← Nederland

Verordening van het algemeen bestuur van het Waddenfonds houdende subsidie Subsidieverordening Waddenfonds 2014 (Waddenfonds)

Subsidieverordening Waddenfonds 2014Verordening van 30 juni 2014 van het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Waddenfonds, houdende bepalingen met betrekking tot de verstrekking van subsidies ten laste van het Waddenfonds (Subsidieverordening Waddenfonds 2014) (laatstelijk gewijzigd bij besluit van het algemeen bestuur van 30 juni 2016)) Het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Waddenfonds, gelet op artikel 5 van de gemeenschappelijke regeling Waddenfonds, besluit de Subsidieverordening Waddenfonds 2014 vast te stellen als volgt: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Waddenfonds; Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Europese Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Publicatieblad van de Europese Unie van 26 juni 2014; activiteitenplan: een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen; activiteitenverslag: een beschrijving van de uitgevoerde activiteiten waarvoor subsidie is verleend, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en een toelichting wordt gegeven op de verschillen; Awb: Algemene wet bestuursrecht; boekjaarsubsidie: subsidie aan een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die, met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Awb, per kalenderjaar wordt verstrekt, waarbij de hoogte van het subsidiebedrag gerelateerd is aan een bepaald niveau van activiteiten; dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Waddenfonds; de-minimisregelgeving: regelgeving omtrent staatssteun uit de Verordeningen van de Europese Unie 717/2014 (voor de visserijsector), 1408/2013 (voor de landbouwsector) en 1407/2013 (voor de overige sectoren); financieel verslag: een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten; grote ondernemingen: ondernemingen die niet voldoen aan de criteria voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen; immateriële activa: fysiek of financieel niet-tastbare activa, zoals octrooien, licenties, knowhow of andere intellectuele-eigendomsrechten; kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo’s): ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt. Binnen de categorie kmo's is een „kleine onderneming” een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt. Binnen de categorie kmo’s is een „micro-onderneming” een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt; materiële activa: activa bestaande uit gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting; onderneming: iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent; projectsubsidie: subsidie voor een eenmalige activiteit, die naar zijn aard tijdelijk is; Vrijstellingsverordening visserij: Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Publicatieblad van de Europese Unie van 24 december 2014; MKB Landbouwvrijstellingsverordening: MKB Landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Europese Commissie van 25 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Publicatieblad van de Europese Unie van 1 juli 2014; VWEU: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Waddengebied: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Planologische Kernbeslissing Derde Nota Waddenzee; Waddenzee: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Planologische Kernbeslissing Derde Nota Waddenzee. Artikel1.2Toepassingsbereik van deze verordening Deze verordening is van toepassing op alle door het dagelijks bestuur te verstrekken subsidies. Artikel1.3Doelstellingen van het Waddenfonds 1.Het Waddenfonds heeft als doelstelling: het vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het waddengebied; het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee; een duurzame economische ontwikkeling in het waddengebied, dan wel gericht zijn op een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het waddengebied en direct aangrenzende gebieden; het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het waddengebied. 2.Gedurende de looptijd wordt de helft van de beschikbare middelen besteed aan het doel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. Artikel1.4Jaarprogramma 1.Het algemeen bestuur stelt een Jaarprogramma vast. Het Jaarprogramma bevat ten minste: een thematische beschrijving van doelen die bijdragen aan de in het door provinciale staten van Fryslân, Groningen en Noord-Holland vastgestelde Uitvoeringsplan Waddenfonds genoemde doelstellingen; en het type van activiteiten dat voor subsidie in aanmerking komt. 2.Een Jaarprogramma wordt bekendgemaakt in het publicatieblad van het Waddenfonds en treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. Artikel1.5Bevoegdheid subsidieverstrekking 1.Het dagelijks bestuur is bevoegd te besluiten tot het verstrekken van subsidies die passen binnen het Jaarprogramma of worden verstrekt met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onder c, Awb. 2.Indien de te verstrekken subsidie staatssteun vormt als bedoeld in artikel 107, eerste lid, VWEU, en buiten het toepassingsbereik van de hoofdstukken 5.2 tot en met 5.4 valt, kan subsidie slechts worden verleend binnen de de-minimisregelgeving, dan wel na kennisgeving aan, dan wel na goedkeuring door de Europese Commissie, in overeenstemming met de geldende staatssteunregelgeving. Artikel1.6Subsidieplafond 1.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het vaststellen van subsidieplafonds. 2.Het dagelijks bestuur kan een subsidieplafond onderverdelen ten behoeve van verschillende activiteiten en categorieën van aanvragers. Artikel1.7Drempelbedrag Er wordt uitsluitend subsidie verstrekt indien de subsidiabele kosten op basis van de subsidieaanvraag ten minste € 200.000,- bedragen, tenzij in het Jaarprogramma of het Openstellingsbesluit anders is bepaald. Artikel1.8Openstellingsbesluit Waddenfonds 1.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een Openstellingsbesluit. 2.Het dagelijks bestuur is bevoegd om in het Openstellingsbesluit nadere regels te stellen met betrekking tot: het beperken van de openstelling tot een bepaalde aanvraagperiode; de subsidiabele activiteiten; het beperken van de openstelling tot bepaalde categorieën van aanvragers; het territoriaal begrenzen van de openstelling; een drempelbedrag met betrekking tot de subsidiabele kosten; het beoordelingskader; de hoogte of berekeningswijze van de subsidie; de subsidiabele kosten; de wijze van verdeling van de beschikbare middelen; de vorm van de te verstrekken van subsidie. 3.Een Openstellingsbesluit wordt bekendgemaakt in het publicatieblad van het Waddenfonds en treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking. Artikel1.9Hoogte van de subsidie 1.Met uitzondering van subsidie die wordt verstrekt met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Awb, bedraagt de door het dagelijks bestuur te verstrekken subsidie nooit meer dan 90% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten, met inachtneming van de in het Jaarprogramma, deze verordening en het Openstellingsbesluit opgenomen maxima. 2.Indien ter zake van een project reeds door een ander bestuursorgaan of door de Europese Commissie is verstrekt, wordt de op grond van deze verordening te verstrekken subsidie zodanig berekend dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het totaal van de voor subsidie in aanmerking komende kosten. 3.Het totaal van overheidsbijdragen aan een subsidieontvanger kan niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan. Artikel1.10Subsidiabele kosten 1.Uitsluitend noodzakelijke, rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen en door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten, zijn subsidiabel, met dien verstande dat ook sprake kan zijn van afschrijvingskosten of kosten voor eigen arbeid. 2.Netto inkomsten gedurende de projectperiode kunnen in mindering worden gebracht op de subsidiabele kosten. 3.Er wordt in elk geval geen subsidie verstrekt voor: kosten die zijn gemaakt voor de datum van indiening van de volledige subsidieaanvraag, tenzij in het Jaarprogramma of het Openstellingsbesluit anders in bepaald; kosten die zijn gemaakt na het verstrijken van de projectperiode; verrekenbare kosten en belastingen, accijnzen, door de aanvrager zelf geheven leges en andere heffingen; debetrente, boetes, financiële sancties en gerechtskosten. Artikel1.11Misbruik en oneigenlijk gebruik 1.Het dagelijks bestuur voert ter voorkoming en bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik een actief en consistent handhavingsbeleid. 2.Het dagelijks bestuur houdt een registratie bij van misbruik bij subsidieverstrekking door de subsidie-ontvanger. Artikel1.12Doeltreffendheid Het dagelijks bestuur brengt ten minste eenmaal in de vier jaren aan het algemeen bestuur verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies die zijn verstrekt. Artikel1.13Formulieren en modellen 1.Ten behoeve van de subsidieverstrekking kan het dagelijks bestuur formulieren en modellen vaststellen, waarvan het gebruik verplicht is voorgeschreven. 2.Een aanvraag gaat vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden. Artikel1.14Kostenbegrippen en uurtarieven Het dagelijks bestuur kan een beleidsregel vaststellen omtrent het toepassen van uniforme kostenbegrippen en berekeningswijze van uurtarieven. Hoofdstuk2Krediet- en garantiesubsidie Artikel2.1Toepassingsbereik 1.De artikelen 3.6 en 4.3 tot en met 4.6 zijn niet van toepassing op subsidies waarbij een aanspraak op financiële middelen wordt verstrekt in de vorm van een krediet of garantie. 2.Het dagelijks bestuur is met het oog op een doelmatige subsidieverstrekking op grond van dit hoofdstuk bevoegd om overige bepalingen van deze verordening buiten toepassing te laten. Artikel2.2Kredietsubsidie 1.Bij subsidieverstrekking waarbij een aanspraak op financiële middelen wordt verstrekt in de vorm van een lening worden in het Jaarprogramma of het Openstellingsbesluit in ieder geval bepalingen met betrekking tot de volgende gegevens opgenomen: de termijn waarbinnen de lening moet worden terugbetaald; en een door de subsidie-ontvanger te betalen rentepercentage. 2.Naast de gegevens genoemd in het eerste lid kunnen in het Jaarprogramma, het Openstellingsbesluit of in de subsidieverleningsbeschikking in ieder geval nog worden opgenomen: de wijze waarop kan worden aangetoond dat de activiteiten waarvoor de lening is verstrekt zijn verricht; de termijn waarbinnen moet worden aangetoond dat de activiteiten waarvoor de lening is verstrekt zijn verricht; de wijze waarop de subsidie-ontvanger zekerheid verschaft voor terugbetaling van de lening; een gebeurtenis of omstandigheid waardoor de verplichting de lening terug te betalen geheel of gedeeltelijk komt te vervallen. 3.Kredietsubsidie wordt uitsluitend verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat er, ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening, een uitvoeringsovereenkomst met het Waddenfonds wordt gesloten. Artikel2.3Garantiesubsidie 1.Bij subsidieverstrekking waarbij een aanspraak op financiële middelen wordt verstrekt in de vorm van een garantie worden in het Jaarprogramma of het Openstellingenbesluit in elk geval opgenomen: een beschrijving van de gebeurtenis waaronder de garantie kan worden ingeroepen; een door de subsidie-ontvanger te betalen vergoeding; de wijze waarop de gebeurtenis kan worden aangetoond; de termijn waarbinnen de gebeurtenis zich moet voordoen; en de termijn waarbinnen de gebeurtenis moet worden aangetoond. 2.Garantiesubsidie wordt uitsluitend verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat er, ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening, een uitvoeringsovereenkomst met het Waddenfonds wordt gesloten. 3.Een garantiesubsidie bedraagt nooit meer dan 80% van de onderliggende lening. Hoofdstuk3Subsidieverlening Paragraaf3.1Het aanvragen van een subsidie Artikel3.1Het indienen van een aanvraag 1.Een aanvraag voor een subsidie wordt ingediend binnen een door het dagelijks bestuur in een Openstellingsbesluit vastgestelde aanvraagperiode. Aanvragen kunnen worden ingediend per reguliere post of per e-mail op info@waddenfonds.nl. 2.Een aanvraag wordt gericht aan het dagelijks bestuur, met gebruikmaking van een daartoe door het dagelijks bestuur vastgesteld aanvraagformulier. 3.Onverminderd het bepaalde in het Jaarprogramma, gaat de aanvraag vergezeld van: een activiteitenplan; een begroting van kosten en opbrengsten, voorzien van een toelichting. Indien het een meerjarig project betreft dient de begroting een meerjarenbegroting te zijn; en een dekkingsplan. 4.Het dagelijks bestuur kan voorschrijven dat, indien de aanvrager een privaatrechtelijk rechtspersoon is, bij de aanvraag de oprichtingsakte en haar actuele statuten worden overgelegd. 