← Nederland

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoeterwoude houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning Beleids

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoeterwoude houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Zoeterwoude 2017Hoofdstuk1.Algemene bepalingen BELEIDSREGELS maatschappelijke ondersteuning Zoeterwoude 2017 Inhoud Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen 7 Artikel 1.1. Algemene inleiding 7 Artikel 1.2. Definities en begrippen 7 Artikel 1.3. Juridische status beleidsregels 7 Hoofdstuk 2. Melding, onderzoek en aanvraag 8 Artikel 2.1. Inleiding 8 Artikel 2.2. Melding 8 Artikel 2.3. Cliëntondersteuning 8 Artikel 2.4. Identificatie melder 8 Artikel 2.5. Informatie van belang voor behandeling van de melding 8 Artikel 2.6. Onderzoek en gesprek 8 Artikel 2.7. Verslag en ondersteuningsplan 9 Artikel 2.8. Aanvraag van een maatwerkvoorziening 9 Artikel 2.9. Advisering 10 Artikel 2.10. Keuze persoonsgebonden budget of zorg in natura 10 Artikel 2.11. Spoedeisende situaties 10 Hoofdstuk 3. Resultaten, afwegingskader, algemene voorzieningen en criteria 11 Artikel 3.1. Inleiding 11 Artikel 3.2. Resultaten 11 Artikel 3.3. Mate van de beperkingen 11 Artikel 3.4. Ondersteuningsterreinen 11 Artikel 3.5. Algemeen gebruikelijke voorzieningen 13 Artikel 3.6. Algemene voorzieningen 13 Artikel 3.7. Afstemming met de Wet langdurige zorg (Wlz) 13 Artikel 3.8. Algemeen afwegingskader 13 Artikel 3.9. Algemene criteria individuele maatwerkvoorziening 14 Hoofdstuk 4. Gebruikelijke hulp 15 Artikel 4.1. Inleiding 15 Artikel 4.2. Afwegingskader gebruikelijke hulp 15 Artikel 4.3. Overbelasting en gebruikelijke hulp 15 Hoofdstuk 5. Mantelzorg 16 Artikel 5.1. Inleiding 16 Artikel 5.2. Mantelzorgondersteuning 16 Artikel 5.3. Mantelzorg en dreigende overbelasting 16 Artikel 5.4. Gebruikelijke hulp en mantelzorg 16 Artikel 5.5. Afgeleide aanspraak 16 Artikel 5.6. Respijtzorg 17 Artikel 5.7. Maatwerkvoorziening Kortdurend Verblijf 17 Hoofdstuk 6. Een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden voeren (Huishoudelijke ondersteuning en maaltijdvoorbereiding) 18 Artikel 6.1. Inleiding 18 Artikel 6.2. Resultaatgebieden 18 Artikel 6.3. Activiteiten 18 Artikel 6.4. Eigen verantwoordelijkheid 19 Artikel 6.5. Algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen 19 Artikel 6.6. Algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning 19 Artikel 6.7. Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning 19 Artikel 6.8. Verstrekkingsvorm 20 Artikel 6.9. Afgeleide aanspraak mantelzorgers 20 Artikel 6.10. Maatwerkvoorziening maaltijdvoorbereiding 21 Artikel 6.11. Maatwerkvoorziening kindzorg 21 Hoofdstuk 7. Het uitvoeren van dagelijkse activiteiten en het hebben van een ingevulde dag (Begeleiding en dagbesteding) 22 Artikel 7.1. Inleiding 22 Artikel 7.2. Eigen verantwoordelijkheid 22 Artikel 7.3. Gebruikelijke hulp 22 Artikel 7.4. Voorliggende voorzieningen 23 Artikel 7.5. Algemeen gebruikelijke voorzieningen 23 Artikel 7.6. Algemene voorzieningen 23 Artikel 7.7. Resultaatgebieden 23 Artikel 7.8. Maatwerkvoorziening begeleiding groep (dagbesteding) 24 Artikel 7.9. Maatwerkvoorziening begeleiding individueel 25 Artikel 7.10. Activiteiten 25 Artikel 7.11. Verstrekkingsvorm 26 Artikel 7.12. Maatwerkvoorziening specialistische begeleiding bij personen met een zintuiglijke beperking 26 Artikel 7.14. Maatwerkvoorziening lijfgebonden ondersteuning 27 Artikel 7.15. Afgeleide aanspraak mantelzorgers 27 Hoofdstuk 8. Wonen in een geschikte woning (Woonvoorziening) 28 Artikel 8.1. Inleiding 28 Artikel 8.2. Eigen verantwoordelijkheid 28 Artikel 8.3. Algemeen gebruikelijke voorzieningen 28 Artikel 8.4. Plotselinge noodzaak 28 Artikel 8.5. Zelfstandige woonruimte 28 Artikel 8.6. Primaat van