Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. bijzondere subsidieverordening: verordening waarin voor de activiteiten die daarin worden vermeld geheel of ten dele van deze verordening afwijkende of aanvullende regels zijn opgenomen; b. college: college van burgemeester en wethouders; c. eenmalige subsidie: subsidie ten behoeve van activiteiten van de aanvrager waarvoor het college slechts voor een bepaalde tijd subsidie wil verstrekken; d. nadere regels: regeling waarin het college nader invulling geeft aan wat in deze verordening is geregeld; e. raad: gemeenteraad; f. periodieke subsidie: subsidie die per boekjaar aan een aanvrager wordt verstrekt of voor een aantal boekjaren met een maximum van vier jaar. Artikel
De raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de begroting besluiten tot het instellen van subsidieplafonds.
Subsidieplafond In de Awb zijn in de artikelen 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste bepalingen rondom het werken met een ‘subsidieplafond' gegeven. Een subsidieplafond moet potentiële aanvragers duidelijkheid bieden hoeveel geld er voor een bepaalde subsidieregeling beschikbaar is. Uit het oogpunt van rechtszekerheid verlangt de Awb dat het subsidieplafond tijdig bekend wordt gemaakt. In artikel 4:27 Awb is geregeld dat het subsidieplafond bekend moet worden gemaakt vóór de periode ingaat waarop het betrekking heeft. Als het subsidieplafond tijdig bekend is gemaakt, dan kunnen subsidieaanvragen zonder nadere motivering worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is (artikel 4:25, tweede lid). Als het subsidieplafond niet tijdig bekend is gemaakt, dan heeft het subsidieplafond geen gevolgen voor de aanvragen die vóór de bekendmaking zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid). Met gebruikmaking van artikel 4:28 Awb kan hierop een uitzondering worden gemaakt als is voldaan aan drie voorwaarden. De aanvragen voor het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld ingevolge wettelijk voorschrift moeten worden ingediend op een tijdstip waarop de begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd; het een verlaging betreft die voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de begroting en bij de bekendmaking van een subsidieplafond is gewezen op de mogelijkheid dat deze kan worden verlaagd als gevolg van de vaststelling of goedkeuring van de begroting. Aangezien de begroting veelal wordt vastgesteld in november of december en de aanvragen voor de periodieke subsidies al vóór die datum moeten worden ingediend, verdient het aanbeveling om subsidieplafonds al in een eerder stadium vast te stellen. Om die reden biedt de ASA zowel de gemeenteraad als het college de mogelijkheid om een subsidieplafond vast te stellen. In het eerste lid van artikel 4 is bepaald dat de gemeenteraad bevoegd is om bij de vaststelling van de begroting subsidieplafonds vast te stellen. Daarnaast maakt het tweede lid het mogelijk dat ook het college een subsidieplafond voor een bepaalde te subsidiëren activiteit vaststelt. Dit met inachtneming van de posten op de (concept-) begroting. Belangrijk is de wettelijke verplichting geregeld in artikel 4:26 Awb om de wijze van verdeling van de beschikbare bedragen bij of krachtens wettelijk voorschrift te regelen. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond moet de wijze van verdeling worden vermeld. De meest eenvoudige vorm is een verdeelmechanisme op volgorde van binnenkomst, waarbij de aanvragen in volgorde van binnenkomst worden behandeld (zie ook art. 7 ASA). Een andere vorm is een tendersysteem, waarbij het beschikbare budget wordt verdeeld over de complete aanvragen door middel van een onderlinge vergelijking van de aanvragen waaruit de beste aanvragen voor subsidie in aanmerking komen. Van belang bij dit systeem is dat helder is voor de aanvrager op basis van welke criteria de aanvragen worden getoetst en in rangorde worden gezet, bijvoorbeeld dat aanvragen worden beoordeeld op basis van de criteria ‘ de bijdrage aan stedelijke subsidiedoelstellingen en de prijs-kwaliteitverhouding' en dat rangschikking geschiedt met behulp van een puntentelling. De bevoegdheid tot het stellen van nadere regels op basis van artikel 3 ASA biedt hiervoor een goede mogelijkheid. Hoofdstuk 3 Aanvraag van de subsidie Artikel 5 Bij de aanvraag in te dienen gegevens In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan. Met ‘schriftelijk' is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven'. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het college het door hem vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft gesteld. Het subsidieproces begint met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in afdeling 4.1.1 van de Awb. In het tweede lid van artikel 5 is bepaald welke gegevens de aanvrager moet overleggen bij zijn subsidieaanvraag. Deze gegevens zijn nodig om de aanvraag te kunnen beoordelen. Zo wordt onder andere om een begroting gevraagd waarin ook een overzicht is opgenomen van de geraamde inkomsten en uitgaven. Onderdeel daarvan is dat ook opgave wordt gedaan van de bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies, onder vermelding van de stand van zaken daarvan. De bevoegdheid van het college om ter zake nadere regels vast te stellen, is geregeld in artikel 3 ASA. Zo kan het college bijvoorbeeld bepalen dat voor sommige categorieën subsidies, zoals kleine subsidies, waaraan geen uitgebreide verantwoordingseisen worden gesteld, met minder dan de standaard te overleggen gegevens bij een subsidieaanvraag kan worden volstaan. Het derde en het vierde lid bevatten uitzonderingen op de eisen die in het tweede lid worden gesteld. Artikel 6 Aanvraagtermijn periodieke subsidie In dit artikel wordt aangegeven dat een aanvraag voor een periodieke subsidie vóór 1 oktober bij het college