Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Amersfoort 2017De raad van de gemeente Amersfoort, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 29 november 216, nummer 5374077; gelet op het bepaalde in: de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, alsmede gelet op artikel 156 van de Gemeentewet; het meerjarig beleidskader sociaal domein 2015 - 2018 gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein Amersfoort van 28 november 2016; overwegende dat: burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Amersfoort 2017 HOOFDSTUK1.BEGRIPSBEPALINGEN EN REIKWIJDTE Artikel1.1Begripsomschrijvingen 1.In de verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en die niet aanzienlijk duurder is dan vergelijkbare producten; Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend; Beperking: aan de persoon verbonden factoren die er toe leiden dat deze niet (volledig) in staat is tot deelnemen aan het maatschappelijke verkeer; Collectieve maatwerkvoorziening: een maatwerkvoorziening die door meerdere personen tegelijk kan worden gebruikt; Dagactiviteit: dagbesteding in groepsverband als structurele tijdsbesteding met een doel dat gericht is op zelfredzaamheid en participatie van de cliënt dan wel op het ontlasten van de mantelzorger; Begeleiding: individuele begeleiding gericht op het versterken, bevorderen of behouden van de zelfredzaamheid van de cliënt; Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten die een leefeenheid vormen; Huisgenoot: de persoon met wie de cliënt duurzaam een gezamenlijk huishouden voert; Huishoudelijke hulp: het in overwegende mate overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van de cliënt dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort voor zover de huisgenoten naar oordeel van het college geen gebruikelijke hulp kunnen bieden; Hulpvraag: de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, niet zijnde informatie en advies waarvoor een melding wordt gedaan; Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven staat of zal staan. Indien de cliënt met een briefadres in de BRP ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres; Instelling: volgens de Wet toelating zorginstellingen, een ziekenhuis of kleinschalig wooninitiatief als bedoeld in de Regeling langdurige zorg of een organisatie die maatschappelijke ondersteuning, waaronder beschermd wonen, biedt in een door het college goedgekeurde accommodatie; Leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waarmee de cliënt gemeenschappelijk een woning bewoont en gezamenlijk een huishouden voert; Nadere regels: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van deze verordening nadere regels zijn gesteld; Normale gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook de toegang tot de woning. Daaronder kan onder omstandigheden tevens de berging, de toegang tot tuin of balkon van de woning worden verstaan; Ondersteuningsplan: het door de cliënt, in overleg met de aanbieder op te stellen plan over de ondersteuningstaken die worden geleverd voor het realiseren van het resultaat zoals opgenomen in het plan van aanpak; Persoonsgebonden budget (PGB): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; Plan van Aanpak: het verslag van het onderzoek na de melding als bedoeld in de wet; Spoedeisend geval: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt; Uitvoeringsplan PGB: een plan opgesteld door (of namens) de cliënt waaruit blijkt dat de besteding van het PGB voldoet aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening zonodig aangevuld met voorwaarden die daar naar oordeel van het college aan gesteld mogen worden; Vervoersvoorziening: een voorziening, al dan niet gemotoriseerd, waarmee de cliënt zich in zijn leefomgeving kan verplaatsen; Voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling op grond waarvan de cliënt een beroep kan doen met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Onder omstandigheden van het individuele geval kan daar ook een privaatrechtelijke regeling onder worden verstaan; Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Woning: een woonruimte welke volgens algemeen maatschappelijk aanvaarde maatstaven bestemd en geschikt is voor permanente bewoning en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Hieronder begrepen een woonschip en een woonwagen, mits bestemd én nog tenminste vijf jaar geschikt voor permanente bewoning; Woonvoorziening: een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik in de woning. 2.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de wet) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel1.2Reikwijdte verordening 1.Deze verordening heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning, ten behoeve van ingezetenen van de gemeente Amersfoort. 2.Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Amersfoort. 3.In afwijking van het eerste lid geldt voor de maatschappelijke ondersteuning in de vorm van beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang voor iedere ingezetene van Nederland die zich voor deze ondersteuning tot het college wendt. HOOFDSTUK2.PROCEDUREGELS Artikel2.1De melding van de hulpvraag 1.Een hulpvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college worden gemeld. 