Subsidieverordening Waddenfonds 2014Verordening van 30 juni 2014 van het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Waddenfonds, houdende bepalingen met betrekking tot de verstrekking van subsidies ten laste van het Waddenfonds (Subsidieverordening Waddenfonds 2014) (laatstelijk gewijzigd bij besluit van het algemeen bestuur van 30 juni 2016)) Het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Waddenfonds, gelet op artikel 5 van de gemeenschappelijke regeling Waddenfonds, besluit de Subsidieverordening Waddenfonds 2014 vast te stellen als volgt: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Waddenfonds; Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Europese Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Publicatieblad van de Europese Unie van 26 juni 2014; activiteitenplan: een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen; activiteitenverslag: een beschrijving van de uitgevoerde activiteiten waarvoor subsidie is verleend, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en een toelichting wordt gegeven op de verschillen; Awb: Algemene wet bestuursrecht; boekjaarsubsidie: subsidie aan een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die, met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Awb, per kalenderjaar wordt verstrekt, waarbij de hoogte van het subsidiebedrag gerelateerd is aan een bepaald niveau van activiteiten; dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Waddenfonds; de-minimisregelgeving: regelgeving omtrent staatssteun uit de Verordeningen van de Europese Unie 717/2014 (voor de visserijsector), 1408/2013 (voor de landbouwsector) en 1407/2013 (voor de overige sectoren); financieel verslag: een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten; grote ondernemingen: ondernemingen die niet voldoen aan de criteria voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen; immateriële activa: fysiek of financieel niet-tastbare activa, zoals octrooien, licenties, knowhow of andere intellectuele-eigendomsrechten; kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo’s): ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt. Binnen de categorie kmo's is een „kleine onderneming” een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt. Binnen de categorie kmo’s is een „micro-onderneming” een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt; materiële activa: activa bestaande uit gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting; onderneming: iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent; projectsubsidie: subsidie voor een eenmalige activiteit, die naar zijn aard tijdelijk is; Vrijstellingsverordening visserij: Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Publicatieblad van de Europese Unie van 24 december 2014; MKB Landbouwvrijstellingsverordening: MKB Landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Publicatieblad van de Europese Unie van 1 juli 2014; VWEU: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Waddengebied: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Planologische Kernbeslissing Derde Nota Waddenzee; Waddenzee: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Planologische Kernbeslissing Derde Nota Waddenzee. Artikel1.2Toepassingsbereik van deze verordening Deze verordening is van toepassing op alle door het dagelijks bestuur te verstrekken subsidies. Artikel1.3Doelstellingen van het Waddenfonds 1.Het Waddenfonds heeft als doelstelling: het vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het waddengebied; het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee; een duurzame economische ontwikkeling in het waddengebied, dan wel gericht zijn op een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het waddengebied en direct aangrenzende gebieden; het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het waddengebied. 2.Gedurende de looptijd wordt de helft van de beschikbare middelen besteed aan het doel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. Artikel1.4Jaarprogramma 1.Het algemeen bestuur stelt een Jaarprogramma vast. Het Jaarprogramma bevat ten minste: een thematische beschrijving van doelen die bijdragen aan de in het door provinciale staten van Fryslân, Groningen en Noord-Holland vastgestelde Uitvoeringsplan Waddenfonds genoemde doelstellingen; en het type van activiteiten dat voor subsidie in aanmerking komt. 2.Een Jaarprogramma wordt bekendgemaakt in het publicatieblad van het Waddenfonds en treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. Artikel1.5Bevoegdheid subsidieverstrekking 1.Het dagelijks bestuur is bevoegd te besluiten tot het verstrekken van subsidies die passen binnen het Jaarprogramma of worden verstrekt met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onder c, Awb. 2.Indien de te verstrekken subsidie staatssteun vormt als bedoeld in artikel 107, eerste lid, VWEU, en buiten het toepassingsbereik van de hoofdstukken 5.2 tot en met 5.4 valt, kan subsidie slechts worden verleend binnen de de-minimisregelgeving, dan wel na kennisgeving aan, dan wel na goedkeuring door de Europese Commissie, in overeenstemming met de geldende staatssteunregelgeving. Artikel1.6Subsidieplafond 1.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het vaststellen van subsidieplafonds. 2.Het dagelijks bestuur kan een subsidieplafond onderverdelen ten behoeve van verschillende activiteiten en categorieën van aanvragers. Artikel1.7Drempelbedrag Er wordt uitsluitend subsidie verstrekt indien de subsidiabele kosten op basis van de subsidieaanvraag ten minste € 200.000,- bedragen, tenzij in het Jaarprogramma of het Openstellingsbesluit anders is bepaald. Artikel1.8Openstellingsbesluit Waddenfonds 1.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een Openstellingsbesluit. 2.Het dagelijks bestuur is bevoegd om in het Openstellingsbesluit nadere regels te stellen met betrekking tot: het beperken van de openstelling tot een bepaalde aanvraagperiode; de subsidiabele activiteiten; het beperken van de openstelling tot bepaalde categorieën van aanvragers; het territoriaal begrenzen van de openstelling; een drempelbedrag met betrekking tot de subsidiabele kosten; het beoordelingskader; de hoogte of berekeningswijze van de subsidie; de subsidiabele kosten; de wijze van verdeling van de beschikbare middelen; de vorm van de te verstrekken van subsidie. 