Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCHGemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo, ieder voor zover voor de eigen gemeente bevoegd, Overwegende dat samenwerking middels een volledige ambtelijke krachtenbundeling de beste bijdrage kan leveren aan de complexe uitdagingen waar de BUCH-gemeenten voor staan, omdat de ambtelijke fusieorganisatie gezien haar omvang krachtig is, efficiënt kan werken en aantrekkelijk is door innovatieve dienstverlening en als werkgever; Gelet op de toestemming van de gemeenteraden van Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen; hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet, Algemene wet bestuursrecht en de Archiefwet 1995; Besluiten de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen: Gemeenschappelijke regeling Werkorganisatie BUCH Inhoudsopgave Gemeenschappelijke Regeling Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie Hoofdstuk 2 Belang, taken en bevoegdheden Artikel 3 Belang Artikel 4 Taken Artikel 5 Bevoegdheidstoedeling Hoofdstuk 3 Het bestuur en de voorzitter Artikel 6 Bestuur Artikel 7 Bevoegdheden bestuur Artikel 8 Reglement van orde Artikel 9 Voorzitter Hoofdstuk 4 De directieraad, de secretaris en het personeel Artikel 10 Directieraad en algemeen directeur Artikel 11 Secretaris Artikel 12 Personeel Artikel 13 Heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, belastingdeurwaarder en leerplichtambtenaar Hoofdstuk 5 Verantwoording en kwaliteitsborging Artikel 14 Informatie- en verantwoordingsplichten Artikel 15 Kwaliteitsborging Hoofdstuk 6 Financiën Artikel 16 Gemeentewet Artikel 17 Financiële verantwoordelijkheid Artikel 18 Kadernota Artikel 19 Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting Artikel 20 Jaarrekening Artikel 21 Reserves en voorzieningen Hoofdstuk 7 Duur, wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Artikel 22 Duur Artikel 23 Wijziging Artikel 24 Toetreding Artikel 25 Uittreding Artikel 26 Opheffing Hoofdstuk 8 Overige bepalingen Artikel 27 Archief Artikel 28 Bestaande samenwerkingen en deelnemingen Artikel 29 Klachtenregeling Artikel 30 Geschillenregeling Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 31 Inzenden regeling en bekendmaking Artikel 32 Inwerkingtreding Artikel 33 Citeerwijze Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: algemeen directeur: de algemeen directeur, gekozen uit de directieraad, bedoeld in artikel 10 van de regeling; bestuur: het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 14a van de Wet gemeenschappelijke regelingen; colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten; gedeputeerde staten: de gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland; gemeenten: de gemeenten Bergen, Uitgeest, Castricum en Heiloo; raden: de gemeenteraden van de gemeenten; regeling: deze Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie BUCH; werkorganisatie: de bedrijfsvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 2 van de regeling; voorzitter: de voorzitter van het bestuur, bedoeld in artikel 9 van de regeling. Artikel2Bedrijfsvoeringsorganisatie Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, genaamd Werkorganisatie BUCH, hierna in de regeling ‘de werkorganisatie’ genoemd. De werkorganisatie fungeert als gezamenlijke ambtelijke fusieorganisatie van de gemeenten. De werkorganisatie is juridisch gevestigd te Uitgeest. Hoofdstuk2Belang, taken en bevoegdheden Artikel3Belang De regeling wordt getroffen ten behoeve van het bewerkstelligen van een krachtige en professionele uitvoering door de werkorganisatie van de door de gemeenten opgedragen taken. Daarmee biedt de werkorganisatie een kwalitatief hoogwaardige, efficiënte en innovatieve dienstverlening aan de ‘klanten’ van de gemeenten: inwoners, bedrijven en instellingen. Artikel4Taken De werkorganisatie is belast met het uitvoeren van alle gemeentelijke taken voor de colleges, voor zover deze niet - al dan niet met toepassing van de wet – aan derden zijn of worden opgedragen. De uitvoering ziet in ieder geval op: beleidsontwikkeling en beleidsvoorbereiding; uitvoering van vastgesteld beleid en wettelijke regelingen; toezicht op aan derden uitbesteed werk; handhaving van de hiervoor genoemde uitvoering; het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, voor zover de werkorganisatie hiertoe is bevoegd dan wel hiervoor is gemachtigd; het verrichten van feitelijke handelingen; het verrichten van bedrijfsvoeringstaken op het gebied van personeel, informatie, juridische