5.Het dagelijks bestuur kan voorschrijven dat een schriftelijke verklaring wordt overgelegd van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, omtrent de getrouwheid van de jaarrekening, de balans en de staat van baten en lasten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag, dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is gebleken. 6.Indien een aanvrager voor dezelfde activiteit eveneens subsidie heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan, vermeldt hij dit bij de aanvraag alsmede de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag. 7.Artikel 4:3 van de Awb is niet van toepassing op door het dagelijks bestuur in het Openstellingsbesluit opgenomen gegevens en bescheiden. 8.Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient een der deelnemers in het samenwerkingsverband de aanvraag mede namens de andere deelnemers in. De aanvraag gaat vergezeld van een aan het samenwerkingsverband ten grondslag liggende overeenkomst, met daarin in elk geval een overzicht van de aan het samenwerkingsverband deelnemende natuurlijke en rechtspersonen, de verdeling van de verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de verschillende deelnemers. 9.Indien de aanvraag een project ingevolge titel 5.2.3 betreft, verstrekt de subsidieaanvrager gegevens en bescheiden bij de aanvraag waaruit blijkt dat de investeringen ten behoeve van het project verder gaan dan Unienormen of die bij ontstentenis van Unienormen het niveau van milieubescherming doen toenemen. Artikel3.2Ontvangst van de aanvraag 1.Indien de beschikbare middelen worden verdeeld op basis van volgorde van binnenkomst, is de dag waarop de aanvraag is ontvangen bepalend. 2.Wanneer de aanvrager met toepassing van artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvulling is ontvangen met betrekking tot de verdeling als de datum van ontvangst. 3.Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen het subsidieplafond wordt overschreden, besluit het dagelijks bestuur op basis van rangschikking van de aanvragen, waarbij een aanvraag hoger wordt gerangschikt naarmate die meer voldoet aan de toetsingscriteria. Paragraaf3.2De beslissing op de aanvraag Artikel3.3Beslistermijn 1.Het dagelijks bestuur beslist: binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen 13 weken na afloop van de periode waarin of de uiterlijke datum waarop aanvragen kunnen worden ingediend. 2.De beslistermijn bedraagt 22 weken indien: sprake is van cofinanciering in het kader van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; over de aanvraag extern advies wordt ingewonnen; een nader onderzoek is ingesteld. 3.De beslistermijn bedraagt 40 weken indien de verlening mede afhankelijk is van het oordeel van een internationale beoordelingscommissie of van internationale peerreviews. 4.Indien de beschikking niet tijdig kan worden gegeven, stelt het dagelijks bestuur de betrokkene daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Artikel3.4Schakelbepaling Indien een subsidievaststellingsbeschikking wordt gegeven zonder voorafgaande verleningsbeschikking, is artikel 4:35 Awb van overeenkomstige toepassing. Artikel3.5Algemeen beoordelingskader 1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb wordt geen subsidie verstrekt indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur : de activiteit niet bijdraagt aan de doelen van het Waddenfonds; de aanvraag niet voldoet aan het bepaalde in deze verordening, het Jaarprogramma of het Openstellingsbesluit; de activiteit niet of niet in overwegende mate gericht is op het Waddengebied en de versterking of het behoud van Waddenspecifieke kenmerken; de activiteit betrekking heeft op reguliere investeringen of reguliere beheer- of onderhoudswerken; de uitvoering van een voorgenomen activiteit een inbreuk zal maken op de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzame ontwikkeling; de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan het drempelbedrag; de gevraagde financiële bijdrage niet in een redelijke verhouding staat tot het beoogde projectresultaat (value for money); ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard; de aanvrager van de subsidie een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in paragraaf 2.1 van de Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun (pb EU 2004, C 244); er een gegronde reden bestaat dat het project in financiële, organisatorische, technische of economische zin niet haalbaar is; er een gegronde reden bestaat dat de exploitatie na de projectperiode niet kan worden gerealiseerd; er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen nastreeft of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang, de goede zeden of de openbare orde. 2.Een subsidie kan worden geweigerd of ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 3.Een subsidie kan worden geweigerd indien de aanvrager is opgenomen in het Subsidieregister misbruik en oneigenlijk gebruik van het Waddenfonds. Artikel3.6Voorschotten 1.Indien de subsidie direct wordt vastgesteld vindt de betaling van het subsidiebedrag in één keer plaats. 2.Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, onderdeel b, wordt gegeven, wordt 100% bevoorschot. In overige gevallen bedraagt het voorschot ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag. 3.Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, geschiedt de verlening van een voorschot, al dan niet in de vorm van een termijnbetaling, op verzoek van de subsidieaanvrager. 4.Het verzoek wordt schriftelijk ingediend, met gebruikmaking van een door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier. Het verzoek gaat vergezeld van alle bescheiden die blijkens het formulier met het verzoek moeten worden meegezonden. Het dagelijks bestuur kan in het belang van een doelmatige subsidieverstrekking afwijken van het bepaalde in het tweede lid. Paragraaf3.3Voorwaarden en verplichtingen Artikel3.7Melding bij de Europese Commissie Indien de subsidieverlening naar het oordeel van het dagelijks bestuur valt onder de omschrijving van een steunmaatregel als bedoeld in artikel 107, eerste lid, VWEU en een melding plaatsvindt op grond van artikel 108 VWEU, wordt de subsidie uitsluitend verleend onder de opschortende voorwaarde dat de Europese Commissie hieraan haar goedkeuring verleent. Artikel3.8Begrotingsvoorbehoud Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat het algemeen bestuur voldoende middelen beschikbaar stelt. Artikel3.9Meldings- en mededelingsplicht 1.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk melding aan het dagelijks bestuur, zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend of direct is vastgesteld niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. 2.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot surseance van betaling, tot faillietverklaring, het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon of van andere omstandigheden die voor de subsidieverlening van belang kunnen zijn. 3.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur indien na het indienen van de subsidieaanvraag voor dezelfde activiteit subsidie wordt verstrekt door een ander bestuursorgaan of de Europese Commissie. Artikel3.10Algemene verplichtingen 1.Waar in dit artikel wordt gesproken van subsidieverlening wordt hieronder mede verstaan de subsidievaststelling, indien er geen subsidieverleningsbeschikking aan de vaststelling voorafgaat. 2.Het dagelijks bestuur kan aan een subsidie-ontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:38 Awb opleggen, voor zover de verplichtingen strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 3.Het dagelijks bestuur kan aan een subsidie-ontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 Awb opleggen. 4.Aan de subsidie-ontvanger wordt de verplichting opgelegd om in publicitaire uitingen te vermelden dat de gesubsidieerde activiteit mede mogelijk is gemaakt met subsidie van het Waddenfonds. 5.De subsidie-ontvanger maakt binnen de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde termijn een aanvang met de uitvoering van de activiteiten. Bij het ontbreken van een dergelijke termijn geldt een termijn van twee maanden na de bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening. 6.De subsidie-ontvanger voert de activiteiten uit overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening en voltooit deze uiterlijk op de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen datum. Bij het ontbreken van een dergelijke termijn geldt een termijn van een jaar na de bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening. 7.Het dagelijks bestuur kan in de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Awb bepalen dat een subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan hen een vergoeding verschuldigd is. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding worden de activa gewaardeerd op hun actuele waarde in het economisch verkeer. De waarde van een onroerende zaak geschiedt op basis van de waarde die hieraan is toegekend op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel3.11Administratieve verplichtingen 1.Bij een subsidie tot € 125.000 wordt aan de subsidie-ontvanger geen verplichting opgelegd met betrekking tot: de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder f, van de Awb. 2.Indien de subsidie-ontvanger een verplichting is opgelegd met betrekking tot de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voert de subsidie-ontvanger een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de uitgaven en inkomsten kunnen worden nagegaan. 3.Tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald, bewaart de subsidie-ontvanger de in het tweede lid genoemde gegevens tenminste 5 jaar na vaststelling van de subsidie. 4.Onderdeel a van het eerste lid is niet van toepassing indien op grond van artikel 4.5 een verklaring inzake werkelijke uitgaven en inkomsten wordt gevraagd. Artikel3.12Medewerking controle De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan, door of vanwege het dagelijks bestuur gevorderde controle van de administratie of een ander onderzoek naar gegevens die in het kader van de subsidieverstrekking van belang worden geacht. Hij verleent daartoe inzage in zijn administratie en verstrekt de inlichtingen die voor de beoordeling van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de besteding van de subsidie, dan wel anderszins van belang kunnen zijn. Artikel3.13Voortgangsrapportage 1.Aan een subsidie lager dan € 25.000 wordt geen verplichting verbonden tot het overleggen van een tussentijds voortgangsverslag. 2.Aan het verstrekken van een subsidie vanaf € 25.000 kan het dagelijks bestuur, indien de periode van uitvoering van de activiteiten meer dan 12 aaneengesloten maanden bedraagt, de verplichting opleggen dat één keer per periode van 12 maanden een tussentijds voortgangsverslag wordt overgelegd. 3.Het dagelijks bestuur kan in het belang van een doelmatige subsidieverstrekking afwijken van het bepaalde in het tweede lid. Artikel3.14Openbaarmaking 1.De subsidie-ontvanger verleent op verzoek van het dagelijks bestuur medewerking aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van het project. 2.De subsidie-ontvanger verleent op verzoek van het dagelijks bestuur medewerking aan een door of vanwege het dagelijks bestuur ter zake van de toepassing en de effecten van het Jaarprogramma of de toepassing van deze verordening ingesteld evaluatieonderzoek. Hoofdstuk4Subsidievaststelling Paragraaf4.1Aanvraag tot subsidievaststelling Artikel4.1Aanvraag tot vaststelling van een subsidie Tenzij de subsidie overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.3, eerste lid, onder b, ambtshalve wordt vastgesteld, dient de subsidie-ontvanger die een subsidieverleningsbeschikking heeft ontvangen binnen 13 weken na de datum waarop de activiteit op grond van deze verordening of de subsidieverleningsbeschikking moet zijn uitgevoerd of, indien dat eerder is, 13 weken na de uitvoering van de activiteit, schriftelijk een aanvraag tot subsidievaststelling in bij het dagelijks bestuur, tenzij in het besluit tot subsidieverlening een andere termijn is opgenomen. Paragraaf4.2Beslissing op de aanvraag Artikel4.2Beslistermijn 1.Het dagelijks bestuur beslist binnen 22 weken na ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, mits deze aan alle vereisten voldoet. 2.Subsidies die ambtshalve worden vastgesteld, stelt het dagelijks bestuur vast binnen 22 weken na de datum waarop de activiteit moet zijn verricht. 