Subsidieverordening voor het stads- en dorpsvernieuwingfonds van de gemeente TholenDe raad van de gemeente Tholen;overwegende, dat per 1 januari 1994 de provinciale Verordening voor het stads- en dorpsvernieuwingfonds Zeeland van kracht is geworden, waarin is bepaald dat 50% van de jaarlijks door het rijk uit te keren bijdrage uit het stadsvernieuwingsfonds rechtstreeks beschikbaar wordt gesteld aan gemeenten;dat in het kader van het nieuwe stads- en dorpsvernieuwingbeleid per 1994 met de provincie is overeengekomen dat elke gemeente (ten minste) één Verordening particuliere woningverbetering vaststelt, waarvan de uitvoering tevens bij de gemeenten ligt;overwegende, dat in verband met de invoering van de euro per 1 januari 2002 de daarvoor in aanmerking komende verordeningen aangepast moeten worden;overwegende, dat het de voorkeur geniet dat wijzigingen op verordeningen integraal worden opgenomen in de verordeningen, zodat deze bij de publicatie via internet goed leesbaar zijn;b e s l u i t : tot intrekking van de Subsidieverordening voor het stads- en dorpsvernieuwingfonds van de gemeente Tholen bij raadsbesluit van 27 juni 1994; tot vaststelling van de navolgende verordening 'Subsidieverordening voor het stads- en dorpsvernieuwingfonds van de gemeente Tholen'. Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: Activiteit: iedere activiteit van een natuurlijk of rechtspersoon die in het belang is van de stadsvernieuwing en gelegen in het gebied van de bebouwde kom van voor
(1979): "Investeringskosten van gebouwen". Deze omvatten een omschrijving van de grondkosten, de bouwkosten, de inrichtingskosten en de bijkomende kosten. De bijkomende kosten hebben onder meer betrekking op voorbereidings- en begeleidingskosten. De subsidiabele kosten omvatten uitsluitend de kosten die te maken hebben met het treffen van voorzieningen aan het casco van de woning. De subsidiabele kosten zullen het niveau van een sobere en doelmatige uitvoering niet te boven gaan. De definitie in de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing luidt: "Onder stadsvernieuwing wordt verstaan de stelselmatige inspanning, zowel op stedenbouwkundig als op sociaal, economisch en milieuhygiënisch gebied, gericht op behoud, herstel, verbetering, herindeling of sanering van bebouwde gedeelten van het gemeentelijk grondgebied". De definitie van de wet is zodanig geformuleerd dat alle gangbare stadsvernieuwingsactiviteiten hier- onder kunnen vallen. Onderhoud en beheer van woningen en woonomgeving vallen uitdrukkelijk niet onder het begrip van stadsvernieuwing. De gemeenteraad kan de werkingssfeer van deze verordening naar gebied en bereik beperken door het aanwijzen van stadsvernieuwingsgebieden. Tweede woningen en recreatiewoningen kunnen niet voor subsidie in aanmerking komen. Artikel 2 Dit artikel is gebaseerd op artikel 41 van de wet. Het besluit betreft het zogenaamde "volumebesluit" of "verdeelbesluit" waarin de gemeenteraad aangeeft of en hoeveel geld hij ten behoeve van verschillende activiteiten (in de wet "sectoren van de samenleving" genoemd) ter beschikking stelt. De gemeenteraad kan daarnaast in enig begrotingsjaar de bijdrage voor een onderdeel van deze verordening op nul stellen. Aanvragen voor dat onderdeel worden dan niet in behandeling genomen. Onder de aan te wijzen activiteiten wordt onder meer verstaan: het verbeteren van door de eigenaar bewoonde woningen; het restaureren van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden; het rehabiliteren van woonwijken, verplaatsen of beëindigen van een bedrijf; het saneren van een milieuhinderlijk bedrijf; bijdragen in de verhuis- en herinrichtingskosten; overige door de gemeenteraad aan te wijzen activiteiten. De keuze van de aan te wijzen activiteiten wordt mede bepaald door de provinciale Subsidieverordening voor de stads- en dorpsvernieuwing. In ieder geval moeten op grond van de wet de bewoners van eigen woningen worden genoemd. Artikel 5 Dit artikel draagt de uitvoering van de verordening op aan burgemeester en wethouders. Wat het belang van de stadsvernieuwing is, is ter beoordeling van de gemeenteraad zolang de van de provincie ontvangen middelen maar binnen de definitie van de stadsvernieuwing worden besteed. Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om andere middelen die kunnen worden verkregen voor hetzelfde doel in mindering te brengen op de bijdrage op grond van deze verordening uit het stadsvernieuwingsfonds, bijvoorbeeld provinciale middelen voor restauratie van monumenten. Ook verzekeringspenningen die voor hetzelfde doel verkregen kunnen worden, kunnen hiertoe gerekend worden. Het artikel biedt een mogelijkheid zonder dat deze dwingend voorgeschreven wordt ("rekening houden met"). De stadsvernieuwingsbijdrage is sluitpost in de financiering. Indien andere middelen kunnen worden verkregen, gaan deze voor. Artikel 6 Aanhouding van een aanvraag kan plaatsvinden indien op grond van artikel 2 het deelbudget als gevolg van toekenning overschreden zou worden en het plan overigens wel aan de criteria voldoet. Indien een aanvraag past binnen de prioriteiten kan het in het belang van de stadsvernieuwing zijn om de aanvraag aan te houden. De aanvraag hoeft dan niet opnieuw gedaan te worden, maar wordt op een later moment beoordeeld. Om te voorkomen dat de aanvraag keer op keer aangehouden wordt, is bepaald dat aanhouding slechts eenmaal kan plaatsvinden. Daarna wordt hij afgewezen of gehonoreerd. Dit lid is van toepassing voor bijvoorbeeld monumenten die niet in aangewezen stadsvernieuwingsgebieden gelegen zijn maar wel behoudenswaard zijn of voor bewonersondersteuning in stadsvernieuwingsgebieden. Artikel 7 Deze hardheidsclausule is opgenomen omdat zich omstandigheden kunnen voordoen waarbij toepassing van de verordening tot onbillijkheden kan leiden. Om deze reden moet van de verordening kunnen worden afgeweken. Deze afwijkingen kunnen zowel in het voordeel als in het nadeel van de aanvrager zijn. Van deze clausule kan incidenteel ook gebruik worden gemaakt indien spoedshalve met de werkzaamheden moet worden begonnen en de subsidie nog niet is verleend. Artikel 8 De verordening gaat uit van het verbeteren van matige en slechte woningen binnen de bebouwde kom van voor 1971 volgens de Kwalitatieve woningregistratie. Op basis van de provinciale verordening wordt uitgegaan van casco-verbeteringen. Tot bouwkundige voorzieningen aan het casco zijn onder meer te rekenen: verbeteren van fundering; herstel dragende muren, gevels, buitenkozijnen met ramen en deuren; herstel vloerconstructies; dakconstructie inclusief dakbedekking en dakkapellen; rookkanalen, binnen- en buitendaks; riolering; buitenschilderwerk, alleen in samenhang met de punten 2 en
- Artikel 10 Op grond van artikel 5, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders subsidie verlenen indien dat in het belang van de stadsvernieuwing noodzakelijk is. Daartoe wordt gerekend de verbetering van matige en slechte eigen woningen. Onder verbetering wordt in deze verordening alleen verstaan het opheffen van bouwtechnische achterstanden. Artikel 11 De verordening gaat uit van woningen ouder dan veertig jaar. Hierbij is afgeweken van de gebruikelijke leeftijdsgrens van
- Gekozen is voor veertig jaar om ook de bebouwing die te lijden heeft gehad van de Watersnoodramp van 1953 binnen de regeling te brengen. De eis heeft betrekking op de gevel en het dak, ook als de aanvraag om geldelijke steun betrekking heeft op andere onderdelen van de woning. Dezelfde eis geldt namelijk ook voor huurwoningen indien daaraan ingrijpende voorzieningen worden getroffen en maakt onderdeel uit van het convenant dat rijk, woonbond en sociale verhuurders in september 1992 sloten. Wij menen dat in het belang van het milieu deze eis ook voor woningverbetering in het kader van de stadsvernieuwing moet gelden en past binnen het milieuwerkplan van de gemeente Tholen. Met deze eis wordt voorkomen dat subsidie wordt verstrekt voor woningen die binnen een periode van tien jaar gesloopt moeten worden of die op basis van een gemeentelijk plan een andere bestemming zullen krijgen. Artikel 12 Als grens voor de minimale kosten is een bedrag van € 6.806,70 (exclusief b.t.w.) gekozen. Het betreft de door burgemeester en wethouders goedgekeurde subsidiabele kosten (aannemersprijzen). De maximale grens is vastgesteld op € 34.033,52 (exclusief b.t.w.). Daarboven vervalt het recht op subsidie (ook als bij de gereedmelding blijkt dat de kosten hoger zijn). Deze eis is een ruimtelijke vertaling van het begrip doelmatigheid. Woningen groter dan 125 m2 zijn te luxe in het kader van de stadsvernieuwing. Uitzonderingen kunnen zich voordoen in kleine kernen waarbij het voor de leefbaarheid van belang is dat een goede woning in stand blijft voor bewoning. Als minimumniveau is gekozen voor het Bouwbesluit, bestaande woningen. Burgemeester en wethouders beoordelen de kosten- kwaliteitverhouding van de ingreep zelf, maar beoordelen daarnaast ook of