HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen en voorscholen gemeente Utrecht 2009(raadsbesluit van 4 december 2008) De raad van de gemeente Utrecht; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; overwegende dat het wenselijk is regels te stellen ten aanzien van de kwaliteit van peuterspeelzalen en voorscholen; BESLUIT vast te stellen de volgende: VERORDENING kwaliteitsregels peuterspeelzalen en voorscholen gemeente Utrecht 2009 Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: peuterspeelzaal: het bieden van speelgelegenheid aan kinderen van 2 jaar tot 4 jaar gedurende één of meer dagdelen per week van maximaal 3,5 uur per dagdeel, met als doel hen samen te laten spelen, hen te activeren en mogelijke ontwikkelingsachterstanden te signaleren; voorschool: het bieden van een bijzondere vorm van een peuterspeelzaal, waar gewerkt wordt met een VVE-programma voor kinderen van 2,5 jaar tot 4 jaar, gedurende minimaal vier dagdelen per week van maximaal 3,5 uur per dagdeel, peuterspeelzaal of voorschool: een voorziening waar de peuterspeelzaal of de voorschool plaatsvindt; houder: degene die een peuterspeelzaal of voorschool exploiteert; beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal of voorschool werkzaamheden verricht die zijn opgenomen in de voor de peuterspeelzalen en voorscholen geldende CAO, ook peuterspeelzaalleidster of leidster genoemd en die beschikt over een voor deze werkzaamheden passende beroepskwalificatie; met de term peuterspeelzaalleidster of leidster wordt tevens peuterspeelzaalleider of leider bedoeld; begeleider: degene die anders dan als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal of voorschool; het college van burgemeester en wethouders heeft de uitvoering van de melding- en registratieprocedure en het toezicht gemandateerd aan de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG&GD), daar waar sprake is van melding aan het college wordt door de houder melding gedaan aan de GG&GD. HOOFDSTUK2MELDING EN REGISTRATIE Artikel2Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal of voorschool 1.Degene die voornemens is een peuterspeelzaal of voorschool in exploitatie te nemen binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college. 2.De melding vindt plaats met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier. Artikel3Ambitieniveau van peuterspeelzalen en voorscholen De houder geeft in de melding aan het college aan voor welk ambitieniveau van de peuterspeelzaal gekozen wordt of dat zij/hij voor een voorschool kiest, waarbij de volgende ambitieniveaus worden onderscheiden: ambitieniveau 0: ‘spelen en ontmoeten’; ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’; ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’. Artikel4Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal of voorschool 1.Een peuterspeelzaal of voorschool in een nieuwe accommodatie wordt na melding niet in exploitatie genomen voordat de toezichthouder het zogenoemde ‘eerste inspectieonderzoek na melding’ verricht heeft en uit dit onderzoek is gebleken dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze verordening. Het onderzoek vindt binnen acht weken na het tijdstip van de melding plaats. 2.Indien uit het onderzoek van de toezichthouder, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, eerder is gebleken dat aan de eisen in deze verordening is voldaan, kan de exploitatie vanaf dat moment plaatsvinden. Artikel5Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal of voorschool Het is verboden een peuterspeelzaal of voorschool in exploitatie te nemen indien uit het onderzoek van de toezichthouder, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, blijkt dat niet aan de eisen van de verordening wordt voldaan. Artikel6Register 1.Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen en voorscholen. In dit register worden na een melding onmiddellijk de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 2, tweede lid, en artikel 3 zijn verstrekt. 2.Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de peuterspeelzaal of voorschool in het register heeft plaatsgevonden. 3.Het register ligt bij de GG&GD kosteloos voor een ieder ter inzage en is tevens op de internetsite van de gemeente Utrecht geplaatst, www.utrecht.nl. Artikel7Wijzigingen van gegevens 1.De houder doet van wijzigingen van gegevens die bij aanmelding zijn verstrekt onmiddellijk mededeling aan het college. 