Nota Bodemkwaliteit bij bouwenBeleid voor het uitvoeren van bodemonderzoek in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen oktober 2013 Wij hebben dit rapport opgesteld op basis van geldende wet- en regelgeving. Deze wet- en regelgeving is sterk aan verandering onderhevig. Wij adviseren u het rapport tijdig voor het starten van de ruimtelijke procedure te laten controleren op de geldigheid. 1Inleiding 1.1Doel en aanleiding Doelstelling van de voorliggende nota is een kader te scheppen voor bodemonderzoek in relatie tot bouwen. De nota geeft duidelijkheid over de ontheffings- en beoordelingscriteria van bodemonderzoek bij bouwen. Omdat de wet- en regelgeving rondom dit thema nogal versnipperd is, is er bij zowel gemeenten als Omgevingsdienst behoefte alle aspecten samen te brengen in één nota. De centrale vraag van deze nota is: in welke situaties is een bodemonderzoek bij bouwen benodigd en aan welke eisen moet dat bodemonderzoek voldoen? Onderhavig nota vervangt de nota “Bodemkwaliteit bij bouwen” van april
(2013)van het Bouwbesluit 2012 in het Bouwbesluit worden opgenomen. Thans wordt bezien hoe het begrip ‘waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend personen zullen verblijven’ kan worden geconcretiseerd. Het doel van het artikel is en blijft: Het doel van de voorschriften is dat niet wordt gebouwd op een bodem die dusdanig verontreinigd is, dat hierdoor gevaar voor de gezondheid van personen ontstaat. Wat verstaan moet worden onder 'bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven' wordt in de Memorie van toelichting bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij 'enige tijd' moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw. Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken van land- en tuinbouw producten evenals gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. 6) wordt naar aanleiding van Kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip 'voortdurend of nagenoeg voortdurend verblijven van mensen' valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of garage bij een woning. Bouwwerken die de grond niet raken Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden geëist. Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van bodemverontreiniging Burgemeester en wethouders zijn het bevoegde gezag om te beslissen of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de gemeenten, die daartoe zijn aangewezen, zijn het bevoegde gezag ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen, indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn. Bij Besluit aanwijzing bevoegd gezag gemeenten Wet bodembescherming (Besluit van 12 december 2000) zijn gemeenten aangewezen die voor de toepassing van delen van deze wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. 88, zevende lid Wet bodembescherming). Het gevolg is dat de provincie bevoegd gezag is en dat de vier grote steden op grond van de Wbb plus nog 25 aangewezen gemeenten bevoegd gezag zijn krachtens genoemd Besluit. Met de invoering van de Waterwet is het waterbodembeheer van de Wet bodembescherming overgegaan naar de Waterwet. Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er voor de omgevingsvergunning voor het bouwen geen aanhoudingsverplichting en moet het bevoegd gezag beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een verontreiniginggraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen in deze gevallen formeel kan weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van MBV. Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden getroffen. Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag toch nog sprake is van een onaanvaardbare verontreiniginggraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op welke wijze het verontreinigingprobleem kan worden ondervangen. In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de omgevingsvergunning voor het bouwen. In de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen kan aangegeven worden op welke wijze het terrein gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan: de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag wordt aangebracht; de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag; de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het bouwwerk in stand wordt gehouden. Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een verantwoordelijkheid van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is. Het kan in het belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Artikel 6.2c Onverminderd artikel 6.1 treedt een omgevingsvergunning met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, indien het te bouwen bouwwerk een bouwwerk betreft als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Woningwet en het bevoegd gezag op basis van het onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 8, vierde lid, onderdeel c, van die wet, dan wel uit anderen hoofde een redelijk vermoeden heeft dat ter plaatse van het bouwwerk sprake is van een vóór 1 januari 1987 ontstaan geval van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming, niet eerder in werking dan nadat: op grond van artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming is vastgesteld dat geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is en het desbetreffende besluit in werking is getreden, op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming met het saneringsplan, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, is ingestemd en het desbetreffende besluit in werking is getreden, of een melding van een voornemen tot sanering als bedoeld in artikel 39b, derde lid, van de Wet bodembescherming is gedaan en de bij of krachtens het vierde lid van dat artikel gestelde termijn is verstreken. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, treedt de omgevingsvergunning in werking als in de beschikking, bedoeld in artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, is vastgesteld dat: sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, geen sprake is van risico’s voor de mens, en het bouwen de uitvoering van de sanering niet belemmert, mits degene die het nader onderzoek heeft overgelegd daarbij een met redenen omkleed verzoek heeft ingediend en de beschikking, bedoeld in de aanhef van dit lid, in werking is getreden. Bij de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, vermeldt het bevoegd gezag of het een vermoeden heeft als bedoeld in dat lid. Regeling omgevingsrecht (MOR) Artikel 2.