de kosten van de ingreep in verhouding staan tot de waarde van de woning. Artikel 13 Dit artikel bevat de beoordelingscriteria om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Op geformuleerde weigeringgronden zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing (afdeling 3.2 Algemene wet bestuursrecht: zorgvuldigheid en belangenafweging): Wat onder "het belang van de stadsvernieuwing" verstaan wordt, is gedefinieerd in artikel 1, onder g. De subsidiabele kosten zullen het niveau van een sobere en doelmatige uitvoering niet te boven gaan. Als algemene eis geldt dat noodzakelijke vergunningen zijn verleend. In de verordening is de eis opgenomen dat het bouwplan sober en doelmatig is (artikel 13, onder b) en dat de woning na het treffen van de voorzieningen voldoet aan het Bouwbesluit, bestaande woningen. Om te voorkomen dat verleende subsidies pas na lange tijd besteed kunnen worden of zelfs in het geheel niet besteed kunnen worden, is de voorwaarde opgenomen dat de noodzakelijke vergunningen zijn verleend. Daarbij kan gedacht worden aan de bouwvergunning, de milieuvergunningen of een vergunning op grond van de Monumentenverordening. Deze vergunningen worden eveneens door de gemeente verleend en behoeven niet bij de aanvraag te worden meegestuurd. Indien geen vergunning zal worden verleend, is het niet zinvol subsidie te verlenen. Er mag niet met de werkzaamheden worden begonnen voordat burgemeester en wethouders hebben ingestemd met de aanvraag om geldelijke steun tenzij zij daar afzonderlijk en schriftelijk toestemming voor hebben verleend. Artikel 14 In algemene zin bepaalt de Algemene wet bestuursrecht dat de aanvrager de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing nodig zijn. In de afzonderlijke artikelen en op de door de gemeente te verstrekken formulieren wordt een specificatie gegeven van gegevens die in elk geval moeten worden verstrekt. Ze hebben onder meer betrekking op de eigendomssituatie, de bouw- en woontechnische toestand van de woning, de offerte van de aannemer en de afrekeningen. Artikel 15 De afwijkingen van het bouwplan zijn slechts mogelijk met toestemming van burgemeester en wethouders. Artikel 3 van het Vestigingsbesluit bouwnijverheidbedrijven bepaalt dat aannemersbedrijven bij de Kamer van Koophandel moeten zijn ingeschreven. Deze termijn is ten opzichte van de thans geldende subsidieverordening ruimer geformuleerd in verband met het beoogde integrale karakter van de woningverbetering. Artikel 16 Ook de Woningwet maakt controle op de bouwplaats mogelijk. Deze controle beperkt zich tot hetgeen krachtens de bouwvergunning is bepaald. De hier bedoelde controle is breder en richt zich op de naleving van de subsidievoorwaarden. Artikel 18 Er is voor gekozen om de gereedmelding tevens de aanvraag tot betaling te laten zijn. Op de gereedmelding volgt de toets aan de subsidievoorwaarden en vervolgens vaststelling van de hoogte van de steun. De gereedmelding en het verzoek tot vaststellen en betalen van de subsidie zijn door artikel 19, tweede lid, aan elkaar gekoppeld. Artikel 19 De vaststelling (van de hoogte van de geldelijke steun) volgt op de gereedmelding en is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Om te voorkomen dat ieder uitgevoerd plan gedetailleerd moet worden gecontroleerd, is ervoor gekozen om een verklaring te geven dat aan de voorwaarden is voldaan. Indien later alsnog zou blijken dat dit niet het geval is, kan betaalde subsidie worden teruggevorderd. Deze bepaling heeft onder meer betrekking op niet goedgekeurde afwijkingen van het bouwplan. Artikel 21 Op grond van de provinciale verordening wordt uitgegaan van cascoverbeteringen. Wij huldigen de opvatting dat het van groot belang is dat het casco van een woning goed moet zijn. Daarom hechten wij eraan dat alle aan het casco te treffen voorzieningen worden uitgevoerd door een aannemingsbedrijf. De andere uit te voeren voorzieningen, welke niet subsidiabel zijn en verbeteringen van het woongerief tot gevolg hebben, mogen wel in zelfwerkzaamheid worden uitgevoerd. Artikel 22 Het vooruitbetalen van een deel van de subsidie kan, indien geen andere financieringsmogelijkheden beschikbaar zijn, een stimulans zijn voor belanghebbenden om een aanvraag in te dienen dan wel mede te werken aan de stadsvernieuwing. Zowel de beschikking tot verlenen als de beschikking tot vaststelling kan worden ingetrokken als niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Een verleend voorschot moet dan worden