Richtlijnen voor het Onroerend Erfgoed Groningen 2016 (ROEG 2016)Inhoudsopgave Inhoudsopgave Inleiding Algemeen 1 Algemene uitvoeringseisen 2 Grondwerk en fundering 3 Constructieve onderdelen 3.1 Houten kappen en balklagen 3.2 Dragend metselwerk 3.3 Beton 3.4 IJzer en staal 4 Gevels 4.1 Reiniging 4.2 Voegwerk 4.3 Reparatie, inboeten 4.4 Natuursteen 4.5 Stoepen en bordestrappen 4.6 Gevelafwerking en gevelschilderwerk 4.7 Nieuwe voorzieningen 5 Gevelsparingen 5.1 Houten vensters en deurpartijen 5.2 Stalen vensters en deurpartijen 5.3 Kleuren 5.4 Beglazing 6 Daken 6.1 Dakbeschot 6.2 Pannen 6.3 Leien 6.4 Riet 6.5 Zink, koper en lood 6.6 Bitumen 6.7 Voorzieningen in en op het dak 6.8 Bliksemafleiding 7 Structuur 7.1 Kelders en souterrains 7.2 Plattegrond 7.3 Trappen 7.4 Liften 8 Interieurs 8.1 Brandvoorschriften 8.2 Installaties 9 Asbest 10 Energiebesparende maatregelen - comfortverbetering 10.1 Vensters 10.2 Gevels 10.3 Daken 10.4 Vloeren en plafonds 10.5 Ventilatie 10.6 Zonne-energie Bronnen Inleiding Groningen is een prachtige stad met een rijke historie. Monumenten zijn tastbare overblijfselen uit het verleden en dragen voor een belangrijk deel bij aan de uitstraling, de identiteit, en de kwaliteit van de stad en haar omgeving. Zij zorgen ervoor dat de historie van de stad zichtbaar is en ervaarbaar blijft. Monumenten geven een mooi overzicht van de verschillende periodes waarin ze gebouwd zijn en de veranderingen die zij hebben ondergaan. Dit noemen we ook wel de afleesbaarheid van historische gelaagdheid. Monumenten zijn van bovengemiddeld belang door hun historische kenmerken. Daarom vindt de gemeente Groningen het belangrijk zorgvuldig om te gaan met deze categorie van haar culturele erfgoed. Monumenten hebben cultuurhistorische waarde, maar die waarden zijn niet voor alle monumenten hetzelfde. Er zijn ook onderdelen met monumentwaarden die van minder belang zijn. Als het gaat om behoud, onderhoud of verandering verdient elk monument maatwerk bij de beoordeling van de mogelijkheden tot het doen van aanpassingen. Omdat we zuinig zijn op deze specifieke gebouwen en samenwerken met verschillende partijen in het werkveld van de monumentenzorg streven we naar een zo eenduidig mogelijke werkwijze. Hiervoor hebben we de Richtlijnen voor het Onroerend Erfgoed Groningen 2016 (ROEG) opgesteld. Uitvoeringsrichtlijnen bieden opdrachtgever, vakman én overheid handvatten voor het toepassen van de juiste materialen en producten, technieken en werkwijzen. De ROEG is gebaseerd op vijf beginselen van de monumentenzorg te weten: behoud gaat voor vernieuwen de bouwgeschiedenis eerbiedigen toevoegingen en veranderingen zijn reversibel nieuwe materialen zijn compatibel vernieuwen met oude materialen blijft vernieuwen De gemeente gebruikt de richtlijnen bij het vooroverleg en voor het toetsen van plannen bij een vergunningaanvraag. Naast de richtlijnen zijn andere toetsingscriteria de redengevende omschrijving, de monumentwaarden, en de eerder genoemde beginselen van de monumentenzorg. Daarbij spelen ouderdom van het gebouw, het materiaalgebruik, de fysische condities en de aanwezige monumentwaarden spelen een belangrijke rol. Deze richtlijnen zijn dus niet alleen bedoeld voor de gemeente. Het zijn zogenaamde extern werkende richtlijnen die ook geschreven zijn voor en met de professionals en tevens door hen kunnen worden gehanteerd bij de planontwikkeling en uitvoering van verbouwings- en/of instandhoudingswerkzaamheden. Richtlijnen kunnen een opdrachtgever helpen bij het kiezen van een uitvoerende partij. Hij of zij kan een aannemer vragen of de vereiste kennis en ervaring aanwezig is en of deze kan werken volgens de toepasselijke uitvoeringsrichtlijn. Door in de opdracht naar de richtlijnen te verwijzen, geeft een opdrachtgever aan de uitvoerder meer duidelijkheid over welke uitvoeringskwaliteit hij wil realiseren. Op het gebied van onderhoud en restauratie dragen deze richtlijnen bij aan het behoud van de technische en monumentale kwaliteiten