3.Het subsidiebedrag wordt binnen 30 dagen na de subsidievaststelling betaald. Paragraaf4.3Verantwoording van subsidies Artikel4.3Verantwoording van subsidies tot € 25.000 1.Bij een subsidie tot € 25.000 wordt: de subsidie vastgesteld zonder dat aan de beschikking tot subsidievaststelling een beschikking tot subsidieverlening vooraf gaat; of een beschikking tot subsidieverlening gegeven, met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en van de termijn waarbinnen de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld. 2.Bij een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt aan de subsidie-ontvanger in elk geval de verplichting opgelegd om desgevraagd, op een door het dagelijks bestuur van tevoren in de beschikking aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 3.Het dagelijks bestuur kan op basis van een risicoanalyse besluiten dat het eerste lid ook van toepassing is op subsidies van € 25.000 of meer. Artikel4.4Verantwoording van subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000 1.Bij een subsidie vanaf € 25.000 tot € 125.000 wordt bij de aanvraag tot vaststelling een activiteitenverslag overgelegd, waaruit genoegzaam blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verleend overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur in de beschikking tot subsidieverlening bepalen dat de subsidie-ontvanger op een andere wijze kan aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat voldaan is aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen 3.Het dagelijks bestuur kan op basis van een risicoanalyse besluiten dat het eerste lid ook van toepassing is op subsidies van € 125.000 of meer. Artikel4.5Verantwoording op basis van een verklaring van werkelijke kosten en opbrengsten 1.In afwijking van de artikelen 4.3 en 4.4, kan het dagelijks bestuur bij de verstrekking van een boekjaarsubsidie of indien bij overige subsidieverstrekking tot € 125.000 de kosten en opbrengsten ter zake van de te verrichten activiteiten naar hun oordeel in verband met de aard van die activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet geëist kan worden, of indien dit in verband met doelmatigheidscontrole gewenst is, in de subsidieverleningsbeschikking bepalen dat de subsidie-ontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling, op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten verantwoordt dat de activiteiten zijn verricht. 2.In de verklaring als bedoeld in het eerste lid geeft de subsidie-ontvanger aan: in hoeverre de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; in hoeverre aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; het totale bedrag van de gerealiseerde subsidiabele kosten; in voorkomend geval, de stand van de egalisatiereserve; het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden, ; en het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage. Artikel4.6Verantwoording van subsidies vanaf € 125.000 1.Bij een subsidie vanaf € 125.000, wordt bij de aanvraag tot vaststelling overgelegd: een activiteitenverslag waaruit genoegzaam blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verleend overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; een financieel verslag, waarin in elk geval is opgenomen een opgave van: het bedrag van de werkelijke subsidiabele kosten; het bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, met inbegrip van bijdragen van derden, en het bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage; opgesteld conform de aan het besluit tot subsidieverlening ten grondslag liggende begroting, inclusief een toelichting op de bedragen. 2.Het dagelijks bestuur kan bij de subsidieverlening afwijken van het eerste lid. Artikel4.7Controleverklaring accountant 1.De subsidie-ontvanger van een subsidie vanaf € 125.000 geeft opdracht tot onderzoek van het financiële verslag aan een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. 2.De accountant onderzoekt of het financiële verslag voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij dat verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar is. 3.De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag. 4.De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de in het derde lid bedoelde verklaring. 5.Bij de subsidieverlening kan het dagelijks bestuur afwijken van het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid. Artikel4.8Onderzoek naleving verplichtingen 1.Bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat de in artikel 4.7, eerste lid, bedoelde opdracht tevens strekt tot onderzoek van de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. 2.Bij toepassing van het eerste lid gaat de opdracht vergezeld van een bij of krachtens wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening vast te stellen aanwijzing over de reikwijdte en de intensiteit van de controle. 3.Bij toepassing van het eerste lid gaat het financiële verslag tevens vergezeld van een schriftelijke verklaring van de accountant over de naleving door de subsidie-ontvanger van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel4.9Afwijkende verantwoordingsprocedure Het dagelijks bestuur kan afwijken van het bepaalde in dit hoofdstuk indien subsidie wordt verstrekt aan een gemeente, een waterschap of een openbaar lichaam dat is ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel4.10Wettelijke rente bij terugvordering 1.Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 Awb, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidie-ontvanger en de terugbetaling door de subsidie-ontvanger. 2.Bij terugvordering van subsidie ter uitvoering van een terugvorderingsbeschikking van de Europese Commissie of een onherroepelijk rechterlijke uitspraak vordert het dagelijks bestuur tevens rente. Deze rente wordt berekend overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van de Verordening (EG), nr. 659/1999, van de Raad van de Europese Unie van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-verdrag (PbEG L 83). Hoofdstuk5Activiteiten die voor subsidie in aanmerking kunnen worden gebracht. Hoofdstuk5.1Subsidie voor activiteiten die naar het oordeel van het dagelijks bestuur geen staatssteun vormt in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU. Artikel5.1.1Subsidiabele activiteit Activiteiten die passen binnen het door het algemeen bestuur vastgestelde Jaarprogramma en subsidieverlening naar het oordeel van het dagelijks bestuur geen staatssteun vormt in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU. Artikel5.1.2Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie: loonkosten of kosten voor eigen arbeid, mits deze rechtstreeks betrekking hebben op het project; kosten van verbruikte materialen en verbruikte hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen; kosten in verband met aankoop van tweedehands materialen, mits de prijs redelijk is en het materiaal vergezeld gaat van een verklaring van de verkoper omtrent de herkomst van het materiaal; kosten van duurzame kapitaalgoederen, bijvoorbeeld machines en apparatuur; kosten van grond; kosten van aan derden uitbestede activiteiten mits sprake is van marktconforme prijzen; een opslag voor algemene kosten, tot ten hoogste 20% van de onder a bedoelde kosten; overige door het dagelijks bestuur in het Openstellingsbesluit opgenomen subsidiabele kosten. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de in aanmerking komende kosten. Hoofdstuk5.2Subsidie voor activiteiten die wordt verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Artikel5.2.1Algemene bepaling Op dit hoofdstuk is de Algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing. Titel5.2.1Subsidie voor kleine- en middelgrote ondernemingen Artikel5.2.2Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: adviesdiensten voor samenwerking: consulting, bijstand en opleiding ten behoeve van de uitwisseling van kennis en ervaring en ter verbetering van de samenwerking; innovatieve onderneming: een onderneming: die aan de hand van een door een externe deskundige uitgevoerde evaluatie kan aantonen dat zij in de voorzienbare toekomst producten, diensten of procedés zal ontwikkelen die in technologisch opzicht nieuw zijn of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van de huidige stand van de techniek in deze sector, en die een risico op technologische of industriële mislukking inhouden, of waarvan de kosten voor onderzoek en ontwikkeling ten minste 10% bedragen van haar totale exploitatiekosten in ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de toekenning van de subsidie of, in het geval van een startende onderneming zonder enige financiële voorgeschiedenis, bij de audit van haar lopende belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke accountant; investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen: een categorie financiering tussen eigen vermogen en vreemd vermogen in, met een hoger risico dan senior schulden en een lager risico dan gewoon aandelenkapitaal, en waarvan het rendement voor de houder ervan overwegend is gebaseerd op de winst of het verlies van de onderliggende doelonderneming en die bij wanbetaling niet gedekt is. Investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen kunnen zijn gestructureerd als schulden, die niet gegarandeerd en achtergesteld zijn, met inbegrip van mezzanineschulden, en in sommige gevallen converteerbaar zijn in eigen vermogen, dan wel als preferente aandelen; niet-beursgenoteerde kmo: een kmo die niet is toegelaten tot de officiële notering van een effectenbeurs, met uitzondering van alternatieve handelsplatforms. ondersteuningsdiensten voor samenwerking: het verschaffen van kantoorruimte, websites, databanken, bibliotheken, marktonderzoek, handboeken, werk- en modeldocumenten; organisatorische samenwerking: de ontwikkeling van gezamenlijke bedrijfs- of managementstrategieën, het aanbieden van gemeenschappelijke diensten of diensten die samenwerking moeten bevorderen, gecoördineerde activiteiten zoals onderzoek of marketing, de ondersteuning van netwerken en clusters, het verbeteren van toegankelijkheid en communicatie, het gebruik van gedeelde instrumenten om het ondernemerschap en de handel met kmo's te bevorderen; Paragraaf5.2.1Subsidie voor investeringen in kleine- of middelgrote ondernemingen Artikel5.2.3Subsidiabele activiteit 1.Een investering in een kleine- of middelgrote onderneming die bestaat uit een investering in: materiële of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een bestaande vestiging, of de overname van activa die behoren tot een vestiging, wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld: de vestiging is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen; de activa worden aangekocht van derden zonder banden met de koper; de transactie vindt op marktvoorwaarden plaats. 2.Wanneer een lid van de familie van de oorspronkelijke eigenaar of een werknemer een kleine onderneming overneemt, vervalt de voorwaarde dat de activa worden verworven van derden zonder banden met de koper. De enkele verwerving van de aandelen van een onderneming vormt geen initiële investering. Artikel5.2.4Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn: de kosten van investeringen in materiële en immateriële activa, en/of de geraamde loonkosten voor rechtstreeks door het investeringsproject gecreëerde banen, berekend over een periode van twee jaar. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste: 20% van de in aanmerking komende kosten in het geval van kleine ondernemingen; 10% van de in aanmerking komende kosten in het geval van middelgrote ondernemingen. Artikel5.2.5Voorwaarden 1.De immateriële activa voldoen aan elk van de volgende voorwaarden: zij worden uitsluitend in de subsidie ontvangende vestiging gebruikt; zij worden als afschrijfbare activa beschouwd; zij worden op marktvoorwaarden aangekocht van derden zonder banden met de koper, en zij behoren ten minste drie jaar tot de activa van de onderneming. 2.Rechtstreeks door een investeringsproject geschapen werkgelegenheid voldoet aan de volgende voorwaarden: de werkgelegenheid komt binnen drie jaar na de voltooiing van de investering tot stand; er is een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken vestiging, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden; deze werkgelegenheid blijft behouden gedurende ten minste drie jaar te rekenen vanaf het tijdstip dat de arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld. Paragraaf5.2.2Subsidie ten behoeve van deelneming aan beurzen Artikel5.2.6Subsidiabele activiteit Deelneming aan beurzen door kleine- of middelgrote ondernemingen. Artikel5.2.7Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn de kosten gemaakt voor het huren, opzetten, en gebruiken van een standplaats voor de deelname van een onderneming aan een bepaalde vakbeurs of tentoonstelling. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. Paragraaf5.2.3Starterssubsidie Artikel5.2.8Subsidiabele activiteit Starterssubsidie ten behoeve van niet-beursgenoteerde kleine ondernemingen tot vijf jaar na hun registratie, die nog geen winst hebben uitgekeerd en niet uit een fusie zijn ontstaan. Voor in aanmerking komende ondernemingen die zich niet hoeven te laten registreren, kan de periode van vijf jaar om in aanmerking te komen, geacht worden aan te vangen op het tijdstip dat de onderneming ofwel haar economische activiteiten aanvangt of belastingplichtig wordt voor haar economische activiteiten. Artikel5.2.9Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De subsidie heeft de vorm van: leningen tegen een rente die niet marktconform is, met een looptijd van tien jaar en voor een nominaal bedrag van ten hoogste 1 miljoen EUR, of 1,5 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 2 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Voor leningen met een looptijd tussen vijf en tien jaar kunnen de maximumbedragen worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de lening. Voor leningen met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximumbedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar; garanties met premies die niet marktconform zijn, met een looptijd van tien jaar en een gegarandeerd leningbedrag van ten hoogste 1,5 miljoen EUR, of 2,25 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 3 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Voor garanties met een looptijd tussen vijf en tien jaar kan het maximaal gegarandeerde bedrag worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de garantie. Voor garanties met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximaal gegarandeerde bedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar. De garantie bedraagt ten hoogste 80% van de onderliggende lening. subsidies, met inbegrip van eigenvermogens- of quasi-eigenvermogensinvesteringen, rentekortingen en kortingen op de garantiepremies tot maximaal 0,4 miljoen EUR bruto-subsidie-equivalent, of 0,6 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 0,8 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Een begunstigde kan subsidie ontvangen via een mix van de in lid 1 van dit artikel bedoelde subsidie-instrumenten, mits het aandeel van de via één subsidie-instrument verleende subsidie, berekend op basis van het voor dat instrument toegestane maximale subsidiebedrag, in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van het resterende deel van het maximale subsidiebedrag dat is toegestaan voor de overige instrumenten die onderdeel vormen van dit soort gemengde instrument. Voor kleine en innovatieve ondernemingen kunnen de in lid 1 genoemde maximumbedragen worden verdubbeld. Titel5.2.2Subsidie voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie Artikel5.2.10Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: daadwerkelijke samenwerking: samenwerking tussen ten minste twee onafhankelijke partijen om kennis of technologie uit te wisselen of om een gemeenschappelijke doelstelling op basis van een taakverdeling te bereiken, waarbij de partijen samen de omvang van het samenwerkingsproject bepalen, bijdragen aan de tenuitvoerlegging ervan, en het risico en de resultaten ervan delen. Eén of meer partijen kunnen de volledige kosten van het project dragen en zodoende de andere partijen bevrijden van de aan het project verbonden financiële risico's. Contractonderzoek en het verrichten van onderzoeksdiensten worden niet als vormen van samenwerking beschouwd; experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten. Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden; haalbaarheidsstudie: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn; hooggekwalificeerd personeel: personeel met een tertiaire opleiding en ten minste vijf jaar relevante beroepservaring, waarin doctoraatsopleidingen kunnen meetellen; industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie; innovatieadviesdiensten: consulting, bijstand en opleiding op het gebied van kennisoverdracht, verwerving, bescherming en exploitatie van immateriële activa, het gebruik van standaarden en regels waarin deze zijn vastgelegd; innovatieondersteuningsdiensten: het verschaffen van kantoorruimte, databanken, bibliotheken, marktonderzoek, laboratoria, diensten in verband met kwaliteitslabels, testen en certificatie met het oog op de ontwikkeling van doeltreffendere producten, procedés of diensten; onderzoeksinfrastructuur: faciliteiten, middelen en verwante diensten die door de wetenschappelijke gemeenschap worden gebruikt om op hun respectieve vakgebied onderzoek te verrichten. Hierbij gaat het om: wetenschappelijke uitrusting of sets wetenschappelijke instrumenten; kennisgebaseerde hulpbronnen zoals verzamelingen, archieven of gestructureerde wetenschappelijke informatie; ict-gebaseerde enabling infrastructuur zoals gridnetwerken, computers, software en communicatie, of iedere andere entiteit met een uniek karakter die onontbeerlijk is om onderzoek te kunnen verrichten. Dit soort infrastructuur kan zich op één enkele locatie bevinden (single-sited) dan wel verspreid zijn (distributed) (een georganiseerd netwerk van hulpbronnen) in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad van 25 juni 2009 betreffende een communautair rechtskader voor een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC); op arm’s length: de voorwaarden van de transactie tussen de contractspartijen wijken niet af van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het arm’s length-beginsel. Paragraaf5.2.4Subsidie voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten Artikel5.2.11Subsidiabele activiteit Onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten binnen één of meer van de volgende categorieën: industrieel onderzoek; experimentele ontwikkeling; haalbaarheidsstudies. Artikel5.2.12Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling ingedeeld en betreffen: personeelskosten:onderzoekers, technici en ander ondersteund personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. 2.Bij haalbaarheidsstudies zijn de in aanmerking komende kosten de kosten van de studie. 3.De subsidie bedraagt voor elke begunstigde ten hoogste: 50% van de in aanmerking komende kosten voor industrieel onderzoek; 25% van de in aanmerking komende kosten voor experimentele ontwikkeling; 50% van de in aanmerking komende kosten voor haalbaarheidsstudies. 4.De subsidies voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling kunnen als volgt worden verhoogd, tot een maximale subsidie van 80% van de in aanmerking komende kosten: met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen; met 15 procentpunten indien één van de volgende voorwaarden is vervuld: het project behelst daadwerkelijke samenwerking: tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kmo is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten of in een lidstaat en in een Overeenkomstsluitende Partij bij de EER-Overeenkomst, en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening, of tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren; de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software. 5.De subsidie voor haalbaarheidsstudies kan worden verhoogd met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen. Paragraaf5.2.5Investeringssubsidie voor onderzoeksinfrastructuur Artikel5.2.13Subsidiabele activiteit De bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden verricht. Artikel5.2.14Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. Artikel5.2.15Voorwaarden 1.Wanneer met onderzoeksinfrastructuur zowel economische als niet-economische activiteiten worden verricht, wordt voor de financiering, kosten en inkomsten van elk soort activiteit een gescheiden boekhouding gevoerd, op basis van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen van kostprijsadministratie. 2.De prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de infrastructuur wordt berekend, stemt overeen met een marktprijs. 3.Toegang tot de infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10% van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. , Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld. 4.Wanneer onderzoeksinfrastructuur overheidsfinanciering ontvangt voor zoweleconomische als niet-economische activiteiten, werken lidstaten een monitoring- enterugvorderingsmechanisme uit om te garanderen dat de toepasselijke steunintensiteitniet wordt overschreden door een toename van het aandeel economische activiteitenten opzichte van de situatie waarmee op het tijdstip van de toekenning van de subsidiewerd gerekend. Paragraaf5.2.6Innovatiesubsidie voor kleine- en middelgrote ondernemingen Artikel5.2.16Subsidiabele activiteit Activiteiten gericht op: het verkrijgen, valideren en verdedigen van octrooien en immateriële activa; het detacheren van hooggekwalificeerd personeel van een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding of een grote onderneming naar onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieactiviteiten in een nieuw gecreëerde functie binnen de begunstigde onderneming, zonder dat hierbij andere personeelsleden worden vervangen; het gebruik van innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning. Artikel5.2.17Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De kosten verbonden aan de in artikel 5.2.16 genoemde activiteiten komen voor subsidie in aanmerking. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. 3.In het specifieke geval van subsidie voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning kan de subsidie worden verhoogd tot 90% van de in aanmerking komende kosten mits het totale bedrag van de subsidie voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning ten hoogste 200 000 EUR bedraagt per onderneming over een periode van drie jaar. Paragraaf5.2.7Subsidie voor onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector Artikel5.2.18Subsidiabele activiteit Onderzoek- en ontwikkelingsprojecten in de visserij- en aquacultuursector. Artikel5.2.19Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn: personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteund personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden); kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de in aanmerking komende kosten. Artikel5.2.20Voorwaarden 1.Het gesubsidieerde project is van belang voor alle marktdeelnemers in de betrokken sector of subsector. 2.Vóór de datum van aanvang van het gesubsidieerde project wordt op internet de volgende informatie bekendgemaakt: dat het gesubsidieerde project zal worden uitgevoerd; de doelstellingen van het gesubsidieerde project; de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesubsidieerde project worden verwacht, en waar zij op internet zullen worden bekendgemaakt; een vermelding dat de resultaten van het gesubsidieerde project kosteloos beschikbaar zullen zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken sector of subsector actief zijn. 3.De resultaten van het gesubsidieerde project worden op internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten blijven op internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project. 4.De subsidie wordt rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding verleend en mag niet bestaan in rechtstreekse niet-onderzoeksgerelateerde subsidie aan een onderneming die visserij- of aquacultuurproducten produceert, verwerkt of afzet. Titel5.2.3Subsidie voor milieubescherming Artikel5.2.21Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: biobrandstof: vloeibare of gasvormige transportbrandstof die uit biomassa is gewonnen; biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede biogas en de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval; biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen": biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen in de zin van het voorstel van de Commissie voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen; duurzame biobrandstoffen: biobrandstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. en iedere wijziging daarvan; energie-efficiëntie: een hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door het verbruik vóór en ná de invoering van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie te meten en/of te ramen, gecorrigeerd voor externe factoren die het energieverbruik beïnvloeden; energie uit hernieuwbare energiebronnen: energie geproduceerd met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de energie die met hernieuwbare energiebronnen wordt opgewekt in hybride installaties die ook met conventionele energiebronnen werken. Hieronder valt ook voor accumulatiesystemen gebruikte hernieuwbare elektriciteit maar niet elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is; hernieuwbare energiebronnen: de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: windenergie, zonne-energie, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas; hoogrenderende warmtekrachtkoppeling: warmtekrachtkoppeling die voldoet aan de definitie van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU; milieubelasting: een belasting met een bijzondere heffingsgrondslag die een duidelijk negatief milieueffect heeft, of die bepaalde activiteiten, goederen of diensten wil belasten zodat de milieukosten in de prijs ervan kunnen worden opgenomen en/of de producenten en verbruikers worden toegeleid naar activiteiten die milieuvriendelijker zijn; milieubescherming: elke maatregel die is gericht op preventie of herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van een begunstigde, op beperking van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, daaronder begrepen energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen; Unienorm: een verplichte Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of de verplichting op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad om de beste beschikbare technieken (BAT'