3.Een Openstellingsbesluit wordt bekendgemaakt in het publicatieblad van het Waddenfonds en treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. Artikel1.9Hoogte van de subsidie 1.Met uitzondering van subsidie die wordt verstrekt met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Awb, bedraagt de door het dagelijks bestuur te verstrekken subsidie nooit meer dan 90% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten, met inachtneming van de in het Jaarprogramma, deze verordening en het Openstellingsbesluit opgenomen maxima. 2.Indien ter zake van een project reeds door een ander bestuursorgaan of door de Europese Commissie is verstrekt, wordt de op grond van deze verordening te verstrekken subsidie zodanig berekend dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het totaal van de voor subsidie in aanmerking komende kosten. 3.Het totaal van overheidsbijdragen aan een subsidieontvanger kan niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan. Artikel1.10Subsidiabele kosten 1.Uitsluitend noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen en door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten, zijn subsidiabel, met dien verstande dat ook sprake kan zijn van afschrijvingskosten of kosten voor eigen arbeid. 2.Netto inkomsten gedurende de projectperiode kunnen in mindering worden gebracht op de subsidiabele kosten. 3.Er wordt in elk geval geen subsidie verstrekt voor: kosten die zijn gemaakt voor de datum van indiening van de volledige subsidieaanvraag, tenzij in het Jaarprogramma of het Openstellingsbesluit anders in bepaald; kosten die zijn gemaakt na het verstrijken van de projectperiode; verrekenbare kosten en belastingen, accijnzen, door de aanvrager zelf geheven leges en andere heffingen; debetrente, boetes, financiële sancties en gerechtskosten. Artikel1.11Misbruik en oneigenlijk gebruik 1.Het dagelijks bestuur voert ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik een actief en consistent handhavingsbeleid. 2.Het dagelijks bestuur houdt een registratie bij van misbruik bij subsidieverstrekking door de subsidie-ontvanger. Artikel1.12Doeltreffendheid Het dagelijks bestuur brengt ten minste eenmaal in de vier jaren aan het algemeen bestuur verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies die zijn verstrekt. Artikel1.13Formulieren en modellen 1.Ten behoeve van de subsidieverstrekking kan het dagelijks bestuur formulieren en modellen vaststellen, waarvan het gebruik verplicht is voorgeschreven. 2.Een aanvraag gaat vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden. Artikel1.14Kostenbegrippen en uurtarieven Het dagelijks bestuur kan een beleidsregel vaststellen omtrent het toepassen van uniforme kostenbegrippen en berekeningswijze van uurtarieven. Hoofdstuk2Krediet- en garantiesubsidie Artikel2.1Toepassingsbereik 1.De artikelen 3.6 en 4.3 tot en met 4.6 zijn niet van toepassing op subsidies waarbij een aanspraak op financiële middelen wordt verstrekt in de vorm van een krediet of garantie. 2.Het dagelijks bestuur is met het oog op een doelmatige subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk bevoegd om overige bepalingen van deze verordening buiten toepassing te laten. Artikel2.2Kredietsubsidie 1.Bij subsidieverstrekking waarbij een aanspraak op financiële middelen wordt verstrekt in de vorm van een lening worden in het Jaarprogramma of het Openstellingsbesluit in ieder geval bepalingen met betrekking tot de volgende gegevens opgenomen: de termijn waarbinnen de lening moet worden terugbetaald; en een door de subsidie-ontvanger te betalen rentepercentage. 2.Naast de gegevens genoemd in het eerste lid kunnen in het Jaarprogramma, het Openstellingsbesluit of in de subsidieverleningsbeschikking in ieder geval nog worden opgenomen: de wijze waarop kan worden aangetoond dat de activiteiten waarvoor de lening is verstrekt zijn verricht; de termijn waarbinnen moet worden aangetoond dat de activiteiten waarvoor de lening is verstrekt zijn verricht; de wijze waarop de subsidie-ontvanger zekerheid verschaft voor terugbetaling van de lening; een gebeurtenis of omstandigheid waardoor de verplichting de lening terug te betalen geheel of gedeeltelijk komt te vervallen. 3.Kredietsubsidie wordt uitsluitend verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat er, ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening, een uitvoeringsovereenkomst met het Waddenfonds wordt gesloten. Artikel2.3Garantiesubsidie 1.Bij subsidieverstrekking waarbij een aanspraak op financiële middelen wordt verstrekt in de vorm van een garantie worden in het Jaarprogramma of het Openstellingenbesluit in elk geval opgenomen: een beschrijving van de gebeurtenis waaronder de garantie kan worden ingeroepen; een door de subsidie-ontvanger te betalen vergoeding; de wijze waarop de gebeurtenis kan worden aangetoond; de termijn waarbinnen de gebeurtenis zich moet voordoen; en de termijn waarbinnen de gebeurtenis moet worden aangetoond. 2.Garantiesubsidie wordt uitsluitend verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat er, ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening, een uitvoeringsovereenkomst met het Waddenfonds wordt gesloten. 3.Een garantiesubsidie bedraagt nooit meer dan 80% van de onderliggende lening. Hoofdstuk3Subsidieverlening Paragraaf3.1Het aanvragen van een subsidie Artikel3.1Het indienen van een aanvraag 1.Een aanvraag voor een subsidie wordt ingediend binnen een door het dagelijks bestuur in een Openstellingsbesluit vastgestelde aanvraagperiode. Aanvragen kunnen worden ingediend per reguliere post of per e-mail op info@waddenfonds.nl. 2.Een aanvraag wordt gericht aan het dagelijks bestuur, met gebruikmaking van een daartoe door het dagelijks bestuur vastgesteld aanvraagformulier. 3.Onverminderd het bepaalde in het Jaarprogramma, gaat de aanvraag vergezeld van: een activiteitenplan; een begroting van kosten en opbrengsten, voorzien van een toelichting. Indien het een meerjarig project betreft dient de begroting een meerjarenbegroting te zijn; en een dekkingsplan. 4.Het dagelijks bestuur kan voorschrijven dat, indien de aanvrager een privaatrechtelijk rechtspersoon is, bij de aanvraag de oprichtingsakte en haar actuele statuten worden overgelegd. 5.Het dagelijks bestuur kan voorschrijven dat een schriftelijke verklaring wordt overgelegd van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, omtrent de getrouwheid van de jaarrekening, de balans en de staat van baten en lasten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag, dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is gebleken. 