zaken, organisatie, financiën, administratie, communicatie en huisvesting. Artikel5Algemene bevoegdheidstoedeling Voor zover van delegatie sprake is, is dat in deze regeling vervat. De colleges kunnen andere bevoegdheden die hun bij of krachtens de wet zijn toegekend mandateren aan het bestuur, voor zover dit nodig is voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 4. Het bestuur stelt daartoe model mandaatbesluiten vast. De colleges dragen tevens zorg voor benodigde volmachten en machtigingen die de werkorganisatie nodig heeft voor het kunnen functioneren als ambtelijke fusieorganisatie en het uitvoeren van hiermee samenhangende taken. Ondermandaat is toegestaan, tenzij dat uitdrukkelijk is voorbehouden. Er wordt een register bijgehouden van de overeenkomstig het tweede en vierde lid gemandateerde bevoegdheden. Hoofdstuk3Het bestuur en de voorzitter Artikel6Bestuur Het bestuur bestaat uit acht leden. De colleges wijzen elk uit hun midden twee leden van het bestuur aan. Het ene lid is de burgemeester van de gemeente en het andere lid een wethouder. Bij de stemming van het bestuur heeft de vertegenwoordiging van een college één stem. Het bestuur beslist bij gewone meerderheid van stemmen. Van het bepaalde in het derde lid zijn uitgezonderd besluiten omtrent: het opnemen van een taakstelling ten aanzien van de begroting van de werkorganisatie; toetreding van een of meerdere gemeenten, zoals bedoeld in artikel 24 van deze regeling; een voorstel als bedoeld in artikel 23 van deze regeling. Voor deze uitgezonderde onderwerpen geldt unanimiteit van stemmen. De colleges wijzen voor elk van de door hen aangewezen leden tevens een plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij afwezigheid in het bestuur kan vervangen. Artikel7Bevoegdheden bestuur Alle bevoegdheden bij of krachtens enige wet van toepassing op de werkorganisatie komen toe aan het bestuur. Naast de uitoefening van de taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde is het bestuur in elk geval belast met en bevoegd tot:: het vaststellen en wijzigen van de begroting; het vaststellen van de jaarrekening; het vaststellen van de jaarlijkse kadernota; het vaststellen van de benodigde verordeningen, regelingen en nota’s ten behoeve van de werkorganisatie; de aanwijzing van een of meer accountants, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet; het beheer van de inkomsten en uitgaven van de werkorganisatie; het vaststellen van rechtspositionele regelingen; benoeming, schorsing en ontslag van het personeel van de werkorganisatie; het aanwijzen van een of meerdere heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, belastingdeurwaarders en leerplichtambtenaren; het doen van voorstellen tot toetreding alsmede het regelen van de gevolg van uittreding; het opleggen van voorwaarden voor uittreding; het voeren van rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratieve beroepsprocedures, het instellen van bezwaar en beroep alsmede het vragen om een voorlopige voorziening; het besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen ten behoeve van de bedrijfsvoering van de werkorganisatie; het behartigen van de belangen van de werkorganisatie bij andere overheden, instellingen of personen. Een bevoegdheid kan niet worden overgedragen als de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet. Het bestuur neemt alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit van de werkorganisatie. Onverminderd het bepaalde in artikel 31a, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen kan het bestuur besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen als dat bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang en niet voordat de raden in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen. Artikel8Reglement van orde Het bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en werkzaamheden vast. Het bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo vaak als het daartoe heeft besloten. Artikel 22, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen is van overeenkomstige toepassing. Het bestuur kan geheimhouding opleggen als bedoeld in artikel 23 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel9Voorzitter Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter aan, die een goede behartiging van de zaken van de werkorganisatie bevordert. De voorzitter wordt gekozen voor een periode van twee jaar. Het voorzitterschap rouleert tweejaarlijks op 1 januari tussen de gemeenten, tenzij het bestuur anders besluit. De