van beschermde gebouwen als rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden binnen de beschermde stadsgezichten. Wanneer eigenaren van de laagrentende onderhoudslening of de ‘Beter Verbeteren’ subsidieregeling van de gemeente Groningen gebruik maken, zullen eveneens de richtlijnen als uitgangspunt worden gehanteerd. Landelijk gezien heeft de stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) de afgelopen jaren een aantal technische uitvoeringsrichtlijnen vastgesteld. De RCE verwijst vanaf 1 januari 2015 bij het verlenen van de subsidies naar een aantal specifiek benoemde ERM-uitvoeringsrichtlijnen. De uitvoeringsrichtlijnen kunnen worden gezien als een vorm van zelfregulering; het zijn geen wetten, maar praktische richtlijnen die voor en door de markt zijn gemaakt. In de gemeentelijke richtlijnen wordt verwezen naar de ERM-uitvoeringsrichtlijnen die over het algemeen meer gedetailleerd zijn uitgewerkt. In de monumentenzorg wordt voor een verantwoorde wijze van beheer en instandhouding een volgorde voor onderhoud en restauratie gehanteerd gebaseerd op het Charter van Venetië, de zogenaamde Restauratieladder. Vanuit de optiek van monumentale waarden geldt voor het bepalen van de onderhouds- of restauratiegraad, met ander woorden het wel of niet doen van ingrepen: hoe lager op de ladder, hoe minder wenselijk. De treden zijn: Trede
(2011), p.24-26. G. Hoenselaar, Verhoging van de brandveiligheid van monumentale woongebouwen, bachelorscriptie, 2010. 8.2Installaties Uitgangspunten Historische installaties (bijvoorbeeld historische radiatoren, ketels, belborden) handhaven. Uitvoeringseisen De nieuwe installaties zodanig aanbrengen dat geen schade wordt toegebracht aan historisch waardevolle interieurs, constructieve elementen en gevels. De installaties zijn zodanig gelegen dat deze de visuele gaafheid van het interieur en exterieur niet aantasten. Suggesties De installaties zo ontwerpen en aanleggen dat de monumentale onderdelen behouden blijven. Dit kan betekenen dat het niet de kortste route is. Bestaande rook- en ventilatiekanalen hergebruiken. De tekeningen, het bestek en het programma van eisen zijn helder over de installatietechnische aspecten. Installaties achter voorzetwanden en onder opdekvloeren verwerken als er geen monumentaal interieur aanwezig is. Op deze manier blijven het historisch metselwerk en de houtconstructies intact. Installaties, zoals verwarmingsmethoden, waterleidingen en sprinkler, nemen veel ruimte in. Het advies is vooraf te overleggen met een installateur over hoe deze worden aangelegd zodat aantasting van monumentwaarden wordt voorkomen. Literatuur Nusselder E.J., e.a., Handboek Duurzame Monumentenzorg, theorie en praktijk van duurzaam monumentenbeheer, 2011. D. Koper, ‘Installaties in monumenten, voorzichtig inbrengen’, te vinden op de website van Monumentenregie onder thema installaties. 9Asbest Uitgangspunten Ook in monumenten is asbest vaak gebruikt. Het werd toegepast vanwege de goede isolerende en brandwerende eigenschappen. Check bij het verwijderen van asbest altijd of het monumentale onderdelen kan aantasten. Toelichting Asbestvezels kunnen na langdurige blootstelling leiden tot levensgevaarlijke ziekten. Zolang asbest vastzit in ander materiaal is het niet per se gevaarlijk. Het wordt een risico voor de gezondheid wanneer de asbestvezels vrijkomen en kunnen worden ingeademd. Bijvoorbeeld bij sloopwerkzaamheden. Onderdelen die vaak asbesthoudend zijn en waarbij monumentwaarden in het geding kunnen zijn, zijn: gemarmerde vinyltegels, kit bij stalen kozijnen, vloerzeil met onderlaag van asbesthoudend papier, vensterbank met asbesthoudend kunstmarmer, schouw van kunstmarmer of asbestcement en afvoerkanalen. Literatuur Meer informatie te vinden op de website van de Rijksoverheid onder het onderwerp asbest. 