6.Indien een aanvrager voor dezelfde activiteit eveneens subsidie heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan, vermeldt hij dit bij de aanvraag alsmede de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag. 7.Artikel 4:3 van de Awb is niet van toepassing op door het dagelijks bestuur in het Openstellingsbesluit opgenomen gegevens en bescheiden. 8.Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient een der deelnemers in het samenwerkingsverband de aanvraag mede namens de andere deelnemers in. De aanvraag gaat vergezeld van een aan het samenwerkingsverband ten grondslag liggende overeenkomst, met daarin in elk geval een overzicht van de aan het samenwerkingsverband deelnemende natuurlijke en rechtspersonen, de verdeling van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de verschillende deelnemers. 9.Indien de aanvraag een project ingevolge titel 5.2.3 betreft, verstrekt de subsidieaanvrager gegevens en bescheiden bij de aanvraag waaruit blijkt dat de investeringen ten behoeve van het project verder gaan dan Unienormen of die bij ontstentenis van Unienormen het niveau van milieubescherming doen toenemen. Artikel3.2Ontvangst van de aanvraag 1.Indien de beschikbare middelen worden verdeeld op basis van volgorde van binnenkomst, is de dag waarop de aanvraag is ontvangen bepalend. 2.Wanneer de aanvrager met toepassing van artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvulling is ontvangen met betrekking tot de verdeling als de datum van ontvangst. 3.Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen het subsidieplafond wordt overschreden, besluit het dagelijks bestuur op basis van rangschikking van de aanvragen, waarbij een aanvraag hoger wordt gerangschikt naarmate die meer voldoet aan de toetsingscriteria. Paragraaf3.2De beslissing op de aanvraag Artikel3.3Beslistermijn 1.Het dagelijks bestuur beslist: binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen 13 weken na afloop van de periode waarin of de uiterlijke datum waarop aanvragen kunnen worden ingediend. 2.De beslistermijn bedraagt 22 weken indien: sprake is van cofinanciering in het kader van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; over de aanvraag extern advies wordt ingewonnen; een nader onderzoek is ingesteld. 3.De beslistermijn bedraagt 40 weken indien de verlening mede afhankelijk is van het oordeel van een internationale beoordelingscommissie of van internationale peerreviews. 4.Indien de beschikking niet tijdig kan worden gegeven, stelt het dagelijks bestuur de betrokkene daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Artikel3.4Schakelbepaling Indien een subsidievaststellingsbeschikking wordt gegeven zonder voorafgaande verleningsbeschikking, is artikel 4:35 Awb van overeenkomstige toepassing. Artikel3.5Algemeen beoordelingskader 1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb wordt geen subsidie verstrekt indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur : de activiteit niet bijdraagt aan de doelen van het Waddenfonds; de aanvraag niet voldoet aan het bepaalde in deze verordening, het Jaarprogramma of het Openstellingsbesluit; de activiteit niet of niet in overwegende mate gericht is op het Waddengebied en de versterking of het behoud van Waddenspecifieke kenmerken; de activiteit betrekking heeft op reguliere investeringen of reguliere beheer- of onderhoudswerken; de uitvoering van een voorgenomen activiteit een inbreuk zal maken op de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzame ontwikkeling; de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan het drempelbedrag; de gevraagde financiële bijdrage niet in een redelijke verhouding staat tot het beoogde projectresultaat (value for money); ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard; de aanvrager van de subsidie een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in paragraaf 2.1 van de Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun (pb EU 2004, C 244); er een gegronde reden bestaat dat het project in financiële, organisatorische, technische of economische zin niet haalbaar is; er een gegronde reden bestaat dat de exploitatie na de projectperiode niet kan worden gerealiseerd; er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen nastreeft of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang, de goede zeden of de openbare orde. 2.Een subsidie kan worden geweigerd of ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 3.Een subsidie kan worden geweigerd indien de aanvrager is opgenomen in het Subsidieregister misbruik en oneigenlijk gebruik van het Waddenfonds. Artikel3.6Voorschotten 1.Indien de subsidie direct wordt vastgesteld vindt de betaling van het subsidiebedrag in één keer plaats. 2.Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, onderdeel b, wordt gegeven, wordt 100% bevoorschot. In overige gevallen bedraagt het voorschot ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag. 3.Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, geschiedt de verlening van een voorschot, al dan niet in de vorm van een termijnbetaling, op verzoek van de subsidieaanvrager. 4.Het verzoek wordt schriftelijk ingediend, met gebruikmaking van een door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier. Het verzoek gaat vergezeld van alle bescheiden die blijkens het formulier met het verzoek moeten worden meegezonden. Het dagelijks bestuur kan in het belang van een doelmatige subsidieverstrekking afwijken van het bepaalde in het tweede lid. Paragraaf3.3Voorwaarden en verplichtingen Artikel3.7Melding bij de Europese Commissie Indien de subsidieverlening naar het oordeel van het dagelijks bestuur valt onder de omschrijving van een steunmaatregel als bedoeld in artikel 107, eerste lid, VWEU en een melding plaatsvindt op grond van artikel 108 VWEU, wordt de subsidie uitsluitend verleend onder de opschortende voorwaarde dat de Europese Commissie hieraan haar goedkeuring verleent. Artikel3.8Begrotingsvoorbehoud Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat het algemeen bestuur voldoende middelen beschikbaar stelt. Artikel3.9Meldings- en mededelingsplicht 1.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk melding aan het dagelijks bestuur, zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend of direct is vastgesteld niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. 2.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot surseance van betaling, tot faillietverklaring, het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon of van andere omstandigheden die voor de subsidieverlening van belang kunnen zijn. 3.