Toeslagenverordening WWB Noordoostpolder 2010De raad van de gemeente Noordoostpolder, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 juli 2010; gelet op artikel 8, lid 1, sub c en artikel 30 van de Wet Werk en Bijstand, overwegende dat moet worden vastgesteld voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald, B E S L U I T: vast te stellen de: Toeslagenverordening WWB Noordoostpolder 2010 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.Begripsomschrijving 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.In deze verordening wordt verstaan onder: a. de wet: de Wet Werk en Bijstand (Staatsblad 2003, nummer 375); woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de wet op de huurtoeslag; indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, waarbij onder zakelijke lasten worden verstaan: de onderhoudskosten, het eigenaarsaandeel van de onroerende-zaak-belasting, de opstalverzekering en het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten. Artikel2.Algemene bepalingen De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden van 27 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien beide echtgenoten 27 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar zijn. Hoofdstuk2.Categorieën Artikel3.Categorie-aanduidingen 1.Voor belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een categorieaanduiding. 2.De categorieën worden aangeduid als: alleenstaande; alleenstaande ouder; gehuwde. Hoofdstuk3.Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm Artikel4.Toeslagen bij niet (-gehele) kostendeling van alleenstaanden en alleenstaande ouders 1.De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder, hogere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag; dit is maximaal 20% van het netto minimumloon. 3.De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder op wie het tweede niet van toepassing is 10% van het netto minimumloon. 4.De noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden gedeeld met een ander die in de woning zijn hoofdverblijf heeft, indien kan worden beschikt over een inkomen dat gelijk is of hoger is dan de de vergoeding voor het levensonderhoud voor de studerende thuiswonende op grond van de Wet studiefinanciering 2000 als bedoeld in artikel 33, lid 2, sub a van de wet, vermeerderd met 10% van het netto minimumloon. Hoofdstuk4.Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de toeslag Artikel5.Verlagen bijstandsnorm voor geheel of gedeeltelijk woningdelende gehuwden 1.De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de gehuwde op wie het eerste lid van toepassing is 10% van het netto minimumloon. 3.Artikel 4, lid 4 is van overeenkomstige toepassing. Artikel6.Verlagen bijstandsnorm of toeslag als gevolg van de woonsituatie 1.De bijstandsnorm of de toeslag wordt lager vastgesteld indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan voor de betrokkene geen kosten zijn verbonden, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning. 2.De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 18% van het netto minimumloon. Artikel7.Anti-cumulatieartikel Indien voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op grond van artikel 3 en één of meer verlagingen op grond van de artikelen 4 en 5 geldt, bedraagt de verlaging niet meer dan 25% van het netto minimumloon ten opzichte van de bijstandsnorm zoals die is vastgesteld in artikel 21 van de wet. Artikel8. Verhoging of verlaging van de bijstandsnorm vindt plaats onverminderd het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de wet. Artikel9. Burgemeester en wethouders zijn belast met de uitvoering van het bepaalde in deze verordening. Hoofdstuk5.Slotbepalingen. Artikel10. Deze verordening kan worden aangehaald als: "Toeslagenverordening WWB Noordoostpolder 2010". Artikel11. Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 september 2010, onder gelijktijdige intrekking van de Toeslagenverordening WWB Noordoostpolder. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergaderingvan 9 september 2010,De griffier, De voorzitter,Toelichting Toeslagenverordening Wwb Noordoostpolder 2010 AlgemeenOp grond van de Wet werk en bijstand (WWB) dient de gemeenteraad een verordening vast te stellen met betrekking tot het verhogen en verlagen van de norm als bedoeld in artikel 8, lid 1 onder c juncto artikel 30 WWB, de zogenaamde toeslagenverordening. Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met 24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen: artikelen 25 tot en met 29 WWB. Burgemeester en wethouders verhogen in bepaalde gevallen de norm met een toeslag en passen in bepaalde gevallen een verlaging toe. Dit beleid is categoriaal: uit de verordening blijkt voor welke categorieën en op grond van welke criteria een verhoging of verlaging van de landelijke bijstandsnormen plaatsvindt. Op die manier kan een uitkeringsgerechtigde concreet uit de verordening afleiden welke verhoging of verlaging in zijn situatie geldt. Norm Voor personen van 27 tot en met 65 jaar bestaan er drie basisnormen (artikel 27 WWB): gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (de gehuwdennorm); alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm; alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm. ToeslagenEen toeslag op de norm wordt verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder. De maximale toeslag van 20% van de gehuwdennorm kan zonder nader onderscheid worden toegekend. De uitkering is dan ten hoogste: 90% van de gehuwdennorm voor alleenstaande ouders; 70% van de gehuwdennorm voor alleenstaanden. Burgemeester en wethouders houden echter rekening met de mogelijkheid van het kunnen delen van kosten. Deze mogelijkheid wordt aanwezig geacht als een ander of meerdere anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De alleenstaande of de alleenstaande ouder kan dan kosten als woonkosten, vaste lasten, kosten van duurzame gebruiksgoederen en dergelijke delen. Burgemeester en wethouders stellen in die gevallen de toeslag op een lager percentage vast. De toeslag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders is uitgewerkt in artikel 3 van de verordening. VerlagingenDe WWB kent de volgende verlagingen: verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden (artikel 26 WWB); verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB); verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie (artikel 28 WWB). Er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie toe te passen. In de bijstandsverordening van 1996 en 2004 is er reeds voor gekozen geen korting toe te passen bij schoolverlaters en wel om de volgende redenen: verlaging van de norm wegens schoolverlating leidt niet alleen tot ingewikkelde en ondoorzichtige regelgeving, het leidt ook tot rechtsongelijkheid ten opzichte van bijstandsgerechtigden die niet studeren in de periode voorafgaande aan de bijstandsperiode; een cliënt met een bijstandsuitkering moet in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan voorzien. Niet duidelijk is waarom de kosten van het bestaan gedurende het eerste halfjaar na het beëindigen van een studie of opleiding lager zouden zijn; het aantal schoolverlaters in de gemeente Noordoostpolder op het totale cliëntenbestand is dusdanig klein, dat de uitvoering van deze verlagingsmogelijkheid meer kost dan het de gemeente oplevert. Deze argumenten zijn nog steeds van kracht. Bovendien hebben jongeren tot 27 jaar na de invoering van de Wet investeren in jongeren (WIJ) sinds 1 oktober 2009 geen recht meer op een WWB uitkering. Het aantal schoolverlaters dat ouder is dan 27 is minimaal. De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 3, lid 2, 4 en 5 van de verordening. IndividualiseringHet is niet noodzakelijk alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde gevallen of uitzonderlijke situaties geldt het individualiseringsbeginsel. Burgemeester en wethouders kunnen de bijstand op grond van artikel 18, lid 1 WWB afwijkend vast stellen. De hoogte van de uitkering van algemene bijstand voor personen van 27 tot 65 jaar kan dan als volgt worden berekend: basisnorm
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.