- Overige voorschriften bouwverordening In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager ten behoeve van toetsing aan de overige voorschriften van de bouwverordening een onderzoeksrapport betreffende verontreiniging van de bodem, gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Artikel 2.7 Uitgestelde indieningsvereisten omtrent het bouwen lid 3 Indien de aard van het bouwplan naar het oordeel van het bevoegd gezag daartoe aanleiding geeft, kan in de vergunning worden bepaald dat gegevens en bescheiden, genoemd in de artikelen 2.2, tweede lid, 2.3, onderdeel i, 2.4 en 2.5, binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling worden overgelegd. Woningwet Artikel 8 De gemeenteraad stelt een bouwverordening vast, die uitsluitend de voorschriften, bedoeld in het tweede tot en met zesde lid, bevat. De bouwverordening bevat voorschriften omtrent het tegengaan van het bouwen van een bouwwerk op verontreinigde bodem. De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een dergelijke vergunning niet is vereist, en 1°. die de grond raken, of 2°. ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. De voorschriften, bedoeld in het tweede lid, hebben in elk geval betrekking op: het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem; aard en omvang van het onderzoek, en inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Bijlage2:in Midden-Holland gewijzigd artikel 2.1.5 bouwverordening (invet gewijzigde/toegevoegde tekst) Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: de resultaten van een recent standaard vooronderzoek verricht volgens NEN 5725 (uitgave 2009) Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat er een bodemverontreiniging aanwezig is, worden tevens ingediend de resultaten van een recent milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur
- Indien op basis van het milieuhygiënisch verkennend bodemonderzoek een vermoeden bestaat dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, worden tevens ingediend de resultaten van een nader onderzoek, verricht volgens NTA 5755 (uitgave 2010). Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave
- De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009, niet rechtvaardigen. Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt en er als gevolg van de aanwezige bouwwerken vooraf geen goed beeld kan worden verkregen van de bodemsituatie, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Bodemonderzoeken dienen geheel overeenkomstig vastgestelde protocollen en NEN normen en overeenkomstig hoofdstuk 2 uit het Besluit bodemkwaliteit te worden uitgevoerd. De onderzoeksbureaus moeten in het bezit zijn van een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid voor onderzoeken van voor 1 juli
- De rapportage moet als volgt ingediend worden: een papieren rapportage een digitaal exemplaar in pdf-bestand een digitaal exemplaar in SIKB-0101 xml-bestand (meest recente versie). Toelichting: Voorgesteld is om artikel 2.1.5 (Bodemonderzoek) af te stemmen op het beleid dat de Omgevingsdienst Midden-Holland voert voor de gemeenten in de regio Midden-Holland. Dit in afwijking van/ter aanvulling op het VNG-model. Het beleid in Midden-Holland is sinds 2003 vastgelegd in de Nota “Bodemkwaliteit bij bouwen”. Hierin is opgenomen dat op onverdachte locaties geen volledig bodemonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Dit is een lastenverlichting voor burgers en bedrijven. Of een locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging moet blijken uit een historisch vooronderzoek conform de NEN
- Onder a van lid 1 van artikel 2.1.5 is dit historisch vooronderzoek toegevoegd als onderzoek dat kan worden ingediend bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Het gaat dus over eigen beleid dat de regio Midden-Holland al sinds 2003 voert, en wat nu niet goed in de standaard MBV is geëffectueerd. Daarnaast is lid 6 toegevoegd waarin een passage over het digitaal aanleveren van bodemonderzoeksgegevens. Bodemadviesbureaus kunnen relatief eenvoudig onderzoeksgegevens aanleveren in een bepaald bestandsformaat, vastgelegd in SIKB-protocol
