:2 Beslistermijn Artikel 1:3 Indiening aanvraag Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Artikel 1:7 Termijnen Artikel 1:8 Weigeringsgronden Hoofdstuk2Openbare orde Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldhedenArtikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Afdeling 2 BetogingArtikel 2:2 Optochten (vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Artikel 2:4 Afwijking termijn (vervallen) Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (vervallen) Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukkenArtikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Afdeling 4 Vertoningen e.d. op de wegArtikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (vervallen) Artikel 2:8 Dienstverlening (vervallen) Artikel 2:9 Straatartiest e.d. Afdeling 5 Bruikbaarheid van de wegArtikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg Afdeling 6 Veiligheid op de wegArtikel 2:13 Veroorzaken van gladheid Artikel 2:14 Winkelwagentjes Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs Afdeling 7 EvenementenArtikel 2:24 Begripsbepalingen Artikel 2:25 Evenementen Artikel 2:26 Ordeverstoring Afdeling 8 Toezicht op horecabedrijvenArtikel 2:27 Begripsbepalingen Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf (vervallen) Artikel 2:29 Sluitingstijd Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven Artikel 2:33 Ordeverstoring Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Afdeling 8a Drank en HorecaArtikel 2:34a Begripsbepalingen Artikel 2:34b Schenktijden para commerciële rechtspersonen Artikel 2:34c Bijeenkomsten bij para commerciële rechtspersonen Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijfArtikel 2:35 Begripsbepaling Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Artikel 2:37 Nachtregister (vervallen) Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenhedenArtikel 2:39 Speelgelegenheden Artikel 2:40 Kansspelautomaten Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheidArtikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Artikel 2:42 Plakken en kladden Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag openbare plaatsen Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Artikel 2:49a Gedragsaanwijzing Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterreinen e.d. Artikel 2:53 Bespieden van personen Artikel 2:54 Reddingsmiddelen Artikel 2:55 Aanstootgevend gedrag Artikel 2:56 Alarminstallaties (vervallen) Artikel 2:57 Loslopende honden Artikel 2:58 Verontreiniging door honden Artikel 2:59 Verontreiniging door pony’s en paarden Artikel 2:60 Gevaarlijke honden Artikel 2:61 Houden van hinderlijke dieren (vervallen) Artikel 2:62 Nachtvissen Artikel 2:63 Loslopend vee Artikel 2:64 Duiven Artikel 2:65 Bijen Artikel 2:66 Bedelarij Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederenArtikel 2:67 Begripsbepaling Artikel 2:68 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Artikel 2:69 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van WvSr Artikel 2:70 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (vervallen) Afdeling 13 VuurwerkArtikel 2:71 Begripsbepalingen Artikel 2:72 Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Artikel 2:73 Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Artikel 2:74 Begripsomschrijvingen carbidschieten Artikel 2:74a Carbidschieten Artikel 2:74b Bij zich hebben van carbid Afdeling 14 DrugsoverlastArtikel 2:75 Drugshandel op straat Artikel 2:75a Openlijk drugsgebruik Artikel 2:76 Growshops begripsbepalingen Artikel 2:76a Vergunningplicht Artikel 2:76b Eisen leidinggevende Artikel 2:76c Nadere regels Artikel 2:76d Vergunningaanvraag Artikel 2:76e Beslistermijn Artikel 2:76f Weigeringsgronden Artikel 2:76g Vergunning Artikel 2:76h Aanwezigheid leidinggevende Artikel 2:76i Intrekkingsgronden Artikel 2:76j Vervallen vergunning Artikel 2:76k Sluiting van inrichtingen Artikel 2:76l Toegang opsporingsambtenaren Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsenArtikel 2:77 Bestuurlijke ophouding Artikel 2:78 Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2:79 Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:80 Gebiedsontzeggingen Hoofdstuk3Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling
:
:2 Bevoegd bestuursorgaan Artikel 3:3 Nadere regels Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.Artikel 3:4 Vergunningsplicht seksinrichting of escortbedrijf Artikel 3:5 Eisen exploitant en beheerder Artikel 3:6 Sluitingstijden Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden, tijdelijke sluiting Artikel 3:8 Verplichtingen exploitant en beheerder Artikel 3:9 Raam- en straatprostitutie Artikel 3:10 Sekswinkels Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d. Afdeling 3 Beslistermijn, weigeringsgrondenArtikel 3:12 Beslistermijn/tenaamstelling en geldigheidsduur Artikel 3:13 Weigeringsgronden Artikel 3:14 Intrekkingsgronden Artikel 3:15 Sluiting Afdeling 4 Beëindiging exploitatie, wijziging beheerArtikel 3:16 Wijziging of beëindiging exploitatie Artikel 3:17 Wijziging of beëindiging beheer Afdeling 5 OvergangsbepalingenArtikel 3:18 Overgangsbepalingen Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1 Geluidhinder en verlichtingArtikel 4:
:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten Artikel 4:4 Verboden incidentele activiteiten (vervallen) Artikel 4:5 Onversterkte muziek (vervallen) Artikel 4:6 Overige geluidshinder Afdeling 2 Bodem-, weg-, en milieuverontreinigingArtikel 4:7 Straatvegen Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Afdeling 3 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlastArtikel 4:10 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen e.d. Artikel 4:11 Stankoverlast door gebruik meststoffen (vervallen) Artikel 4:12 Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d. Afdeling 4 Bescherming van flora en faunaArtikel 4:13 Plukverbod paddenstoelen Artikel 4:14 Bomen Afdeling 5 KamperenArtikel 4:15 Begripsbepalingen Artikel 4:16 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Aanwijzing kampeerplaatsen Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1 ParkeerexcessenArtikel 5:
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 5:4 Defecte voertuigen Artikel 5:5 Voertuigwrakken Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d. Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen (vervallen) Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Artikel 5:12 Parkeren en overlast van fietsen, bromfietsen en snorfietsen Artikel 5:12a Weesfietsen en fietswrakken Afdeling 2 CollecterenArtikel 5:13 Inzameling van geld of goederen Afdeling 3 VentenArtikel 5:14 Begripsbepaling Artikel 5:14a Ventverbod Afdeling 4 StandplaatsenArtikel 5:15 Begripsbepalingen Artikel 5:16 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Artikel 5:17 Toestemming rechthebbende Artikel 5:18 Afbakeningsbepalingen Afdeling 5 SnuffelmarktenArtikel 5:19 Begripsbepalingen Artikel 5:20 Organiseren van een snuffelmarkt Afdeling 6 Openbaar waterArtikel 5:21 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Artikel 5:22 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen Artikel 5:23 Aanwijzing ligplaats Artikel 5:24 Verbod innemen ligplaats Artikel 5:25 Beschadigen van waterstaatswerken Artikel 5:26 Reddingsmiddelen (vervallen) Artikel 5:27 Veiligheid op het water Artikel 5:28 Overlast aan vaartuigen Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebiedenArtikel 5:29 Crossterreinen Artikel 5:30 Beperkingen verkeer in natuurgebieden Afdeling 8 Verbod vuur te stokenArtikel 5:31 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Afdeling 9 Verstrooiing van asArtikel 5:32 Begripsbepalingen Artikel 5:33 Verboden plaatsen Artikel 5:34 Hinder of overlast Hoofdstuk6Straf-, overgangs-, en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepalingen Artikel 6:2 Toezichthouders Artikel 6:3 Binnentreden woningen Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening Artikel 6:5 Overgangsbepaling Artikel 6:6 Citeertitel Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1:1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; growshop: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smartshop, headshop of growshop. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. Artikel1:3Indiening aanvraag 1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan zes weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2.Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste dertien weken. Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1:6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder dit verzoekt. Artikel1:7Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1:8Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. Hoofdstuk2Openbare orde Afdeling1Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoelt in de Wet openbare manifestaties. Afdeling2Betoging Artikel2:2Optochten [Vervallen] Artikel2:3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste één week voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel2:4Afwijking termijn [Vervallen] Artikel2:5Te verstrekken gegevens [Vervallen] Afdeling3Verspreiden van gedrukte stukken Artikel2:6Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2.Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling4Vertoningen e.d. op de weg Artikel2:7Feest, muziek en wedstrijd e.d. [Vervallen] Artikel2:8Dienstverlening [Vervallen] Artikel2:9Straatartiest e.d. 1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2.De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Afdeling5Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie ervan Het is verboden zonder voorafgaande omgevingsvergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1.20 m wordt gelaten op voetpaden en van 3.50m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. Een omgevingsvergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:16; reclame-uitingen als bedoeld in het ‘Reclamebeleid 2011’. a. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement; de weigeringsgrond van het derde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet; de weigeringsgrond van het derde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken; de weigeringsgrond van het derde lid, onder c, geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:11Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 3.Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 4.Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:12Maken, veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning geweigerd: a.ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b.indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c.indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, of d.indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement 4.Het college kan nadere regels stellen op grond van dit artikel. Afdeling6Veiligheid op de weg Artikel2:13Veroorzaken van gladheid 1.Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:14Winkelwagentjes 1.De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel2:15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel2:16Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2:17Kelderingangen e.d. 1.Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:18Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode. 2.Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel2:19Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2.Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:20Vallende voorwerpen [Vervallen] Artikel2:21Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel2:22Objecten onder hoogspanningslijn 1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:23Veiligheid op het ijs 1.Het is verboden: a.voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b.bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening. Afdeling7Evenementen Artikel2:24Begripsbepalingen 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.bioscoopvoorstellingen; b.markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:19 van deze verordening; c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d.activiteiten binnen een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet; e.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f.activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: a.een herdenkingsplechtigheid; b.een braderie; c.een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d.een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e.een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement); f.door de burgemeester aan te wijzen categorieën van vechtsportwedstrijden of gala’s. Artikel2:25Evenementen 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als: a.Het aantal aanwezigen niet meer dan 100 personen bedraagt, waarvan maximaal 50 personen tegelijkertijd in een tent of ander bouwwerk aanwezig mogen zijn; b.Het evenement tussen 8.00 en 0.30 uur plaatsvindt; c.Geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08.00 uur of na 24.00 uur; d.Geen wegen hoeven te worden afgesloten; e.Het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; f.Er maximaal 3 objecten geplaatst worden, waarvan slechts 1 tent met een oppervlakte van maximaal 50m² en de andere 2 objecten hebben een oppervlakte van maximaal 10m²; g.Er een organisator is; h.Tevens is geen vergunning vereist voor het houden van wandel- en/of fietstochten die plaatsvinden bij daglicht, zonder wedstrijdelement, waarbij geen verkeersmaatregelen worden genomen, geen verkeersregelaars worden ingezet en waarbij niet meer dan 250 deelnemers zijn; i.De organisator binnen 6 weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester door middel van een vastgesteld meldingsformulier. 3.De burgemeester kan binnen 2 weken na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 4.Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 5.De burgemeester kan activiteiten aanwijzen waarvoor de vergunningplicht niet geldt. 6.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 7.De burgemeester kan nadere regels stellen op grond van dit artikel. Artikel2:26Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling8Toezicht op horecabedrijven Artikel2:27Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, jeugdsociëteit of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden; terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Artikel2:28Exploitatievergunning horecabedrijf [Vervallen] Artikel2:29Sluitingstijd 1.Het is de houder van een horecabedrijf, die: uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij een sportorganisatie of -instelling, dan wel die direct of indirect in verbinding staat met een zodanige inrichting of de daarbij behorende terreinen; geheel of ten dele in gebruik is bij een jeugdorganisatie of -instelling dan wel een organisatie of instelling welke niet primair het uitoefenen van een horecabedrijf ten doel heeft; is gelegen op een kampeer- of caravanterrein; verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 24.00 uur en 06.00 uur. Voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet, voorzover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. Het is de houder van een horecabedrijf, anders dan bedoeld in de voorgaande leden van dit artikel, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00 uur. Onverminderd het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel is het de houder van een horecabedrijf niet toegestaan een bij dit bedrijf behorend terras of andere aanhorigheden na 01.00 uur voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven. De burgemeester kan van de krachtens dit artikel geldende verboden voor één of meer horecabedrijven, als bedoeld in lid 3, doorlopende ontheffing (voor maximaal 3 kalenderjaren) verlenen, voor zover dit ziet op de zaterdag of zondag na 02.00 uur tot maximaal 04.00 uur. De burgemeester kan van de krachtens dit artikel geldende verboden voor één of meer horecabedrijven, als bedoeld in lid 1, doorlopende ontheffing (voor maximaal 3 kalenderjaren) verlenen, voor zover dit ziet op óf de zaterdag óf zondag na 00.00 uur tot maximaal 02.00 uur. De burgemeester kan van de