terugbetaald. Artikel 23 Het onderscheid tussen het eerste en tweede lid betreft de verwijtbaarheid. Indien er geen sprake is van verwijtbaarheid wordt de subsidie vastgesteld op grond van de juiste gegevens. Is er wel sprake van verwijtbaarheid dan kunnen burgemeester en wethouders het gehele bedrag terugvorderen met vergoeding van de wettelijke rente. Het derde lid zorgt ervoor dat de subsidieverplichting vervalt indien de activiteit waarvoor geldelijke steun werd gevraagd en verleend geen doorgang vindt. Artikel 24 Fasering van de werkzaamheden kan om verschillende redenen wenselijk zijn. Indien de werkzaamheden gefaseerd worden uitgevoerd, noemen burgemeester en wethouders tevens de nieuwe termijnen voor aanvang en gereedmelding van de werkzaamheden en van de aanvang van de verschillende fasen. Fasering van de werkzaamheden is ook zonder uitdrukkelijke toestemming van burgemeester en wethouders geoorloofd, zolang de termijn van drie jaar voor gereedmelding niet wordt overschreden. De nieuwe termijnen behelzen zowel de termijn start werkzaamheden, als de gereedmeldingstermijn. Hierbij kan gedacht worden aan de voorwaarde dat de belangrijkste werkzaamheden in de eerste fase worden uitgevoerd. Artikel 25 Dit is opgenomen om de uitvoering van de regeling zo efficiënt mogelijk te laten zijn. Het gaat hierbij slechts om regels die de uitvoering van de verordening vergemakkelijken. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op te hanteren formulieren. Afwijking van de regels is slechts bij uitzondering mogelijk en moet bij de aanvraag om geldelijke steun worden gemotiveerd. Artikel 27 Jaarlijks kunnen de bedragen aanpassing behoeven, bijvoorbeeld vanwege de inflatie. De mogelijke aanpassingen betreffen onder meer: minimale en maximale investeringsgrenzen; maximale subsidie. Artikel 28 - Verhuis- en herinrichtingskosten De bijdrage kan uitsluitend ten behoeve van bewoners van huurwoningen worden uitgekeerd. De bijdrage is bedoeld ter stimulering van de woningverbetering. Is eenmaal een bijdrage voor verhuizen verleend, dan is het niet doelmatig om voor dezelfde woning aan de opvolgende huurder wederom een bijdrage te verlenen. De opvolgende bewoner weet immers dat de woning verbeterd gaat worden. Daarom is bepaald dat de huurder ten minste één jaar onafgebroken in de woning moet hebben gewoond. Centraal staat de mate van overlast die de huurder ondervindt indien aan zijn woning voorzieningen worden getroffen. Artikel 29 De bijdrage wordt verstrekt aan huurders van woningen waaraan voorzieningen worden getroffen of die in het belang van de stadsvernieuwing moeten worden gesloopt. Andere bijdragen, met name van de verhuurder, kunnen van de steun worden afgetrokken. De volgorde is dus: eerst de eigenaar (de verhuurder), dan de overheid. Om voor een bijdrage in aanmerking te komen, moet er duidelijk stadsvernieuwingsbelang aan de orde zijn. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen sociale verhuurders en particuliere verhuurders. Beslissend is of er een stadsvernieuwingsbelang bij de steunverlening gemoeid is. Artikel 32 De huurders kunnen onder meer de verhuurder machtigen om namens hen een aanvraag in te dienen. Artikel 33 Het tijdvak van één jaar is gekozen omdat in een periode korter dan een jaar bekend zal zijn dat aan een woning werkzaamheden plaats gaan vinden. In dat geval dienen huurder en verhuurder zelf een afweging te maken. Artikel 34 Centraal staat de mate van overlast die de huurder ondervindt bij het treffen van voorzieningen. Bij verhuis- en herinrichtingskosten gaat het om maximale bedragen. Liggen de daadwerkelijke kosten lager, dan wordt een bedrag verstrekt gelijk aan de werkelijke kosten. Artikel 35 De momenten van betaling zijn zodanig gekozen dat deze zo dicht mogelijk liggen bij het moment dat de kosten door de huurder worden gemaakt. De bijdrage kan aan de verhuurder betaald worden indien deze de aanvraag gedaan heeft als bedoeld in artikel 32, tweede lid. Burgemeester en wethouders machtigen in dat geval de verhuurder tot betaling aan de huurders. De voorwaarden van deze verordening blijven van kracht. Indien er sprake is van een medehuurder, en de medehuurder een deel van de huur betaalt, kan aan de medehuurder een overeenkomstig aandeel van de uit te keren geldelijke steun worden uitbetaald. De hoogte van de bijdrage wordt berekend op basis van artikel
- De uit te betalen steun wordt verdeeld naar rato van het aandeel in de huur en de overige betalingsverplichtingen.