2.Het college deelt de houder schriftelijk mee dat voornoemde wijzigingen in het register zijn aangetekend. HOOFDSTUK3DE KWALITEITSEISEN Artikel8Algemene kwaliteitseisen 1.De houder van een peuterspeelzaal of voorschool biedt een voorziening voor een peuterspeelzaal of voorschool aan die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. 2.De houder organiseert de peuterspeelzaal en voorschool op zodanige wijze, voorziet de peuterspeelzaal of voorschool zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat één en ander leidt of moet leiden tot een verantwoorde voorziening. Artikel9Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elke door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal of voorschool zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt -voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving– jaarlijks in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de opvang van kinderen met zich meebrengt. De risico-inventarisatie dient bij voorkeur gelijkwaardig te zijn aan de modellen van Consument en Veiligheid, maar mag ook vervangen worden door eenvoudiger modellen, waarin dezelfde systematiek gevolgd wordt en die de goedkeuring van de toezichthouder hebben. Artikel10Oppervlakte speelruimte 1.Voor ieder feitelijk aanwezig kind is minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte aan binnenspeelruimte beschikbaar. 2.Voor ieder feitelijk aanwezig kind is een aangrenzende buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de bruto-oppervlakte minimaal 3 m2 per kind bedraagt en die voor kinderen bereikbaar is. Indien de buitenruimte niet aangrenzend is, dient er sprake te zijn van een volwaardig alternatief, te beoordelen door de toezichthouder. Artikel11Groepen en groepsgrootte 1.De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in passend ingerichte, vaste afzonderlijke ruimtes. 2.In een groep zijn ten hoogste vijftien kinderen gelijktijdig aanwezig. Artikel12Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep 1.Het aantal beroepskrachten of begeleiders per groep is afhankelijk van het door de houder gekozen ambitieniveau. 2.Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 0: ‘spelen en ontmoeten’ zijn er in elke groep ten minste twee begeleiders aanwezig. Ook is één peuterspeelzaalleidster voor ten minste 50% van de openingsuren aanwezig in de peuterspeelzaal. 3.Indien sprake is van een ouderparticipatie peuterspeelzaal*) dan komt de eis ten aanzien van de begeleiding door een beroepskracht bij het tweede lid van dit artikel te vervallen. 4.Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’ zijn er in elke groep tenminste één beroepskracht en één begeleider aanwezig. 5.Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’ zijn er in elke groep tenminste twee beroepskrachten aanwezig. *Een ouderparticipatiespeelzaal wordt geheel door ouders georganiseerd en beheerd, ook de begeleiding van de kinderen wordt bij toerbeurt door ouders verzorgd. Artikel13Overeenkomst tussen houder en ouder Opvang in een peuterspeelzaal of voorschool geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en een ouder. Artikel14Informatieplicht aan de ouders De houder van een peuterspeelzaal of voorschool informeert de ouder voorafgaand aan het aangaan van deze overeenkomst in ieder geval over: de plaatsingsprocedure en de leveringsvoorwaarden; het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 3; het te voeren beleid, waaronder het beleid inzake veiligheid en gezondheid; het activiteitenplan (geldt alleen voor niveau 0) of het pedagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van kinderen, de visie op de omgang met kinderen is beschreven; de wijze waarop klachten in behandeling genomen worden; de wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij de peuterspeelzaal of voorschool. Artikel15Verklaring omtrent het gedrag 1.Personen die als beroepskracht of begeleider werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal of voorschool, zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële gegevens. 2.Deze verklaring wordt aan de houder overgelegd voordat een persoon zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden. 3.Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De betreffende persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellen termijn. HOOFDSTUK4HET GEMEENTELIJK TOEZICHT Artikel16Aanwijzing van toezichthouders De toezichthouders kinderopvang van de GG&GD zijn bevoegd om toezicht te houden op de peuterspeelzalen en voorscholen. Het college wijst de toezichthouders aan. Artikel17Onderzoek door de toezichthouder 1.De toezichthouder onderzoekt na een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, binnen acht weken of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening. De toezichthouder geeft binnen één week na het onderzoek uitsluitsel aan de peuterspeelzaal of voorschool. Er zijn drie mogelijkheden: toestemming tot exploitatie (gelijk of onder bepaalde voorwaarden); verbod tot exploitatie, of nader onderzoek. 2.Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder per jaar of de exploitatie van elke peuterspeelzaal of voorschool plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening. Met dien verstande dat in het ene jaar een regulier (volledig) onderzoek plaatsvindt en in het andere een partieel (verkort) onderzoek uitgevoerd wordt. 3.Bij het partieel onderzoek richt de toezichthouder zich in hoofdzaak op de bevindingen van het reguliere onderzoek in het voorgaande jaar. Indien de toezichthouder het vanuit de bevindingen noodzakelijk acht kan als nog een regulier onderzoek uitgevoerd worden. 4.Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de toezichthouder een nader of incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving door een houder van de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze verordening. Artikel18Het inspectierapport 1.De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal of voorschool vast in een inspectierapport. 2.Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de voorschriften van deze verordening niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. 3.Alvorens het rapport definitief vast te stellen, stelt het college de houder de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn/haar zienswijze kenbaar te maken in een hoor- en wederhoor procedure. De toezichthouder neemt de zienswijze van de houder op in het rapport. 4.De toezichthouder zendt het definitieve inspectierapport onverwijld aan de houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. 5.De toezichthouder maakt het definitieve inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar. Artikel19Waarschuwing, aanwijzing en bevel 1.De toezichthouder kan de houder een waarschuwing met hersteltermijn opleggen indien blijkt dat deze de voorschriften in deze verordening niet of in onvoldoende mate naleeft. De waarschuwing met een beschrijving van de aard van de overtreding(en) en duur van de hersteltermijn worden in het inspectierapport opgenomen. 2.Indien de overtreding ernstig van aard is of de in het inspectierapport genoemde hersteltermijn ten aanzien van een overtreding niet in acht genomen wordt, kan de toezichthouder de houder een vooraankondiging aanwijzing geven, zonodig gevolgd door een schriftelijke aanwijzing indien op basis van het inspectierapport blijkt dat deze de voorschriften in deze verordening niet of niet in onvoldoende mate naleeft. 3.In de vooraankondiging aanwijzing en de aanwijzing geeft de toezichthouder, met redenen omkleed, aan op welke punten de voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen. 4.Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang bij een peuterspeelzaal of voor-school zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, die door het college kan worden verlengd. 5.De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing onderscheidenlijk het bevel, gestelde termijn. 6.Indien de houder herhaaldelijk geen gehoor geeft aan een aanwijzing of bevel kan het college overgaan tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een dwangsom. Als laatste dwangmiddel kan het college een exploitatieverbod opleggen. Artikel20Strafbepaling Overtreding van artikel 2, eerste lid, en de artikelen in hoofdstuk 3 van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. HOOFDSTUK5SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN Artikel21Overgangsbepaling 1.Het college neemt in het register de peuterspeelzalen en voorscholen op die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening over een vergunning op grond van de Verordening Kindercentra 1998 beschikken, welke is geactualiseerd in 2001. 