Algemene plaatselijke verordening Bloemendaal 2017De raad van de gemeente Bloemendaal; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 november 2016 besluit: de Algemene plaatselijke verordening Bloemendaal 2017 vast te stellen, zoals hieronder opgenomen: Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b. weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn. bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening Bloemendaal 2012. gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. muilkorf: muilkorf ingericht naar een model dat beantwoordt aan de volgende beschrijving: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rond de hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is ingericht, dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel1.2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. 3.Bij de inwerkingtreding van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is die paragraaf niet van toepassing vanwege dwingende redenen van algemeen belang als bedoeld in de EU-Dienstenrichtlijn op de artikelen 2.9, 2.25, 2.28, 2.29, 2.30, 2.36, 2.39, 2.40, 3.4, 3.5, 3.7, 3.8, 3.13, 3.14, 3.15, 4.3, 5.2, 5.15, 5.18 en 5.44. 4.In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.10, vierde lid, artikel 2.11, artikel 2.12 of artikel 4.11. Artikel1.3Indiening aanvraag (vervallen) Artikel1.4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1.5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1.6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; (het betreffende onderdeel van de corresponderende APV-bepaling uit het VNG-model niet overgenomen); indien de houder dit verzoekt. 2.De vergunning vervalt van rechtswege indien: van de vergunning of ontheffing binnen de daarin gestelde termijn dan wel bij gebreke daarvan binnen één jaar na het onherroepelijk worden daarvan geen gebruik is gemaakt; of gedurende één jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning of ontheffing geen gebruik is gemaakt. Artikel1.7Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1.8Weigeringsgronden 1.De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu; de parkeergelegenheid in de directe omgeving; de verkeersvrijheid en/of veiligheid. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 6 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk2.Openbare orde Afdeling1.Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2.1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2.Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Afdeling2.Betoging Artikel2.2Optochten (gereserveerd) Artikel2.3Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester. 2.De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4.Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel2.4Afwijking termijn (Vervallen; opgenomen in artikel 2.3) Artikel2.5Te verstrekken gegevens (Vervallen; opgenomen in artikel 2.3) Afdeling3.Verspreiden van gedrukte stukken Artikel2.6Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, dan wel te doen verspreiden, dan wel openlijk te doen aanbieden, dan wel met een bepaald belang te doen verspreiden, dan wel met een bepaald belang openlijk te doen aanbieden op of aan door het college aangewezen openbare plaatsen. 2.Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3.Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Afdeling4.Vertoningen e.d. op de weg Artikel2.7Feest, muziek en wedstrijd e.d. (gereserveerd) Artikel2.8Dienstverlening (gereserveerd) Artikel2.9Straatartiest 1.Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen en tijden op of aan de weg als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester op andere dan krachtens het eerste lid aangewezen wegen en tijden als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen. 3.Het tweede lid geldt niet als: met ten hoogste twee personen wordt opgetreden; geen draaiorgels, geluidversterkende apparatuur of slaginstrumenten, zoals trommels, bongo’s en dergelijke worden gebruikt; het optreden niet langer duurt dan een half uur en het optreden niet plaatsvindt tussen 18.00 en 09.00 uur. Afdeling5.Bruikbaarheid en aanzien van de weg Artikel2.10Het plaatsen van voorwerpen op of aan de openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan 1.Het is verboden zonder vergunning van het college de openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien die niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt en de vlag of wimpel zich niet bevindt op minder dan 2,2 meter boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg; zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; standplaatsen als bedoeld in artikel 5.17 terrassen ten behoeve van horecabedrijven, mits: niet breder dan de voorgevel van het gebouw waarbij het terras hoort; een vrije doorgang van minimaal 1,20 meter breedte voor voetgangers, kinderwagens, rolstoelen e.d. gewaarborgd blijft; de tafels en stoelen dagelijks opgeruimd zijn: tussen 23.00 uur en 10.00 uur; op het terras geen muziek ten gehore wordt gebracht of hoorbaar mag zijn afkomstig uit het gebouw waarbij het terras behoort; bij onderhoudswerkzaamheden of werken van openbaar nut het terras binnen 24 uur na eerste aanzegging moet zijn en blijven ontruimd; het terras en de onmiddellijke omgeving in schone toestand worden gehouden; g. uitstallingen ten behoeve van winkels en standplaatsen, mits: niet breder dan de standplaats of de voorgevel van het gebouw waarbij de uitstalling hoort; een vrije doorgang van minimaal 1,20 meter breedte voor voetgangers, kinderwagens, rolstoelen e.d. gewaarborgd blijft; de uitgestalde goederen en voorwerpen opgeruimd zijn voor en na de tijd dat de winkel (of standplaats) geopend is; bij onderhoudswerkzaamheden of werken van openbaar nut de uitstalling binnen 24 uur na eerste aanzegging moet zijn en blijven opgeruimd; de uitstalling en de onmiddellijke omgeving in schone toestand worden gehouden; het maken en hebben van geveltuinen en boomspiegelbeplanting voor zover deze zijn uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften als bedoeld in de ‘Beleidsregels geveltuinen en boomspiegelbeplanting’. 4.Van het hebben van een zonnescherm, terras, uitstalling, geveltuin of boomspiegelbeplanting als bedoeld in lid 3, dient een melding te worden gedaan aan de burgemeester. Daarbij moet worden vermeld: De naam en adres van het bedrijf; De afmeting van het zonnescherm, terras of uitstalling; De indeling en uitvoering van het terras of uitstalling; De periode waarin het zonnescherm, terras of uitstalling zal worden gebruikt. 5.Het college is bevoegd nadere regels te stellen. 