krachtens dit artikel geldende verboden voor één of meer horecabedrijven als bedoeld in de leden 1 en 3 incidentele ontheffing verlenen. De sluitingstijden van horecabedrijven worden in de nacht van oud & nieuw vastgesteld op 06.00 uur. De burgemeester kan de sluitingstijd beperken in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid. Het in de voorgaande leden bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:30Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de woon- en leefsituatie, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het is de houder van een horecabedrijf verboden deze voor het publiek geopend te hebben of daarin of aldaar publiek toe te laten of te laten verblijven op een tijdstip waarop het horecabedrijf, ingevolge een op grond van het voorgaande lid genomen besluit, gesloten dient te zijn. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b Opiumwet. Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen besluit gesloten dient te zijn. Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Ordeverstoring Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:31. Afdeling 8ABijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Artikel 2:34a Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: alcoholhoudende drank, horecabedrijf, horecalocaliteit, inrichting, para commerciële rechtspersoon, sterke drank, slijtersbedrijf en zwak-alcoholhoudende drank, dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. Artikel 2:34b Schenktijden para commerciële rechtspersonen Een para commercieel rechtspersoon dat zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten van sportieve aard, inclusief verenigings- en wedstrijdactiviteiten, kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken gedurende de periode beginnende met 1 uur voor aanvang en eindigende met 2 uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende para commerciële rechtspersoon, onverminderd artikel 2:29 APV. Een para commercieel rechtspersoon dat zich voornamelijk richt op het organiseren van activiteiten waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt, zoals o.a. jeugd sociëteiten en dorpshuizen, kan, onverminderd artikel 2:29 APV, alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1 uur voor de aanvang en tot uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. Overige para commerciële rechtspersonen kunnen onverminderd artikel 2:29 APV alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1 uur voor de aanvang en tot uiterlijk 2 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. Krachtens artikel 4 lid 4 Drank- en Horecawet heeft de burgemeester de bevoegdheid om voor ten hoogste twaalf aaneengesloten dagen ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 2:34b leden 1 tot en met 3 APV. Op de ontheffing als opgenomen in lid 4 van dit artikel is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:34c Bijeenkomsten bij para commerciële rechtspersonen Para commerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging. Krachtens artikel 4 lid 4 Drank- en Horecawet heeft de burgemeester de bevoegdheid om voor ten hoogste twaalf aaneengesloten dagen ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 2:32c lid 1 APV. Op de ontheffing als opgenomen in lid 2 van dit artikel is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling9Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2:35Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft Artikel2:36Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel2:37Nachtregister [Vervallen] Artikel2:38Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling10Toezicht op speelgelegenheden Artikel2:39Speelgelegenheden 1.In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a.speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b.speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; en c.speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3.De burgemeester weigert de vergunning: a.indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b.indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:40Kansspelautomaten 1.In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2.In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 3.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling11Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2:41Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel2:42Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b.met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel2:43Vervoer plakgereedschap e.d. 1.Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. 2.Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel2:44Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden op een openbare plaats, gedurende 24 uur, inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een tas of andere voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. 3.Het verbod in het eerste en tweede lid is niet van toepassing als de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste en tweede lid bedoelde handelingen. Artikel2:45Betreden van plantsoenen e.d. 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:46Rijden over bermen e.d. 1.Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement. Artikel2:47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden: a.op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b.zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt 2.