- Met dit formaat kan de Milieudienst eenvoudig de gegevens importeren in haar Bodem Informatie Systeem, zodat gegevens niet langer handmatig hoeven worden ingevoerd. Dit scheelt tijd en verkleint de kans op fouten bij het overtypen. Bijlage3:voorbeelden (cases) Case 1 : Serre aan achterzijde Vergunningsvrij, dus geen onderzoeksrapport (dus ook geen historisch onderzoek) naar bodemgesteldheid Case 2: Serre aan voorzijde Omgevingsvergunning vereist Maar geen onderzoeksrapport (ook geen historisch onderzoek), want naar “aard en omvang” gelijk aan serre aan de achterzijde Case 3: hoge serre aan de achterzijde Omgevingsvergunning vereist want hoger dan 4 meter Maar geen onderzoeksrapport (dus ook geen historisch onderzoek), want door hoogtebepaling vergunningplichtig Case 4: berging/schuur “Bijgebouw”, ondergeschikt aan hoofdgebouw Op achtererf Geen omgevingsvergunning Geen onderzoeksrapport (bovendien geen verblijfplaats voor mensen) Case 5: tuinhuis, ondergeschikt aan hoofdgebouw op achtererf Geen omgevingsvergunning, gezien omvang en op achtererfgebied. Geen onderzoeksrapport Case 6: tuinhuis, ondergeschikt aan hoofdgebouw op voorerf Wel een omgevingsvergunning want op voorerf Geen onderzoeksrapport, want naar aard en omvang gelijk aan case
- Case 7: groot tuinhuis, ondergeschikt aan hoofdgebouw Omgevingsvergunning voor bouwen vereist gezien de omvang Let op: afhankelijk van wat in bestemmingsplan is opgenomen! Wel onderzoeksrapport naar bodemgesteldheid (eerst historisch onderzoek) Case 8: 2e woonhuis op achtererfgebied op hetzelfde perceel Geen bijgebouw, want functioneel niet ondergeschikt aan 1e woonhuis Omgevingsvergunnnig vereist Wel onderzoek naar bodemgesteldheid (eerst historisch onderzoek) Bijlage4Ophogingen: aanleiding voor bodemonderzoek? InleidingDoor de slechte fysische bodemgesteldheid in de regio Midden-Holland vonden en vinden veel ophogingen plaats. Met name in de veengebieden kan men er van uitgaan dat elk bebouwd perceel wel één of meerder malen is opgehoogd. Vaak is de herkomst en de kwaliteit van het ophoogmateriaal niet bekend. Pas vanaf 1987 vallen ophogingen onder een wettelijk regime, namelijk de Wet bodembescherming en later het Bouwstoffenbesluit en het Besluit bodemkwaliteit. De ligging en kwaliteit van ophogingen van voor deze tijd is uitermate onzeker. Ophogingen zijn volgens de norm voor historisch onderzoek, NEN 5725, aanleiding om bodemonderzoek uit te voeren. Er dient dan een onderzoeksstrategie “verdacht” te worden gehanteerd. In ophooglagen zullen met name zware metalen en PAK in verhoogde mate worden aangetroffen. Het is van belang inzicht te hebben in deze gehalten, omdat deze kunnen leiden tot risico’s. De ODMH hanteert de volgende werkwijze om te bepalen of een ophoging dient te worden onderzocht. WerkwijzeHet historisch onderzoek dient nadrukkelijk aandacht te besteden aan ophogingen (§ 6.1.1 van de NEN 5725). Indien aannemelijk kan worden gemaakt dat er in het verleden geen ophogingen hebben plaatsgevonden, dan is de locatie onverdacht voor deze mogelijke bron van bodemverontreiniging en vormt dit geen aanleiding om bodemonderzoek uit te voeren. Indien bekend is dat er is opgehoogd met bodemvreemd materiaal of verdachte grond, kan dit een aanleiding zijn om een bodemonderzoek uit te voeren. Indien exact bekend is op welke plaats de locatie is opgehoogd, dan zal het onderzoek zich alleen richten op de bekende plaats. De onderzoeksstrategie die dient te worden gevolgd is VED-HE uit de NEN
- In tabel 9 van de NEN 5740 is onder andere het aantal te analyseren mengmonsters aangegeven. Hieruit blijkt dat alleen de verdachte laag en het grondwater dienen te worden geanalyseerd. Het beleid in de regio Midden-Holland is echter dat ook de bodemlaag onder de ophooglaag dient te worden geanalyseerd middels één (meng)monster indien de ophooglaag niet dikker is dan 2 meter. Deze analyse mag in mindering worden gebracht op het aantal analyses van de ophooglaag. Voorbeeld: de ophooglaag heeft een omvang van minder dan 0,1 ha. Er zullen dan 5 boringen tot 0,5 meter in de verdachte laag worden gezet èn 1 boring tot de onderzijde van de verdachte laag (met een maximum van 2 meter) èn een boring met peilbuis. Indien de ophooglaag niet dikker is dan 2 meter, kan de boring die wordt gebruikt om de onderzijde af te perken worden doorgezet tot in de bodemlaag onder de ophooglaag. Hier dient een monster te worden genomen van deze onverdachte bodemlaag. Er zullen dan niet 3 maar 2 analyses van de ophooglaag dienen te worden uitgevoerd en 1 analyse van de bodemlaag onder de ophooglaag. Indien bekend is dat er is opgehoogd met aantoonbaar schoon materiaal kan onderzoek naar de ophooglaag achterwege worden gelaten. In het merendeel van de gevallen zal niet precies bekend zijn of er is opgehoogd en waarmee is opgehoogd. Zo zal een huidige eigenaar vaak niet op de hoogte zijn van alle ophoogactiviteiten in het verleden. In veengebieden is echter wel aannemelijk dat er op bebouwde percelen is opgehoogd. In dergelijke gevallen zal worden getoetst of er een risico is te verwachten. Dit gebeurt aan de hand van de tabel in paragraaf 4.4.