  1. s)te gebruiken en ervoor te zorgen dat de emissieniveaus van verontreinigende stoffen niet hoger zijn dan bij de toepassing van de BAT's. Voor de gevallen waarin de met de BAT's geassocieerde emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze verordening. Wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waar de BAT het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn. warmtekrachtkoppeling (WKK): gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie. Paragraaf5.2.8Subsidie om ondernemingen in staat te stellen verder te gaan dan Unienormen inzake milieubescherming of, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen Artikel5.2.22Subsidiabele activiteit 1.Activiteiten waarbij ondernemingen verder gaan dan Unienormen inzake milieubescherming of, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen. 2.Er wordt geen subsidie verleend wanneer de investeringen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ondernemingen voldoen aan reeds vastgestelde en nog niet in werking getreden Unienormen. 3.In afwijking van lid 2 kan subsidie worden verleend voor: de aanschaf van nieuwe vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee die aan vastgestelde Unienormen voldoen, mits deze aanschaf plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van die normen en, wanneer die normen bindend worden, deze niet op reeds vóór die datum aangeschafte vervoermiddelen van toepassing zijn; het retrofitten van bestaande vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee, mits de Unienormen nog niet van kracht waren op het tijdstip dat die vervoermiddelen in bedrijf werden genomen, en die normen, zodra deze bindend worden, niet met terugwerkende kracht op die vervoermiddelen van toepassing zijn. Artikel5.2.23Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om verder te gaan dan de toepasselijke Unienormen of om, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld: wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op milieubescherming betrekking hebbende kosten de in aanmerking komende kosten; in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in milieubescherming vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de subsidie op geloofwaardige wijze zou zijn verricht. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met milieubescherming verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten. De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de in aanmerking komende kosten. 3.De subsidie kan met 10 procentpunten worden verhoogd voor subsidie aan middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor subsidie aan kleine ondernemingen. 4.De subsidie kan worden verhoogd met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU. Artikel5.2.24Voorwaarden De investering voldoet aan een van de volgende voorwaarden: zij stelt de begunstigde in staat het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen door verder te gaan dan de geldende Unienormen, ongeacht of er nationale normen bestaan die strenger zijn dan de Unienormen; zij stelt de begunstigde, bij ontstentenis van Unienormen, in staat het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen. Paragraaf5.2.9Investeringssubsidie ten behoeve van vroege aanpassing aan toekomstige Unienormen Artikel5.2.25Subsidiabele activiteit Activiteiten om ondernemingen aan te moedigen te voldoen aan nieuwe Unienormen die het niveau van milieubescherming verhogen en nog niet in werking zijn getreden. Artikel5.2.26Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om verder te gaan dan de toepasselijke Unienormen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld: wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op milieubescherming betrekking hebbende kosten de in aanmerking komende kosten; in alle overige gevallen worden de kosten voor investeringen in milieubescherming vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de subsidie op geloofwaardige wijze zou zijn verricht. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met milieubescherming verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten. De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking 2.De subsidie bedraagt ten hoogste: 20% van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen, 15% van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen en 10% van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen indien de investering meer dan drie jaar vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Unienorm ten uitvoer wordt gelegd en is voltooid; 15% van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen, 10% van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen en 5% van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen indien de investering tussen één en drie jaar vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Unie norm ten uitvoer wordt gelegd en is voltooid. 3.De subsidie kan worden verhoogd met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU. Artikel5.2.27Voorwaarde De Unienormen moeten zijn goedgekeurd en de investering wordt ten uitvoer gelegd en is voltooid ten minste één jaar vóór de inwerkingtreding van de betrokken normen. Paragraaf5.2.10Investeringssubsidie ten behoeve van energie-efficiëntiemaatregelen Artikel5.2.28Subsidiabele activiteit 1.Activiteiten om ondernemingen in staat te stellen energie-efficiëntie te behalen. 2.Er kan geen subsidie worden verleend wanneer de verbeteringen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ondernemingen voldoen aan reeds vastgestelde Unienormen, zelfs al zijn die nog niet van kracht. Artikel5.2.29Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om het hogere niveau aan energie-efficiëntie te behalen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld: wanneer de kosten voor de investering in energie-efficiëntie binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op energie-efficiëntie betrekking hebbende kosten de in aanmerking komende kosten; in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in energie-efficiëntie vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder energie-efficiënte investering die zonder de subsidie op geloofwaardige wijze zou zijn uitgevoerd. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met energie-efficiëntie verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten. 2.De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van energie-efficiëntie, komen niet in aanmerking.De subsidie bedraagt ten hoogste 30% van de in aanmerking komende kosten. 3.De subsidie kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor subsidie aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor subsidie aan middelgrote ondernemingen. 4.De subsidie kan worden verhoogd met procentpunten voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU. Paragraaf5.2.11Investeringssubsidie ten behoeve van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling Artikel5.2.30Subsidiabele activiteit Investeringen ten behoeve van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling. Artikel5.3.31Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten voor de uitrusting die – vergeleken met conventionele elektriciteits- of verwarmingsinstallaties met dezelfde capaciteit- nodig is om de installatie als een hoogrenderende warmtekrachtinstallatie te exploiteren of, wanneer een bestaande installatie de hoogrendementsdrempel reeds haalt, de bijkomende investeringskosten om deze te upgraden naar een hoger rendement. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 45% van de in aanmerking komende kosten. De subsidie kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor subsidie aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor subsidie aan middelgrote ondernemingen. 3.De subsidie kan worden verhoogd met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU. Artikel5.2.32Voorwaarden 1.De nieuwe warmtekrachteenheid behaalt in totaal besparingen van primaire energie ten opzichte van de gescheiden productie van warmte en elektriciteit als bepaald in Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG. De verbetering van een bestaande warmtekrachteenheid of de ombouw van een bestaande stroomproductie-eenheid tot een warmtekrachteenheid resulteert in besparingen van primaire energie ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. 2.De subsidie wordt uitsluitend voor nieuw geïnstalleerd of gerenoveerd vermogen verleend. Paragraaf5.2.12Investeringssubsidie ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen Artikel5.2.33Subsidiabele activiteit 1.Investeringen ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen. 2.Investeringssubsidie voor de productie van biobrandstoffen is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het VWEU alleen vrijgesteld voor zover de gesubsidieerde investeringen worden gebruikt voor de productie van duurzame biobrandstoffen niet zijnde biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen. Wel is investeringssubsidie om bestaande installaties voor biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen om te bouwen tot installaties voor geavanceerde biobrandstoffen, vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting , mits die op voedingsgewassen gebaseerde productie wordt verminderd naar rato van de nieuwe capaciteit. 3.Voor biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt, wordtgeen subsidie verleend. 4.Voor waterkrachtinstallaties die niet aan Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement voldoen, wordt geen subsidie verleend. Artikel5.2.34Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen te bevorderen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld: wanneer de kosten van investeringen in de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld (bijv. omdat het een gemakkelijk te onderscheiden "uitbreiding" van een reeds bestaande faciliteit is), vormen deze kosten met betrekking tot hernieuwbare energie de in aanmerking komende kosten; wanneer de kosten van investeringen in de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen kunnen worden vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de subsidie op geloofwaardige wijze zou zijn verricht, levert dit verschil tussen de kosten van beide investeringen de met hernieuwbare energie verband houdende kosten op en geldt dit als de in aanmerking komende kosten; voor bepaalde kleine installaties waar een minder milieuvriendelijke investering niet kan worden bepaald omdat geen installaties van beperkte omvang bestaan, vormen de totale investeringskosten die nodig zijn om een hoger niveau aan milieubescherming te bereiken, de in aanmerking komende kosten. De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste: 45% van de in aanmerking komende kosten indien de in aanmerking komende kosten worden berekend op grond van lid 1, onder