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:48Verboden drankgebruik 1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a.een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b.de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet. Artikel2:49Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: a.zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b.zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw. Artikel2:49aGedragsaanwijzing 1.Het is verboden om in of vanuit een woning of een gebouw de openbare orde te verstoren. 2.De burgemeester is bevoegd om indien het verbod in het eerste lid wordt overtreden en daardoor de openbare orde in ernstige mate wordt verstoord of dreigt te worden verstoord door gedragingen in of vanuit een woning of een gebouw, de gebruiker van de woning of het gebouw een aanwijzing op te leggen waarin gedragingen van de gebruiker worden verboden, dan wel waarin gedragingen worden voorgeschreven waardoor de verstoring van de openbare orde wordt voorkomen. 3.Dit artikel is niet van toepassing indien en voor zover in dit onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet ruimtelijke ordening, de Opiumwet of de Huisvestingswet. Artikel2:50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel2:51Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; daardoor die ingang versperd wordt. Artikel2:52Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel2:53Bespieden van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2.Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden. Artikel2:54Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van personen bestemd en daartoe aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel2:55Aanstootgevend gedrag 1.Het is verboden zich op een openbare plaats te bevinden met het kennelijke doel contact te zoeken tot het verrichten van handelingen van seksuele aard, die uit het oogpunt van openbare zedelijkheid kennelijk oneerbaar of aanstootgevend zijn of redelijkerwijs kan worden geacht te zijn. 2.Het verbod gesteld in het eerste lid is niet van toepassing op de als zodanig aangewezen en aangeduide terreinen en onder door het college eventueel nader te stellen voorwaarden. Artikel2:56Alarminstallaties [Vervallen] Artikel2:57Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; b.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; c.buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd; d.op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt. 3.De verboden genoemd in het eerste lid onder a tot en met c gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. 4.Het college kan nadere regels stellen op grond van dit artikel. Artikel2:58Verontreiniging door honden 1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht, ervoor te zorgen dat die hond, indien deze zich op of aan de weg bevindt, zich niet van uitwerpselen ontdoet. 2.De eigenaar of houder van een hond is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar, belast met de zorg voor de naleving van het in dit artikel bepaalde, aan te tonen dat hij bij het uitlaten van die hond een deugdelijk hulpmiddel bij zich heeft, dat gezien de vorm en constructie als zodanig geschikt is voor het verwijderen van uitwerpselen. 3.Het college is bevoegd gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het in het eerste en tweede lid gestelde niet geldt. 4.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van een hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk met een hulpmiddel, als bedoeld in het tweede lid, worden verwijderd. Artikel2:59Verontreiniging door pony’s en paarden 1.De eigenaar of houder van een pony of paard is verplicht ervoor te zorgen dat die pony of dat paard zich niet van uitwerpselen ontdoet: a.op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers binnen de bebouwde kom; b.op een gedeelte van een weg dat (mede) bestemd is voor andere weggebruikers dan voetgangers en dat is gelegen voor een inrit, eem uitrit of een afrit binnen de bebouwde kom; Artikel2:60Gevaarlijke honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander: a.anders dan kort aangelijnd nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; b.anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat de burgemeester aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. 2.In afwijking van artikel 2:57, eerste lid aanhef en onder d, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. 3.In het eerste lid wordt verstaan onder: a.muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren; b.kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. 4.Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren. Artikel2:61Houden van hinderlijke dieren [Vervallen] Artikel2:62Nachtvissen 1.Het college kan openbare wateren aanwijzen waarvoor het verboden is tussen zonsondergang en zonsopgang te vissen in de binnen de bebouwde kom gelegen openbare wateren. 2.Het college kan daarbij regels stellen in het belang van het voorkomen en beperken van overlast. Artikel2:63Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel2:64Duiven 1.De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale ophokverordening. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:65Bijen 1.Het is verboden bijen te houden: a.binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; b.binnen een afstand van dertig meter van de weg. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3.Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4.Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement. 5.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 6.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:66Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. Afdeling12Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2:67Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:68Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: a.het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b.de datum van verkoop of overdracht van het goed; c.een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d.de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e.de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. 3.Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2:69Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub 1º, bedoelde adressen; als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel2:70Vervreemding van door opkoop verkregen goederen [Vervallen] Afdeling13Vuurwerk Artikel2:71Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel2:72Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning. 2.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2:73Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. Deze plaatsen zijn in ieder geval: open een voetpad, in een passage of in een onderdoorgang; in een portiek, galerij of dergelijke voor het publiek openstaande ruimte; in een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte; in een volksverzameling; op een schoolplein; daar waar zulks overigens hinder of overlast kan veroorzaken. 3.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:74Begripsomschrijvingen carbidschieten In dit artikel wordt verstaan onder: bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voorzover het openbare vermakelijkheden als bedoeld in artikel 174 van Gemeentewet betreft, de burgemeester; bus: een (melk)bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp; carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. Artikel2:74aCarbidschieten 1.Carbidschieten in de openlucht is verboden. 2.Het verbod, gesteld in het eerste lid, geldt niet indien: carbidschieten plaatsvindt op 31 december tussen 10.00 uur en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 uur en 02.00 uur buiten de bebouwde kom waarbij gebruik wordt gemaakt van melkbussen en/of dergelijke voorwerpen met een maximale inhoud van 50 liter, met gebruikmaking van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumcarbid (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen, mits daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht of degene, onder wiens toezicht hij staat, weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat daardoor gevaar, schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving; de plaats vanwaar geschoten wordt is gelegen: op een afstand van ten minste 75 meter van woonbebouwing of scholen; op een afstand van ten minste 300 meter van inrichtingen voor de intramurale zorg; op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren; op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied; zodat een vrijschootsveld van minimaal 75 meter aanwezig is en hierin geen verharde openbare wegen of paden liggen; binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het carbidschieten plaatsvindt en in totaliteit niet meer dan tien bussen worden aanwezig zijn; c.er geen busdeksels of soortgelijke gevaarlijke projectielen worden gebruikt om met behulp van carbid te worden weggeschoten en d.er wordt geschoten door een persoon van 16 jaar of ouder, niet onder invloed zijnde van alcohol of drugs, mits het schieten door een persoon van 16 of 17 jaar plaatsvindt onder toezicht van één of meerdere personen van 18 jaar of ouder. 3.Het bevoegde bestuursorgaan kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de natuurbescherming, plaatsen aanwijzen waar het gestelde in het tweede lid niet van toepassing is. 4.Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het in het eerste lid gestelde verbod. 5.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:74bBij zich hebben van carbid 1.Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op andere dagen dan op 31 december tussen 10.00 uur en 24.00 uur en op 1 januari tussen 00.00 en 02.00 uur. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is afgeleverd gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf. 3.Het bepaalde in het eerste lid is voorts niet van toepassing op de houder van een ontheffing als bedoeld in het vierde lid van artikel 2:74a, gedurende de tijd waarvoor de ontheffing is verleend alsmede gedurende een uur daarvoor en een uur daarna. Afdeling14Drugsoverlast Artikel2:75Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2:75aOpenlijk drugsgebruik Het is verboden binnen een door het college aangewezen gebied (waarin begrepen wegen en voor publiek toegankelijke plaatsen of gebouwen) middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben. Artikel2:76Growshops begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer vaak wordt aangeduid als een smartshop, headshop of growshop; leidinggevende: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: de leidinggevende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.