- Indien de locatie is gelegen in een zone of deelgebied die is vermeld in deze tabel is bij het gebruik “wonen met tuin” een kans dat risico’s kunnen optreden. Het historisch onderzoek dient daarom nadrukkelijk in te gaan op het toekomstig gebruik (§ 6.1.3 van de NEN 5725). De strategie voor het onderzoek is “onverdacht” uit de NEN
- De gehele kavel dient te worden onderzocht (zie ook paragraaf 4.2), waarbij er echter minimaal één boring ter plaatse van het gevoelige gebruik (tuin, moestuin, speelplaats) dient te worden geplaatst. Voorbeeld 1:De locatie is gelegen in een zone uit tabel in paragraaf 4.4.
- Het is niet precies bekend of de locatie (te bouwen bouwwerk inclusief het terrein dat een directe relatie heeft met de activiteiten die bij dat gebouw horen) is opgehoogd. De aanvrager van de vergunning wil (naast het bouwwerk) een moestuin realiseren. Er zal een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Voorbeeld 2:De locatie is gelegen in een zone uit tabel in paragraaf 4.4.4.Het is niet precies bekend of de locatie (te bouwen bouwwerk inclusief het terrein dat een directe relatie heeft met de activiteiten die bij dat gebouw horen) is opgehoogd. De aanvrager wil een kantoorruimte realiseren. Er hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd want het betreft geen gevoelige bestemming. In het schema zijn alle mogelijkheden afgebeeld. Bijlage5Verblijfplaatsen In paragraaf 3.1 is onder punt 4 aangegeven dat geen bodemonderzoek hoeft te worden uitgevoerd voor gebouwen waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. Onderstaande lijst is een handreiking van gebouwen die wel en niet als verblijfsplaats worden aangemerkt. Wel verblijfplaats Geen verblijfplaats ° Woning ° Kantoor ° School ° Ziekenhuis ° Kerk ° Verenigingsgebouw ° Voertuigstalling met reparatiewerkplaats ° Sorteerruimte op tuin-/landbouwbedrijf ° Sporthal ° Gymzaal ° Zwembad ° Peuterspeelzaal ° Kinderdagverblijf ° Kantine van (sport-)vereniging ° Gebouwen voor het opslaan van materialen/goederen ° Gebouwen voor het telen/kweken van land- en tuinbouwprodukten* ° Gebouwen t.b.v. nutsvoorzieningen ° Gebouwen voor de waterhuishouding- of zuivering ° Parkeergarage ° Voertuigstalling zonder reparatiewerkplaats ° Schaapskooi ° Stallen ° Rioolgemaal ° Schuur of garage bij woonhuis ° Kleedkamers (vrijstaand) bij sportverenigingen * Er wordt vanuit gegaan dat er in een kas niet langer dan twee uur per dag voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. Opgemerkt wordt dat een sorteerruimte op een tuin- of landbouwbedrijf wel als verblijfplaats wordt aangemerkt (zie tabel). Wanneer in een kas een gedeelte wordt ingericht als winkel- of als kantoorgebouw, dan moet, indien daarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven, op dat gedeelte wel onderzoek plaatsvinden. Bijlage6:onderbouwing uitvoeren bodemonderzoek in diffuus verontreinigde gebieden In 2011 is een bodemkwaliteitskaart (BKK) voor de regio Midden-Holland opgesteld. De BKK bestaat uit zones, waarbinnen veelal een groot aantal gegevens (waarnemingen) over de bodemkwaliteit bekend zijn. In het rapport “Diffuse spoed Midden-Holland” [4] is een analyse gemaakt van de risico’s die kunnen optreden als gevolg van diffuse bodemverontreiniging. Enkele zones uit de BKK zijn opgesplitst omdat het vermoeden bestond dat er binnen deze zones nog