Beleidsregels voor bestuurlijke boeten bij de heffing van gemeentelijke belastingen Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel; gelet op de Algemene wet inzake rijksbelastingen hoofdstuk VIIIA, artikel 231, eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel a. van de Gemeentewet en gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht. b e s l u i t : vast te stellen de volgende: beleidsregels voor bestuurlijke boeten bij de heffing van gemeentelijke belastingen. Artikel1Reikwijdte 1.De regeling voor het opleggen van bestuurlijke boeten bevat beleidsregels voor het opleggen van bestuurlijke boeten bij de heffing van gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten waarop de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) van toepassing is. 2.Het bepaalde in deze regeling is van toepassing op aangiftebelastingen, die betrekking hebben op tijdvakken en tijdstippen die aanvangen onderscheidenlijk liggen op of na de inwerkingstredingsdatum van deze regeling. Artikel2Begrip belanghebbende Onder de belanghebbende wordt voor de toepassing van dezeregeling verstaan degene aan wie een boete is of kan worden opgelegd. Artikel3Toerekening Een handeling of nalatigheid van een derde die voor of namens de belanghebbende optreedt, wordt aan de belanghebbende toegerekend. Artikel4Verzuimboete Indien de belanghebbende de aangifte voor de hondenbelasting, rioolheffing of logiesbelasting niet dan wel niet tijdig heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de heffingsambtenaar hem een verzuimboete oplegt. De heffingsambtenaar legt geen boete op bij afwezigheid van alle schuld. Indien bij bezwaar blijkt dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld, vernietigt de heffingsambtenaar de boete. De belanghebbende dient afwezigheid van alle schuld te stellen en te bewijzen. Artikel5Gelijktijdigheid 1.De vaststelling van een belastingaanslag en de vaststelling van een met deze belastingaanslag samenhangende boetebeschikking vinden in beginsel gelijktijdig plaats. 2.Een afzonderlijke boetebeschikking wordt gegeven in de gevallen waarin een boete kan worden opgelegd terwijl geen belasting verschuldigd is, dan wel geen belastingaanslag wordt of kan worden vastgesteld. Artikel6Ambtshalve vermindering 1.Indien de belanghebbende niet meer in rechte tegen een hem opgelegde boete op kan komen, gaat de heffingsambtenaar na ontvangst van een verzoek om ambtshalve vermindering na of de boete tot de juiste hoogte is vastgesteld. Indien het de heffingsambtenaar blijkt dat de boete op een te hoog bedrag is vastgesteld, vermindert hij de boete. 2.De termijn waarbinnen de belanghebbende kan verzoeken om vermindering van de boete bedraagt drie jaar, te rekenen vanaf de dag na het onherroepelijk worden van de boetebeschikking. 3.De heffingsambtenaar vermindert in elk geval ambtshalve een opgelegde boete indien deze als gevolg van een wijziging van de grondslag voor de berekening van de boete voor verlaging in aanmerking komt. Artikel7Karakter boete 1.Het opleggen van een boete is aan te merken als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 2.De aan de belanghebbende, in verband met het opleggen van boeten, toekomende waarborgen gelden, met uitzondering van het inzagerecht, vanaf het tijdstip waarop de heffingsambtenaar jegens de belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een boete is of zal worden opgelegd. Artikel8Straftoemeting Bij het opleggen van de boete gaat de heffingsambtenaar uit van de percentages of bedragen, vermeld in artikel 17 van deze beleidsregels. Aangezien het opleggen van een boete een vorm van straftoemeting is, houdt de heffingsambtenaar vervolgens in voorkomende gevallen rekening met omstandigheden als bedoeld in de artikelen 17 en 18 van deze beleidsregels. Artikel9Redelijke termijn Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM kan aanleiding zijn tot vermindering van de boete, dan wel in uitzonderlijke gevallen tot het vervallen van de boete. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet onder meer worden gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van de belanghebbende en de wijze waarop de heffingsambtenaar de zaak behandelt. Artikel10Beperking van de informatieverplichtingen (artikel 67j van de Awr) Indien de heffingsambtenaar jegens de belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem een boete zal worden opgelegd, is de belanghebbende niet langer verplicht ter zake van dit gedrag een verklaring af te leggen, voor zover het de boeteoplegging betreft. Het niet verstrekken van de uitsluitend met het oog op de boeteoplegging gevraagde inlichtingen en gegevens leidt niet tot omkering van de bewijslast. Artikel11Recht op inzage (artikel 67m van de Awr) Het aan de belanghebbende in artikel 67m van de Awr toegekende recht op inzage geldt vanaf het moment waarop de heffingsambtenaar de belanghebbende heeft medegedeeld dat hem een boete is opgelegd. Indien het voornemen tot het opleggen van een boete (mede) berust op gegevens over derden worden de desbetreffende bescheiden, voor zover mogelijk, geanonimiseerd. Artikel12Mededelingsplicht (artikel 67g van de Awr) 1.De in artikel 67g, tweede lid, van de Awr bedoelde mededeling geschiedt schriftelijk. 2.Bij het opleggen van een boete vermeldt de mededeling het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de boete alsmede de voor de berekening van de boete gehanteerde uitgangspunten. 3.In voorkomende gevallen dient de mededeling tevens de bijzondere omstandigheden te vermelden van artikel 17 of 18 van deze regeling die tot een vermindering van de boete hebben geleid. Artikel13Begrijpelijke taal (artikel 67g, derde lid van de Awr) Indien de heffingsambtenaar weet dat de belanghebbende noch zijn gemachtigde de Nederlandse taal voldoende begrijpt, vult hij de mededeling aan met een vertaling daarvan, althans een korte weergave in een voor de belanghebbende of zijn gemachtigde begrijpelijke taal. Artikel14Termijnoverschrijding Indien de belanghebbende niet binnen de in de wet gestelde termijn in bezwaar is gekomen tegen de boete en hij gemotiveerd stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem of zijn gemachtigde kan worden toegerekend, verklaart de heffingsambtenaar hem ontvankelijk in zijn bezwaar, tenzij de heffingsambtenaar aantoont dat deze stelling van de belanghebbende niet juist is. Artikel15Overlijden van belanghebbende (artikel 67i van de Awr) Indien de heffingsambtenaar binnen drie jaar na het tijdstip van overlijden van de belanghebbende daarvan op de hoogte raakt en hem geen verzoek heeft bereikt om de boetebeschikking te vernietigen, dan wel de boete te verminderen, past hij artikel 67i, tweede en derde lid, van de Awr ambtshalve toe. Artikel16Kennisgeving hoorplicht (artikel 67k van de Awr) 1.De kennisgeving van het voornemen een boete op te leggen en van de gronden waarop dat voornemen berust, geschiedt schriftelijk. 2.De heffingsambtenaar geeft de belanghebbende een redelijke termijn waarbinnen hij de aangevoerde gronden kan betwisten. 3.Indien de belanghebbende de in de kennisgeving aangevoerde gronden mondeling wenst te betwisten, wordt hij door de heffingsambtenaar gehoord. 4.Artikel 13 van deze regeling is van overeenkomstige toepassing. Artikel17Hoogte boete 1.Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte voor de hondenbelasting, rioolheffing of logiesbelasting, wordt geen onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede, derde, vierde en volgend verzuim. 2.In geval van een verzuim wordt een boete van 25% van het bedrag van aanslag opgelegd. 3.De verzuimboete zal minimaal € 25,- bedragen en maximaal € 5.278,-. Artikel18Wanverhouding/Verzachtende omstandigheden Tot de omstandigheden welke aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op te leggen of opgelegde boete, alsmede omstandigheden die hebben geleid tot het verzuim als bedoeld in artikel 4 van deze regeling, maar buiten de directe invloedssfeer van de belanghebbende liggen. Artikel19Financiële omstandigheden Zowel bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid als voor de mate waarin de boete de belanghebbende treft, kunnen de financiële omstandigheden van de belanghebbende een rol spelen. Een beroep op financiële omstandigheden kan slechts in bijzondere gevallen tot matiging dan wel vermindering van de boete leiden. Artikel20Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels inzake bestuurlijke boeten in belastingzaken
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.