6.Het is verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of stoffen te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Van gevaar voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg is in ieder geval sprake indien een vrije doorgang van minimaal 1,20 meter breedte voor voetgangers, kinderwagens, rolstoelen e.d. ontbreekt op het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg. 7.Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is ook van toepassing: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; van gevaar voor het doelmatig en veilig gebruik van de openbare plaats is in ieder geval sprake indien een vrije doorgang van minimaal 1,20 meter breedte voor voetgangers, kinderwagens, rolstoelen e.d. ontbreekt op het voor voetgangers bestemde gedeelte van de openbare plaats. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 8.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of een bij of krachtens verordening van de provincie Noord-Holland getroffen regeling met betrekking tot het wegenbeheer van toepassing zijn of voor zover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 2.24, waarvoor vergunning is verleend. Artikel2.11(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit; door het college in de overige gevallen. 3.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op geveltuinen en boomspiegelbeplanting als bedoeld in artikel 2.10, derde lid onder h. Artikel2.12Omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 3.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de bruikbaarheid van de weg; in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente wegens strijd met een geldend bestemmingsplan. 4.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid is in afwijking van het bepaalde in artikel 1.5 niet persoonsgebonden. 5.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapskeur dan wel een bij of krachtens verordening van de provincie Noord-Holland getroffen regeling met betrekking tot wegenbeheer. Afdeling6.Veiligheid op de weg Artikel2.13Veroorzaken van gladheid (gereserveerd) Artikel2.14Winkelwagentjes (de corresponderende APV-bepaling uit het VNG-model is niet overgenomen) Artikel2.15Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert dan wel dat de instandhouding van de weg en de bruikbaarheid daarvan wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel2.16Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel2.17Kelderingangen e.d. 1.Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2.18Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.Het is verboden te roken in bossen, natuurterreinen dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan. 2.Het is verboden in bossen, natuurterreinen dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel2.19Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (gereserveerd) Artikel2.20Vallende voorwerpen Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. Artikel2.21Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel2.22Objecten onder hoogspanningslijn (gereserveerd) [komen in gehele gemeente Bloemendaal niet voor] Artikel2.23Veiligheid op het ijs (vervallen) Afdeling7.Evenementen Artikel2.24Begripsbepaling 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; reguliere sportactiviteiten in en op sportaccomodaties; reguliere activiteiten in een cultureel centrum (zoals dorpshuizen, wijkgebouwen, enz.) activiteiten als bedoeld in artikel 2.39 van deze verordening (speelgelegenheden); activiteiten die in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gebruikelijk zijn. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie en jaarmarkt; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.3 van deze verordening, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd of recreatieve tocht op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp niet wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994; elke andere voor het publiek toegankelijke verrichting met een verwachting van meer dan 250 bezoekers of deelnemers; een klein evenement, onder klein evenement wordt verstaan een straatfeest of buurtbarbecue op één dag. 3.In deze afdeling wordt onder organisator verstaan een natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigde, die een evenement als bedoeld in het eerste lid organiseert of doet organiseren. Artikel2.25Evenement 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen, en; het evenement tussen 13.00 uur en 23:00 uur (op zondag tussen 13.00 en 22.00 uur) plaats vindt, en; tijdens het evenement niet langer dan tot 22.00 uur achtergrondmuziek ten gehore wordt gebracht, en; het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats van een doorgaande weg of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten, en; slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 2 m² per object, en; het evenement niet meer dan 2 straten omvat, en; er een organisator is, en; de organisator vooraf melding heeft gedaan van het evenement met een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier: bij een evenement met minder dan 50 bezoekers tenminste 10 werkdagen van tevoren; bij een evenement tussen de 50 en 100 bezoekers tenminste 15 werkdagen van tevoren; indien binnen drie werkdagen voor een evenement tot 50 bezoekers dan wel binnen zes werkdagen voor een evenement tussen de 50 en 100 bezoekers na ontvangst van het meldingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden kan het evenement zoals gemeld plaatsvinden. 3.De burgemeester kan voorschriften stellen met het oog op een ordelijk en veilig verloop van een evenement als bedoeld in het eerste lid en met het oog op het voorkomen van hinder voor derden. 4.Het is verboden een evenement te houden of hieraan deel te nemen als: geen kennisgeving is gedaan overeenkomstig het tweede lid onder h; wordt afgeweken van de bij de kennisgeving verstrekte gegevens; in strijd wordt gehandeld met de door de burgemeester gegeven voorschriften als bedoeld in het derde lid; de burgmeester het evenement heeft verboden. 