Algemene Plaatselijke Verordening voor ArnhemHoofdstuk1Algemene Bepalingen Artikel1.1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet
(1)uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. 2.Een paracommerciële rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 3.De burgemeester kan op aanvraag ontheffing verlenen van het op grond van het tweede lid geldende verbod. Artikel2.3.1a.7Inperking prijsacties Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd. Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2.3.2.1Definitie In deze paragraaf wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel2.3.2.2Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel2.3.2.3Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden Artikel2.3.3.1Speelgelegenheden 1.Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de Minister van Veiligheid en Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3.De burgemeester weigert de vergunning: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel2.3.3.2Kansspelen Het is verboden op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats buitenshuis gelegenheid te geven tot of deel te nemen aan enig spel om geld of geldwaarde. Artikel2.3.3.3Speelautomaten in openbare inrichting 1.Dit artikel verstaat onder: Speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet op de kansspelen; Hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet op de kansspelen; Laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet op de kansspelen. 2.In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee speelautomaten toegestaan. 3.In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Paragraaf 4 Toezicht op voor het publiek openstaande gebouwen Artikel2.3.4.1 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in een bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2.Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(
- en)van het gebouw of het erf. 3.Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4.Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5.Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet. Paragraaf 5 Tegengaan van een onveilig, niet leefbaar of malafide ondernemersklimaat Artikel 2.3.5.1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; beheerder: de exploitant, alsmede de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. bedrijfspand: het pand waarin het bedrijf gevestigd is. Artikel 2.3.5.2 Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten 1.De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(
- op)het verbod uit het eerste lid van artikel 2.3.5.3 van toepassing is. 2.Een gebouw, gebied of bedrijfsmatige activiteit in een gebouw of in een gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. 3.Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Artikel 2.3.5.3 Vergunning uitoefening bedrijf 1.Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: in een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2.3.5.2 aangewezen gebouw of gebied; of indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2.3.5.2 aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 2.De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren: in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde ontstaat; als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een het omgevingsplan, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 2.3.5.4 Vergunningaanvraag 1.De vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.3.5.3 dient te worden aangevraagd door de exploitant. 2.Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend met een op de gemeentelijke website beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 3.Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: de persoonsgegevens en een kopie van een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder(s); het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; indien van toepassing de verblijfstitel van de exploitant of beheerder; en indien sprake is van een verblijfstitel: een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 4.Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. Artikel 2.3.5.5 Intrekking en wijziging van een vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.3.5.3 intrekken of wijzigen als: door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze paragraaf niet worden nageleefd; de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is en daardoor een aantoonbaar veiligheids- of gezondheidsrisico of een aantoonbaar risico voor de openbare orde ontstaat; de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; indien sprake is van strijd met het omgevingsplan, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 2.3.5.6 Sluiting bedrijf en/of bedrijfspand 1.Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het eerste lid van artikel 2.3.5.3 wordt geëxploiteerd of indien één van de situaties als bedoeld in artikel 2.3.5.5, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf en/of het bedrijfspand bevelen. 2.De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. Artikel 2.3.5.7 Geboden en verboden exploitant 1.De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf, waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. 2.De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, indien zich geen weigeringsgronden uit artikel 2.3.5.3, tweede lid voordoen. 3.Het is verboden een bedrijfspand voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of een beheerder aanwezig is. 4.De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf en/of in het bedrijfspand geen strafbare feiten plaatsvinden. Artikel 2.3.5.8 Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen In afwijking van het eerste lid van artikel 2.3.5.3 geldt het aldaar gestelde verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het in artikel 2.3.5.2 genoemde aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties niet: In gevallen waarin nog géén vergunning zoals bedoeld in artikel 2.3.5.3 is aangevraagd: In de eerste drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit; In gevallen waarin binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit een vergunning zoals bedoeld in artikel 2.3.5.3 is aangevraagd: Tot het besluit tot weigering van een door hem binnen de termijn van drie maanden aangevraagde vergunning. Artikel 2.3.5.9 Positieve beschikking bij niet tijdig beslissen Op de vergunning als bedoeld in artikel 2.3.5.3 is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 4 Maatregelen ter voorkoming van overlast, drugsoverlast, gevaar of schade Artikel2.4.1Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. 