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur indien na het indienen van de subsidieaanvraag voor dezelfde activiteit subsidie wordt verstrekt door een ander bestuursorgaan of de Europese Commissie. Artikel3.10Algemene verplichtingen 1.Waar in dit artikel wordt gesproken van subsidieverlening wordt hieronder mede verstaan de subsidievaststelling, indien er geen subsidieverleningsbeschikking aan de vaststelling voorafgaat. 2.Het dagelijks bestuur kan aan een subsidie-ontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:38 Awb opleggen, voor zover de verplichtingen strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 3.Het dagelijks bestuur kan aan een subsidie-ontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 Awb opleggen. 4.Aan de subsidie-ontvanger wordt de verplichting opgelegd om in publicitaire uitingen te vermelden dat de gesubsidieerde activiteit mede mogelijk is gemaakt met subsidie van het Waddenfonds. 5.De subsidie-ontvanger maakt binnen de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde termijn een aanvang met de uitvoering van de activiteiten. Bij het ontbreken van een dergelijke termijn geldt een termijn van twee maanden na de bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening. 6.De subsidie-ontvanger voert de activiteiten uit overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening en voltooit deze uiterlijk op de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen datum. Bij het ontbreken van een dergelijke termijn geldt een termijn van een jaar na de bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening. 7.Het dagelijks bestuur kan in de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb bepalen dat een subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan hen een vergoeding verschuldigd is. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding worden de activa gewaardeerd op hun actuele waarde in het economisch verkeer. De waarde van een onroerende zaak geschiedt op basis van de waarde die hieraan is toegekend op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel3.11Administratieve verplichtingen 1.Bij een subsidie tot € 125.000 wordt aan de subsidie-ontvanger geen verplichting opgelegd met betrekking tot: de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder f, van de Awb. 2.Indien de subsidie-ontvanger een verplichting is opgelegd met betrekking tot de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voert de subsidie-ontvanger een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de uitgaven en inkomsten kunnen worden nagegaan. 3.Tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald, bewaart de subsidie-ontvanger de in het tweede lid genoemde gegevens tenminste 5 jaar na vaststelling van de subsidie. 4.Onderdeel a van het eerste lid is niet van toepassing indien op grond van artikel 4.5 een verklaring inzake werkelijke uitgaven en inkomsten wordt gevraagd. Artikel3.12Medewerking controle De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan, door of vanwege het dagelijks bestuur gevorderde controle van de administratie of een ander onderzoek naar gegevens die in het kader van de subsidieverstrekking van belang worden geacht. Hij verleent daartoe inzage in zijn administratie en verstrekt de inlichtingen die voor de beoordeling van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de besteding van de subsidie, dan wel anderszins van belang kunnen zijn. Artikel3.13Voortgangsrapportage 1.Aan een subsidie lager dan € 25.000 wordt geen verplichting verbonden tot het overleggen van een tussentijds voortgangsverslag. 2.Aan het verstrekken van een subsidie vanaf € 25.000 kan het dagelijks bestuur, indien de periode van uitvoering van de activiteiten meer dan 12 aaneengesloten maanden bedraagt, de verplichting opleggen dat één keer per periode van 12 maanden een tussentijds voortgangsverslag wordt overgelegd. 3.Het dagelijks bestuur kan in het belang van een doelmatige subsidieverstrekking afwijken van het bepaalde in het tweede lid. Artikel3.14Openbaarmaking 1.De subsidie-ontvanger verleent op verzoek van het dagelijks bestuur medewerking aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van het project. 2.De subsidie-ontvanger verleent op verzoek van het dagelijks bestuur medewerking aan een door of vanwege het dagelijks bestuur ter zake van de toepassing en de effecten van het Jaarprogramma of de toepassing van deze verordening ingesteld evaluatieonderzoek. Hoofdstuk4Subsidievaststelling Paragraaf4.1Aanvraag tot subsidievaststelling Artikel4.1Aanvraag tot vaststelling van een subsidie Tenzij de subsidie overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.3, eerste lid, onder b, ambtshalve wordt vastgesteld, dient de subsidie-ontvanger die een subsidieverleningsbeschikking heeft ontvangen binnen 13 weken na de datum waarop de activiteit op grond van deze verordening of de subsidieverleningsbeschikking moet zijn uitgevoerd of, indien dat eerder is, 13 weken na de uitvoering van de activiteit, schriftelijk een aanvraag tot subsidievaststelling in bij het dagelijks bestuur, tenzij in het besluit tot subsidieverlening een andere termijn is opgenomen. Paragraaf4.2Beslissing op de aanvraag Artikel4.2Beslistermijn 1.Het dagelijks bestuur beslist binnen 22 weken na ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, mits deze aan alle vereisten voldoet. 2.Subsidies die ambtshalve worden vastgesteld, stelt het dagelijks bestuur vast binnen 22 weken na de datum waarop de activiteit moet zijn verricht. 