moet zijn ingediend. Deze datum hangt nauw samen met het voorbereidingsproces van de begroting voor het volgende jaar. Voor het geval dat het boekjaar voor een bepaald beleidsterrein niet gelijk loopt aan het kalenderjaar is voorzien in de mogelijkheid om in een bijzondere subsidieverordening of in nadere regels een andere datum op te nemen. Zoals in de toelichting op artikel 1 onder f is aangegeven is het uitgangspunt dat het boekjaar zoveel mogelijk gelijk loopt met het kalenderjaar. De aanvraagtermijn voor een eenmalige subsidie is niet geregeld omdat deze wisselend kan zijn, afhankelijk van de regeling waarop ze berust. Artikel 7 Volgorde behandeling aanvragen Er zijn verschillende wijzen waarop subsidieaanvragen kunnen worden behandeld. Een veel voorkomende staat vermeld in het eerste lid, namelijk op volgorde van binnenkomst volgens het bekende principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt'. Tegenwoordig worden subsidieaanvragen echter ook vaak behandeld via het tenderprincipe, waarbij door middel van een onderlinge vergelijking van de aanvragen een keuze wordt gemaakt. De aanvragen die het beste bij het doel van de regeling aansluiten komen dan voor de subsidie in aanmerking (zie ook de toelichting bij artikel 4). Als aan een tenderprincipe behoefte bestaat, dan biedt artikel 3 ASA een grondslag om dit in nadere regels vast te leggen. Artikel 8 Beslistermijn Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een subsidieaanvraag. De Awb bevat geen strikte beslistermijnen voor een subsidieaanvraag. Deze termijnen zijn dan ook in de ASA opgenomen. Op een aanvraag voor een periodieke subsidie wordt vóór 1 januari beslist. Bij het aanvragen van een eenmalige subsidie wordt een termijn van acht weken redelijk geacht, zeker nu deze nog met een periode van vier weken kan worden verlengd in gevallen waarin de beoordeling meer tijd vraagt. Evenals bij artikel 6 wordt de mogelijkheid geopend een andere datum in een bijzondere subsidieverordening of in nadere regels op te nemen. Van de termijnen die in artikel 8 worden genoemd, kan in een bijzondere subsidieverordening worden afgeweken, bijvoorbeeld in verband met de bijzondere aard van de subsidie of te verwachten complexe aanvragen waarvoor meer tijd nodig is om te kunnen beoordelen. Ook het college kan een andere termijn stellen met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 3 ASA om nadere regels vast te stellen. Hoofdstuk 4 Weigering van de subsidie Artikel 9 Weigeringsgronden De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 Awb, worden hier met nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden gronden aangevuld. Het eerste lid bevat twee imperatieve weigeringsgronden, in het tweede lid wordt het college enige vrijheid geboden om een aanvraag op basis van de daarin genoemde gronden al dan niet (gedeeltelijk) te honoreren. De weigeringsgrond in het eerste lid onder a geeft aan dat het vaststellen van een tijdstip waarop een aanvraag uiterlijk moet zijn ingediend geen ruimte laat om na dat tijdstip alsnog een aanvraag te kunnen indienen. De weigeringsgrond onder b ziet op de situatie dat op de begroting geen gelden voor een activiteit zijn gereserveerd. In dat verband wordt opgemerkt dat op grond van de Awb ook het bereiken van het subsidieplafond een weigeringsgrond vormt. Als het plafond is bereikt, wordt de aanvraag dus eveneens afgewezen. De in het tweede lid opgenomen facultatieve weigeringsgronden richten zich in de eerste plaats op de situatie dat de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor de subsidie zoals die in de ASA of nadere regels zijn gesteld (a). Daarnaast kan de subsidie worden geweigerd als twijfel bestaat over het doel van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd (b en c). De weigeringsgrond onder c biedt bovendien de mogelijkheid om de subsidie te weigeren als de aanvrager handelingen verricht die in strijd zijn met het recht, het algemeen belang of de openbare orde. Onder strijd met het recht wordt daarbij niet alleen strijd met de Grondwet, wetten in formele zin en lagere regelgeving bedoeld, maar ook strijd met het recht van de Europese Unie, een ieder verbindende verdragsbepalingen en algemene rechtsbeginselen. De weigeringsgrond biedt dus bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om de subsidie te weigeren als de aanvrager de Algemene wet gelijke behandeling niet naleeft en functies alleen openstelt voor mensen met een bepaalde religieuze, culturele of andersoortige achtergrond of zich in verband met de subsidie schuldig maakt aan het bedreigen of intimideren van portefeuillehouders en ambtenaren. Verder kan de subsidie worden geweigerd als twijfel bestaat of de aanvrager de subsidie wel nodig heeft (d) dan wel twijfel of de subsidie zal worden besteed waarvoor deze is bedoeld (e en f). De onderdelen g en h tenslotte bevatten twee bijzondere weigeringsgronden. Bij de weigeringsgrond onder g is niet van belang of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat hierbij louter om de persoon dan wel rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob geen subsidie wenst te verlenen. Lid h tenslotte beoogt om de subsidiegever zich ervan te laten vergewissen dat het verlenen van de gevraagde subsidie niet leidt tot ongeoorloofde staatssteun. Hoofdstuk 5 Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 10 Algemene verplichtingen De Awb regelt in de artikelen 4:37 en 4:38 de standaardverplichtingen respectievelijk overige doelgebonden verplichtingen. De standaardverplichtingen zijn in de wet niet limitatief opgesomd; de overige doelgebonden verplichtingen worden ofwel bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegd ofwel -als geen sprake is van een subsidie die op een wettelijk voorschrift berust- bij de subsidieverlening. Artikel 10 bevat in aanvulling