Artikelen 2.3 en 2.4: in deze bepalingen is de zogenaamde 'draaideur constructie' geregeld. In artikel 2.3 gedurende één jaar na aftreden de uitsluiting van betaalde werkzaamheden ten behoeve van de gemeente en in artikel 2.4 de uitsluiting van benoeming als commissaris of bestuurslid van een 'verbonden partij', ofwel, kort samengevat, van een organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk en financieel belang heeft. Hiermee wordt mogelijke vriendjespolitiek voorkomen en het risico op verstrengeling van persoonlijke en functionele belangen vermeden. Het begrip 'verbonden partij' is ontleend aan het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Daarin staat dat een verbonden partij een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie is waarin de provincie of gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft. Een financieel belang wordt gedefinieerd als een aan de betrokken organisatie ter beschikking gesteld bedrag dat niet verhaalbaar is indien die organisatie failliet gaat, onderscheidenlijk het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat, indien de organisatie haar verplichtingen niet nakomt. En onder bestuurlijk belang wordt verstaan: zeggenschap, hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur hetzij uit hoofde van stemrecht. Aanvaarding van een dienstbetrekking bij de voormalige gemeente, is niet uitgesloten. Dat kan van belang zijn in het kader van de re-integratie van de voormalige bestuurder en ter voorkoming van uitkeringslasten voor de gemeente. Uiteraard dienen daarbij de regels van werving en selectie en aanstelling te gelden die er voor iedereen zijn die bij de gemeente gaat solliciteren. De draaideurconstructie geldt natuurlijk niet bij aanvaarding van het raadslidmaatschap. Het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, (vooruitlopen op een nieuwe functie na aftreden) geldt uiteraard evenzeer voor een functie bij de voormalige gemeente. Paragraaf 3: Informatie Wettelijk kader -Informatieplicht (artikel 169 Gemeentewet en artikel 24, zesde lid van de Verordening op de bestuurscommissies): het dagelijks bestuur en elk van zijn leden is verplicht alle inlichtingen te geven die het algemeen bestuur, en in het verlengde daarvan het college en de raad, nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het betreft zowel een actieve als een passieve informatieplicht. Ook als individuele leden informatie vragen zal die informatie moeten worden verstrekt. De informatie kan alleen worden geweigerd als die in strijd is met het openbaar belang. Het Reglement van Orde voor de bestuurscommissie kan bepalingen bevatten die betrekking hebben op informatieverstrekking en de omgang met informatie. -Geheimhouding (artikel 25, 55 en 86 van de Gemeentewet en artikel 2:5 Algemene wet bestuursrecht): een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit (artikel2:5 Algemene wet bestuursrecht). Het college en de raad kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, geheimhouding opleggen. Ook de burgemeester onderscheidenlijk (de voorzitter van) een (bestuurs)commissie kan geheimhouding opleggen (artikelen 25, 55 en 86 Gemeentewet). Het schenden van de geheimhoudingsplicht is een misdrijf (artikel 272 Wetboek van Strafrecht).
.1: het is belangrijk de juiste maatregelen te treffen om te voorkomen dat onbevoegden vertrouwelijke en/of geheime gegevens kunnen bezitten, raadplegen of beschadigen. Daarbij moet in de digitale setting worden gedacht aan de beveiliging van de computer, smartphones e.d. met wachtwoorden en het niet onbeheerd achter laten van USB-sticks met vertrouwelijke/geheime informatie. Paragraaf 4: Omgang met geschenken en uitnodigingen Wettelijk kader -Afleggen eed of belofte (artikel 41a en 65 Gemeentewet en artikel 8 van de Verordening op de bestuurscommissies): de eed of belofte die het lid van het dagelijks bestuur moet afleggen heeft onder meer betrekking op het geven, aannemen of beloven van giften, gunsten of geschenken. Zie voor de wetstekst inzake de eed of belofte het wettelijk kader onder paragraaf 2 voor de bepalingen ter voorkoming van belangenverstrengeling.
.1: in de gedragscode is uitgangspunt dat geschenken, faciliteiten en diensten niet worden geaccepteerd als hiermee de onafhankelijke positie van het lid van het dagelijks bestuur kan worden beïnvloed. Dat is in ieder geval aan de orde in onderhandelingssituaties. Is daarvan geen sprake dan kunnen om praktische redenen incidentele kleine geschenken (met een geschatte waarde van € 50 of minder) door het lid van het dagelijks bestuur worden aanvaard, echter nooit op het huisadres. Duurdere geschenken worden niet aanvaard. Zij worden teruggestuurd of eigendom van de gemeente, die zorgt voor een goede bestemming van het geschenk. In een openbaar register wordt opgenomen welke geschenken van meer dan € 50 de gemeente heeft aanvaard en welke bestemming daaraan is gegeven. -Artikel 4.2: De uitnodiging moet betrekking hebben op de functie. Dit geldt ook als het gaat om werkbezoeken. -Artikel 4.3: het gaat hier om uitnodigingen voor excursies en evenementen die betrokkene als lid van het dagelijks bestuur aanvaardt. Excursies en evenementen in de hoedanigheid van lid van een politieke partij vallen hier dus niet onder. Bij de artikelen 4.2 en 4.3 dienen eveneens als afwegingskader de motieven van de uitnodigende partij beoordeeld te worden. Het kan en mag er niet om gaan de onafhankelijke positie van de leden van het dagelijks bestuur te beïnvloeden. Paragraaf 5: Gebruik van voorzieningen van de gemeente Wettelijk kader -Geen andere inkomsten (artikel 99 van de Gemeentewet): de leden van het dagelijks bestuur genieten geen andere vergoedingen ten laste van de gemeente dan die bij of krachtens wet toegestaan zijn. -Procedure van declaratie: er zijn voor de leden van het dagelijks bestuur voorschriften opgenomen in de gemeentelijke Verordening voorzieningen bestuurscommissieleden over de wijze van declaratie (inclusief het overleggen van bewijsstukken) van vooruit betaalde (zakelijke) kosten en over rechtstreekse facturering van (zakelijke) kosten. -Buitenlands werkbezoek: er zijn richtlijnen voor buitenlandse werkbezoeken vastgesteld. Op grond van die richtlijnen dient het college toestemming voor een buitenlands werkbezoek te verlenen. Als de excursie of reis in het belang van de gemeente is gemaakt, worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reis- en verblijfskosten vergoed. Het college kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.