3.Het subsidiebedrag wordt binnen 30 dagen na de subsidievaststelling betaald. Paragraaf4.3Verantwoording van subsidies Artikel4.3Verantwoording van subsidies tot € 25.000 1.Bij een subsidie tot € 25.000 wordt: de subsidie vastgesteld zonder dat aan de beschikking tot subsidievaststelling een beschikking tot subsidieverlening vooraf gaat; of een beschikking tot subsidieverlening gegeven, met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en van de termijn waarbinnen de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld. 2.Bij een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt aan de subsidie-ontvanger in elk geval de verplichting opgelegd om desgevraagd, op een door het dagelijks bestuur van tevoren in de beschikking aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 3.Het dagelijks bestuur kan op basis van een risicoanalyse besluiten dat het eerste lid ook van toepassing is op subsidies van € 25.000 of meer. Artikel4.4Verantwoording van subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000 1.Bij een subsidie vanaf € 25.000 tot € 125.000 wordt bij de aanvraag tot vaststelling een activiteitenverslag overgelegd, waaruit genoegzaam blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verleend overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur in de beschikking tot subsidieverlening bepalen dat de subsidie-ontvanger op een andere wijze kan aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat voldaan is aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen 3.Het dagelijks bestuur kan op basis van een risicoanalyse besluiten dat het eerste lid ook van toepassing is op subsidies van € 125.000 of meer. Artikel4.5Verantwoording op basis van een verklaring van werkelijke kosten en opbrengsten 1.In afwijking van de artikelen 4.3 en 4.4, kan het dagelijks bestuur bij de verstrekking van een boekjaarsubsidie of indien bij overige subsidieverstrekking tot € 125.000 de kosten en opbrengsten ter zake van de te verrichten activiteiten naar hun oordeel in verband met de aard van die activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet geëist kan worden, of indien dit in verband met doelmatigheidscontrole gewenst is, in de subsidieverleningsbeschikking bepalen dat de subsidie-ontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling, op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten verantwoordt dat de activiteiten zijn verricht. 2.In de verklaring als bedoeld in het eerste lid geeft de subsidie-ontvanger aan: in hoeverre de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; in hoeverre aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten; in voorkomend geval, de stand van de egalisatiereserve; het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden, ; en het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage. Artikel4.6Verantwoording van subsidies vanaf € 125.000 1.Bij een subsidie vanaf € 125.000, wordt bij de aanvraag tot vaststelling overgelegd: een activiteitenverslag waaruit genoegzaam blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verleend overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; een financieel verslag, waarin in elk geval is opgenomen een opgave van: het bedrag van de werkelijke subsidiabele kosten; het bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, met inbegrip van bijdragen van derden, en het bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage; opgesteld conform de aan het besluit tot subsidieverlening ten grondslag liggende begroting, inclusief een toelichting op de bedragen. 2.Het dagelijks bestuur kan bij de subsidieverlening afwijken van het eerste lid. Artikel4.7Controleverklaring accountant 1.De subsidie-ontvanger van een subsidie vanaf € 125.000 geeft opdracht tot onderzoek van het financiële verslag aan een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. 2.De accountant onderzoekt of het financiële verslag voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij dat verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar is. 3.De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag. 4.De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de in het derde lid bedoelde verklaring. 5.Bij de subsidieverlening kan het dagelijks bestuur afwijken van het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid. Artikel4.8Onderzoek naleving verplichtingen 1.Bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat de in artikel 4.7, eerste lid, bedoelde opdracht tevens strekt tot onderzoek van de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. 2.Bij toepassing van het eerste lid gaat de opdracht vergezeld van een bij of krachtens wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening vast te stellen aanwijzing over de reikwijdte en de intensiteit van de controle. 3.Bij toepassing van het eerste lid gaat het financiële verslag tevens vergezeld van een schriftelijke verklaring van de accountant over de naleving door de subsidie-ontvanger van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel4.9Afwijkende verantwoordingsprocedure Het dagelijks bestuur kan afwijken van het bepaalde in dit hoofdstuk indien subsidie wordt verstrekt aan een gemeente, een waterschap of een openbaar lichaam dat is ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel4.10Wettelijke rente bij terugvordering 1.Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 Awb, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidie-ontvanger en de terugbetaling door de subsidie-ontvanger. 2.Bij terugvordering van subsidie ter uitvoering van een terugvorderingsbeschikking van de Europese Commissie of een onherroepelijk rechterlijke uitspraak vordert het dagelijks bestuur tevens rente. Deze rente wordt berekend overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van de Verordening (EG), nr. 659/1999, van de Raad van de Europese Unie van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-verdrag (PbEG L 83). Hoofdstuk5Activiteiten die voor subsidie in aanmerking kunnen worden gebracht. Hoofdstuk5.1Subsidie voor activiteiten die naar het oordeel van het dagelijks bestuur geen staatssteun vormt in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU. Artikel5.1.1Subsidiabele activiteit Activiteiten die passen binnen het door het algemeen bestuur vastgestelde Jaarprogramma en subsidieverlening naar het oordeel van het dagelijks bestuur geen staatssteun vormt in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU. Artikel5.1.2Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie: loonkosten of kosten voor eigen arbeid, mits deze rechtstreeks betrekking hebben op het project; kosten van verbruikte materialen en verbruikte hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen; kosten in verband met aankoop van tweedehands materialen, mits de prijs redelijk is en het materiaal vergezeld gaat van een verklaring van de verkoper omtrent de herkomst van het materiaal; kosten van duurzame kapitaalgoederen, bijvoorbeeld machines en apparatuur; kosten van grond; kosten van aan derden uitbestede activiteiten mits sprake is van marktconforme prijzen; een opslag voor algemene kosten, tot ten hoogste 20% van de onder a bedoelde kosten; overige door het dagelijks bestuur in het Openstellingsbesluit opgenomen subsidiabele kosten. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de in aanmerking komende kosten. Hoofdstuk5.2Subsidie voor activiteiten die wordt verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Artikel5.2.1Algemene bepaling Op dit hoofdstuk is de Algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing. Titel5.2.1Subsidie voor kleine- en middelgrote ondernemingen Artikel5.2.2Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: adviesdiensten voor samenwerking: consulting, bijstand en opleiding ten behoeve van de uitwisseling van kennis en ervaring en ter verbetering van de samenwerking; innovatieve onderneming: een onderneming: die aan de hand van een door een externe deskundige uitgevoerde evaluatie kan aantonen dat zij in de voorzienbare toekomst producten, diensten of procedés zal ontwikkelen die in technologisch opzicht nieuw zijn of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van de huidige stand van de techniek in deze sector, en die een risico op technologische of industriële mislukking inhouden, of waarvan de kosten voor onderzoek en ontwikkeling ten minste 10% bedragen van haar totale exploitatiekosten in ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de toekenning van de subsidie of, in het geval van een startende onderneming zonder enige financiële voorgeschiedenis, bij de audit van haar lopende belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke accountant; investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen: een categorie financiering tussen eigen vermogen en vreemd vermogen in, met een hoger risico dan senior schulden en een lager risico dan gewoon aandelenkapitaal, en waarvan het rendement voor de houder ervan overwegend is gebaseerd op de winst of het verlies van de onderliggende doelonderneming en die bij wanbetaling niet gedekt is. Investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen kunnen zijn gestructureerd als schulden, die niet gegarandeerd en achtergesteld zijn, met inbegrip van mezzanineschulden, en in sommige gevallen converteerbaar zijn in eigen vermogen, dan wel als preferente aandelen; niet-beursgenoteerde kmo: een kmo die niet is toegelaten tot de officiële notering van een effectenbeurs, met uitzondering van alternatieve handelsplatforms. ondersteuningsdiensten voor samenwerking: het verschaffen van kantoorruimte, websites, databanken, bibliotheken, marktonderzoek, handboeken, werk- en modeldocumenten; organisatorische samenwerking: de ontwikkeling van gezamenlijke bedrijfs- of managementstrategieën, het aanbieden van gemeenschappelijke diensten of diensten die samenwerking moeten bevorderen, gecoördineerde activiteiten zoals onderzoek of marketing, de ondersteuning van netwerken en clusters, het verbeteren van toegankelijkheid en communicatie, het gebruik van gedeelde instrumenten om het ondernemerschap en de handel met kmo's te bevorderen; Paragraaf5.2.1Subsidie voor investeringen in kleine- of middelgrote ondernemingen Artikel5.2.3Subsidiabele activiteit 1.Een investering in een kleine- of middelgrote onderneming die bestaat uit een investering in: materiële of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een bestaande vestiging, of de overname van activa die behoren tot een vestiging, wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld: de vestiging is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen; de activa worden aangekocht van derden zonder banden met de koper; de transactie vindt op marktvoorwaarden plaats. 2.Wanneer een lid van de familie van de oorspronkelijke eigenaar of een werknemer een kleine onderneming overneemt, vervalt de voorwaarde dat de activa worden verworven van derden zonder banden met de koper. De enkele verwerving van de aandelen van een onderneming vormt geen initiële investering. Artikel5.2.4Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn: de kosten van investeringen in materiële en immateriële activa, en/of de geraamde loonkosten voor rechtstreeks door het investeringsproject gecreëerde banen, berekend over een periode van twee jaar. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste: 20% van de in aanmerking komende kosten in het geval van kleine ondernemingen; 10% van de in aanmerking komende kosten in het geval van middelgrote ondernemingen. Artikel5.2.5Voorwaarden 1.De immateriële activa voldoen aan elk van de volgende voorwaarden: zij worden uitsluitend in de subsidie ontvangende vestiging gebruikt; zij worden als afschrijfbare activa beschouwd; zij worden op marktvoorwaarden aangekocht van derden zonder banden met de koper, en zij behoren ten minste drie jaar tot de activa van de onderneming. 2.Rechtstreeks door een investeringsproject geschapen werkgelegenheid voldoet aan de volgende voorwaarden: de werkgelegenheid komt binnen drie jaar na de voltooiing van de investering tot stand; er is een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken vestiging, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden; deze werkgelegenheid blijft behouden gedurende ten minste drie jaar te rekenen vanaf het tijdstip dat de arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld. Paragraaf5.2.2Subsidie ten behoeve van deelneming aan beurzen Artikel5.2.6Subsidiabele activiteit Deelneming aan beurzen door kleine- of middelgrote ondernemingen. Artikel5.2.7Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn de kosten gemaakt voor het huren, opzetten, en gebruiken van een standplaats voor de deelname van een onderneming aan een bepaalde vakbeurs of tentoonstelling. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. Paragraaf5.2.3Starterssubsidie Artikel5.2.8Subsidiabele activiteit Starterssubsidie ten behoeve van niet-beursgenoteerde kleine ondernemingen tot vijf jaar na hun registratie, die nog geen winst hebben uitgekeerd en niet uit een fusie zijn ontstaan. Voor in aanmerking komende ondernemingen die zich niet hoeven te laten registreren, kan de periode van vijf jaar om in aanmerking te komen, geacht worden aan te vangen op het tijdstip dat de onderneming ofwel haar economische activiteiten aanvangt of belastingplichtig wordt voor haar economische activiteiten. Artikel5.2.9Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De subsidie heeft de vorm van: leningen tegen een rente die niet marktconform is, met een looptijd van tien jaar en voor een nominaal bedrag van ten hoogste 1 miljoen EUR, of 1,5 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 2 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Voor leningen met een looptijd tussen vijf en tien jaar kunnen de maximumbedragen worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de