10Energiebesparende maatregelen - comfortverbetering Uitgangspunten De technische en fysische condities zijn samen met de aanwezige monumentwaarden bepalend voor de mogelijkheid tot het nemen van energiebesparende maatregelen. Indien een maatregel of voorziening de monumentaliteit aantast of de technische conditie van het monument ondermijnt zal hiervan moeten worden afgezien of met een lager niveau genoegen worden genomen. Uitvoeringseisen Door middel van een bouwfysische berekening aantonen dat het pakket van maatregelen verenigbaar is met het monument. Suggesties Het is van belang dat de te nemen maatregelen op elkaar zijn afgestemd. Vanuit materiaaltechnisch oogpunt zijn maatregelen denkbaar waarvan het doorvoeren in wezen niet bezwaarlijk zou zijn, maar die wel de thermische of fysische balans verstoren. Zo kan alsnog monumentale schade ontstaan. Naast de reguliere isolerende beglazing en isolatiematerialen zijn er diverse producten in de handel met redelijke of goede isolerende eigenschappen die, bijvoorbeeld door een geringere dikte, een oplossing zouden kunnen bieden voor problemen die zich voordoen bij het na-isoleren van monumenten. De materiaal- en systeemkeuze kan mede bepalend zijn voor de mogelijkheden en de energiebesparende resultaten. Toelichting De wens tot het isoleren van monumenten leidt vaak tot problemen. Koudebruggen, bijvoorbeeld bij vloeren en stabiliteitswanden, zijn onvermijdelijk omdat monumentale gebouwen thermisch ‘lek’ zijn. Bij balkopleggingen en gevelankers kan inwendige condensatie optreden en tot ernstige schade leiden. Literatuur E.J. Nusselder, e.a., Handboek Duurzame Monumentenzorg, theorie en praktijk van duurzaam monumentenbeheer, 2011. RCE, info Restauratie en beheer nr. 27, Duurzame Monumentenzorg, 2001. Stichting ERM (waaier), Uw monument energiezuinig, praktische tips voor verduurzaming, 2015. T. Hermans, e.a., Duurzaam erfgoed, Duurzaamheid, energiebesparing en monumenten, 2011. 10.1Vensters Uitgangspunten Isolerende beglazing aanbrengen is toegestaan, als er geen monumentwaarden in het geding zijn. Om het binnenklimaat gezond te houden, is het noodzakelijk dat glas het koudste oppervlak blijft van een bouwconstructie. Uitvoeringseisen Oud glas en glas-in-loodramen handhaven. Glas-in-loodramen niet in de luchtspouw van dubbel glas plaatsen. Isolerende beglazing is toegestaan als de afmetingen van het bestaande raamhout voldoende zijn om dit op een verantwoorde wijze te doen. Als de zwaarte van het raamhout niet toereikend is kan tot aanpassing of vervanging worden overgegaan als de bestaande ramen geen monumentwaarden vertegenwoordigen. De detaillering en het materiaal van het nieuwe raam in dat geval laten aansluiten bij het monument. Als een raam monumentwaarde heeft, kan isolerende beglazing worden toegepast, mits het uiterlijk en de detaillering van het bestaande raam verenigbaar zijn met isolerende beglazing. Hierbij blijven het aanzicht, de dagmaten, de negge, de zwaarte, en de detaillering vanaf de buitenzijde ongewijzigd. Als het interieur belangrijke monumentwaarden bezit blijft ook het uiterlijk van de binnenzijde ongewijzigd. De afstandsprofielen van dubbel glas uitvoeren in kleur of met een zwarte rubberen kern in plaats van metaal. Schijnroeden of roedeverzwaringen zijn niet toegestaan. Het bestaande raamsysteem handhaven. De bestaande kozijnen niet ingrijpend aanpassen of vervangen voor tochtdichtingsvoorzieningen of geleidingssystemen. Voor een achterzetraam kiezen als een raam monumentwaarden heeft, niet om technische redenen vervangen hoeft te worden en/of de detaillering niet verenigbaar is met isolerende beglazing. Met een achterzetraam wordt een raam aan de binnenzijde bedoeld. Als een interieur belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt, is een achterzetraam in beginsel niet toegestaan. Een achterzetraam mag deel uitmaken van een volledige achterzetwand, zie §10.2 Gevels. De detaillering en de onderverdeling van het achterzetraam mag niet detoneren met het monumentale raam. De ruimte tussen het raam en het achterzetraam ventileren met buitenlucht, op een zodanige wijze dat dit de monumentale onderdelen niet