op de bepalingen van de Awb een aantal verplichtingen waaraan iedere subsidieontvanger, voor zover op hem van toepassing, moet voldoen. In bijzondere subsidieverordeningen en bij het verlenen van de subsidie kunnen nog aanvullende verplichtingen worden opgenomen, die verband houden met het doel van de subsidie. De subsidieontvanger is verplicht zo spoedig mogelijk (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden bij de gemeente dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente over het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het vertrouwen dat hem gegeven is. Het tweede lid geeft aan dat de verantwoording over de besteding van verstrekte subsidiegelden is te vinden in een openbaar register. Daarin wordt opgenomen, behalve de verantwoording waartoe middelgrote en grote subsidieontvangers zijn verplicht op grond van de Algemene wet bestuursrecht en deze verordening, ook de schriftelijk verantwoording waartoe kleine subsidieontvangers kunnen worden verplicht. Of dit laatste het geval is zal doorgaans blijken uit de verplichtingen die aan de subsidiebeschikking zijn verbonden (zie ook de toelichting bij artikel 13). Artikel 11 Aanvullende verplichtingen Artikel 4:39 Awb maakt het mogelijk ook niet-doelgebonden verplichtingen bij een subsidieverlening op te leggen. Dit is alleen mogelijk voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Volgens het wetsartikel kunnen deze verplichtingen alleen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. De in artikel 11 ASA opgenomen bijzondere verplichtingen voldoen aan dit criterium en vormen de weerslag van politieke wensen ter zake. Evenals bij het vorige artikel het geval is, moet iedere subsidieontvanger aan deze verplichtingen voldoen voor zover de bijzondere verplichting op zijn activiteit van toepassing is. In een bijzondere subsidieverordening kunnen nog eventueel aanvullende niet-doelgebonden verplichtingen worden opgenomen. Artikel 12 Voorafgaande toestemming handelingen subsidieontvanger Bij subsidies hoger dan € 50.000 is vooraf toestemming van het college nodig voor het mogen verrichten van een aantal privaatrechtelijke handelingen dat in art. 4:71 Awb staat omschreven. Het wetsartikel bepaalt dat deze toestemming nodig is als dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Gekozen is hier voor het opnemen van een artikel in de ASA zodat deze toestemming altijd nodig is bij grote subsidies. Hoofdstuk 6 Verantwoording en vaststelling van de subsidie Artikel 13 Verantwoording subsidies tot en met € 5.000 Kenmerkend voor subsidies tot en met € 5.000 is dat een vast bedrag (lump sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Als bij de beschikking de verplichting is opgelegd om een inhoudelijk verslag te maken over de gesubsidieerde activiteit dan wordt dit verslag in het openbaar register geplaatst als bedoeld in artikel 10, tweede lid. Daarnaast is het denkbaar dat bij bepaalde subsidies op basis van een voorafgaande risicoanalyse een meer gerichte controle plaatsvindt en dat hiertoe nadere verplichtingen worden opgenomen in de beschikking. Artikel 14 Verantwoording subsidies vanaf € 5.000 tot en met € 50.000 In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Artikel 4:37 Awb bepaalt dat de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt kan worden door het opleggen van verplichtingen terzake. Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd en dat moet worden ingegaan op de mate waarin de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd. Dit volgt ook uit het eerste lid van artikel 4:45 Awb. Daar is geregeld dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling moet worden aangetoond dat de activiteiten hebben plaatsgevonden en dat dit ook volgens de aan de subsidie verbonden verplichtingen is gebeurd. Verder is bepaald dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling rekening en verantwoording moet worden afgelegd over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten. Daarbij is van belang dat vooraf al door de subsidieverstrekker moet zijn aangegeven op welke manieren dit kan plaatsvinden. Er kunnen verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie) enz. Met toepassing van artikel 3 ASA kan het college bepalen dat bepaalde categorieën van subsidies, dan wel subsidieontvangers, niet tot verantwoording van de aan hen verleende subsidie hoeven over te gaan. Te denken valt daarbij aan subsidies van een beperkte omvang of subsidies, die aan een bekende ontvanger worden verstrekt dan wel subsidies die voor een doel worden aangewend, dat nadere verantwoording van de besteding van het geld overbodig maakt. Bij dit laatste kan worden gedacht aan de huurkosten van een gebouw. De verantwoorde besteding van de subsidie blijkt dan immers al uit het feit, dat het betreffende gebouw in gebruik is bij de subsidieontvanger. Verder biedt artikel 3 van de ASA het college de mogelijkheid om nadere regels vast te stellen over de gegevens en stukken die bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie moeten worden verstrekt. Denkbaar is dat het college bepaalt dat het voor de verantwoording van een subsidie genoegen neemt met stukken en bewijzen die in het kader van de bedrijfsvoering van de subsidieontvanger al worden opgesteld. Te denken valt aan de verslagen, die rechtspersonen al dienen op te stellen en die naar gelang van de hoedanigheid van de betreffende rechtspersoon verschillen. Waar het om gaat, is te voorkomen dat subsidieontvangers speciale stukken met andere verantwoordingsmethoden moeten opstellen dan zij gebruikelijk al doen. Zo kan uit een algemeen jaarverslag genoegzaam blijken, dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel, waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voor kleinere subsidies is er de mogelijkheid om andere bewijsmiddelen te verlangen