4.De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen. Artikel2.4.1aGebiedsontzeggingen uitgaansgeweld horecaconcentratiegebied 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, aan degene die in het horecaconcentratiegebied op de weg of in een voor het publiek toegankelijk lokaal geweld pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende een tijdvak van twee maanden, gedurende de tijdstippen in het verbod genoemd, te bevinden in het horecaconcentratiegebied. 2.Tot het opleggen van een verbod als bedoeld in het eerste lid gaat de burgemeester eerst over, indien hij de betrokkene uiterlijk zes maanden daarvoor vanwege een eerdere geweldsdaad als bedoeld in het eerste lid heeft gewaarschuwd, dan wel een verbod als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd. 3.In gevallen waarin de burgemeester aan een persoon in een tijdsbestek van twee jaar voor de derde keer een verbod oplegt als bedoeld in het eerste lid, wordt dit verbod opgelegd voor een tijdvak van vier maanden. 4.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod. 5.De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid gegeven verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. 6.Onder horecaconcentratiegebied wordt verstaan het gebied zoals omschreven in artikel 2.3.1.15, zesde lid. Artikel2.4.2Overlast door drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel2.4.3Gebiedsontzegging 1.De burgemeester is bevoegd om in het belang van de openbare orde aan een persoon die op een openbare plaats handelingen verricht die de openbare orde verstoren of die strafbare feiten pleegt, het bevel te geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2.De burgemeester is bevoegd aan een persoon aan wie eerder een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven en die opnieuw op een openbare plaats handelingen verricht die de openbare orde verstoren of die strafbare feiten pleegt, in het belang van de openbare orde het bevel te geven zich gedurende ten hoogste drie maanden niet in één of meer delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als de overtreding binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4.De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel2.4.4Overlast door openlijk drugsgebruik 1.Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in artikel 2 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. 2.Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw dat deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied middelen als bedoeld in artikel 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. 3.In afwijking van het tweede lid, is het verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw die zich bevinden binnen een afstand van 200 meter van scholen voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs middelen als bedoeld in het artikel 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten. Artikel2.4.5Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5.Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6.Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel2.4.6Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1.Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.5. Artikel2.4.7Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen of vermommingsmiddelen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen of vermommingsmiddelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen of herkenning bij het plegen van voornoemde strafbare feiten te voorkomen. Artikel2.4.7aVerbod op het vervoeren van geprepareerde voorwerpen 1.Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel2.4.8Betreden van plantsoenen e.d. 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, plantsoenen of groenstroken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2.4.9Rijden over bermen e.d. 1.Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening. 4.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Artikel2.4.10Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden op een openbare plaats: te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis, 429ter of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2.4.10aVerplichte route 1.Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2.4.11Verboden drankgebruik 1.Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing op: een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel2.4.11aHinderlijk gebruik van drugs Vervallen bij raadsbesluit van 23 november 2022 Artikel2.4.12.aHinderlijk gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden zonder redelijk doel: zich in een portiek of poort op te houden; in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel2.4.12.bWoonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Artikel2.4.13Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte , dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel2.4.14Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een opbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dat in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. Artikel2.4.15Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke Het is verboden zich op de door de burgemeester aangewezen uren en plaatsen met een fiets of bromfiets te bevinden op een door de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel2.4.16Bespieden van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindent, te bespieden. 2.Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindendt te bespieden. Artikel2.4.17Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken. Artikel2.4.18Nodeloos alarmeren Vervallen bij raadsbesluit van 23 november 2022. Artikel2.4.19Alarminstallaties Vervallen bij raadsbesluit van 23 november 2022. Artikel2.4.20Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op de weg zonder dat die hond is aangelijnd; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.De in het eerste lid onder a en b genoemde verboden gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel2.4.21Verontreiniging door honden 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft - met uitzondering van de houder of eigenaar van een hond die zich vanwege een handicap laat begeleiden door een geleidehond of sociale hulphond - is verplicht een hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor de directe verwijdering van de uitwerpselen van de hond. 3.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering te laten zien aan de toezichthoudende ambtenaar of aan een opsporingsambtenaar. 4.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Artikel2.4.22Gevaarlijke en blaffende honden 1.Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijngebod- en muilkorfgebod opleggen voor zover de hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en; zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.4.20, eerste lid, onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. 