materiaaltechnisch of visueel aantast. Bij het toepassen van een achterzetraam geen kierdichting op het kozijn of de betimmeringen aanbrengen. Suggesties Onder isolerende beglazing wordt zowel dubbel glas als gelaagd glas met isolerende eigenschappen verstaan. Traditionele stopverf kan nog steeds gebruikt worden, een goede vervanger voor het plaatsen van buitenbeglazing is elastische stoppasta Het aanbrengen van isolerende beglazing heeft geen effect zonder een verbetering van de kierdichting. Als afdoende kierdichting niet mogelijk is door aanwezige monumentwaarden dan ook afzien van isolerende beglazing. Maak goede afspraken met de glasleverancier over de prestaties, diktes, uitstraling, levensduur of (uit)werking van het glas. Literatuur Handboek Monumentenwacht: H1.4 Vensters ‘problemen bij handhaving’, p. 51-54. RCE, Gids Cultuurhistorie nr.21, Historische vensters isoleren, gewijzigde 2de druk, mei 2012. 10.2Gevels Uitgangspunten Het aanbrengen van isolatiemateriaal mag geen bouwfysische veranderingen tot gevolg hebben die kunnen leiden tot schade aan het monument. Uitvoeringseisen De isolatie van de wanden afstemmen op het totale pakket van isolatievoorzieningen. Een, in verhouding tot de overige isolatievoorzieningen, relatief dik isolatiepakket kan tot schade leiden. Voorzetwanden en binnenisolatiesystemen niet toepassen als daarmee monumentale interieuronderdelen zoals lambriseringen, wandbespanningen, monumentale plafonds en plafondlijsten worden aangetast of aan het zicht worden onttrokken. Buiten-isolatiesystemen zijn niet toegestaan. Van de isolerende maatregel afzien als blijkt dat bij strijkbalken en strijkspanten die dicht op de gevel liggen (25
- mm)er niet afdoende isolatiemateriaal tussen het constructieonderdeel en de buitenwand kan worden aangebracht, of monumentale plafonds verhinderen dat de isolatievoorziening kan worden aangebracht. Een strijkspant of strijkbalk mag in beginsel niet worden verplaatst, tenzij de gevolgen voor de monumentale waarden beperkt zijn. Een strijkbalk of strijkspant mag niet in een geïsoleerde voorzetwand komen. Hierdoor kan condensatie ontstaan met schimmelvorming als vervolgschade. Aan de warme zijde van het isolatiemateriaal een damp-remmende folie aanbrengen om te voorkomen dat bij het toepassen van binnenisolatie inwendige condensatie ontstaat. Voor het na-isoleren van een spouwmuur dient zowel de spouwmuur zelf als het toe te passen isolatiemateriaal aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Om te bepalen of de spouwmuur geschikt is, kijken naar: Koudebruggen; Vorstbestendigheid; Mortelresten en open stootvoegen; Waterdoorlatendheid en luchtdoorlatendheid; Spouwbreedte; Laat bij hoge en lange ononderbroken gevels tijdens een inspectie controleren of de spouw voldoende breed en schoon is (zonder puin), of de gevel in goede staat is en of deze waterdamp voldoende doorlaat. Om te voorkomen dat er regenwater in de geïsoleerde spouw komt moet de waterkering rond kozijnen, het dak en de goten in orde zijn. De adviseur beoordeelt of het nodig is een afscheiding te maken in de spouw als de buren geen spouwmuurisolatie hebben of willen. Laat het controleren van de spouw en het na-isoleren van de spouw door een gecertificeerd isolatiebedrijf (SKG-IKOB) uitvoeren. Tegen het vullen van bestaande spouwmuren is geen fundamenteel bezwaar mits de muren in goede staat verkeren en aan de buitenzijde niet damp-remmend zijn afgewerkt en de spouwvulling op een adequate manier gebeurt met een daarvoor geschikt isolatiemateriaal. Suggesties Natuurlijke isolatiematerialen zijn onder andere houtwol, vlaswol, cellulose (papiervlokken), houtvezel(platen) en kurk. Dit zijn goede isolatoren voor wanden en daken, en bovendien damp-open. Ook voor de afwerking van een wand heb je natuurlijke, damp-open materialen zoals leem- en kalkstuc. Damp-open isoleren vraagt om partijen met aantoonbare kennis en ervaring op dit gebied. Tegenwoordig bestaan ook open systemen met Aerogel, een isolatiemateriaal met zeer hoge isolatiewaarde. In de praktijk kan met zeer dunne lagen (2