dan de gebruikelijke. Zo zou in het geval van subsidie voor een speeltoestel kunnen worden volstaan met het opsturen van een foto daarvan of iets dergelijks. Artikel 15 Verantwoording subsidies vanaf € 50.000 Op grond van het eerste en het derde lid moet een aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 50.000,- binnen twaalf weken na afloop van het boekjaar worden ingediend. Daarbij wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies, namelijk op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Als gevolg van het van toepassing verklaren van afdeling 4.2.8 van de Awb is het niet nodig om in de verordening gedetailleerd op te nemen aan welke eisen de verantwoording dient te voldoen. In de Awb is bijvoorbeeld al geregeld dat bij een aanvraag tot vaststelling van de subsidie een financieel verslag (of indien de ontvanger daartoe op grond van het Burgerlijk Wetboek verplicht is een jaarrekening) en activiteitenverslag moet worden gevoegd en dat het financieel verslag moet worden gecontroleerd door een accountant. Die accountant moet een onderzoek uitvoeren als bedoeld in artikel 2:393 BW. Dit betekent dat de accountant moet onderzoeken of het financiële verslag voldoet aan de bij of krachtens wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag met het financiële verslag verenigbaar is. Hier wordt dan ook naar die bepalingen uit de Awb verwezen. De belangrijkste eisen voor de vaststelling van de subsidie bevinden zich in de artikelen 4:75 (activiteitenverslag en financieel verslag dan wel jaarrekening), 4:76 en 4:77 (inhoud financieel verslag), 4:78 (accountantscontrole) en 4:80 (inhoud activiteitenverslag). In het tweede lid is bepaald dat de termijn voor het indienen van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij periodieke subsidies vanaf € 125.000,- kan worden verlengd tot 20 weken, mits de subsidieontvanger daarom vraagt. In het vierde lid wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Awb biedt om artikel 4:76 Awb bij wettelijk voorschrift van toepassing te verklaren als de subsidieontvanger zijn inkomsten in overwegende mate aan de subsidie ontleend. Geregeld is dat de nadere eisen die artikel 4:76 Awb aan een financieel verslag stelt van toepassing zijn als de subsidieontvanger voor meer dan de helft van zijn inkomsten van de subsidie afhankelijk is. Bij het verlenen van de subsidie wordt vastgesteld of dit het geval is. Tot slot is in het vijfde lid geregeld dat een controleverklaring niet nodig is als een subsidie van € 125.000 of minder is verleend. Daarmee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:78, vijfde lid Awb biedt om vrijstelling te verlenen van de verplichting een controleverklaring in te dienen. Artikel 16 Vaststelling subsidie In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter zake van de vaststelling van een subsidie. Een termijn van acht weken wordt redelijk geacht, zeker nu deze nog met een periode van zes weken kan worden verlengd in gevallen waarin de beoordeling meer tijd vraagt. Uit artikel 4:5 Awb volgt dat de termijn pas aanvangt als de aanvraag compleet is. Artikel 17 Betaling en verrekening In aanvulling op de toepasselijke bepalingen in de Awb (zie o.a. de artikelen 4:52 en 4:95) bepaalt het eerste lid dat betaling van het subsidiebedrag binnen vier weken na de subsidievaststelling plaatsvindt. Als het hele subsidiebedrag al door middel van voorschotten is uitgekeerd dan wordt de betaling op nihil gesteld. Het college kan in nadere regels andere voorschriften geven voor de betaling van de subsidie. Art. 4:93 Awb biedt de mogelijkheid om een geldschuld te verrekenen met een bestaande vordering mits in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Het tweede lid van artikel 17 beoogt aan dit vereiste te voldoen. In het derde lid van artikel 4:57 Awb is reeds geregeld dat geldschulden kunnen worden verrekend met subsidies die aan dezelfde subsidieontvanger voor dezelfde activiteiten voor een ander tijdvak zijn verstrekt. Als over het jaar X subsidie wordt teruggevorderd kan dit dus bijvoorbeeld worden verrekend met de subsidie voor dezelfde activiteiten over het jaar X+
Subsidieplafond In de Awb zijn in de artikelen 4:25 tot en met 4:28 de belangrijkste bepalingen rondom het werken met een ‘subsidieplafond' gegeven. Een subsidieplafond moet potentiële aanvragers duidelijkheid bieden hoeveel geld er voor een bepaalde subsidieregeling beschikbaar is. Uit het oogpunt van rechtszekerheid verlangt de Awb dat het subsidieplafond tijdig bekend wordt gemaakt. In artikel 4:27 Awb is geregeld dat het subsidieplafond bekend moet worden gemaakt vóór de periode ingaat waarop het betrekking heeft. Als het subsidieplafond tijdig bekend is gemaakt, dan kunnen subsidieaanvragen zonder nadere motivering worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is (artikel 4:25, tweede lid). Als het subsidieplafond niet tijdig bekend is gemaakt, dan heeft het subsidieplafond geen gevolgen voor de aanvragen die vóór de bekendmaking zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid). Met gebruikmaking van artikel 4:28 Awb kan hierop een uitzondering worden gemaakt als is voldaan aan drie voorwaarden. De aanvragen voor het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld ingevolge wettelijk voorschrift moeten worden ingediend op een tijdstip waarop de begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd; het een verlaging betreft die voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de begroting en bij de bekendmaking van een subsidieplafond is gewezen op de mogelijkheid dat deze kan worden verlaagd als gevolg van de vaststelling of goedkeuring van de begroting. Aangezien de begroting veelal wordt vastgesteld in november of december en de aanvragen voor de periodieke subsidies al vóór die datum moeten worden ingediend, verdient het aanbeveling om subsidieplafonds al in een eerder stadium vast te stellen. Om die reden biedt de ASA zowel de gemeenteraad als het college de mogelijkheid om een subsidieplafond vast te stellen. In het eerste lid van artikel 4 is bepaald dat de gemeenteraad bevoegd is om bij de vaststelling van de begroting subsidieplafonds vast te stellen. Daarnaast maakt het tweede lid het mogelijk dat ook het college een subsidieplafond voor een bepaalde te subsidiëren activiteit vaststelt. Dit met inachtneming van de posten op de (concept-) begroting. Belangrijk is de wettelijke verplichting geregeld in artikel 4:26 Awb om de wijze van verdeling van de beschikbare bedragen bij of krachtens wettelijk voorschrift te regelen. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond moet de wijze van verdeling worden vermeld. De meest eenvoudige vorm is een verdeelmechanisme op volgorde van binnenkomst, waarbij de aanvragen in volgorde van binnenkomst worden behandeld (zie ook art. 7 ASA). Een andere vorm is een tendersysteem, waarbij het beschikbare budget wordt verdeeld over de complete aanvragen door middel van een onderlinge vergelijking van de aanvragen waaruit de beste aanvragen voor subsidie in aanmerking komen. Van belang bij dit systeem is dat helder is voor de aanvrager op basis van welke criteria de aanvragen worden getoetst en in rangorde worden gezet, bijvoorbeeld dat aanvragen worden beoordeeld op basis van de criteria ‘ de bijdrage aan stedelijke subsidiedoelstellingen en de prijs-kwaliteitverhouding' en dat rangschikking geschiedt met behulp van een puntentelling. De bevoegdheid tot het stellen van nadere regels op basis van artikel 3 ASA biedt hiervoor een goede mogelijkheid. Hoofdstuk 3 Aanvraag van de subsidie Artikel 5 Bij de aanvraag in te dienen gegevens In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan. Met ‘schriftelijk' is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven'. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits het college het door hem vastgestelde formulier ook in digitale vorm beschikbaar heeft gesteld. Het subsidieproces begint met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen deze moet voldoen staat in afdeling 4.1.1 van de Awb. In het tweede lid van artikel 5 is bepaald welke gegevens de aanvrager moet overleggen bij zijn subsidieaanvraag. Deze gegevens zijn nodig om de aanvraag te kunnen beoordelen. Zo wordt onder andere om een begroting gevraagd waarin ook een overzicht is opgenomen van de geraamde inkomsten en uitgaven. Onderdeel daarvan is dat ook opgave wordt gedaan van de bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies, onder vermelding van de stand van zaken daarvan. De bevoegdheid van het college om ter zake nadere regels vast te stellen, is geregeld in artikel 3 ASA. Zo kan het college bijvoorbeeld bepalen dat voor sommige categorieën subsidies, zoals kleine subsidies, waaraan geen uitgebreide verantwoordingseisen worden gesteld, met minder dan de standaard te overleggen gegevens bij een subsidieaanvraag kan worden volstaan. Het derde en het vierde lid bevatten uitzonderingen op de eisen die in het tweede lid worden gesteld. Artikel 6 Aanvraagtermijn periodieke subsidie In dit artikel wordt aangegeven dat een aanvraag voor een periodieke subsidie vóór 1 oktober bij het college moet zijn ingediend. Deze datum hangt nauw samen met het voorbereidingsproces van de begroting voor het volgende jaar. Voor het geval dat het boekjaar voor een bepaald beleidsterrein niet gelijk loopt aan het kalenderjaar is voorzien in de mogelijkheid om in een bijzondere subsidieverordening of in nadere regels een andere datum op te nemen. Zoals in de toelichting op artikel 1 onder f is aangegeven is het uitgangspunt dat het boekjaar zoveel mogelijk gelijk loopt met het kalenderjaar. De aanvraagtermijn voor een eenmalige subsidie is niet geregeld omdat deze wisselend kan zijn, afhankelijk van de regeling waarop ze berust. Artikel 7 Volgorde behandeling aanvragen Er zijn verschillende wijzen waarop subsidieaanvragen kunnen worden behandeld. Een veel voorkomende staat vermeld in het eerste lid, namelijk op volgorde van binnenkomst volgens het bekende principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt'. Tegenwoordig worden subsidieaanvragen echter ook vaak behandeld via het tenderprincipe, waarbij door middel van een onderlinge vergelijking van de aanvragen een keuze wordt gemaakt. De aanvragen die het beste bij het doel van de regeling aansluiten komen dan voor de subsidie in aanmerking (zie ook de toelichting bij artikel 4). Als aan een tenderprincipe behoefte bestaat, dan biedt artikel 3 ASA een grondslag om dit in nadere regels vast te leggen. Artikel 8 Beslistermijn Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een subsidieaanvraag. De Awb bevat geen strikte beslistermijnen voor een subsidieaanvraag. Deze termijnen zijn dan ook in de ASA opgenomen. Op een aanvraag voor een periodieke subsidie wordt vóór 1 januari beslist. Bij het aanvragen van een eenmalige subsidie wordt een termijn van acht weken redelijk geacht, zeker nu deze nog met een periode van vier weken kan worden verlengd in gevallen waarin de beoordeling meer tijd vraagt. Evenals bij artikel 6 wordt de mogelijkheid geopend een andere datum in een bijzondere subsidieverordening of in nadere regels op te nemen. Van de termijnen die in artikel 8 worden genoemd, kan in een bijzondere subsidieverordening worden afgeweken, bijvoorbeeld in verband met de bijzondere aard van de subsidie of te verwachten complexe aanvragen waarvoor meer tijd nodig is om te kunnen beoordelen. Ook het college kan een andere termijn stellen met gebruikmaking van de bevoegdheid van artikel 3 ASA om nadere regels vast te stellen. Hoofdstuk 4 Weigering van de subsidie Artikel 9 Weigeringsgronden De algemeen geldende weigeringsgronden, opgenomen