voorzitter ondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan. De voorzitter is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van het bestuur en tevens voor de vergaderorde binnen het bestuur, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 8. Het bestuur kan de voorzitter machtigen om namens het bestuur te handelen. Het bestuur regelt de vervanging van de voorzitter. De voorzitter vertegenwoordigt de werkorganisatie in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon. Hoofdstuk4De directieraad, de secretaris en het personeel Artikel10Directieraad en algemeen directeur De werkorganisatie kent een onbezoldigde directieraad, bestaande uit in ieder geval de vier gemeentesecretarissen van de gemeenten. De algemeen directeur is voor het bestuur ambtelijk opdrachtnemer en is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de taken van de werkorganisatie. Ter uitvoering hiervan draagt de algemeen directeur in samenspraak met de overige leden van de directieraad zorg voor de kwaliteit van personeel en organisatie, beheer en bedrijfsvoering. De directieraad is als adviseur bij de vergaderingen van het bestuur aanwezig en staat het bestuur bij in de uitvoering van zijn taken. De directieraad kent in principe een tweejaarlijks roulerend algemeen directeur, die in die periode als secretaris van het bestuur en tevens als eindverantwoordelijke van de werkorganisatie optreedt. De roulatie vindt niet plaats in hetzelfde jaar als de roulatie van de voorzitter van het bestuur, tenzij het bestuur anders besluit. De algemeen directeur van de directieraad is bestuurder in de zin van de Wet op de Ondernemingsraden. Artikel11Secretaris De algemeen directeur is tevens secretaris van het bestuur, maar is geen lid van het bestuur. De secretaris medeondertekent de stukken die van het bestuur uitgaan. De directieraad regelt de vervanging van de secretaris. Artikel12Personeel Het personeel van de gemeenten treedt in dienst van de werkorganisatie met uitzondering van de gemeentesecretarissen, de griffiers en de griffiemedewerkers. Het bestuur regelt de rechtspositie van het personeel en neemt daartoe de benodigde besluiten. Bij de regeling van de rechtspositie van het personeel wordt de CAR UWO gehanteerd. Bij de overgang van personeel van de gemeenten naar de werkorganisatie zal het bestuur zorgdragen voor de verdere toepassing en uitvoering van de afspraken tussen werkgevers- en werknemersvertegenwoordigingen van de gemeenten. Vanaf het moment van overgang van personeel is het bestuur, binnen de kaders van de vastgestelde formatie, belast met het aanstellen, schorsen en ontslaan van het personeel. Het bestuur kan de in het tweede en vijfde lid bedoelde bevoegdheden mandateren aan de directieraad. Artikel13Heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, belastingdeurwaarder en leerplichtambtenaar De werkorganisatie heeft een heffingsambtenaar, een invorderingsambtenaar, een belastingdeurwaarder en een leerplichtambtenaar. Het bestuur wijst een of meerdere ambtenaren van de werkorganisatie aan als heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar, belastingdeurwaarder en leerplichtambtenaar. De in het vorige lid genoemde ambtenaren oefenen de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de wet aan hen toegekend zijn. Hoofdstuk5Verantwoording en kwaliteitsborging Artikel14Informatie- en verantwoordingsplichten Het bestuur verstrekt de raden de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden schriftelijk verstrekt. Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid kan zowel mondeling als schriftelijk verantwoording afleggen. Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen. De inlichtingen worden mondeling of schriftelijk verstrekt. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de raden, onverminderd het bepaalde in artikel 169 van de Gemeentewet. Een lid van het bestuur kan door het college dat hem heeft aangewezen worden ontslagen, indien dit lid niet langer het vertrouwen van dat college bezit. Artikel15Kwaliteitsborging De werkorganisatie draagt zorg voor een kwalitatief goede en doelmatige uitvoering van de taken, zoals vermeld in artikel 4 van deze regeling. De werkorganisatie hanteert een of meer kwaliteitssystemen. De directieraad stelt kwaliteitssystemen vast en legt hierover verantwoording af in het bestuur van de werkorganisatie. Indien sprake is van onvoldoende kwalitatief of onzorgvuldig c.q. onrechtmatig handelen van de werkorganisatie ten aanzien van een of meer gemeenten