- cm)veel worden bereikt. Toelichting Het isoleren van buitenmuren leidt vaak tot problemen. Monumentale gebouwen zijn vaak thermisch ‘lek’. Koudebruggen, bijvoorbeeld bij vloeren en stabiliteitswanden, zijn onvermijdelijk. Het ontstaan van inwendige condensatie kan bij balkopleggingen en gevelankers tot ernstige schade leiden. De spouw moet schoon zijn en overal even breed, zodat het isolatiemateriaal zich goed kan verdelen. Niet alle spouwmuren zijn zo gebouwd dat na-isoleren mogelijk is. Oude spouwmuren zijn immers niet ontworpen om geïsoleerd te worden. De muur moet in goede staat verkeren. Door de vulling zal de temperatuur van de buitenste muur meer gaan verschillen van die van de binnenste muur. Dit vergroot de kans op scheuren van het buitenblad, met ook vorstschade tot gevolg. Spouwmuren met scheuren, vorstschade of vochtdoorslag kunnen daarom beter niet gevuld worden. De buitenkant mag niet damp-remmend zijn afgewerkt. Door een verminderende droging neemt de kans op vorstschade en scheuren toe. Spouwen waarvan de buitenste muur bestaat uit geglazuurde steen of verblendsteen kunnen bij na-isoleren schade oplopen. Een verflaag aan de buitenkant heeft hetzelfde effect. Bij een juist isolatiemateriaal zal na vulling vochtdoorslag geen rol spelen. Het materiaal moet een dicht opeengepakte, homogene laag vormen, zonder scheuren of holtes. Het mag niet capillair zijn, zodat het geen water omhoog kan zuigen. Ook schuimvormige materialen mogen na verloop van tijd geen scheuren vertonen. Het isolatiemateriaal hoort, als het toch een geringe hoeveelheid water op zou nemen, geen warmte te geleiden. Een onzorgvuldige gevulde spouw kan leiden tot vochtgerelateerde schade, zoals oppervlakteschimmels aan de binnenkant. Een onvolledige vulling vermindert de isolerende werking. Literatuur J. Meeusen, Rapport Na-isolatie van spouwmuren, Gent, 2005 RCE, Gids Cultuurhistorie, nr. 24, Historische isolatiematerialen, oktober 2012. RCE, Gids Cultuurhistorie, nr. 27, Historische spouwmuren, juni 2013. 10.3Daken Uitgangspunten Het aanbrengen van isolatiemateriaal mag geen bouwfysische veranderingen tot gevolg hebben die kunnen leiden tot schade aan het monument. Toepassen van isolatie aan de binnenzijde van het dak met name bij woonhuizen en panden waar vocht wordt geproduceerd, wordt afgeraden. Uitvoeringseisen Isolatie aan de buitenzijde van het dakbeschot (warm-dak constructie) kan alleen als de daklijn niet even hoog wordt of hoger uitkomt dan de gevellijn van de voor en/of achtergevel en de resterende gootbreedte minimaal 15 cm bedraagt. Indien mogelijk is, in overleg met de gemeente (monumentenzorg) , het ophogen van de goot toegestaan. Indien een warm dak niet mogelijk is, kan aan de binnenzijde isolatie worden aangebracht, waarbij een goede ventilatie met buitenlucht tussen de isolatie en het dakbeschot moet worden gewaarborgd. Aan de warme zijde van het isolatiemateriaal damp-remmende folie aanbrengen. (Historische) kappen voldoende ventileren, zo wordt ervoor gezorgd dat condens wordt afgevoerd en worden vochtproblemen, zoals houtrot voorkomen. Een dauwpuntberekening kan noodzakelijk worden geacht om aan te tonen dat er geen condensatieproblemen optreden. Suggesties Wanneer een dak wordt gerenoveerd, dan worden vaak de dakpannen tijdelijk verwijderd. Dit is een goed moment om dakisolatie aan de buitenzijde toe te passen. Een warm-dak constructie heeft de voorkeur boven een koud-dak constructie. Het toepassen van natuurlijke isolatiematerialen heeft de voorkeur, voor meer informatie zie §10.2 Gevels. Toelichting Isolatie aan de interieurzijde van het dak moet bij houten dakconstructies als regel worden vermeden. Doordat bij een dergelijke aanpak historische onderdelen van de kap- en dakconstructie achter de isolatielaag of binnenafwerking verdwijnen komen zij precies in de condens-gevarenzone terecht. Bovendien zijn deze cruciale bouwdelen niet langer te