2.De toezichthouder onderzoekt in het eerste jaar na registratie of de organisaties, als bedoeld in het eerste lid, aan de in deze verordening vastgestelde kwaliteitsregels voldoen. 3.Een houder van een peuterspeelzaal of voorschool als bedoeld in het eerste lid verstrekt desgevraagd aan het college alle gegevens die nodig zijn voor het register. 4.Beroepskrachten en begeleiders die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal of voorschool, leggen aan de houder binnen drie maanden na de inwerkingtreding een verklaring omtrent het gedrag over. Artikel22Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2009. Artikel23Citeertitel De verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen en voorscholen gemeente Utrecht 2009. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 4 december 2008. De griffier, De burgemeester, Drs. A.A.H. Smits Mr. A. Wolfsen Bekendmaking is geschied op 17 december 2008 Deze verordening is in werking getreden op 1 januari 2009 BIJLAGE BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2008, NR. 931 InleidingAlgemene toelichtingDe peuterspeelzalen en voorscholen vallen niet onder de Wet kinderopvang (Wk), (artikel 1, tweede lid, onderdeel b). Dit betekent dat de grondslag voor de Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen en voorscholen, de zelfstandige bevoegdheid van de gemeente vormt die is neergelegd in artikel 149 van de Gemeentewet. Deze verordening sluit zoveel mogelijk aan bij de kwaliteitseisen die gesteld worden in de Wet kinderopvang (Wk) en in de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) ten aanzien van hygiëne, veiligheid en preventie. Hiervoor zijn twee redenen: allereerst zijn peuterspeelzalen en voorscholen ook een vorm van kinderopvang in een daarvoor geschikte ruimtelijke voorziening. Ten tweede wordt het toezicht op de instellingen voor kinderopvang en op peuterspeelzalen en voorscholen door dezelfde toezichthouders uitgevoerd. Door de kwaliteitsregels, waar mogelijk te laten aansluiten, wordt bevorderd dat het toezicht transparanter en uniformer wordt. Evenals in de Wk is in deze verordening gekozen voor algemene kwaliteitsregels die voor alle peuterspeelzalen en voorscholen in de gemeente gelden, gekoppeld aan een stelsel van melding en registratie. Daarbij gaat het om de volgende aandachtsgebieden: de accommodatie: de ruimtebehoefte, de hygiëne en de veiligheid; de inzet van beroepskrachten: de groepsgrootte en de leidster-kindratio; de organisatie: het ambitieniveau, de informatieverstrekking aan ouders, waaronder de klachtenregeling. Het verschil tussen kinderopvang en opvang in peuterspeelzalen of voorscholen is vooral gelegen in de duur van de opvang. Peuterspeelzalen en voorscholen bieden slechts enkele dagdelen per week, gedurende een beperkt aantal uren opvang aan kinderen. Bovendien komen ouders niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten via de belastingdienst. Een ander verschil is dat in voorscholen diverse programma’s verzorgd worden om kinderen te stimuleren in taalontwikkeling en andere vaardigheden. Door de invoering van de Wk is de huidige verordening op de kindercentra nog slechts van toepassing op de peuterspeelzalen en voorscholen. Met ingang van 1 januari 2009 zal een nieuwe verordening van kracht worden: de ‘Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen en voorscholen’. Met het doel de uniformiteit van de kwaliteitseisen aan peuterspeelzalen landelijk te bevorderen, is aangesloten op de Modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Deze bevat kwaliteitsregels in relatie tot ambities en het niveau van professionaliteit. De nieuwe verordening heeft de volgende uitgangspunten: meldings- en registratieplicht: de houder van een peuterspeelzaal of voorschool is verplicht zich te melden bij de gemeente alvorens in exploitatie te gaan. De melding wordt geregistreerd in het Register peuterspeelzalen en voorscholen. De gemeente kan hiermee overzicht houden op de peuterspeelzalen en voorscholen en haar