  2. a)of b); 30% van de in aanmerking komende kosten indien de in aanmerking komende kosten worden berekend op grond van lid 1, onder c). 3.De subsidie kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor subsidie aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor subsidie aan middelgrote ondernemingen. 4.De subsidie kan worden verhoogd met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen. 5.Wanneer de subsidie wordt verleend via een concurrerende biedprocedure op grond van duidelijke, transparante en niet-discriminerende criteria, kan de subsidie tot 90% van de in aanmerking komende kosten oplopen. Dit soort biedprocedure is niet-discriminerend en voorziet in de deelname van alle belangstellende ondernemingen. Het met de biedprocedure verband houdende budget vormt een bindende beperking in die zin dat niet alle deelnemers subsidie kunnen krijgen en wordt verleend op grond van de oorspronkelijke offerte van de gegadigde, waardoor verdere onderhandelingen worden uitgesloten. Artikel5.2.35Voorwaarden De investeringssubsidie wordt uitsluitend voor nieuwe installaties verleend. Er wordt geen subsidie verleend of uitgekeerd nadat de installatie in bedrijf is gekomen en de subsidie is onafhankelijk van de productie. Paragraaf5.2.13Subsidie ten behoeve van milieustudies Artikel5.2.36Subsidiabele activiteit 1.Studies - waaronder energieaudits - die rechtstreeks verband houden met de in titel 5.2.3 bedoelde investeringen voor milieubescherming. 2.Aan grote ondernemingen wordt geen subsidie verleend voor energieaudits die worden uitgevoerd op grond van artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU, tenzij de energieaudit bovenop de op grond van die richtlijn verplichte energieaudit komt. Artikel5.2.37Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de studies. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. 3.De subsidie kan met 20 procentpunten worden verhoogd bij studies voor rekening van kleine ondernemingen en met 10 procentpunten bij studies voor rekening van middelgrote ondernemingen. Titel5.2.4Subsidie voor cultuur en instandhouding van het erfgoed Paragraaf5.2.14Subsidie voor cultuur en instandhouding van het erfgoed Artikel5.2.38Subsidiabele activiteit 1.Activiteiten gericht op cultuur en instandhouding van het erfgoed. 2.Op grond van dit artikel wordt geen subsidie verleend voor kranten en tijdschriften, ongeacht of deze op papier of elektronisch worden gepubliceerd, De subsidie wordt verleend voor de volgende culturele doelstellingen en activiteiten: musea, archieven, bibliotheken, kunstencentra en cultuurcentra of artistieke of culturele locaties, theaters, operahuizen, concerthallen, andere liveperformanceorganisaties, cinematografische erfgoedinstellingen, en andere vergelijkbare artistieke en culturele infrastructuurvoorzieningen, organisaties en instellingen; materieel erfgoed, waaronder alle vormen van roerend of onroerend cultureel erfgoed en archeologische sites, monumenten, historische locaties en gebouwen; natuurerfgoed met een rechtstreekse band met cultuurerfgoed of indien dit door de bevoegde overheidsinstanties van een lidstaat formeel is erkend als cultuur- of natuurerfgoed; immaterieel erfgoed in welke vorm ook, met inbegrip van volksgebruiken en ambachten; kunst- of culturele evenementen en performances, festivals, tentoonstellingen en andere vergelijkbare culturele activiteiten; culturele en artistieke educatie alsmede de bewustmaking van het belang van de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen via educatieve programma's en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek, onder meer door middel van nieuwe technologieën; schrijven, uitgeven, productie, distributie, digitalisering en publiceren van muziek en literatuur, met inbegrip van vertalingen. 3.De subsidie kan de vorm hebben van: investeringssubsidie, met inbegrip van subsidie voor de bouw of modernisering van cultuurvoorzieningen; exploitatiesubsidie. Artikel5.2.39Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.Wat investeringssubsidie betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de kosten voor investeringen in immateriële en materiële activa, met inbegrip van: kosten voor de bouw, modernisering, verwerving, instandhouding of verbetering van infrastructuur, indien jaarlijks ten minste 80% van de tijd- of ruimtecapaciteit voor culturele doeleinden wordt gebruikt; kosten voor de verwerving, met inbegrip van huur, eigendomsoverdracht of fysieke verplaatsing van cultureel erfgoed; kosten voor bescherming, instandhouding, restauratie en herstel van materieel en immaterieel cultureel erfgoed, met inbegrip van bijkomende kosten voor de opslag onder geschikte omstandigheden, speciale uitrusting, materialen en de kosten voor documentatie, onderzoek, digitalisering en publicatie; kosten om cultureel erfgoed beter toegankelijk te maken voor het publiek, met inbegrip van kosten voor digitalisering en andere nieuwe technologieën, kosten om de toegankelijk te verbeteren voor mensen met speciale behoeften (met name hellingbanen en liften voor mensen met een handicap, aanduidingen in braille en voel- en tastobjecten in musea) en kosten om de culturele diversiteit ten aanzien van presentaties, programma's en bezoekers te bevorderen; kosten voor culturele projecten en activiteiten, samenwerkings- en uitwisselingsprogramma's en -beurzen, met inbegrip van kosten voor selectieprocedures, promotiekosten en kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien. 2.Wat exploitatiesubsidie betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de volgende: de kosten van de culturele instelling of erfgoedlocatie in verband met vaste of tijdelijke activiteiten, waaronder tentoonstellingen, uitvoeringen en evenementen en vergelijkbare culturele activiteiten die plaatsvinden in het kader van hun normale activiteiten; kosten van culturele en artistieke educatie en van de bewustmaking van het belang van de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen via educatieve programma's en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek, onder meer door middel van nieuwe technologieën; kosten om de locaties en activiteiten van culturele instellingen of erfgoedlocaties beter toegankelijk te maken voor het publiek, met inbegrip van kosten voor digitalisering en het gebruik van nieuwe technologieën, alsmede kosten om de toegankelijkheid te verbeteren voor mensen met een handicap; exploitatiekosten die rechtstreeks verband houden met het culturele project of de culturele activiteit, zoals het huren of leasen van vastgoed en culturele locaties, reiskosten, materialen en leveranties die rechtstreeks verband houden met het culturele project of de culturele activiteit, architectonische structuren voor tentoonstellingen en podia, de ontlening, huur en afschrijving van werktuigen, software en uitrusting, kosten voor toegangsrechten tot auteursrechtelijk beschermde werken en andere verwante door intellectuele-eigendomsrechten beschermde content, promotiekosten en kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het project of de activiteit. Afschrijvingslasten en financieringskosten komen alleen in aanmerking indien deze niet werden gedekt door investeringssubsidie; kosten voor personeel dat werkt voor de culturele instelling, de erfgoedlocatie of een project; kosten voor advies- en ondersteuningsdiensten geleverd door externe consultants en dienstverrichters, die rechtstreeks voortvloeien uit het project. 3.In het geval van investeringssubsidie is het subsidiebedrag niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme. De exploitant van de infrastructuur mag een redelijke winst behouden over de betrokken periode. 4.In het geval van exploitatiesubsidie is het subsidiebedrag niet hoger dan wat nodig is omde exploitatietekorten plus een redelijke winst over de betrokken periode te dekken.Dit wordt geborgd vooraf op basis van redelijke prognoses, of via eenterugvorderingsmechanisme. 5.Voor subsidie van ten hoogste 1 miljoen EUR mag het maximale subsidiebedrag aan dehand van de in de leden 3 en 4 bedoelde methodiek ook worden vastgesteld op 80%van de in aanmerking komende kosten. 6.Wat de publicatie van muziek en literatuur in de zin van artikel 5.2.38 lid 2, onder f, betreft, is het maximale subsidiebedrag niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de gedisconteerde inkomsten van het project, noch hoger dan 70% van de in aanmerking komende kosten. De inkomsten worden in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf hetzij via een terugvorderingsmechanisme. De in aanmerking komende kosten zijn de kosten voor publicatie van muziek en literatuur, met inbegrip van de auteursvergoedingen (kosten van auteursrechten), vergoedingen van vertalers, vergoedingen van redacteuren, andere publicatiekosten (proeflezen, correctie, revisie), opmaak- en prepresskosten, en kosten voor drukken en e-publishing. Paragraaf5.2.15Subsidie voor audiovisuele werken Artikel5.2.40Subsidiabele activiteit 1.Het schrijven van scenario's, de ontwikkeling, productie, distributie en promotie van audiovisuele werken. Infrastructuur van filmstudio's komt niet in aanmerking voor subsidie op grond van dit artikel. 2.De subsidie is bestemd voor een cultureel product. Met het oog op de verdeling van middelen stelt het dagelijks bestuur een doeltreffende procedure vast. 3.De subsidie kan de vorm hebben van: subsidie voor de productie van audiovisuele werken; preproductiesubsidie, en distributiesubsidie. 4.De subsidie wordt niet voorbehouden voor specifieke productieactiviteiten of individuele onderdelen van de waardeketen van de productie. 5.Subsidie wordt niet uitsluitend voorbehouden voor eigen staatsburgers en van de begunstigden kan niet worden geëist dat zij de status hebben van onderneming die volgens de nationale handelswetgeving is opgericht. Artikel5.2.41Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn de volgende: voor productiesubsidie: de totale kosten van de productie van audiovisuele werken, met inbegrip van de kosten om de toegankelijkheid voor personen met een handicap te verbeteren; voor preproductiesubsidie: de kosten van het schrijven van scenario's en de ontwikkeling van audiovisuele werken; voor distributiesubsidie: de kosten van de distributie en promotie van audiovisuele werken. 2.De subsidie voor de productie van audiovisuele werken bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. 3.De subsidie kan als volgt worden verhoogd: tot 60% van de in aanmerking komende kosten voor grensoverschrijdende producties die door meer dan één lidstaat worden gefinancierd en waarbij producenten uit meer dan één lidstaat betrokken zijn; tot 90% van de in aanmerking komende kosten voor moeilijke audiovisuele werken en coproducties waarbij landen uit de OESO/DAC-lijst betrokken zijn. 4.De subsidie bedraagt in het geval van preproductie ten hoogste 90% van de in aanmerking komende kosten. Indien van het uiteindelijke script of project een audiovisueel werk zoals een film wordt gemaakt, worden de preproductiekosten opgenomen in het totale budget en wordt daarmee rekening gehouden bij het berekenen van de subsidie. De subsidie is in het geval van distributie dezelfde als de subsidie voor productie. Titel5.25Subsidie voor multifunctionele recreatieve infrastructuur Artikel5.2.42Subsidiabele activiteit 1.Investeringen in multifunctionele recreatieve infrastructuur. 2.Multifunctionele recreatieve infrastructuur omvat recreatieve faciliteiten met een multifunctioneel karakter die met name culturele en recreatieve diensten bieden, met uitzondering van attractieparken en hotelfaciliteiten. Artikel5.2.43Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De subsidie wordt verleend in de vorm van investeringssubsidie, met inbegrip van subsidie voor de bouw of modernisering van multifunctionele recreatieve infrastructuur. 2.De in aanmerking komende kosten zijn de kosten voor investeringen in materiële en immateriële activa. 3.De subsidie is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een door het dagelijks bestuur te bepalen terugvorderingsmechanisme. 4.Voor subsidie van ten hoogste 1 miljoen EUR mag het maximale subsidiebedrag aan de hand van de in lid 3 bedoelde methodiek ook worden vastgesteld op 80% van de in aanmerking komende kosten. Artikel5.2.44Voorwaarden 1.Toegang tot multifunctionele recreatieve infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 30% van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, mits die voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld 2.Iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om multifunctionele recreatieve infrastructuur te bouwen, te moderniseren en/of te exploiteren, vindt op transparante en niet-discriminerende basis plaats, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels. Hoofdstuk5.3Subsidie voor activiteiten die wordt verstrekt met toepassing van de artikelen 14, 17, 29 en 31 van de MKB Landbouwvrijstellingsverordening. Artikel5.3.1Algemene bepaling 1.Op dit hoofdstuk is de MKB Landbouwvrijstellingsverordening van toepassing. 