inspecteren op eventueel aanwezige vormen van aantasting, wat nadelig is voor een goede instandhouding van het pand. 10.4Vloeren en plafonds Uitvoeringseisen Voor het aanbrengen van isolerende voorzieningen geen monumentale onderdelen, zoals vloeren of plafonds, verwijderen of ontmantelen. Verlaagde plafonds aanbrengen op een wijze dat de bevestigingsmiddelen eventueel aanwezige monumentale onderdelen niet aantasten en installaties, zoals elektrische leidingen, niet door monumentale onderdelen, bijvoorbeeld balken, voeren. Verhoogde of zwevende vloeren leiden niet tot het inkorten van monumentale deuren. Verhoogde en zwevende vloeren leiden niet tot het aanpassen of verplaatsen van monumentale trappen. Monumentale onderdelen, zoals lambriseringen of plinten, niet geheel of gedeeltelijk door verhoogde vloeren aan het zicht onttrekken. Suggesties Het is relatief eenvoudig de ruimte tussen de vloerbalken te isoleren met isolatiemateriaal via de kruipruimte. Dit is alleen mogelijk bij een kruipruimte met een doorgaande hoogte van 35 cm of meer, bijvoorbeeld vloerisolatie met thermoskussens en bodemfolie. Een droge dekvloer kan men gebruiken voor het na-isoleren van bestaande begane grondvloeren in combinatie met polystyreenplaten. Daarnaast zijn deze vloeren goed voor het egaliseren van oude of ruwe vloeren in combinatie met egalisatiekorrels 10.5Ventilatie Uitvoeringseisen Bij mechanische of balansventilatie de installaties zodanig aanbrengen dat aan historisch waardevolle interieurs of constructieve elementen geen schade ontstaat of wordt toegebracht. De situering en plaatsing van installaties mag de visuele gaafheid van het interieur niet aantasten. Ventilatieroosters of suskasten zijn niet toegestaan. Indien het vervangen van raamhout is toegestaan mag een verholen ventilatievoorziening worden aangebracht. Muurventilatieroosters of muursuskasten zijn niet toegestaan. Als er geen monumentwaarden in het geding zijn, kunnen ventilatievoorzieningen in de achtergevel aangebracht worden. De ventilatie bij voorkeur regelen via voorzieningen op het dak, maar wel op een wijze dat het de monumentale waarden van het exterieur niet aantast. Suggesties Het is van groot belang de juiste zorg te besteden aan de ventilatie. Zonder deugdelijke ventilatie kunnen door te hoge vochtconcentraties in het geïsoleerde monument grote schades ontstaan. De ventilatievoorzieningen mogen echter geen monumentale onderdelen aantasten of ontsierend werken. 10.6Zonne-energie Uitgangspunten Zonne-energie is, onder strikte voorwaarden, toepasbaar op hellende en platte daken. Te denken valt aan zonnecollectoren en zonnepanelen, maar ook aan pannen, leien en glas waar zonnecellen op of in zijn aangebracht. Zonnecollectoren en/of zonnepanelen zijn niet toegestaan bij met leien, koper of losanges gedekte daken, een zeldzame dakbedekking of een bijzondere dakvorm. Het plaatsen van zonnecollectoren en/of panelen is niet toegestaan als het dakvlak ligt in het beschermde stadsgezicht. En de panelen vanuit de openbare ruimte niet zichtbaar zijn. Op een dak, dat een prominent onderdeel is van de architectuur of het monumentale voorkomen van een monument, zijn voorzieningen om zonne-energie op te vangen niet toegestaan. Bij daken die gedekt zijn met pannen met monumentwaarden is het plaatsen van zonnecollectoren en/of zonnepanelen niet toegestaan. Warmtenokken e.d. zijn niet toegestaan. Uitvoeringseisen Voor de maximale omvang en positie in en op het dak zie ook §6.7 Voorzieningen in en op het dak. In de welstandsnota staan ook voorschriften/uitgangspunten voor het plaatsen van zonnecollectoren en/of zonnepanelen op platte daken. Zonnecollectoren en/of zonnepanelen zo plaatsen dat ze niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied. De collectoren en panelen niet inbouwen tussen de dakpannen, maar als losse elementen bovenop het historische dak plaatsen. Dakpannen niet verwijderen. De historische kapconstructie moet het gewicht van de installatie kunnen dragen zon