5.Bijzondere weigeringsgronden: De burgemeester kan de vergunning weigeren als naar zijn oordeel: het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de veiligheid, de brandveiligheid of voor het ontstaan van wanordelijkheden; een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is voor het evenement; het evenement een onevenredig groot beslag legt op de beschikbare ruimte of tijd dan wel de inzet van hulpdiensten; het evenement een onevenredige belemmering vormt voor het verkeer; van het evenement een onevenredige belasting voor het woon- of leefklimaat in de omgeving te verwachten is; het evenement verontreiniging tot gevolg heeft, afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de omgeving dan wel schade toebrengt aan groenvoorzieningen of voorzieningen van openbaar nut; de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement, gelet op de hiervoor genoemde belangen; of de organisator onvoldoende waarborgen biedt om schade te voorkomen. Artikel2.26Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Afdeling8.Toezicht op horecabedrijven Artikel2.27Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden. terras: een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Artikel2.28Exploitatievergunning horecabedrijf 1.Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren waar alcoholische dranken worden geserveerd, zonder vergunning van de burgemeester. 2.De burgemeester kan de vergunning weigeren in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; volksgezondheid; bescherming van het milieu. 3.De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4.De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de exploitant geen verklaring omtrent gedrag overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven, tenzij deze voldoet aan de in de Drank- en horecawet gestelde eisen. 5.Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit. Voor zowel de winkel als het horecabedrijf gelden de sluitingstijden van de Winkeltijdenwet. 6.De burgemeester kan de vergunning ook ambtshalve verlenen. Artikel2.29Sluitingstijd 1.Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 24.00 en 5.00 uur. 2.De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras. 3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. 4.De burgemeester kan in incidentele gevallen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2.30Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet. Artikel2.31Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens artikel 2.29 of ingevolge een op grond van artikel 2.30 genomen besluit gesloten dient te zijn. Artikel2.32Handel in horecabedrijven 1.In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2.De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Artikel2.33Ordeverstoring Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. Artikel2.34Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2.28 tot en met 2.31 Afdeling9.Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2.35Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft Artikel2.36Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel2.37Nachtregister (gereserveerd) Artikel2.38Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder, is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling10.Toezicht op speelgelegenheden Artikel2.39Speelgelegenheden 1.Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3.De burgemeester weigert de vergunning: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Artikel2.40Speelautomaten 1.In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen; speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2.In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. 3.In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. Afdeling11.Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2.41Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel2.42Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden of -zuilen aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden of -zuilen te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel2.43Vervoer plakgereedschap e.d. 1.Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, plakmiddel, plakgereedschap, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. 2.Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.42. 3.Het is tevens verboden om tijdens Luilak (de nacht van vrijdag op zaterdag vóór Pinksteren) tussen 00.00 en 08.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig middel waarmee men een zaak kan besmeuren, zoals kaarsen, boter, olie, zeep, meel, eieren, etc. Artikel2.44Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden op de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het is verboden op de weg in de nabijheid van een winkel bij zich te hebben of te vervoeren een tas of ander hulpmiddel dat er kennelijk toe is uitgerust om er winkeldiefstal mee te plegen of winkeldiefstal te vergemakkelijken door het buitenwerking stellen en/of houden van detectie- of waarnemingsapparatuur. 3.Het in het eerste en tweede lid bepaalde verbod is niet van toepassing indien kan worden aangenomen dat de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste en tweede lid bedoelde handelingen. Artikel2.45Betreden van plantsoenen e.d. (vervallen) Artikel2.46Rijden over bermen e.d. (vervallen) Artikel2.47Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.Het is verboden: op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2.48Verboden drankgebruik 1.Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel2.49Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw. Artikel2.50Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel2.51Neerzetten van fietsen e.d. (vervallen) Artikel2.52Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel2.53Bespieden van personen (vervallen) Artikel2.54Bewakingsapparatuur (gereserveerd) Artikel2.55Nodeloos alarmeren (gereserveerd) Artikel2.56Alarminstallaties (gereserveerd) Artikel2.57Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: innen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt. 3.De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel2.58Verontreiniging door honden 1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers of fietsers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een andere door het college aangewezen plaats. 2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond bij het verblijf op de weg er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel2.59Gevaarlijke honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. 2.In afwijking van artikel 2.57, lid 1 onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. 3.In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1.1, onder i; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. Artikel2.60Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben, of: aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of: aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. 2.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. 3.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel2.61Wilde dieren (gereserveerd) Artikel2.62Loslopend vee (vervallen) Artikel2.63Duiven (corresponderende APV-bepaling uit het VNG-model niet overgenomen) Artikel2.64Bijen 1.Het is verboden bijen te houden: binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3.Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4.Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement. 5.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel2.65Bedelarij (corresponderende APV-bepaling uit het VNG-model niet overgenomen) Afdeling12.Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2.66Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2.67Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. Artikel2.68Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel2.69Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (gereserveerd) Artikel2.70Handel in horecabedrijven (Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op horecabedrijven) onder artikel 2.32). Afdeling13.Vuurwerk Artikel2.71Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel2.72Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd. Artikel2.73Bezigen van consumentenvuurwerk 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.Onder het in het tweede lid gestelde verbod is begrepen het bezigen van consumentenvuurwerk op een voor het publiek toegankelijke plaats binnen een afstand van 150 meter van een woning met een dak van riet, stro of soortgelijke dakbedekking. 4.De in de voorgaande leden gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Afdeling14.Drugsoverlast Artikel2.74Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Afdeling15.Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel2.75Bestuurlijke ophouding (corresponderende APV-bepaling uit het VNG-model niet overgenomen) Artikel2.76Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2.77Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen. Hoofdstuk3.Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d. Afdeling1.Begripsbepalingen Artikel3.1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel3.2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3.3Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Afdeling2.Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel3.4Seksinrichtingen 1.Het is verboden een seksinrichting te exploiteren. 2.Het is verboden een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. 3.In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; en de aard van het escortbedrijf. Artikel3.5Gedragseisen exploitant en beheerder 1.De exploitant en de beheerder: staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2.Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel3.6Sluitingstijden (corresponderende APV-bepaling uit het VNG-model niet overgenomen) Artikel3.7Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1.Met het oog op de in artikel 3.13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan van een escortbedrijf al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel3.8Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een escortbedrijf voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in het escortbedrijf aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien dat in het escortbedrijf: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3.9Straatprostitutie 1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. 2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 3.Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4.De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid. 5.De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 6.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid. Artikel3.10Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren met uitzondering van door het college aangewezen gebieden of delen van de gemeente waar het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving zich niet tegen de exploitatie van een sekswinkel verzet. Artikel3.11Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Afdeling3.Beslissingstermijn; weigeringsgronden Artikel3.12Beslissingstermijn 1.Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3.13Weigeringsgronden 1.De vergunning bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.5 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; er aanwijzingen zijn dat in het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2.De vergunning als bedoeld in artikel 3.4, tweede lid, kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; in het belang van de veiligheid van personen of goederen; in het belang van de verkeersveiligheid of verkeersveiligheid; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Afdeling4.Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel3.14Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel3.15Wijziging beheer 1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, onder b, het beheer van het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Afdeling5.Overgangsbepaling Artikel3.16Overgangsbepaling (corresponderende APV-bepaling uit het VNG-model niet overgenomen) Hoofdstuk4.Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling1.Geluidhinder en kunstlicht Artikel4.1Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer Inrichting: inrichting type A of B als bedoeld in het Besluit Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één inrichting is verbonden Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één inrichting Geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting Geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt Artikel4.2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportuitoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor collectieve festiviteiten gedurende de aangewezen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing geldt per dorpskern. 4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6.Het college kan ten aanzien van een festiviteit voorwaarden stellen met betrekking tot het maximale geluidsniveau of de duur van de festiviteit en kan maatregelen voorschrijven die geluidhinder beperken. 7.De houder van de inrichting is verplicht de krachtens het zesde lid gestelde regels na te leven. Artikel4.3Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.De houder van een inrichting kan een incidentele festiviteit houden waarbij de waarden als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 3.De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 4.Het aantal dagen of dagdelen waarop incidentele festiviteiten gehouden kunnen worden, bedraagt voor de strandpaviljoens op het strand: 4 per kalenderjaar. 5.Het aantal dagen of dagdelen waarop incidentele festiviteiten gehouden kunnen worden, bedraagt voor de volgende inrichtingcategorieën:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.