische activiteiten” en 413 “Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan. Artikel 4.3.2 Stadslandbouw 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op investeringen in niet-agrarische activiteiten op agrarische bedrijven die diversificatie tot doel hebben. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien: de verbredingsactiviteiten in een vraag vanuit de stad voorzien en tenminste voedselproductie (korte ketens) in zich hebben; daarnaast kunnen de activiteiten ook betrekking hebben op de thema’s: zorg, dagrecreatie, onderhoud van het groen en educatie; de activiteiten zich bevinden binnen de kernrandzones van gemeeenten met meer dan 30.000 inwoners; de activiteiten voldoende economisch perspectief hebben; in het ondernemingsplan de noodzaak van de subsidie is aangetoond. De subsidiabele activiteiten, genoemd onder a, dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria: het tot stand brengen van samenwerking tussen particuliere initiatieven vanuit de stad en agrarische ondernemer(
  9. s)of het versterken van de relatie stad/platteland door de agrarische ondernemer(s); de subsidiabele activiteiten, genoemd in het eerste lid, dragen zoveel mogelijk bij aan het welzijn van dieren. 3 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,- per project. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek en ondernemersplan) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie; kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; legeskosten; kosten voor het maken van een omgevingsplan kosten planschade Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten: vervangingsinvesteringen; kosten voor beheer en onderhoud. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan landbouwondernemingen- en samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden; In aanvulling op artikel 7 van de Asv is de aanvraag voorzien van een ondernemersplan, inclusief exploitatiebegroting, waaruit voldoende economisch perspectief blijkt. 6 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 311 “Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten” en 413 “Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie” en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan. Artikel 4.3.3 Leefbaarheid 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het versterken van de leefbaarheid: door het investeren in fysieke voorzieningen; door bij te dragen aan de totstandkoming of versterking van daartoe dienende organisatievormen door: het opstellen van dorpsvisies; het oprichten van dorpsraden of een overkoepelend dorpenoverleg; het opleiden/trainen van bestuurders van dorpshuizen; door het organiseren van evenementen. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden: de activiteiten moeten aansluiten op gemeentelijk beleid of dorpsvisies maar gaan verder dan reguliere gemeentelijke taken; er is sprake van voldoende lokaal draagvlak: de voorziening waarvoor een investering wordt gevraagd, is levensvatbaar op de lange termijn; de evenementen, bedoeld in het eerste lid, onder c, zijn regionaal van aard, zonder winstoogmerk en eenmalig. De subsidiabele activiteiten, genoemd onder a, geven bij voorkeur invulling aan de relatie stad/platteland. 3 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt maximaal: 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,- voor investeringen in publieke voorzieningen; 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,- voor de activiteiten gericht op de totstandkoming of versterking van op leefbaarheid gerichte organisatievormen; 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,- voor het organiseren van evenementen. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen; aan derden betaalde kosten voor opleiding en training; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie; kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten; reiskosten. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv, wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten: ervangingsinvesteringen; kosten voor beheer en onderhoud; kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties; kosten verbonden aan het realiseren en het uitbrengen van boeken of andere publicaties; kosten verbonden aan grondverplaatsingen, bomenrooiingen en landophogingen. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; natuurlijke en rechtspersonen. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden; In aanvulling op artikel 7 van de Asv: geeft de aanvraag blijk geven van de aanwezigheid van voldoende lokaal draagvlak; gaat een aanvraag voor investering in een voorziening gepaard met een dekkend exploitatieoverzicht waarmee de levensvatbaarheid van de voorziening op de lange termijn wordt aangetoond. 