verschillen in bodemkwaliteit kunnen bestaan. In onderstaande tabel is de kans op overschrijding van de modelmatig berekende risiconorm afgebeeld. Berekend is het aantal waarnemingen van de BKK-dataset dat de risiconorm voor lood overschrijdt. Er zijn twee risiconormen: één voor binnensteden en toemaakdekken (hier is de beschikbaarheid van lood laag) en één voor de overige gebieden. Op basis van de percentages, ervaringen en “expert judgement” zijn deelgebieden/zones geselecteerd waar een redelijke kans bestaat op overschrijding van de risiconorm. In deze gebieden wordt bodemonderzoek noodzakelijk geacht. Hiervan zijn de cellen grijs gekleurd (vet/cursief). Deelgebied Wonen met siertuin en/of plaatsen waar kinderen spelen Wonen met tuin (incl 10% gewascons.) Kleine moestuin (100 m2) Grote moestuin (200m2) Risiconorm binnensteden en toemaakdek: 1040 mg/kg 950 mg/kg 730 mg/kg 560 mg/kg Risiconorm overig: 560 mg/kg 530 mg/kg 450 mg/kg 380 mg/kg 1.01 Historische bebouwing Gouda (voor 1900) 4 7 8 17 1.02 Historische bebouwing Bodegraven (voor 1900) 4 8 12 20 1.03 Historische bebouwing Schoonhoven (voor 1900) 4 4 7 16 2 Historische bebouwing Krimpenerwaard 9 9 12 14 3 Historische bebouwing Zuidplas, Waddinxveen, Boskoop 11 12 15 20 4 1900-1940 Gouda, Bodegraven, Reeuwijk, Boskoop 4 5 5 7 8.01 Oude Rijn zone, lintbebouwing (Bodegraven) 7 7 7 7 8.02 Lintbebouwing Gouda 17 21 24 24 8.04 Lintbebouwing Boskoop 0 3 8 8 9 Lintbebouwing op toemaakdek 6 6 7 13 10 Lintbebouwing Krimpenerwaard 3 3 5 7 11.01 Dijkbebouwing Krimpenerwaard langs Hollandse IJssel 5 5 5 5 11.02 Dijkbebouwing Krimpenerwaard langs de Lek 15 15 19 21 12.01 ’s Gravenweg (Nieuwerkerk ad IJssel) 8 8 8 23 12.02 Overige lintbebouwing Zuidplas en Waddinxveen 6 6 7 7 17 Landelijk gebied toemaakdek 2 1 7 14 In de meeste deelgebieden is het beeld eenduidig bij alle typen gebruik: overal wordt het percentage van 7% overschreden of juist niet. Voor deze deelgebieden is het daarom duidelijk of wel of geen bodemonderzoek gerechtvaardigd is. Voor enkele deelgebieden is het beeld minder eenduidig: Deelgebieden 101, 102 en
- Door hogere risiconorm als gevolg van de mindere biobeschikbaarheid van lood lijkt er in de oude binnensteden weinig kans op een risico. Ervaring is echter dat met name in de binnenstad van Schoonhoven ook bij wonen met tuin risico’s kunnen voorkomen. Daarom is in deze deelgebieden toch onderzoek noodzakelijk. Zones 4 en
- Alleen bij grote moestuinen (> 200m2) is er een kans van meer dan 7% dat de risiconorm wordt overschreden. Het vooronderzoek moet duidelijkheid scheppen of een grote moestuin wordt gerealiseerd. Zo ja, dan moet bodemonderzoek worden uitgevoerd. Deelgebieden 8.04 en zone
- Bij moestuinen met een oppervlakte van meer dan 100m2 is er een kans van 7% of meer dat de risiconorm wordt overschreden. Het vooronderzoek moet duidelijkheid scheppen of een grote moestuin wordt gerealiseerd. Zo ja, dan moet bodemonderzoek worden uitgevoerd. Zone 17, het landelijk gebied waar toemaakdek kan voorkomen, is een bijzonderheid. Uit het rapport “Diffuse spoed Midden-Holland” kwam naar voren dat hier bij het huidige gebruik (grasland, landbouw, natuur en recreatie) geen risico’s zijn. Wordt er echter een woning met moestuin van groter dan 100 m2 gerealiseerd, dan is dit niet zo zeker meer en is een bodemonderzoek gerechtvaardigd.