in artikel 4:35 Awb, worden hier met nadere, op de gemeentelijke praktijk toegesneden gronden aangevuld. Het eerste lid bevat twee imperatieve weigeringsgronden, in het tweede lid wordt het college enige vrijheid geboden om een aanvraag op basis van de daarin genoemde gronden al dan niet (gedeeltelijk) te honoreren. De weigeringsgrond in het eerste lid onder a geeft aan dat het vaststellen van een tijdstip waarop een aanvraag uiterlijk moet zijn ingediend geen ruimte laat om na dat tijdstip alsnog een aanvraag te kunnen indienen. De weigeringsgrond onder b ziet op de situatie dat op de begroting geen gelden voor een activiteit zijn gereserveerd. In dat verband wordt opgemerkt dat op grond van de Awb ook het bereiken van het subsidieplafond een weigeringsgrond vormt. Als het plafond is bereikt, wordt de aanvraag dus eveneens afgewezen. De in het tweede lid opgenomen facultatieve weigeringsgronden richten zich in de eerste plaats op de situatie dat de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor de subsidie zoals die in de ASA of nadere regels zijn gesteld (a). Daarnaast kan de subsidie worden geweigerd als twijfel bestaat over het doel van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd (b en c). De weigeringsgrond onder c biedt bovendien de mogelijkheid om de subsidie te weigeren als de aanvrager handelingen verricht die in strijd zijn met het recht, het algemeen belang of de openbare orde. Onder strijd met het recht wordt daarbij niet alleen strijd met de Grondwet, wetten in formele zin en lagere regelgeving bedoeld, maar ook strijd met het recht van de Europese Unie, een ieder verbindende verdragsbepalingen en algemene rechtsbeginselen. De weigeringsgrond biedt dus bijvoorbeeld ook de mogelijkheid om de subsidie te weigeren als de aanvrager de Algemene wet gelijke behandeling niet naleeft of zich in verband met de subsidie schuldig maakt aan het bedreigen of intimideren van portefeuillehouders en ambtenaren. Verder kan de subsidie worden geweigerd als twijfel bestaat of de aanvrager de subsidie wel nodig heeft (d) dan wel twijfel of de subsidie zal worden besteed waarvoor deze is bedoeld (e en f). De onderdelen g en h tenslotte bevatten twee bijzondere weigeringsgronden. Bij de weigeringsgrond onder g is niet van belang of de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd op zichzelf beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat hierbij louter om de persoon dan wel rechtspersoon van de aanvrager aan wie het college op grond van de Wet Bibob geen subsidie wenst te verlenen. Lid h tenslotte beoogt om de subsidiegever zich ervan te laten vergewissen dat het verlenen van de gevraagde subsidie niet leidt tot ongeoorloofde staatssteun. Hoofdstuk 5 Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 10 Algemene verplichtingen De Awb regelt in de artikelen 4:37 en 4:38 de standaardverplichtingen respectievelijk overige doelgebonden verplichtingen. De standaardverplichtingen zijn in de wet niet limitatief opgesomd; de overige doelgebonden verplichtingen worden ofwel bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegd ofwel -als geen sprake is van een subsidie die op een wettelijk voorschrift berust- bij de subsidieverlening. Artikel 10 bevat in aanvulling op de bepalingen van de Awb een aantal verplichtingen waaraan iedere subsidieontvanger, voor zover op hem van toepassing, moet voldoen. In bijzondere subsidieverordeningen en bij het verlenen van de subsidie kunnen nog aanvullende verplichtingen worden opgenomen, die verband houden met het doel van de subsidie. De subsidieontvanger is verplicht zo spoedig mogelijk (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden bij de gemeente dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de vaststelling onjuist was. Terugvordering van de subsidie, inclusief wettelijke rente over het hele subsidiebedrag, kan in zo'n geval proportioneel worden geacht, omdat de ontvanger dan misbruik maakte van het vertrouwen dat hem gegeven is. Het tweede lid geeft aan dat de verantwoording over de besteding van verstrekte subsidiegelden is te vinden in een openbaar register. Daarin wordt opgenomen, behalve de verantwoording waartoe middelgrote en grote subsidieontvangers zijn verplicht op grond van de Algemene wet bestuursrecht en deze verordening, ook de schriftelijk verantwoording waartoe kleine subsidieontvangers kunnen worden verplicht. Of dit laatste het geval is zal doorgaans blijken uit de verplichtingen die aan de subsidiebeschikking zijn verbonden (zie ook de toelichting bij artikel 13). Artikel 11 Aanvullende verplichtingen Artikel 4:39 Awb maakt het mogelijk ook niet-doelgebonden verplichtingen bij een subsidieverlening op te leggen. Dit is alleen mogelijk voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Volgens het wetsartikel kunnen deze verplichtingen alleen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. De in artikel 11 ASA opgenomen bijzondere verplichtingen voldoen aan dit criterium en vormen de weerslag van politieke wensen ter zake. Evenals bij het vorige artikel het geval is, moet iedere subsidieontvanger aan deze verplichtingen voldoen voor zover de bijzondere verplichting op zijn activiteit van toepassing is. In een bijzondere subsidieverordening kunnen nog eventueel aanvullende niet-doelgebonden verplichtingen worden opgenomen. Artikel 12 Voorafgaande toestemming handelingen subsidieontvanger Bij subsidies hoger dan € 50.000 is vooraf toestemming van het college nodig voor het mogen verrichten van een aantal privaatrechtelijke handelingen dat in art. 4:71 Awb staat omschreven. Het wetsartikel bepaalt dat deze toestemming nodig is als dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Gekozen is hier voor het opnemen van een artikel in de ASA zodat deze toestemming altijd nodig is bij grote subsidies. Hoofdstuk 