.1: aan de leden van het dagelijks bestuur worden rechtspositionele voorzieningen, vergoedingen en andere verstrekkingen geboden die een goed functioneren van de leden van het dagelijks bestuur mogelijk maken. Uitgangspunt daarbij is dat deze in beginsel in bruikleen ter beschikking worden gesteld. Indien een voorziening of verstrekking niet in bruikleen ter beschikking kan worden gesteld, wordt de factuur direct ten laste van de begroting van het bestuursorgaan betaald, het vergoeden van voorzieningen en verstrekkingen achteraf door het indienen van declaraties, wordt tot een minimum beperkt. Voorzieningen, verstrekkingen en declaraties worden openbaar gemaakt op internet. Inzet is hier dat zo weinig mogelijk uitgaven door het lid van het dagelijks bestuur zelf worden gedaan via zijn of haar privérekening. Geldstromen tussen de rekening van het bestuursorgaan en de persoonlijke rekening van het lid van het dagelijks bestuur maken een zwaardere controle op de uitgaven noodzakelijk. Het lid van het dagelijks bestuur zal zich uiteraard nauwgezet moeten houden aan de regels en procedures die er met het oog hierop voor hem of haar gelden. -Artikel 5.2:uitgangspunt is dat de leden van het dagelijks bestuur geen buitenlandse werkbezoeken afleggen. Ook niet naar Brussel, Straatsburg of een ééndaagse reis naar een andere bestemming binnen Europa. In artikel 5.3 staat dat van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als het college van oordeel is dat dit in het belang van de gemeente is. Het college moet dan vooraf met het buitenlandse werkbezoek instemmen. De beoordeling van de noodzaak van de buitenlandse dienstreis ligt dus ook voor het dagelijks bestuur bij het college. Verder moet bij buitenlandse werkbezoeken eigen verantwoordelijkheid, transparantie en bereidheid om verantwoording af te leggen voorop staan. Uit de richtlijnen volgt daarnaast dat het moet gaan om een bezoek in verband met het verrichten van werkzaamheden voor de gemeente of het bijwonen van een congres buiten Nederland. Buitenlandse reizen die worden gemaakt ten behoeve van de politieke partij zijn geen 'dienstreizen' en vallen hier niet onder. -Artikel 5.5: stelregel is dat privégebruik van gemeentelijke voorzieningen niet is toegestaan, tenzij daarvoor in of op grond van de Verordening voorzieningen bestuurscommissieleden een regeling voor is getroffen. Paragraaf 6: Uitvoering gedragscode
.1: de gemeenteraad is het hoogste bestuursorgaan en als zodanig verantwoordelijk voor de inhoud van de gedragscode, voor een voor een eenduidige interpretatie daarvan en voor wijziging/aanvulling daarvan bij onduidelijkheden of leemtes. -Artikel 6.2: de Gemeentewet verplicht de gemeenteraad om voor zichzelf en voor de leden van het college een gedragscode vast te stellen. In het verlengde daarvan wordt het ook wenselijk geacht dat door de gemeenteraad een gedragscode voor de leden van het algemeen en dagelijks bestuur van de bestuurscommissies wordt vastgesteld. Aanvullend op de wettelijke regels die gelden voor politieke ambtsdragers, bevat de gedragscode een aantal materiële normen waaraan de politieke ambtsdragers zich committeren. De voorzitter krijgt de taak om de bestuurlijke integriteit van zijn of haar stadsdeel te bevorderen. Belangrijk onderdeel daarbij is de preventie: ervoor te zorgen dat integriteit en integriteitsbewustzijn in de bestuurlijke gremia een plek krijgen en daarbij afspraken te maken over een regelmatige bespreking van het thema integriteit binnen de bestuurscommissie. De voorzitter hoeft hier niet alleen voor te staan. Een daartoe aangewezen contactpersoon of vertrouwenspersoon kan hier eveneens een belangrijke rol in spelen. In dat verband zullen ook nadere afspraken worden gemaakt over de werkwijze die wordt gevolgd ingeval zich een incident of een vermoeden van een integriteitsschending voordoet. Dat geeft houvast en rust op het moment dat er gehandeld dient te worden.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.