als gevolg waarvan schade is ontstaan of dreigt te ontstaan, wordt dit zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na het constateren van de geleden of dreigende schade, bij het betreffende college of de betreffende colleges gemeld. Het bestuur draagt zorg voor beperking en zo nodig tot herstel van geleden schade. In het verlengde van hetgeen bepaald is in lid 3, draagt de werkorganisatie zorg voor een adequate verzekering van de risico’s die samenhangen met de uitvoering van zijn taken en die niet vallen onder de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering van de gemeenten. Over de wijze van afhandeling van aan (vertegenwoordigers van) de werkorganisatie toe te rekenen schade die in het kader van de uitvoering van de taken van de werkorganisatie is ontstaan, maar niet voor vergoeding door een verzekeraar in aanmerking komt, wordt besloten door het bestuur. Hoofdstuk6Financiën Artikel16Gemeentewet De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover daarvan bij of krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen niet is afgeweken. Het bestuur stelt in dat kader de vereiste verordeningen vast. Artikel17Financiële verantwoordelijkheid De gemeenten dragen er zorg voor dat de werkorganisatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. De door het bestuur vastgestelde begroting is daarbij leidend. Indien een gemeente weigert deze uitgaven op de gemeentelijke begroting te zetten, dan doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet. Het bestuur stelt een bijdrageverordening vast, waarin in elk geval wordt geregeld op welke wijze en in welke mate de gemeenten financieel bijdragen aan de middelen van de werkorganisatie. Artikel18Kadernota Het bestuur zendt uiterlijk 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden. Artikel19Zienswijzenprocedure en vaststelling begroting Het begrotingsjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december. Het bestuur zendt de ontwerp-begroting ten minste acht weken voordat deze wordt vastgesteld toe aan de raden. De ontwerp-begroting wordt door de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en algemeen (digitaal) verkrijgbaar gesteld. De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient. Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen. Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten. Het bepaalde in het tweede, derde, vierde en zesde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen van de begroting waarbij geen wijziging wordt gebracht in de bijdragen van de gemeenten. Het bepaalde in het vierde en zesde lid is van toepassing, met dien verstande dat wijzigingen in de begroting ook kunnen worden vastgesteld gedurende het jaar waarvoor de begroting geldt, en in dat geval inzending aan gedeputeerde staten niet voor 1 augustus hoeft plaats te vinden. Artikel20Jaarrekening Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. Het bestuur zendt voor 15 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening aan de raden. De raden kunnen bij het bestuur van de werkorganisatie hun zienswijze over de voorlopige jaarrekening naar voren brengen. Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten. Artikel21Reserves en voorzieningen Reserves en voorzieningen worden overeenkomstig de door het bestuur daartoe uitgevaardigde richtlijnen gevormd. Deze richtlijnen zijn opgenomen in de door het bestuur vast te stellen Nota reserves en voorzieningen. Deze nota wordt goedgekeurd door de raden. Hoofdstuk7Duur, wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Artikel22Duur De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. Artikel23Wijziging Een voorstel aan de deelnemers tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het bestuur of door een of meer van de colleges. De wijziging van de regeling treedt niet eerder in werking dan nadat deze door de deelnemers bekend is gemaakt op de voor iedere deelnemer gebruikelijke wijze. Artikel24Toetreding Toetreding tot deze regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende besluiten van alle deelnemers alsmede de potentiële deelnemer, indien van toepassing na verkregen toestemming van de raden. Het bestuur doet een voorstel tot toetreding en regelt daarbij de voorwaarden die aan de toetreding zijn verbonden. Het bestuur stelt een toetredingssom vast voor de toetreding. De toetreding treedt in werking op een in overleg tussen het bestuur en de toetredende deelnemer te bepalen tijdstip, dat niet ligt vóór het tijdstip waarop de in het eerste