6 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 321 “Basisvoorzieningen voor de economie en de plattelandsbevolking”, 322 “Dorpsvernieuwing en -ontwikkeling” en 413 Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan. Artikel 4.3.4. Boerderijeducatie 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op: het versterken van de relatie tussen platteland en stad via boerderijeducatie; het bekend maken van kinderen met de voedselproductie op het agrarisch bedrijf. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien: de educatie wordt gegeven op het agrarisch bedrijf; er voor de lessen gebruik wordt gemaakt van op kwaliteit gecontroleerde lespakketten of erkende lespakketten; de educatieboeren zijn aangesloten bij een organisatie die erop toeziet dat de agrariërs en het agrarisch bedrijf aan de juiste veiligheids- en kwaliteitsvereisten voldoen voor het ontvangen van schoolgroepen. 3 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: rechtspersonen; samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen. 4 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50 % van de subsidiabele kosten; Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: de vergoeding voor de agrarische ondernemer (kosten per ontvangst); loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor het ontwikkelen van lesmateriaal en training van de betrokken agrarische ondernemers (kosten professionalisering); loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor ledenwerving, netwerkbijeenkomsten, publicaties, websites en andere vormen van communicatie (kosten promotie). 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. 6 Europese regelgeving De kosten zoals bedoeld in lid 4 onder b sub i worden getoetst overeenkomstig de voorwaarden van de Catalogus Groene Blauwe Diensten en zoals die is goedgekeurd door de Europese Commissie (Steunnummer N 577/2006). Afdeling 4.4 Recreatie Artikel 4.4.1 Ontwikkeling en samenhang poorten en toeristische overstappunten (TOP’
  10. s)en inrichtingsmaatregelen t.b.v. recreatie om de stad Utrecht 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op: haalbaarheidsstudies en marktverkenningen ten behoeve van toeristische overstappunten (TOP’
  11. s)en recreatieve poorten; aanleg van nieuwe toeristische overstappunten (TOP’
  12. s)en recreatieve poorten door middel van infrastructurele werken; aanleg van pleisterplaatsen en andere recreatieve infrastructurele werken binnen het programma Recreatie om de Stad Utrecht. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden: De activiteiten hebben betrekking op de volgende recreatieve voorzieningen in het landelijk gebied of op de grens tussen stad en land: Poorten; TOP’s; Pleisterplaatsen (uitsluitend binnen het programma Recreatie om de Stad Utrecht). het project levert een bijdrage aan de recreatieve opgave Versterken/bewaken Recreatief hoofdnetwerk (RHN) of Recreatie Accommoderen, zoals verwoord in de Visie Recreatie en Toerisme 2020 (PS-besluit 23 april 2012); het beheer en onderhoud van deze voorziening is voor minimaal 10 jaar geregeld; de subsidiabele activiteiten, genoemd onder a, dragen zoveel mogelijk bij aan het genereren van andere, aanvullende geldstromen in investering of exploitatie. 3 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten. In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 75% van de subsidiabele kosten. In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie in bijzondere gevallen voor stichtingen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten: vervangingsinvesteringen. kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: overheden; recreatieschappen; rechtspersonen. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden; In aanvulling op artikel 7 van de Asv is de aanvraag voorzien van een beheer-en onderhoudsplan. 6 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun. Voor subsidiëring vanuit de Agenda Vitaal Platteland kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), EG-verordening nr. 1698/2005 en bijbehorende uitvoeringsverordeningen. Voor dit onderdeel zijn de maatregelen 313 “Bevordering van toeristische activiteiten” en 413 Leader; De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. POP2-middelen worden alleen ingezet, als aan de in de maatregel opgenomen voorwaarden is voldaan. Artikel 4.4.2 Samenhang en publieksbereik regionale routenetwerken 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op: recreatief fietsen; recreatief wandelen; recreatief varen en watersport; In afwijking van het gestelde onder a, b en c kunnen GS besluiten in bijzondere gevallen voor andere vormen van recreatiesport subsidie te verstrekken; De subsidiabele activiteiten zoals bedoeld onder a tot en met d betreffen: haalbaarheidsstudies en marktverkenningen; aanleg van nieuwe routes optimalisatie of kwaliteitsverbetering van bestaande routes; reconstructie van bestaande routes; ontwikkelen, plaatsen en verspreiden van routeinformatie (zoals fysieke bewegwijzering, routepanelen, digitale informatievoorziening, routebrochures); aanleg van nieuwe recreatieve regionale routes door middel van infrastructurele werken; voorbereiden en uitvoeren van promotionele activiteiten en publieksbereik ten behoeve van bekendheid van regionale recreatieve routestructuren. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met c, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien zij voldoen aan de volgende voorwaarden: De activiteiten hebben betrekking op de volgende vastgestelde (regionale) routenetwerken in het landelijk gebied of op de grens tussen stad en land: recreatief fietsen: het hoofdnetwerk van de landelijke LF-routes en de recreatieve fietsroutes van het regionale fietsknooppuntensysteem dat aansluit op de netwerken in de andere provincies; recreatief wandelen: het hoofdnetwerk van de landelijke LAW-routes en het regionale netwerk van streekpaden, boerenlandpaden en klompenpaden; recreatief varen/watersport: het hoofdnetwerk van de landelijke en regionale BRTN-routes en het regionale kanonetwerk. Het project levert een bijdrage aan de recreatieve opgaven van de provincie Utrecht (zoals ontbrekende schakels in routenetwerk, opheffen van tekorten in routevormen), zoals verwoord in de Visie Recreatie en Toerisme 2020 (PS-besluit 23 april 2012); Het beheer en onderhoud van deze voorziening is voor minimaal 10 jaar geregeld. De subsidiabele activiteiten, genoemd onder a tot en met d, dragen zoveel mogelijk bij aan onderstaande criteria: de gestelde opgaven in de Visie Recreatie en Toerisme 2020 en bijbehorende Uitvoeringsplan(nen) ; aansluiting op bestaande netwerken en bij voorkeur TOP’s/poorten, bovenlokale recreatieterreinen en horecagelegenheden; optimalisatie of kwaliteitsverbetering van het netwerk; samenwerking tussen partijen om deze recreatieve routenetwerken te realiseren. 3 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten. In afwijking van het gestelde onder a kan de subsidie in bijzondere gevallen worden verhoogd tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten; Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; kosten voor de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen; materiaalkosten; kosten voor de inrichting van recreatieve infrastructuur. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt in ieder geval geen subsidie verstrekt voor de volgende kosten: vervangingsinvesteringen. kosten voor structurele ondersteuning van activiteiten en organisaties. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: overheden; recreatieschappen; rechtspersonen. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. In aanvulling op artikel 7 van de Asv is de aanvraag voorzien van een beheer- en onderhoudsplan. 6 Europese regelgeving en POP2 2007-2013 Indien subsidie wordt verstrekt aan een onderneming geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EU) Nr. 1407/2013, betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun Artikel 4.4.3 Boerenlandpaden 1 Subsidiabele activiteite Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het ontsluiten van agrarisch gebied voor de wandelaar door middel van openstelling van de grond van de landbouwonderneming. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: De landbouwonderneming dient de wandelroute volledig open te stellen voor wandelaars. De minimale contractduur is 3 jaar; en Er worden voorzieningen aangebracht om het pad veilig, herkenbaar en toegankelijk te maken. 3 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan de Stichting Wandelplatform LAW. 4 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 90.000. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: Kosten, uitgekeerd aan landbouwondernemingen, voor het openstellen van grond en onderhoud van de paden tot een maximum van € 0,45 per strekkende meter per jaar per landbouwonderneming en tot een maximum van € 7.500 over 3 belastingjaren. Kosten voor ondersteuning en administratie tot een maximum van € 0,12 per strekkende meter per jaar. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend. 6 Europese regelgeving De kosten zoals bedoeld in lid 4 onder b sub ii worden getoetst overeenkomstig de voorwaarden van de Catalogus Groene Blauwe Diensten en zoals die is goedgekeurd door de Europese Commissie (Steunnummer N 577/2006). Artikel 4.4.4 Landelijke routenetwerken 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op de reconstructie, revisie, kwaliteitsbewaking en promotie van de netwerken van lange afstands fiets- en wandelroutes. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie indien de routes deel uitmaken van het Meerjarenprogramma Landelijke Routenetwerken wandelen en fietsen 2007-2013. 3 Subsidieontvangers Subsidie kan worden verstrekt aan: de Stichting Wandelplatform LAW; de stichting Landelijk Fietsplatform. 4 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten; Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: € 1.665 per strekkende kilometer voor de reconstructie van fietsroutes; € 1.175 per strekkende kilometer voor de reconstructie van wandelroutes. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend Artikel 4.4.5 Beheer recreatieterreinen Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op het onderhoud en beheer van de reeds ingerichte RodS terreinen van Staatsbosbeheer. Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend in aanmerking voor subsidie binnen de volgende recreatieterreinen: Gagelbos, bos Nieuw Wulven en het Ijsselbos. Subsidieontvangers Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt aan Staatsbosbeheer Hoogte subsidie De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 541.082,- Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: Kosten voor het groenbeheer; Kosten voor het beheer van recreatieve voorzieningen en infrastructuur; Kosten voor het waterbeheer; Kosten voor het beheer dat verband houdt met het publiek toegankelijk maken van het terrein. Naast de niet-subsidiabele kosten, zoals opgenomen in artikel 12 van de Asv wordt in ieder geval geen subside verstrekt voor vervangingsinvesteringen. Aanvraag De subsidieaanvraag kan in 2013 worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een globale onderbouwing van de te maken kosten en activiteiten. Hoofdstuk 5 Artikel 5.1 Inzet gebiedsorganisaties 1 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in artikel 28 van de Asv die gericht zijn op: draagvlakontwikkeling voor planvorming en uitvoering: dit zijn activiteiten op het gebied van communicatie, voorlichting, participatie en draagvlakversterking. Hierbij gaat het onder meer om het ontwikkelen en uitgeven van informatiemateriaal en het organiseren van informatiebijeenkomsten; het opstellen en voorbereiden van een gebiedsplan en het daarbij behorende uitvoeringsprogramma; monitoring en evaluatie van een gebiedsplan; de begeleiding en uitvoering van het uitvoeringsprogramma behorend bij een gebiedsplan zoals het adviseren van aanvragers en het voeren van intakegesprekken; het beheer van de plaatselijke Leadergroep, het verwerven van vakkundigheid van deze groep en dynamisering van het Leadergebied; het secretarieel ondersteunen van de AVP gebiedscommissie; het inhuren van adviseurs; het inrichten en beheren van een (financiële) administratie. 2 Nadere criteria De activiteiten, genoemd in het eerste lid, komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking indien per AVP-gebied voor proceskosten maximaal 15% van het budget wordt gereserveerd in het (concept) gebiedsprogramma. 3 Hoogte subsidie De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten en wordt bepaald op basis van de opgave, ureninzet en financiële middelen van Dienst Landelijk Gebied, provincie en derden. Tot de subsidiabele kosten behoren in ieder geval: loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor voorbereiding (bijvoorbeeld voor opstellen projectplan, advies, vergunningen, bestek) tot een maximum van 15% van de projectkosten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor directievoering, advies, en begeleiding ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; loonkosten eigen personeel of aan derden betaalde kosten voor publicaties, websites en andere vormen van communicatie; kosten voor koop of huurkoop van installaties, machines en materieel ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; kosten voor de huur van kantoorruimte ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten; kosten voor de catering en zaalhuur in verband met de organisatie van bijeenkomsten; vacatiegelden; reiskosten. 4 Subsidieontvangers Subsidie kan uitsluitend worden verstrekt aan gebiedsorganisaties die een formele rol hebben in het gebiedsproces. 5 Aanvraag De subsidieaanvraag kan gedurende het gehele jaar worden ingediend; De aanvraag dient voorzien te zijn van een advies van het programmabureau van het gebied (zie bijlage 3) waarin de activiteiten plaatsvinden. De aanvraag van een Leadergroep, loopt via de gebiedsorganisatie voor het betreffende AVP-gebied. 6 Verplichtingen subsidieontvange

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.