2.Het college bevestigt de ontvangst van een hulpvraag schriftelijk of per e-mail. Daarbij wijst het college op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan. 3.In spoedeisende gevallen treft het college na de melding als bedoeld in het eerste lid onverwijld tijdelijk een maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomsten van het gesprek als bedoeld in artikel 2.4 van de verordening. 4.Onder een hulpvraag als bedoeld in het eerste lid wordt tevens verstaan een verzoek om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening. Artikel2.2Cliëntondersteuning en persoonlijk plan 1.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2.Het college wijst de cliënt en zijn eventuele mantelzorger na de melding maar in ieder geval voorafgaande aan het gesprek als bedoeld in artikel 2.4 van de verordening op de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van cliëntondersteuning. 3.Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.4 van de verordening. Artikel2.3Informatie en identificatie 1.De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 2.Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 van de verordening, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 3.Het college is tevens bevoegd de identiteit van de vertegenwoordiger of mantelzorger van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel2.4Het onderzoek 1.Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, zijn mantelzorger en/of personen uit zijn sociale netwerk. 2.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, zijn rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt indien nodig om toestemming voor het verwerken of het uitwisselen van zijn persoonsgegevens. 3.De onderwerpen van artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid. Daarnaast wordt het eventuele persoonlijk plan en het verzoek om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening betrokken bij het onderzoek. 4.Als de ondersteuningsbehoefte genoegzaam bekend is bij het college, kan (alleen) in overeenstemming met de cliënt worden afzien van een gesprek. Artikel2.5Plan van aanpak na het onderzoek 1.Het college stelt na het onderzoek een plan van aanpak op waarbij rekening wordt gehouden met het eventuele persoonlijk plan en het verzoek om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening en verstrekt dat in tweevoud aan de cliënt. 2.Het college betrekt bij het plan van aanpak zonodig ook de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger. 3.Opmerkingen of aanvullingen van de cliënt op het plan van aanpak kunnen aan het plan van aanpak worden toegevoegd. Artikel2.6De aanvraag 1.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening en een tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij dat niet is uitgevoerd binnen zes weken na de melding van de hulpvraag of van een gesprek is afgezien als bedoeld in artikel 2.4, vierde lid, van de verordening. 2.In afwijking van het vorige lid kan het college een ondertekend plan van aanpak als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening, voorzien van de NAW-gegevens van de cliënt, aanmerken als aanvraag. 3.Het college is bevoegd de beslistermijn als bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet op te schorten indien voor de beoordeling van de aanspraak op, dan wel welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage kan leveren een deskundigenadvies nodig is. Bij een aanvraag voor een tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening handelt het college overeenkomstig dit lid. 4.De bevoegdheid als bedoeld in het vorige lid is ook van toepassing indien de cliënt geen of onvoldoende gegevens, die nodig zijn voor de beoordeling van de aanspraak, heeft verstrekt als bedoeld in artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. Artikel2.7Advisering bij melding of aanvraag 1.Het college kan om deskundigenadvies vragen voor zover dit van belang is voor het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag waaronder inbegrepen het in staat zijn van het bieden van gebruikelijke hulp. 2.Het college is bevoegd om de cliënt of in geval van gebruikelijke hulp zijn huisgenoten uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip voor een onderzoek door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. 3.De cliënt dan wel zijn huisgenoot verleent zijn medewerking aan het onderzoek als bedoeld in het eerste lid voor zover die redelijkerwijs kan worden gevergd. Artikel2.8Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als PGB wordt verstrekt. De beschikking is mede gebaseerd op het plan van aanpak. Het eventueel opgestelde ondersteuningsplan maakt integraal onderdeel uit van de beschikking. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is; wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; hoe de maatwerkvoorziening wordt verstrekt. 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: wat de hoogte van het PGB is en hoe hiertoe is gekomen; wat de duur is van de verstrekking waarvoor het PGB is bedoeld. 4.Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. HOOFDSTUK3.BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK Artikel3.1Algemene criteria maatwerkvoorziening 1.Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Amersfoort kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen,kan verminderen of wegnemen. 