2.Het totaal van de met toepassing van dit hoofdstuk te verstrekken subsidie mag de aanmeldingsdrempels als bedoeld in artikel 4 van de MKB Landbouw Vrijstellingsverordening niet overschrijden. Artikel5.3.2Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: advies: de volledige advisering in het kader van een en hetzelfde contract; afzet van landbouwproducten: het in voorraad hebben of uitstallen met het oog op het verkopen, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkingsbedrijven en alle activiteiten waarmee een product voor een dergelijke eerste verkoop wordt voorbereid; verkoop door een primaire producent aan eindverbruikers wordt als afzet van landbouwproducten beschouwd indien die verkoop plaatsvindt in speciaal daarvoor bestemde afzonderlijke ruimten; arm's length: de voorwaarden van de transactie tussen de contractpartijen wijken niet af van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en onvoorwaardelijke procedure wordt geacht te voldoen aan het arm's length-beginsel; biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen: biobrandstoffen die zijn geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen als omschreven in het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen; investeringen om aan een Unienorm te voldoen: investeringen die worden gedaan om na het verstrijken van de in de wetgeving van de Unie vastgestelde overgangsperiode aan een Unienorm te voldoen; jonge landbouwer: persoon die op de datum van indiening van de subsidieaanvraag niet ouder is dan 40 jaar, over adequate vakbekwaamheid en deskundigheid beschikt en zich voor het eerst op een landbouwbedrijf vestigt als bedrijfshoofd van dat bedrijf; kapitaalwerken: werkzaamheden die door de landbouwer zelf of door de werknemers van de landbouwer worden uitgevoerd en activa creëren; landbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt; landbouwproduct: de in bijlage I bij het VWEU vermelde producten, met uitzondering van de visserij- en aquacultuurproducten die zijn vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad; landbouwsector: alle ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten; primaire landbouwproductie: de productie van in bijlage I bij het VWEU vermelde producten van de bodem en van de veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt; Unienorm: verplichte, in de wetgeving van de Unie vastgestelde norm die het niveau aangeeft dat de individuele ondernemingen moeten halen, met name wat milieu, hygiëne en dierenwelzijn betreft; op Unieniveau vastgestelde normen of doelstellingen die bindend zijn voor de lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen, worden evenwel niet als Unienormen beschouwd; verwerking van landbouwproducten: elke bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op het landbouwbedrijf die nodig zijn om een dierlijk of plantaardig product klaar te maken voor de eerste verkoop; verwerking van landbouwproducten tot niet-landbouwproducten: elke bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat niet wordt vermeld in bijlage I bij het VWEU. Titel5.3.1Subsidie voor kleine en middelgrote ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten Paragraaf5.3.1Subsidie voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële of immateriële activa op landbouwbedrijven Artikel5.3.3Subsidiabele activiteit 1.Met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen inmateriële of immateriële activa op landbouwbedrijven. 2.De investering mag worden verricht door een of meer begunstigden of betrekkinghebben op materiële of immateriële activa die door een of meer begunstigden wordengebruikt. 3.De investering is gericht op ten minste één van de volgende doelstellingen: de verbetering van de algehele prestatie en duurzaamheid van het landbouwbedrijf, met name door een verlaging van de productiekosten of de verbetering en omschakeling van de productie; de verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden of de normen inzake dierenwelzijn, voor zover de investering verder gaat dan de geldende Unienormen; de aanleg en verbetering van infrastructuur in verband met de ontwikkeling, aanpassing en modernisering van de landbouw, inclusief op het gebied van de toegankelijkheid van landbouwgrond, ruilverkaveling en verbetering van land en de voorziening en besparing van energie en water; de verwezenlijking van agromilieuklimaatdoelstellingen, waaronder die in verband met de staat van instandhouding van de biodiversiteit van soorten en habitats, en de vergroting van de maatschappelijke belevingswaarde van een Natura 2000-gebied of van andere systemen met hoge natuurwaarde, als bepaald in de nationale of regionale plattelandsontwikkelingsprogramma's van de lidstaten, voor zover het om niet-productieve investeringen gaat; 4.De investering kan verband houden met de productie, op het landbouwbedrijf, van biobrandstoffen of van energie uit hernieuwbare bronnen, mits die productie niet groter is dan het gemiddelde jaarlijkse brandstof- of energieverbruik van het betrokken bedrijf. 5.Investeringen in installaties die vooral tot doel hebben elektriciteit op te wekken uit biomassa, komen niet voor subsidie in aanmerking, tenzij een door het bevoegd gezag te bepalen minimumpercentage aan warmte-energie wordt gebruikt. 6.Het bevoegd gezag stelt voor de verschillende types installaties drempelwaarden vast voor het maximale aandeel granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliehoudende gewassen dat mag worden gebruikt voor de productie van bio- energie, waaronder biobrandstoffen. De subsidie voor investeringen in bio-energieprojecten blijft beperkt tot bio-energie die voldoet aan de toepasselijke duurzaamheidscriteria die zijn vastgelegd in de wetgeving van de Unie, waaronder artikel 17, leden 2 tot en met 6, van Richtlijn 2009/28/EG. 7.De subsidie mag niet worden beperkt tot specifieke landbouwproducten en moet dus ter beschikking worden gesteld van alle sectoren van de primaire landbouwproductie, van de hele sector plantaardige productie of van de hele sector dierlijke productie. Het bevoegd gezag mag echter bepaalde producten uitsluiten vanwege overcapaciteit op de interne markt of een gebrek aan afzetmogelijkheden. 8.Er mag geen subsidie worden verleend in verband met: de aankoop van productierechten, betalingsrechten en eenjarige gewassen; de aanplant van eenjarige gewassen; afwateringswerkzaamheden; investeringen om aan de geldende Unienormen te voldoen, met uitzondering van subsidie voor jonge landbouwers gedurende ten hoogste 24 maanden na de datum van vestiging; de aankoop van dieren. 9.De subsidie mag niet worden verleend in strijd met de in Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde verboden of beperkingen, zelfs niet als die verboden en beperkingen uitsluitend betrekking hebben op de subsidie van de Unie waarin die verordening voorziet. 10.Met ingang van 1 januari 2017 wordt op het gebied van irrigatie slechts subsidie verleend voor zover het bevoegd gezag, met betrekking tot het stroomgebiedsdistrict waar de investering plaatsvindt, zorgt voor een bijdrage van de diverse watergebruikssectoren aan de terugwinning van de kosten van waterdiensten door de landbouwsector overeenkomstig artikel 9, lid 1, eerste streepje, van Richtlijn 2000/60/EG, in voorkomend geval rekening houdend met de sociale, ecologische en economische gevolgen van de terugwinning en met de geografische en klimatologische omstandigheden van de betrokken regio of regio's. Artikel5.3.4Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn: de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10% van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie; de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa; de algemene kosten in verband met de onder (
  3. a)en (
  4. b)bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van het bepaalde onder (
  5. a)en (
  6. b)worden gemaakt; de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken; uitgaven voor niet-productieve investeringen in verband met de in artikel 5.3.3, lid 3, onder d, bedoelde doelstellingen; als het gaat om irrigatie: de kosten van investeringen die aan de volgende voorwaarden voldoen: voor het hele gebied waarin de investering wordt uitgevoerd en andere gebieden waarin deze investering gevolgen voor het milieu kan hebben, wordt een stroomgebiedbeheerplan als vereist in artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad aan de Commissie toegezonden. De maatregelen die in het kader van het stroomgebiedbeheerplan overeenkomstig artikel 11 van die richtlijn worden uitgevoerd en voor de landbouwsector van belang zijn, worden in het betrokken maatregelenprogramma omschreven. Een watermetingssysteem voor de meting van het waterverbruik op het niveau van de gesubsidieerde investering is beschikbaar of wordt beschikbaar gesteld als onderdeel van de investering; de investering leidt tot een daling van het voorafgaande waterverbruik met ten minste 25%; 2.Wat het bepaalde onder f betreft, komen zowel investeringen die betrekking hebben op grond- of oppervlaktewaterlichamen waarvan de toestand, om redenen in verband met de waterhoeveelheid, in het betrokken stroomgebiedbeheerplan is aangemerkt als minder dan goed, als investeringen die leiden tot een netto-uitbreiding van het geïrrigeerde areaal met gevolgen voor een bepaald grond- of oppervlaktewaterlichaam, echter niet in aanmerking voor subsidie op grond van dit artikel. De in de bovenstaande punten f, i en ii vermelde voorwaarden zijn niet van toepassing op een investering in een bestaande installatie die enkel gevolgen heeft voor de energie-efficiëntie, op een investering voor het aanleggen van een reservoir of op een investering in het gebruik van gerecycleerd water die geen gevolgen heeft voor een bepaald grond- of oppervlaktewaterlichaam; 3.Andere dan de in lid 1, onder a en b, bedoelde kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies worden niet als in aanmerking komende kosten beschouwd. 4.Werkkapitaal wordt niet beschouwd als subsidiabele kosten. 5.De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van het bedrag van de in aanmerking komende kosten. 6.Het in lid 5 bedoelde percentage mag met 20 procentpunten worden verhoogd voor: jonge landbouwers of landbouwers die zich hebben gevestigd in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de subsidieaanvraag; collectieve investeringen, zoals opslagfaciliteiten die door een groep landbouwers worden gebruikt of installaties waar de landbouwproducten vóór de afzet worden klaargemaakt, en geïntegreerde projecten die betrekking hebben op diverse maatregelen op grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013, met inbegrip van die in verband met een fusie van producentenorganisaties; investeringen in gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen; concrete acties die in het kader van het Europees innovatiepartnerschap (EIP) worden gefinancierd, zoals investeringen in een nieuwe stal waardoor een nieuwe vorm van huisvesting van dieren kan worden getest die is ontwikkeld in een operationele groep van landbouwers, wetenschappers en niet-gouvernementele dierenwelzijnsorganisaties; investeringen om het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden of de normen inzake dierenwelzijn te verbeteren, als bedoeld in artikel 5.3.3, lid 3, onder b; in dit geval geldt het in dit lid vastgestelde verhoogde percentage alleen voor extra kosten die moeten worden gemaakt om een hoger niveau dan de geldende Unienormen te halen, maar niet tot een verhoging van de productiecapaciteit leiden. 7.Voor niet-productieve investeringen als bedoeld in artikel 5.3.3, lid 3, onder d, bedraagt de steunintensiteit ten hoogste 90%. Artikel5.3.5Voorwaarden 1.Indien de investering wordt gedaan voor de productie van biobrandstoffen, mag de productiecapaciteit van de productie- installaties niet groter zijn dan de hoeveelheid brandstoffen die overeenstemt met het jaarlijkse gemiddelde brandstofverbruik van het landbouwbedrijf en mogen de geproduceerde biobrandstoffen niet op de markt worden verkocht. 2.Als wordt geïnvesteerd voor de productie, op het landbouwbedrijf, van thermische energie en elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, mogen de productie-installaties slechts voorzien in de eigen energiebehoeften van de begunstigde en mag de productiecapaciteit van die installaties niet groter zijn dan de hoeveelheid brandstoffen die overeenstemt met het gecombineerde gemiddelde jaarlijkse energieverbruik van thermische energie en elektriciteit van het landbouwbedrijf, met inbegrip van het landbouwhuishouden. De verkoop van elektriciteit aan het net is slechts toegestaan binnen de jaarlijkse limiet van het eigen verbruik. 3.Wanneer de investering door meer begunstigden wordt uitgevoerd om in hun eigen behoefte aan biobrandstof en energie te voldoen, is het gemiddelde jaarlijkse verbruik de som van het gemiddelde jaarlijkse verbruik van alle begunstigden. 4.De investeringen in infrastructuur voor hernieuwbare energie die energie verbruikt of produceert, moeten voldoen aan minimumnormen voor energie-efficiëntie, indien dergelijke normen op nationaal niveau bestaan. 5.Subsidie voor investeringen waarvoor krachtens Richtlijn 2011/92/EU een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd, wordt slechts verleend op voorwaarde dat die beoordeling is uitgevoerd en de vergunning voor het betrokken investeringsproject is verleend vóór de datum van de toekenning van de subsidie. Paragraaf5.3.2Investeringssubsidie in verband met de verwerking en de afzet van landbouwproducten Artikel5.3.6Subsidiabele activiteit 1.Investeringen in materiële activa of immateriële activa die betrekking hebben op de verwerking of de afzet van landbouwproducten. 