5.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat dit dier niet door aanhoudend geblaf of gejank hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort. Artikel2.4.23Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Bij het houden en aanwezig hebben van dieren op plaatsen buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is de eigenaar of houder van deze dieren verplicht zodanige maatregelen te treffen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed of dat geen schade optreedt aan de openbare gezondheid. 2.Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: aanwezig te hebben; aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; aanwezig- te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 3.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het tweede lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het gestelde verbod. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel2.4.24Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel2.4.25Overlast door heling op straat Het is verboden zich op of aan de weg of op een andere openbare plaats op te houden met het kennelijke doel een goed dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Afdeling 5 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2.5.1Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij Algemene Maatregel van Bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2.5.2Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door de burgemeester gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3.Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel2.5.3Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder 1, bedoelde adressen; dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. de burgemeester op een eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel2.5.4Heling op straat Vervallen Afdeling 6 Vuurwerk Artikel2.6.1Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: vuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik; carbid schieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumcarbide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. Artikel2.6.2Verbod consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden verboden om consumentenvuurwerk tot ontbranding te brengen. 2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2.6.3Carbid schieten 1.Het is verboden om carbid te schieten. 2.Het college kan onder voorwaarden zoals opgenomen in het derde lid van dit artikel ontheffing verlenen voor het in het eerste lid gestelde verbod op 31 december tussen 10.00 uur en 16.00 uur, buiten de bebouwde kom en voor zover het niet leidt tot overlast voor milieu, mens en dier. 3.Carbidschieten is alleen toegestaan voor zover: het carbid schieten gebeurt door een persoon van 18 jaar of ouder, die niet verkeert onder invloed van alcohol of drugs; teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht op het carbid schieten wordt gehouden door ten minste één persoon van tenminste 18 jaar oud, die niet verkeert onder invloed van alcohol of drugs; gebruik wordt gemaakt van (melk)bussen of andere cilindervormige voorwerpen met een maximum inhoud van 50 liter; de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn verankerd, dat terugslag wordt voorkomen; er gebruik wordt gemaakt van een zacht voorwerp (bijvoorbeeld een kunststof of een leren bal) als afdichting van de bus; het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is dat daardoor geen schade aan mens, dier of goed kan worden veroorzaakt; de plek waar het carbid schieten plaatsvindt, gelegen is op een afstand van tenminste 100 meter van gebouwen van derden; geschoten wordt in een richting die tegengesteld is aan de richting waarin zich dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen; het vrij schootsveld tenminste 75 meter bedraagt en daarin geen verharde openbare wegen of paden liggen; het terrein van waaraf wordt geschoten met touwen, linten of anderszins zodanig is afgezet dat toeschouwers niet in de nabijheid van de schietopstelling en het schootsveld kunnen komen; op het schietterrein voldoende blusmiddelen aanwezig zijn in de vorm van droog zand; het publiek zich op een minimale afstand van 25 meter van de schietopstelling bevindt. Afdeling 7 Bestuurlijke ophouding Artikel2.7.1 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in de navolgende artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2.1.1.1, eerste tot en met derde lid; artikel 2.1.5.1, eerste en derde lid; artikel 2.1.5.2, eerste lid; artikel 2.1.6.4; artikel 2.1.6.7, eerste lid; artikel 2.1.6.7a, eerste lid; artikel 2.1.6.10, eerste lid; artikel 2.2.3, eerste tot en met derde lid; artikel 2.4.2, eerste lid; artikel 2.4.8, eerste lid; artikel 2.4.10, eerste lid; artikel 2.4.10a, eerste lid; artikel 2.4.11, eerste lid; artikel 2.4.12, eerste en tweede lid; artikel 2.4.13; artikel 2.6.2, eerste en tweede lid; artikel 5.5.1, eerste lid; of artikel 5.7.3, eerste tot en met derde lid. Afdeling 8 Preventief fouilleren Artikel2.8.1 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Afdeling 9 Cameratoezicht Artikel2.9.1 Cameratoezicht 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen voor zover het parkeerterreinen en stadions betreft. Hoofdstuk3Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling 1 Begripsomschrijvingen en nadere regels Artikel3.1.1Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2; andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel3.1.2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3.1.3Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d. Artikel3.2.1Seksinrichtingen 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. 2.In de aanvraag om vergunning en de vergunning wordt in ieder geval vermeld: door welke persoon de seksinrichting of het escortbedrijf zal worden geëxploiteerd; door welke perso(o)n(