lid genoemde besluiten zijn genomen en bekendgemaakt Van elk bericht van toetreding van een deelnemer wordt door het bestuur kennis gegeven aan gedeputeerde staten. Artikel25Uitttreding Iedere deelnemer kan besluiten tot uittreden. Een besluit tot uittreding kan niet eerder worden genomen dan vier jaar na inwerkingtreding van deze regeling. Een uittredingsbesluit wordt van kracht twee kalenderjaren na het verstrijken van het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen. Dit geldt niet wanneer de deelnemers hierover andere afspraken maken. Alvorens een deelnemer tot een besluit tot uittreding komt, wordt over het voornemen daartoe eerst overleg met de andere deelnemers gevoerd. In het voornemen als bedoeld in het derde lid worden de motieven gegeven op grond waarvan de deelnemer wenst uit te treden. Het besluit als bedoeld in het eerste lid wordt terstond ter kennis gebracht aan het bestuur. De uittredende deelnemer betaalt de kosten die de uittreding met zich meebrengt. De uittredingssom wordt middels een bindend advies vastgesteld door een commissie van een drietal onafhankelijke deskundigen die wordt aangewezen door het bestuur. Het bestuur regelt de overige gevolgen van de uittreding. Een uittredende deelnemer kan geen recht doen gelden op de overdracht van enig eigendom van de werkorganisatie. Van elk definitief besluit tot uittreding wordt terstond kennis gegeven aan de overige deelnemers en gedeputeerde staten. Artikel26Opheffing De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle deelnemers. Het bestuur stelt, gehoord de raden van de deelnemers, binnen zes maanden na besluitvorming een liquidatieplan vast en regelt de vereffening van het vermogen. De werkorganisatie blijft, zo nodig, na het tijdstip van de opheffing in functie totdat de liquidatie is afgerond. Hoofdstuk8Overige bepalingen Artikel27Archief Het bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de werkorganisatie en het bestuur, met inachtneming van het bepaalde in de Archiefwet 1995. Ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde, stelt het bestuur een regeling vast, die aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde zorg, komen ten laste van de werkorganisatie. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het bestuur een archiefbewaarplaats aan. De secretaris van het bestuur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de werkorganisatie en het bestuur, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. Ten aanzien van de in het vorige lid genoemde archiefbescheiden, is, onder de bevelen van het bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris. Met betrekking tot dit toezicht bevat de regeling bedoeld in het tweede lid de nodige bepalingen. De archivaris wordt door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen. In afwijking van het vorige lid kan het bestuur ook de archivaris van een van de gemeenten aanwijzen als archivaris van de werkorganisatie. Voor de door de deelnemers gemandateerde taken berust de zorg voor de desbetreffende archiefbescheiden bij deze gemeenten. Artikel28Bestaande samenwerkingen en deelnemingen De op het moment van inwerkingtreding van deze regeling bestaande privaatrechtelijke of publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden van de gemeenten afzonderlijk of gezamenlijk met derden blijven bestaan, dit tot het moment waarop ieder van de colleges van de gemeenten, na een gezamenlijke inventarisatie daarvan met het bestuur, besloten heeft welke van de per gemeente geïnventariseerde samenwerkingsverbanden door de betreffende gemeente gehandhaafd of opgezegd moet worden. In geval van opzegging kan een college besluiten de betreffende taken te laten uitoefenen door de werkorganisatie. De in het vorige lid vermelde inventarisatie is uiterlijk binnen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze regeling voltooid. Artikel29Klachtenregeling Overeenkomstig hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder bij het bestuur een klacht indienen over gedragingen van een bestuursorgaan van de werkorganisatie. Het bestuur stelt een interne klachtenregeling vast. Artikel30Geschillenregeling In geval van geschillen als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, geldt eerst de in dit artikel beschreven procedure, alvorens het geschil wordt voorgelegd aan gedeputeerde staten. Indien een geschil ontstaat treden het bestuur en het college en/of de burgemeester van de betreffende gemeente(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.