6 Verantwoording en vaststelling van de subsidie Artikel 13 Verantwoording subsidies tot en met € 5.000 Kenmerkend voor subsidies tot en met € 5.000 is dat een vast bedrag (lump sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) in te dienen. Als bij de beschikking de verplichting is opgelegd om een inhoudelijk verslag te maken over de gesubsidieerde activiteit dan wordt dit verslag in het openbaar register geplaatst als bedoeld in artikel 10, tweede lid. Daarnaast is het denkbaar dat bij bepaalde subsidies op basis van een voorafgaande risicoanalyse een meer gerichte controle plaatsvindt en dat hiertoe nadere verplichtingen worden opgenomen in de beschikking. Artikel 14 Verantwoording subsidies vanaf € 5.000 tot en met € 50.000 In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Artikel 4:37 Awb bepaalt dat de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt kan worden door het opleggen van verplichtingen terzake. Het tweede lid bepaalt, dat de subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn uitgevoerd en dat moet worden ingegaan op de mate waarin de beoogde doelstellingen en resultaten zijn gerealiseerd. Dit volgt ook uit het eerste lid van artikel 4:45 Awb. Daar is geregeld dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling moet worden aangetoond dat de activiteiten hebben plaatsgevonden en dat dit ook volgens de aan de subsidie verbonden verplichtingen is gebeurd. Verder is bepaald dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling rekening en verantwoording moet worden afgelegd over de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten. Daarbij is van belang dat vooraf al door de subsidieverstrekker moet zijn aangegeven op welke manieren dit kan plaatsvinden. Er kunnen verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie) enz. Met toepassing van artikel 3 ASA kan het college bepalen dat bepaalde categorieën van subsidies, dan wel subsidieontvangers, niet tot verantwoording van de aan hen verleende subsidie hoeven over te gaan. Te denken valt daarbij aan subsidies van een beperkte omvang of subsidies, die aan een bekende ontvanger worden verstrekt dan wel subsidies die voor een doel worden aangewend, dat nadere verantwoording van de besteding van het geld overbodig maakt. Bij dit laatste kan worden gedacht aan de huurkosten van een gebouw. De verantwoorde besteding van de subsidie blijkt dan immers al uit het feit, dat het betreffende gebouw in gebruik is bij de subsidieontvanger. Verder biedt artikel 3 van de ASA het college de mogelijkheid om nadere regels vast te stellen over de gegevens en stukken die bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie moeten worden verstrekt. Denkbaar is dat het college bepaalt dat het voor de verantwoording van een subsidie genoegen neemt met stukken en bewijzen die in het kader van de bedrijfsvoering van de subsidieontvanger al worden opgesteld. Te denken valt aan de verslagen, die rechtspersonen al dienen op te stellen en die naar gelang van de hoedanigheid van de betreffende rechtspersoon verschillen. Waar het om gaat, is te voorkomen dat subsidieontvangers speciale stukken met andere verantwoordingsmethoden moeten opstellen dan zij gebruikelijk al doen. Zo kan uit een algemeen jaarverslag genoegzaam blijken, dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel, waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voor kleinere subsidies is er de mogelijkheid om andere bewijsmiddelen te verlangen dan de gebruikelijke. Zo zou in het geval van subsidie voor een speeltoestel kunnen worden volstaan met het opsturen van een foto daarvan of iets dergelijks. Artikel 15 Verantwoording subsidies vanaf € 50.000 Op grond van het eerste en het derde lid moet een aanvraag tot vaststelling van een subsidie van meer dan € 50.000,- binnen twaalf weken na afloop van het boekjaar worden ingediend. Daarbij wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies, namelijk op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Als gevolg van het van toepassing verklaren van afdeling 4.2.8 van de Awb is het niet nodig om in de verordening gedetailleerd op te nemen aan welke eisen de verantwoording dient te voldoen. In de Awb is bijvoorbeeld al geregeld dat bij een aanvraag tot vaststelling van de subsidie een financieel verslag (of indien de ontvanger daartoe op grond van het Burgerlijk Wetboek verplicht is een jaarrekening) en activiteitenverslag moet worden gevoegd en dat het financieel verslag moet worden gecontroleerd door een accountant. Die accountant moet een onderzoek uitvoeren als bedoeld in artikel 2:393 BW. Dit betekent dat de accountant moet onderzoeken of het financiële verslag voldoet aan de bij of krachtens wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag met het financiële verslag verenigbaar is. Hier wordt dan ook naar die bepalingen uit de Awb verwezen. De belangrijkste eisen voor de vaststelling van de subsidie bevinden zich in de artikelen 4:75 (activiteitenverslag en financieel verslag dan wel jaarrekening), 4:76 en 4:77 (inhoud financieel verslag), 4:78 (accountantscontrole) en 4:80 (inhoud activiteitenverslag). In het tweede lid is bepaald dat de termijn voor het indienen van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij periodieke subsidies vanaf € 125.000,- kan worden verlengd tot 20 weken, mits de subsidieontvanger daarom vraagt. In het vierde lid wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Awb biedt om artikel 4:76 Awb bij wettelijk voorschrift van toepassing te verklaren als de subsidieontvanger zijn inkomsten in overwegende mate aan de subsidie ontleend. Geregeld is dat de nadere eisen die artikel 4:76 Awb aan een financieel verslag stelt van toepassing zijn als de subsidieontvanger voor meer dan de helft van zijn inkomsten van de subsidie afhankelijk is. Bij het verlenen van de subsidie