2.Investeringen in verband met de productie van biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen, komen niet in aanmerking voor subsidie. 3.Er wordt geen subsidie verleend voor investeringen om aan de geldende Unienormen te voldoen. 4.Subsidie wordt niet verleend in strijd met de in Verordening (EU) nr. [1308/2013] vastgestelde verboden of beperkingen, ook niet als die verboden en beperkingen uitsluitend betrekking hebben op de subsidie van de Unie waarin die verordening voorziet. Artikel5.3.7Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn: de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10% van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie; de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten in verband met de onder a en b bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies, haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van het bepaalde onder a en b worden gemaakt; de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken. 2.Andere dan de in lid 1, onder a en b, bedoelde kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies worden niet als in aanmerking komende kosten beschouwd. 3.Werkkapitaal wordt niet beschouwd als subsidiabele kosten. 4.De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van het bedrag van de in aanmerking komende kosten. 5.Het in lid 4 bedoelde percentage mag met 20% worden verhoogd voor concrete acties: in verband met een fusie van producentenorganisaties; die worden gesubsidieerd in het kader van het EIP. Artikel5.3.8Voorwaarde Subsidie voor investeringen waarvoor krachtens Richtlijn 2011/92/EU een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd, wordt slechts verleend op voorwaarde dat die beoordeling is uitgevoerd en de vergunning voor het betrokken investeringsproject is verleend vóór de datum van de toekenning van de individuele subsidie. Titel5.3.2Investeringssubsidie voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven Artikel5.3.9Subsidiabele activiteit Investeringen ten behoeve van de instandhouding van op het landbouwbedrijf gelegen cultureel en natuurlijk erfgoed. De subsidie wordt verleend voor cultureel en natuurlijk erfgoed in de vorm van natuurlijke landschappen en gebouwen dat door de bevoegde openbare autoriteiten formeel als cultureel of natuurlijk erfgoed is erkend. Artikel5.3.10Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed: kosten van investeringen in materiële activa; kapitaalwerken. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de in aanmerking komende kosten. 3.De subsidie voor kapitaalwerken bedraagt ten hoogste 10.000 EUR per jaar. Titel5.3.3Subsidie voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector Artikel5.3.11Subsidiabele activiteit 1.Subsidie voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector. 2.De subsidie wordt rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding verleend. De subsidie wordt niet verleend in de vorm van op de prijs van de landbouwproducten gebaseerde betalingen aan ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector. Artikel5.3.12Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.De in aanmerking komende kosten zijn: personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze wordt gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; extra algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de in aanmerking komende kosten. Artikel5.3.13Voorwaarden 1.Het gesubsidieerde project moet van belang zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke landbouwsector of -subsector actief zijn. 2.Vóór de begindatum van het gesubsidieerde project wordt op het internet de volgende informatie bekendgemaakt: dat het gesubsidieerde project wordt uitgevoerd; de doelstellingen van het gesubsidieerde project; de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesubsidieerde project worden verwacht; de plaats waar de van het gesubsidieerde project verwachte resultaten op het internet zullen worden bekendgemaakt; de vermelding dat de resultaten van het gesubsidieerde project gratis beschikbaar zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke landbouwsector of -subsector actief zijn. 3.De resultaten van het gesubsidieerde project worden op internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten blijven op internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project. Hoofdstuk5.4Subsidie die wordt verstrekt met toepassing van de artikelen 13, 23, 25, 27, 30, 41 en 42 van de Vrijstellingsverordening visserij Titel5.4.1Algemene bepalingen Artikel5.4.1Toepassingsbereik 1.Op dit hoofdstuk is de Vrijstellingsverordening visserij van toepassing. 2.Dit hoofdstuk is niet van toepassing op: activiteiten die niet voor subsidie in aanmerking komen op grond van artikel 11 van de Verordening inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (Verordening (EU) nr. 508/2014); ondernemingen aan wie geen subsidie wordt verleend op grond van artikel 10, eerste, tweede en derde lid, van de Verordening inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (Verordening (EU) nr. 508/2014). 3.Het totaal van de met toepassing van dit hoofdstuk te verstrekken subsidie mag de aanmeldingsdrempels als bedoeld in artikel 2 van de Vrijstellingsverordening visserij niet overschrijden. 4.Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt uitsluitend verleend aan kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten. Artikel5.4.2Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: visserij- en aquacultuurproducten: de producten die zijn gedefinieerd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013. Artikel5.4.3Algemene voorwaarde Bij de uitvoering van een project is de subsidieontvanger gehouden de regels van het Europees gemeenschappelijk visserijbeleid na te leven. Inbreuken daarop leiden tot terugvordering van de subsidie, in verhouding tot de ernst van de inbreuk. Artikel5.4.4Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1.10 worden als subsidiabele kosten in aanmerking genomen de naar het oordeel van het dagelijks bestuur in redelijkheid gemaakte en betaalde kosten, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 67, 68 en 69 van de Verordening (EU) nr. 1303/2013. 2.De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten. 3.Operationele kosten zijn niet subsidiabel. Titel5.4.2Duurzame ontwikkeling van de visserij Paragraaf5.4.2Subsidie voor innovatie Artikel5.4.5Subsidiabele activiteit Innovatie in de visserij, gericht op de ontwikkeling of de invoering van nieuwe of substantieel verbeterde producten en voorzieningen, nieuwe of verbeterde processen en technieken of nieuwe of verbeterde beheer- en organisatiesystemen, mede wat verwerking en afzet betreft. Artikel5.4.6Voorwaarden 1.De eigenaar van een vissersvaartuig die op grond van deze paragraaf subsidie heeft ontvangen mag dat vaartuig gedurende ten minste vijf jaar na de datum waarop die subsidie is betaald, niet buiten de Unie overdragen. Indien een vaartuig toch binnen dat tijdsbestek wordt overgedragen, wordt de subsidie als onverschuldigd betaald teruggevorderd, naar rato van de periode waarin niet aan de voorwaarde is voldaan. 2.Op grond van deze paragraaf gesubsidieerde activiteiten worden uitgevoerd in samenwerking met een door de Nederlandse Staat of de Europese Unie erkende wetenschappelijke of technische organisatie, die de resultaten van het project valideert. Paragraaf5.4.3Subsidie voor de beperking van de impact van de visserij op het mariene milieu en voor de aanpassing van de visserij aan de bescherming van soorten Artikel5.4.7Subsidiabele activiteit 1.Investeringen gericht op de beperking van de impact van de visserij op het mariene milieu en voor de aanpassing van de visserij aan de bescherming van soorten. Uitsluitend de navolgende investeringen komen in aanmerking voor subsidie: in uitrusting om de selectiviteit van het vistuig op grootte en soort te verfijnen; aan boord of in uitrusting voor het uitbannen van teruggooi door voorkoming en vermindering van ongewenste vangsten van commerciële bestanden of voor de behandeling van ongewenste vangsten die moeten worden aangeland overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013; in uitrusting om de fysieke en biologische impact van de visserij op het ecosysteem of de zeebodem te beperken en zo mogelijk tot nul te reduceren. 2.Subsidie wordt uitsluitend verleend wanneer het vistuig of de overige in het eerste lid bedoelde uitrusting aantoonbaar beter selecteert op grootte of een aantoonbaar geringere impact op het ecosysteem en op de niet-doelsoorten heeft dan de standaard-vistuigen of andere voorzieningen die zijn toegestaan op grond van Unierecht, of op grond van toepasselijk nationaal recht in het kader van de regionalisering zoals voorzien in Verordening (EU) nr. 1380/2013. Artikel5.4.8Kring van subsidieontvangers Er wordt uitsluitend subsidie verstrekt aan: eigenaren van Unievissersvaartuigen die als actief zijn geregistreerd en die in de twee kalenderjaren voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag gedurende ten minste 60 dagen visserijactiviteiten op zee hebben verricht; vissers die eigenaar zijn van het te vervangen vistuig en die in de twee kalenderjaren voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag gedurende ten minste 60 dagen aan boord van een Unievissersvaartuig hebben gewerkt. Artikel5.4.9Voorwaarden 1.De eigenaar van een vissersvaartuig die op grond van deze paragraaf subsidie heeft ontvangen mag dat vaartuig gedurende ten minste vijf jaar na de datum waarop die subsidie is betaald, niet buiten de Unie overdragen. Indien een vaartuig toch binnen dat tijdsbestek wordt overgedragen, wordt de subsidie als onverschuldigd betaald teruggevorderd, naar rato van de periode waarin niet aan de voorwaarde is voldaan. 2.Gedurende de periode van het Nederlands Operationeel Programma van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) 2014–2020, wordt niet meer dan één keer subsidie verleend voor hetzelfde type uitrusting aan boord van hetzelfde Unievissersvaartuig. Paragraaf5.4.4Subsidie voor de bescherming en het herstel van de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen Artikel5.4.10Subsidiabele activiteit Activiteiten gericht op de bescherming en het herstel van de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen door: het door vissers verzamelen van afval op zee, zoals verloren vistuig en zwerfvuil; het bouwen, installeren of moderniseren van vaste of verplaatsbare voorzieningen om de mariene flora en fauna te beschermen en te ontwikkelen, met inbegrip van de wetenschappelijke voorbereiding, en beoordeling daarvan; het bijdragen tot een beter beheer of een betere instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee. Artikel5.4.11Kring van subsidieontvangers Er wordt uitsluitend subsidie verstrekt aan vissers. Artikel5.4.12Voorwaarde De eigenaar van een vissersvaartuig die op grond van deze paragraaf subsidie heeft ontvangen mag dat vaartuig gedurende ten minste vijf jaar na de datum waarop die subsidie is betaald, niet buiten de Unie overdragen. Indien een vaartuig toch binnen dat tijdsbestek wordt overgedragen, wordt de subsidie als onverschuldigd betaald teruggevorderd, naar rato van de periode waarin niet aan de voorwaarde is voldaan. Paragraaf5.4.5Subsidie voor toegevoegde waarde, productkwaliteit en gebruik van ongewenste vangsten Artikel5.4.13Subsidiabele activiteit Activiteiten gericht op: investeringen die waarde toevoegen aan visserijproducten, in het bijzonder door de vissers toe te staan hun eigen vangst te verwerken, af te zetten en rechtstreeks te verkopen; innoverende investeringen aan boord ter verbetering van de kwaliteit van de visserijproducten. Artikel5.4.14Kring van subsidieontvangers Er wordt uitsluitend subsidie verstrekt aan eigenaren van vissersvaartuigen. Subsidie ten behoeve van de in artikel 5.4.13, onder b, genoemde activiteit wordt slechts verleend aan eigenaren van Unievissersvaartuigen die in de twee kalenderjaren voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag gedurende ten minste 60 dagen visserijactiviteiten op zee hebben verricht. Artikel5.4.15Voorwaarden 1.De eigenaar van een vissersvaartuig die op grond van deze paragraaf subsidie heeft ontvangen mag dat vaartuig gedurende ten minste vijf jaar na de datum waarop die subsidie is betaald, niet buiten de Unie overdragen. Indien een vaartuig toch binnen dat tijdsbestek wordt overgedragen, wordt de subsidie als onverschuldigd betaald teruggevorderd, naar rato van de periode waarin niet aan de voorwaarde is voldaan. 2.Subsidie ten behoeve van de in artikel 5.4.13, onder b, genoemde activiteit wordt slechts verleend op voorwaarde dat selectieve vistuigen worden gebruikt om ongewenste vangst

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.