lening. Voor leningen met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximumbedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar; garanties met premies die niet marktconform zijn, met een looptijd van tien jaar en een gegarandeerd leningbedrag van ten hoogste 1,5 miljoen EUR, of 2,25 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 3 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Voor garanties met een looptijd tussen vijf en tien jaar kan het maximaal gegarandeerde bedrag worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de garantie. Voor garanties met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximaal gegarandeerde bedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar. De garantie bedraagt ten hoogste 80% van de onderliggende lening. subsidies, met inbegrip van eigenvermogens- of quasi-eigenvermogensinvesteringen, rentekortingen en kortingen op de garantiepremies tot maximaal 0,4 miljoen EUR bruto-subsidie-equivalent, of 0,6 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 0,8 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Een begunstigde kan subsidie ontvangen via een mix van de in lid 1 van dit artikel bedoelde subsidie-instrumenten, mits het aandeel van de via één subsidie-instrument verleende subsidie, berekend op basis van het voor dat instrument toegestane maximale subsidiebedrag, in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van het resterende deel van het maximale subsidiebedrag dat is toegestaan voor de overige instrumenten die onderdeel vormen van dit soort gemengde instrument. Voor kleine en innovatieve ondernemingen kunnen de in lid 1 genoemde maximumbedragen worden verdubbeld. Titel5.2.2Subsidie voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie Artikel5.2.10Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: daadwerkelijke samenwerking: samenwerking tussen ten minste twee onafhankelijke partijen om kennis of technologie uit te wisselen of om een gemeenschappelijke doelstelling op basis van een taakverdeling te bereiken, waarbij de partijen samen de omvang van het samenwerkingsproject bepalen, bijdragen aan de tenuitvoerlegging ervan, en het risico en de resultaten ervan delen. Eén of meer partijen kunnen de volledige kosten van het project dragen en zodoende de andere partijen bevrijden van de aan het project verbonden financiële risico's. Contractonderzoek en het verrichten van onderzoeksdiensten worden niet als vormen van samenwerking beschouwd; experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten. Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden; haalbaarheidsstudie: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn; hooggekwalificeerd personeel: personeel met een tertiaire opleiding en ten minste vijf jaar relevante beroepservaring, waarin doctoraatsopleidingen kunnen meetellen; industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie; innovatieadviesdiensten: consulting, bijstand en opleiding op het gebied van kennisoverdracht, verwerving, bescherming en exploitatie van immateriële activa, het gebruik van standaarden en regels waarin deze zijn vastgelegd; innovatieondersteuningsdiensten: het verschaffen van kantoorruimte, databanken, bibliotheken, marktonderzoek, laboratoria, diensten in verband met kwaliteitslabels, testen en certificatie met het oog op de ontwikkeling van doeltreffendere producten, procedés of diensten; onderzoeksinfrastructuur: faciliteiten, middelen en verwante diensten die door de wetenschappelijke gemeenschap worden gebruikt om op hun respectieve vakgebied onderzoek te verrichten. Hierbij gaat het om: wetenschappelijke uitrusting of sets wetenschappelijke instrumenten; kennisgebaseerde hulpbronnen zoals verzamelingen, archieven of gestructureerde wetenschappelijke informatie; ict-gebaseerde enabling infrastructuur zoals gridnetwerken, computers, software en communicatie, of iedere andere entiteit met een uniek karakter die onontbeerlijk is om onderzoek te kunnen verrichten. Dit soort infrastructuur kan zich op één enkele locatie bevinden (single-sited) dan wel verspreid zijn (distributed) (een georganiseerd netwerk van hulpbronnen) in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad van 25 juni 2009 betreffende een communautair rechtskader voor een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC); op arm’s length: de voorwaarden van de transactie tussen de contractspartijen wijken niet af van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het arm’s length-beginsel. Paragraaf5.2.4Subsidie voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten Artikel5.2.11Subsidiabele activiteit Onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten binnen één of meer van de volgende categorieën: industrieel onderzoek; experimentele ontwikkeling; haalbaarheidsstudies. Artikel5.2.12Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling ingedeeld en betreffen: personeelskosten:onderzoekers, technici en ander ondersteund personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. 2.Bij haalbaarheidsstudies zijn de in aanmerking komende kosten de kosten van de studie. 3.De subsidie bedraagt voor elke begunstigde ten hoogste: 50% van de in aanmerking komende kosten voor industrieel onderzoek; 25% van de in aanmerking komende kosten voor experimentele ontwikkeling; 50% van de in aanmerking komende kosten voor haalbaarheidsstudies. 4.De subsidies voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling kunnen als volgt worden verhoogd, tot een maximale subsidie van 80% van de in aanmerking komende kosten: met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen; met 15 procentpunten indien één van de volgende voorwaarden is vervuld: het project behelst daadwerkelijke samenwerking: tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kmo is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten of in een lidstaat en in een Overeenkomstsluitende Partij bij de EER-Overeenkomst, en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening, of tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren; de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software. 