2.De maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid levert, rekening houdend met het plan van aanpak als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening en voor zover aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt voldoende en op aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen leefomgeving kan blijven. 3.Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen,kan verminderen of wegnemen. 4.De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid levert, rekening houdend met het plan van aanpak als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening en voor zover aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt voldoende en op aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht op verantwoorde wijze te handhaven in de samenleving. Artikel3.2Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning 1.Het college kan maatschappelijke ondersteuning verlenen als collectieve – en/of individuele maatwerkvoorziening. Daarbij ligt het primaat bij de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. 2.Het college kan een maatwerkvoorziening kortdurend verlenen indien de cliënt of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd leerbaar zijn. De maatschappelijke ondersteuning is gericht op het versterken, verbeteren of behouden van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Artikel3.3Specifieke criteria maatwerkvoorzieningen 1.Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover: deze noodzakelijk is om de cliënt in aanvaardbare mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; deze als goedkoopst passende bijdrage is aan te merken; deze in overwegende mate op de cliënt is gericht. 2.Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien: de beperkingen van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening kunnen worden opgelost dan wel verminderd; een maatwerkvoorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verleend en daarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verleende voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf of met hulp van anderen voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in diens zelfredzaamheid en participatie. de cliënt, gelet op de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning, aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. HOOFDSTUK4.MAATWERKVOORZIENINGEN Artikel4.1Dagactiviteit, vervoer en begeleiding 1.Het college kan een maatwerkvoorziening verlenen in de vorm van dagactiviteit welke gericht is op: het bieden van arbeidsmatige ondersteuning aan cliënten die (nog) niet over arbeidsvermogen beschikken; op het aanbrengen van structuur, bevorderen van sociale participatie; het ontlasten van de mantelzorger. 2.Onder dagactiviteit valt tevens het noodzakelijke vervoer inclusief de eventuele begeleiding zodat de cliënt gebruik kan maken van de dagactiviteit. Het vervoer als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval noodzakelijk geacht indien: de cliënt niet in staat is zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, de dagbesteding te bereiken of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen; de cliënt niet met beschikbare hulp van personen uit diens sociale netwerk of vrijwilligers kan reizen of op een andere manier door hen kan worden begeleid. 3.Het college kan een maatwerkvoorziening verlenen in de vorm van begeleiding welke gericht is op: het verrichten van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen; het voeren van een gestructureerd huishouden. Artikel4.2Huishoudelijke hulp 1.Het college kan een maatwerkvoorziening verlenen in de vorm van huishoudelijke hulp. Daarbij houdt het college rekening met de mate waarin de cliënt het vermogen heeft om huishoudelijke taken te organiseren. 2.Huishoudelijke hulp is gericht op het bereiken van de volgende resultaten: een schoon en leefbaar huis; het beschikken over schone en draagbare, zo nodig opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed, indien (medisch) noodzakelijk gestreken; het bereiden of klaarzetten en zonodig aanreiken van maaltijden; beschikken over boodschappen voor het dagelijks leven; het thuis zorgen voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren (die niet voor zich zelf kunnen zorgen); de organisatie van het huishouden. 3.Huishoudelijke hulp gericht op het schoonhouden van de woning wordt slechts geboden voor zover dit betrekking heeft op de ruimten die gericht zijn op het normale gebruik van de woning. Artikel4.3Respijtverblijf in een instelling 1.De cliënt kan slechts in aanmerking komen voor respijtverblijf in een instelling indien: dit noodzakelijk is om de mantelzorger te ontlasten; en de cliënt in dat geval aangewezen is op ondersteuning welke gepaard gaat met het overnemen van (permanent) toezicht; en dagactiviteit en/of begeleiding al dan niet aangevuld met geneeskundige zorg als bedoeld in de Zorgverzekeringswet niet als passende bijdrage kan worden aangemerkt. 2.Het respijtverblijf in een instelling bedraagt maximaal 36 etmalen per kwartaal. Het college kan het respijtverblijf ook voor een aaneengesloten periode per kalenderjaar verlenen. Artikel4.4Ondersteuning bij het wonen 1.Het college kan een maatwerkvoorziening verlenen gericht op ondersteuning bij het wonen in de vorm van: woonvoorzieningen; hulpmiddelen om zich in en om de woning te verplaatsen. 2.Woonvoorzieningen worden slechts geboden indien deze zijn gericht op het kunnen gebruiken van de noodzakelijke gebruiksruimte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.