- en)de seksinrichting of escortbedrijf zal worden beheerd; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; het aantal werkplekken in de seksinrichting; het aantal werkzame prostituees; de plaatselijke en kadastrale ligging van de seksinrichting door middel van een situatietekening met een schaal van ten minste 1:100; de plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening met een schaal van ten minste 1:100; bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting of het escortbedrijf. 3.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel3.2.2Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant of de beheerder niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 179, 180, 197 a, 197b, 197c, 240b, 242 tot en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jº artikel 8 of jº artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet particuliere beveiligingsodrganisaties en recherchebureaus; artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; en bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning gerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning gerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel3.2.3Sluitingsuur 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met donderdag tussen 01:00 en 09:00 uur; op vrijdag, zaterdag en zondag tussen 02:00 en 09:00 uur. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.3 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van de seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid, gesloten dient te zijn. 4.Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Omgevingswet gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Artikel3.2.4Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting 1.Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegde bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegde bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel3.2.5Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; en geen minderjarige prostituees aanwezig zijn. Artikel3.2.6Straatprostitutie 1.Het is verboden zich op of aan de weg te presenteren als prostituee en/of als zodanig diensten aan te bieden, dan wel van deze diensten gebruik te maken of daartoe contact te leggen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op of aan door het college aangewezen wegen of gebieden, gedurende door het college vastgestelde tijden mits degene die zich als prostituee presenteert en/of als zodanig diensten aanbiedt, beschikt over een vergunning van het daartoe bevoegd bestuursorgaan. 3.De vergunning wordt ten name van de prostituee gesteld. 4.De vergunning als bedoeld in het tweede lid wordt geweigerd indien: de prostituee op de datum van aanvraag de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt; of door vergunningverlening in strijd wordt gehandeld met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 5.De vergunning als bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leef- klimaat; in het belang van de veiligheid van personen of goederen; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid. 6.Het bevoegde gezag kan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.6, tweede lid, intrekken indien: blijkt dat de vergunning is verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige op gave; indien door gebruikmaking van de vergunning de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast. 7.Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden op of aan de op grond van het tweede lid door het college aangewezen wegen of gebieden, dan wel deze te verontreinigen. 8.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel3.2.6aBevel tot verwijdering 1.Met het oog op de naleving van het in artikel 3.2.6, eerste lid, gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 2.Met het oog op de in artikel 3.2.6, vijfde lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gebieden als bedoeld in artikel 3.2.6, tweede lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 3.De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.2.6, vijfde lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het eerste lid bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan bij dit besluit aan te wijzen wegen of gebieden. De burgemeester beperkt het verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk is. 4.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het derde lid. Artikel3.2.7Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel3.2.8Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegde bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Afdeling 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden en intrekkingsgronden Artikel3.3.1Beslissingstermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3.3.2Weigeringsgronden 1.De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan; de exploitant geen gebruiksmelding heeft gedaan als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving of - indien de seksinrichting geen bouwwerk is als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet - de seksinrichting niet voldoet aan de eisen die gesteld worden in het Besluit Brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2.De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling als bedoeld in artikel 3.2.6, tweede lid, kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; in het belang van de veiligheid van personen of goederen; in het belang van de verkeersvrijheid of – veiligheid; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Artikel3.3.3Intrekkingsgronden 1.Het bevoegde gezag trekt de vergunning in, indien: blijkt dat de vergunning is verleend ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave; door de wijze van exploitatie de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; de exploitant of beheerder bij rechterlijke uitspraak is veroordeeld voor een strafbaar feit als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (vrijheidsberoving), XIX (moord en doodslag), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet of in de Wet Wapens en munitie; de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt. 2.Het bevoegde gezag kan de vergunning intrekken indien: naar zijn oordeel de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven, zodanig zijn gewijzigd dan wel de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf op een zodanige wijze plaatsvindt, dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; er gehandeld wordt in strijd met artikel 3.2.5, eerste of tweede lid; er sprake is van een gewijzigde exploitatie waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd. Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel3.4.1Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1, tweede lid, onder a, op de vergunning vermelde exploitant de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan. 3.De rechtsopvolger van de exploitant die binnen een week nadat overeenkomstig het tweede lid kennisgeving is gedaan een aanvraag om vergunning heeft ingediend als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, mag de exploitatie van de inrichting voortzetten met inachtneming van de aan de vervallen vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, totdat over de aanvraag om vergunning is besloten. Artikel3.4.2Wijziging beheer 1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan. 2.Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. Afdeling 5 Overgangsbepaling Artikel3.5.1 Bijzondere overgangsbepaling voor bestaande exploitanten Bij de beoordeling van een aanvraag van een exploitant om vergunning voor een seksinrichting ten aanzien waarvan voor 1 november 2000 door hem een eerste aanvraag voor een vergunning is ingediend waarop positief werd beslist en welke inrichting door hem ten minste vanaf 1 april 1999 onafgebroken geëxploiteerd is, is: het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, onder a, alleen van toepassing indien de exploitant of beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor delicten die na 1 april 1999 zijn gepleegd; het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, onder b, niet van toepassing; het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, onder c, niet van toepassing indien een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 van de Bouwverordening is ingediend voor de seksinrichting, totdat op de aanvraag door het bevoegde bestuursorgaan een besluit is genomen. Hoofdstuk4Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijke aanzien van de gemeente Afdeling 1 Geluidhinder Artikel4.1.1Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; inrichting: een inrichting type A en B als bedoeld in het Besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een openbare inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Besluit; incidentele festiviteit: festiviteit als bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, onder b van het Besluit. Artikel4.1.1aHorecaconcentratiegebied Als concentratiegebied voor inrichtingen als bedoeld in artikel 2.19 en 2.19a van het Besluit wordt aangewezen het in artikel 2.3.1.15, zesde lid, van deze verordening aangegeven gebied. Artikel4.1.2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De waarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet op ten hoogste zes, nader door de burgemeester ten behoeve van collectieve festiviteiten aan te wijzen dagen of dagdelen per kalenderjaar. 2.In deze aanwijzing kan door de burgemeester worden bepaald dat de artikelen 2.17, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet gelden in de gehele gemeente of in een of meer delen daarvan. De bedoelde beperking van zes dagen of dagdelen per kalenderjaar geldt voor elk deel van de gemeente afzonderlijk. 3.De burgemeester publiceert ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar in één of meer huis-aan-huisbladen welke dagen of dagdelen binnen de gemeente of binnen een deel van de gemeente worden aangemerkt als dagen of dagdelen in het nieuwe kalenderjaar waarop collectieve festiviteiten plaatsvinden. 4.De burgemeester kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond een festiviteit aanwijzen als collectieve festiviteit. Artikel4.1.3Incidentele festiviteiten 1.Het is de houder van een openbare inrichting toegestaan maximaal één incidentele festiviteit in zijn openbare inrichting per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits het voornemen hiertoe één week van tevoren schriftelijk aan de burgemeester wordt gemeld. 2.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel4.1.4Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien: gehandeld wordt in afwijking van het bepaalde in artikel 4.1.3; de houder van de openbare inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder te voorkomen; de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft, omdat naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed. Artikel4.1.5Geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het verbod is niet van toepassing: op toestellen die worden gebruikt ten behoeve van bouw-, sloop- en/of onderhoudswerkzaamheden, met dien verstande dat wordt voldaan aan de navolgende geluidsniveaus op de daarbij genoemde tijdstippen: 07 – 19 uur: 65 dB(A) voor een maximale aaneengesloten periode van een maand; 07 - 19 uur: 60 dB(A) voor een maximale aaneengesloten periode langer dan een maand; 19 – 23 uur: 55 dB(A) voor een maximale aaneengesloten periode van een maand; 19 – 23 uur: 50 dB(A) voor een maximale aaneengesloten periode langer dan een maand; gemeten op een afstand van twee meter van de gevel van de woning. op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. 3.Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel4.1.6Routering Het is verboden met een vrachtauto, als bedoeld in artikel 1, onder ao, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2 meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een door het college bij openbaar bekend te maken besluit aangewezen weg te rijden. Afdeling 2 Afvalstoffen Paragraaf 1 Algemene bepalingen Artikel4.2.1.1Begripsomschrijvingen In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder perceel: perceel waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Artikel4.2.1.2Doelstelling De toepassing van deze afdeling is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen. Paragraaf 2 Huishoudelijke afvalstoffen Artikel4.2.2.1Aanwijzing inzameldienst 1.Burgemeester en wethouders wijzen de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2.Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissing) is niet van toepassing. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel4.2.2.2Regulering van andere inzamelaars 1.Het is anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: daartoe is aangewezen door burgemeester en wethouders; verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals de wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 2.Op de aanwijzing van een inzamelaar, bedoeld in het eerste lid, onder a, is artikel 4.2.2.1, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel4.2.2.3Aanwijzing van inzamelplaats Burgemeester en wethouders dragen zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel4.2.2.4Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 4.2.2.2, eerste lid; over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 4.2.2.2, eerste lid; of achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 4.2.2.3. Artikel4.2.2.5Afvalscheiding 1.Burgemeester en wethouders stellen regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2.In ieder geval de volgende bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: groente-, fruit- en tuinafval; papier en karton; glas; textiel; plastic verpakkingsmateriaal, metalen verpakkingen en drankenkartons; grof huishoudelijk restafval; afgedankte elektrische of elektronische apparatuur; herbruikbaar huisraad; klein chemisch afval; grof tuinafval. 3.In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kunnen burgemeester en wethouders de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan, achterwege laten. Artikel4.2.2.6Gescheiden aanbieding 1.Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 4.2.2.5, anders dan afzonderlijk: ter inzameling aan te bieden; achter te laten op een inzamelplaats, bedoeld in artikel 4.2.2.3. 2.Burgemeester en