5.De subsidie voor haalbaarheidsstudies kan worden verhoogd met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen. Paragraaf5.2.5Investeringssubsidie voor onderzoeksinfrastructuur Artikel5.2.13Subsidiabele activiteit De bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden verricht. Artikel5.2.14Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. Artikel5.2.15Voorwaarden 1.Wanneer met onderzoeksinfrastructuur zowel economische als niet-economische activiteiten worden verricht, wordt voor de financiering, kosten en inkomsten van elk soort activiteit een gescheiden boekhouding gevoerd, op basis van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen van kostprijsadministratie. 2.De prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de infrastructuur wordt berekend, stemt overeen met een marktprijs. 3.Toegang tot de infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10% van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. , Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld. 4.Wanneer onderzoeksinfrastructuur overheidsfinanciering ontvangt voor zoweleconomische als niet-economische activiteiten, werken lidstaten een monitoring- enterugvorderingsmechanisme uit om te garanderen dat de toepasselijke steunintensiteitniet wordt overschreden door een toename van het aandeel economische activiteitenten opzichte van de situatie waarmee op het tijdstip van de toekenning van de subsidiewerd gerekend. Paragraaf5.2.6Innovatiesubsidie voor kleine- en middelgrote ondernemingen Artikel5.2.16Subsidiabele activiteit Activiteiten gericht op: het verkrijgen, valideren en verdedigen van octrooien en immateriële activa; het detacheren van hooggekwalificeerd personeel van een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding of een grote onderneming naar onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieactiviteiten in een nieuw gecreëerde functie binnen de begunstigde onderneming, zonder dat hierbij andere personeelsleden worden vervangen; het gebruik van innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning. Artikel5.2.17Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De kosten verbonden aan de in artikel 5.2.16 genoemde activiteiten komen voor subsidie in aanmerking. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. 3.In het specifieke geval van subsidie voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning kan de subsidie worden verhoogd tot 90% van de in aanmerking komende kosten mits het totale bedrag van de subsidie voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning ten hoogste 200 000 EUR bedraagt per onderneming over een periode van drie jaar. Paragraaf5.2.7Subsidie voor onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector Artikel5.2.18Subsidiabele activiteit Onderzoek- en ontwikkelingsprojecten in de visserij- en aquacultuursector. Artikel5.2.19Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn: personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteund personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden); kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de in aanmerking komende kosten. Artikel5.2.20Voorwaarden 1.Het gesubsidieerde project is van belang voor alle marktdeelnemers in de betrokken sector of subsector. 2.Vóór de datum van aanvang van het gesubsidieerde project wordt op internet de volgende informatie bekendgemaakt: dat het gesubsidieerde project zal worden uitgevoerd; de doelstellingen van het gesubsidieerde project; de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesubsidieerde project worden verwacht, en waar zij op internet zullen worden bekendgemaakt; een vermelding dat de resultaten van het gesubsidieerde project kosteloos beschikbaar zullen zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken sector of subsector actief zijn. 3.De resultaten van het gesubsidieerde project worden op internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten blijven op internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project. 4.De subsidie wordt rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding verleend en mag niet bestaan in rechtstreekse niet-onderzoeksgerelateerde subsidie aan een onderneming die visserij- of aquacultuurproducten produceert, verwerkt of afzet. Titel5.2.3Subsidie voor milieubescherming Artikel5.2.21Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: biobrandstof: vloeibare of gasvormige transportbrandstof die uit biomassa is gewonnen; biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede biogas en de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval; biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen": biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen in de zin van het voorstel van de Commissie voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen; duurzame biobrandstoffen: biobrandstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. en iedere wijziging daarvan; energie-efficiëntie: een hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door het verbruik vóór en ná de invoering van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie te meten en/of te ramen, gecorrigeerd voor externe factoren die het energieverbruik beïnvloeden; energie uit hernieuwbare energiebronnen: energie geproduceerd met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de energie die met hernieuwbare energiebronnen wordt opgewekt in hybride installaties die ook met conventionele energiebronnen werken. Hieronder valt ook voor accumulatiesystemen gebruikte hernieuwbare elektriciteit maar niet elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is; hernieuwbare energiebronnen: de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: windenergie, zonne-energie, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas; hoogrenderende warmtekrachtkoppeling: warmtekrachtkoppeling die voldoet aan de definitie van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU; milieubelasting: een belasting met een bijzondere heffingsgrondslag die een duidelijk negatief milieueffect heeft, of die bepaalde activiteiten, goederen of diensten wil belasten zodat de milieukosten in de prijs ervan kunnen worden opgenomen en/of de producenten en verbruikers worden toegeleid naar activiteiten die milieuvriendelijker zijn; milieubescherming: elke maatregel die is gericht op preventie of herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van een begunstigde, op beperking van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, daaronder begrepen energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen; Unienorm: een verplichte Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of de verplichting op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad om de beste beschikbare technieken (BAT'
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.