informatieplicht naar inwoners vervullen; een peuterspeelzaal of voorschool is een professionele werksoort, het dragen van de naam brengt verplichtingen met zich mee; een aantal basale kwaliteitseisen waaraan elke peuterspeelzaal of voorschool moet voldoen: over de groepsgrootte, de oppervlakte van de speelruimten, het aantal beroepskrachten en begeleiders per groep; het hanteren van drie ambitieniveaus. De ‘houder’ moet de gemeente melden welk ambitieniveau zijn of haar instelling heeft; een informatieplicht van de peuterspeelzaal of voorschool aan ouders over de plaatsingsprocedure, de leveringsvoorwaarden, het te voeren beleid en de wijze en frequenties van informatie-uitwisseling over het geplaatste kind; verklaring van goed gedrag voor beroepskrachten en begeleiders. 2 Kwaliteitseisen aan de accommodatie2.1. RuimtebehoefteIn de Beleidsregel Kwaliteit kinderopvang die deel uitmaakt van de Wet kinderopvang, zijn kwaliteitseisen opgenomen ten aanzien van de ruimtebehoefte. De gemeente volgt deze ten aanzien van de peuterspeelzalen en voorscholen. De gemeente Utrecht heeft in de huidige verordening de volgende kwaliteitsregels vastgesteld: per groep is een binnenruimte beschikbaar per feitelijk aanwezig kind van 3,5 m² bruto speel/werkoppervlak; er is een aangrenzende buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de oppervlakte minimaal 3 m² per feitelijk aanwezig kind bedraagt. Indien de buitenruimte niet aangrenzend is, dient er sprake te zijn van een volwaardig alternatief, te beoordelen door de toezichthouder. 2.2. Gebouw, hygiëne en veiligheidVeel zaken met betrekking tot gebouwen, hygiëne en veiligheid zijn wettelijk en dus landelijk geregeld. Hygiëne, veiligheid en preventie zijn in de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCVP) geregeld. De GG&GD inspecteert deze kwaliteitsregels. Daarnaast zijn van toepassing de Woningwet, het Bouwbesluit, de Arbowet, de Warenwet en het Attractiebesluit (speeltoestellen). Hiervoor zijn andere inspecties in de gemeente verantwoordelijk. 3 Kwaliteit van het personeel: de inzet van beroepskrachtenDe verschillende ambitieniveaus van de peuterspeelzalen en voorscholen zijn van invloed op functies, taken en groepsgrootte. 3.1. Opleiding, functies en takenIn de CAO Welzijn zijn verschillende functies, taken en bijbehorende opleidingsniveaus voor werken in peuterspeelzalen en voorscholen gedefinieerd. Ten aanzien van deze kwaliteitsregels zijn de volgende termen van toepassing: ‘beroepskracht’, ‘beroepskracht in opleiding’ en ‘begeleider’. Beroepskracht:Een beroepskracht is degene die werkzaam is bij een peuterspeelzaal of voorschool, die werkzaamheden verricht die zijn opgenomen in de voor de peuterspeelzalen en voorscholen geldende CAO en die beschikt over een voor deze werkzaamheden passende beroepskwalificatie, zoals is beschreven in het functie-/loongebouw van de CAO Welzijn. Een beroepskracht in opleiding volgt een voltijd (BOL) of deeltijd opleiding (BBL) en is daarnaast werkzaam in een peuterspeelzaal of voorschool. Een beroepskracht in opleiding heeft de zelfde status als een begeleider, met uitzondering van een zogenoemde BBL-er (Beroeps Begeleidende Leerweg). Een BBL-er heeft een arbeidsovereenkomst met het leerbedrijf conform de CAO Welzijn en mag na het verwerven van voldoende competenties als beroepskracht ingezet worden conform de voorwaarden in de CAO Kinderopvang. Begeleider: Een begeleider (bijvoorbeeld hulpouder of vrijwilliger) is degene die anders dan een beroepskracht of een beroepskracht in opleiding belast is met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal. 3.2. Taken beroepskrachtIn het Functieboek, behorende bij de CAO Welzijn, worden voor de functie peuterspeelzaalleidster taken genoemd als peuters begeleiden, peuters verzorgen, informatie uitwisselen, licht huishoudelijke taken uitvoeren, materialen beheren, medewerkers begeleiden en de peuterspeelzaal of voorschool beheren. De beroepskrachten (ook in opleiding) in een peuterspeelzaal of voorschool worden leidsters of voluit: peuterspeelzaalleidsters genoemd. De functie van de leidster bestaat uit een aantal taken. In het beroepsprofiel leidster in de peuterspeelzaal of voorschool van het NIZW
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.