wordt vastgesteld of dit het geval is. Tot slot is in het vijfde lid geregeld dat een controleverklaring niet nodig is als een subsidie van € 125.000 of minder is verleend. Daarmee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:78, vijfde lid Awb biedt om vrijstelling te verlenen van de verplichting een controleverklaring in te dienen. Artikel 16 Vaststelling subsidie In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter zake van de vaststelling van een subsidie. Een termijn van acht weken wordt redelijk geacht, zeker nu deze nog met een periode van zes weken kan worden verlengd in gevallen waarin de beoordeling meer tijd vraagt. Uit artikel 4:5 Awb volgt dat de termijn pas aanvangt als de aanvraag compleet is. Artikel 17 Betaling en verrekening In aanvulling op de toepasselijke bepalingen in de Awb (zie o.a. de artikelen 4:52 en 4:95) bepaalt het eerste lid dat betaling van het subsidiebedrag binnen vier weken na de subsidievaststelling plaatsvindt. Als het hele subsidiebedrag al door middel van voorschotten is uitgekeerd dan wordt de betaling op nihil gesteld. Het college kan in nadere regels andere voorschriften geven voor de betaling van de subsidie. Art. 4:93 Awb biedt de mogelijkheid om een geldschuld te verrekenen met een bestaande vordering mits in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Het tweede lid van artikel 17 beoogt aan dit vereiste te voldoen. In het derde lid van artikel 4:57 Awb is reeds geregeld dat geldschulden kunnen worden verrekend met subsidies die aan dezelfde subsidieontvanger voor dezelfde activiteiten voor een ander tijdvak zijn verstrekt. Als over het jaar X subsidie wordt teruggevorderd kan dit dus bijvoorbeeld worden verrekend met de subsidie voor dezelfde activiteiten over het jaar X+1. In de ASA wordt de mogelijkheid geboden om subsidies die worden teruggevorderd ook met andere vorderingen te verrekenen, zoals vorderingen die uit subsidies voor andere activiteiten voortvloeien of vorderingen op grond van de Wet dwangsom. Het derde lid biedt de mogelijkheid om een vergoeding te vragen als uit de rekening en verantwoording of het financieel verslag blijkt dat er na het realiseren van de activiteiten een batig saldo is en zich een van de situaties voordoet als genoemd in het tweede lid van artikel 4:41 Awb. Dit betreft dus bijvoorbeeld de situatie waarin de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd, de subsidie wordt beëindigd of de gesubsidieerde rechtspersoon ophoudt te bestaan. Voor het vragen van de vergoeding is wel vereist dat dit in de beschikking tot subsidieverlening is aangekondigd en dat daarin ook beschreven is hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. Daarbij moet bijvoorbeeld aandacht worden besteed aan de posten uit de begroting die bij de berekening van het batig saldo worden betrokken en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de overige inkomsten van de ontvanger. Denkbaar is bijvoorbeeld dat als een subsidieontvanger voor de helft van zijn inkomsten afhankelijk is van de subsidie op grond van de ASA, ook alleen voor de helft van het batig saldo een vergoeding wordt gevraagd. Hoofdstuk 7 Overige bepalingen Artikel 18 Toezichthouders Krachtens afdeling 5.2 van de Awb hebben toezichthouders een aantal bevoegdheden zoals het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen zonder de toestemming van de bewoner), het vorderen van inlichtingen en het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden. De bevoegdheden van de artikelen 5:18 en 5:19 Awb (het doorzoeken van voertuigen en andere zaken) zijn hier uitgezonderd omdat hieraan bij subsidies zelden behoefte bestaat. Is een dergelijke bevoegdheid toch nodig dan moet dat in een bijzondere subsidieverordening worden geregeld. Art 4:59 Awb regelt het toezicht op de naleving van de aan de subsidieontvanger opgelegde verplichtingen. Aangezien artikel 4:59 is opgenomen in afdeling 4.2.8 van de wet is het artikel in de verordening opgenomen zodat niet alleen toezicht kan worden gehouden op grote subsidies maar ook op kleine en middelgrote subsidies. Artikel 19 Overgangsbepalingen De keuze om aanvragen om verlening en om vaststelling van de subsidie die betrekking hebben op het jaar 2012 af te doen volgens de bepalingen van de ASA uit 2004 stoelt op het uitgangspunt dat de spelregels niet tijdens het jaar kunnen worden veranderd zonder dat de aanvragers tijdig zijn geïnformeerd en de tijd hebben gekregen om de nieuwe spelregels binnen de organisatie vorm en inhoud te geven. In het tweede lid is bepaald dat aanvragen die betrekking hebben op het jaar 2013 maar reeds in 2012 zijn ingediend volgens de nieuwe verordening worden afgedaan tenzij in de beschikking tot verlening anders is bepaald. Dit biedt de mogelijkheid om de nieuwe regels vanaf 2013 meteen toe te passen maar biedt ook de ruimte om in het overgangsjaar te kiezen voor afdoening volgens het oude regime als hiervoor redenen zijn. De subsidieontvanger moet uit de beschikking kunnen opmaken aan welke voorschriften hij moet voldoen. Tot slot is van belang dat in nogal wat bijzondere subsidieverordeningen, nadere regels en beleidsregels wordt verwezen naar bepalingen in de oude ASA. Na vaststelling van de nieuwe verordening en gelijktijdige intrekking van de oude verordening mist deze verwijzing grond. Het opnemen van de overgangsregel zoals verwoord in het derde lid voorziet er in dat de verwijzing in de bijzondere verordeningen, nadere regels en beleidsregels naar bepalingen uit de oude ASA nog steeds van toepassing is als deze bepalingen (of bepalingen van soortgelijke strekking) ook in de nieuwe verordening zijn opgenomen. Is dat laatste niet het geval dan verliest die verwijzing haar betekenis. Artikel 20 Citeertitel Dit artikel behoeft geen toelichting.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.