Beleidsregel bestuurlijke boete BRP Hof van TwenteArtikel1– Begripsbepalingen 1.In deze beleidsregel wordt verstaan onder: de Wet: de Wet basisregistratie personen college: het college van burgemeester en wethouders toezichthouder: de op grond van het bepaalde in artikel 4.2 van de Wet door het college benoemde ambtenaar; boete: de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 4.17 van de Wet; overtreder: degene die verwijtbaar niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 4.17 onder a van de Wet dan wel zich schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 4.17 onder b. van de Wet of een valse aangifte heeft gedaan; 2.De begripsbepalingen van de Wet zijn op deze beleidsregel onverkort van toepassing. Artikel2– Algemene bepalingen 1.Per geconstateerde overtreding kan slecht één bestuurlijke boete worden opgelegd. 2.Een bestuurlijke boete wordt binnen drie jaar nadat het college de overtreding heeft geconstateerd, opgelegd. 3.In het geval de verplichtingen als bedoeld in de Wet dienen te worden vervuld door een wettelijke vertegenwoordiger of curator wordt de bestuurlijke boete in voorkomend geval opgelegd aan de wettelijk vertegenwoordiger of curator. 4.Als de overtreder vóór inning van de opgelegde bestuurlijke boete komt te overlijden, vervalt deze op de datum van overlijden. Artikel3– Verwijtbaarheid en bijzondere omstandigheden 1.Als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, wordt geen boete opgelegd. 2.Van het opleggen van een boete kan worden afgezien als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Artikel4– Hoogte van de boete 1.De hoogte van de op te leggen standaardboete bedraagt € 200,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.