verhuizen 28 Artikel 8.7. Maatwerkvoorziening voor wonen in een geschikte woning 29 Artikel 8.8. Eigenaar maatwerkvoorziening 30 Artikel 8.9. Gestegen woningwaarde als gevolg van een maatwerkvoorziening 30 Artikel 8.10. Bezoekbaar / logeerbaar maken van de woning voor inwoners van een instelling 30 Artikel 8.11. Verstrekkingsvorm 30 Artikel 8.12. Onderhoud, keuring en reparatie maatwerkvoorzieningen voor wonen in een geschikte woning 30 Artikel 8.13. Verwijderen maatwerkvoorzieningen 31 Artikel 8.14. Woningsanering 31 Artikel 8.15. Belang mantelzorgers 31 Hoofdstuk 9. Mogelijkheid om te verplaatsen 32 Artikel 9.1. Inleiding 32 Artikel 9.2. Aanvullende criteria 32 Artikel 9.3. Incidenteel rolstoelgebruik 32 Artikel 9.4. Verstrekkingsvorm 32 Artikel 9.4. Restwaarde rolstoel 33 Hoofdstuk 10. Mogelijkheid om te verplaatsen, te vervoeren en sociale contacten aan te gaan 34 Artikel 10.1. Inleiding 34 Artikel 10.2. Aard van de verplaatsingen 34 Artikel 10.3. Gemiddelde vervoersbehoefte 34 Artikel 10.4. Directe leefomgeving 35 Artikel 10.5. Voorliggende voorzieningen 35 Artikel 10.6. Valysregeling 35 Artikel 10.7. Algemeen gebruikelijke voorzieningen 35 Artikel 10.8. Beoordelingscriteria ten aanzien van de mobiliteit 35 Artikel 10.9. Primaat van collectief vraagafhankelijk vervoer 36 Artikel 10.10. Regiotaxi 36 Artikel 10.11. Afwijken van primaat van collectief vraagafhankelijk vervoer 37 Artikel 10.12. Financiële tegemoetkoming gebruik eigen auto 37 Artikel 10.14. Maatwerkvoorziening voor vervoeren en verplaatsen 37 Artikel 10.15. Aanpassing eigen auto 38 Artikel 10.16. Andere maatwerkvoorzieningen 38 Hoofdstuk 11. Mogelijkheid om beschermd te wonen en opvang te krijgen (Beschermd wonen) 40 Artikel 11.1. Inleiding 40 Artikel 11.2. Doelgroep 40 Artikel 11.3. Categorieën beschermd wonen 40 Artikel 11.4. Overbruggingszorg 40 Artikel 11.5. Beschermd wonen thuis 40 Artikel 11.6. Aanmelding voor Beschermd Wonen 41 Hoofdstuk 12. Beschikking maatwerkvoorziening 42 Artikel 12.1. Inleiding 42 Artikel 12.2. Geldigheidsduur 42 Artikel 12.3. Beschikking bij maatwerkvoorziening in natura 42 Artikel 12.4. Beschikking bij maatwerkvoorziening via persoonsgebonden budget 42 Hoofdstuk 13. Aanvullende criteria persoonsgebonden budget 43 Artikel 13.1. Inleiding 43 Artikel 13.2. Motivatie en aard van de hulpvraag 43 Artikel 13.3. Overwegende bezwaren tegen verstrekken persoonsgebonden budget 43 Artikel 13.4. Voorwaarden inzet persoonsgebonden budget voor niet-professionele hulp 44 Artikel 13.5. Omvang van het persoonsgebonden budget 45 Artikel 13.6. Vrij besteedbaar bedrag 46 Artikel 13.7. Kwaliteit van geleverde ondersteuning 46 Artikel 13.8. Betaling van het persoonsgebonden budget 46 Artikel 13.9. Verantwoording van het persoonsgebonden budget 47 Artikel 13.10. Uitruil van budget tussen maatwerkvoorzieningen 47 Artikel 13.11. Beëindiging van het persoonsgebonden budget 47 Artikel 13.13. Terugvordering en verrekening 47 Hoofdstuk 14. Financiële tegemoetkoming meerkosten 49 Artikel 14.1. Inleiding 49 Artikel 14.2. Aantoonbare meerkosten 49 Artikel 14.3. Geen aantoonbare meerkosten 49 Artikel 14.4. Vormen van financiële tegemoetkoming meerkosten 49 Hoofdstuk 15. Bijdragen in de kosten van een maatwerkvoorziening en algemene voorziening 51 Artikel 15.1. Inleiding 51 Artikel 15.2. Bijdrage in kosten van algemene voorzieningen 51 Artikel 15.3. Regels voor bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget 51 Hoofdstuk 16. Toezicht en handhaving 52 Artikel 16.1. Maatregelen onterechte toekenning voorzieningen 52 Artikel 16.2. Maatregelen bij misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen 52 Hoofdstuk 17. Kwaliteit en klachten 53 Artikel 17.1. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 53 Artikel 17.2. Klantervaringsonderzoek 53 Artikel 17.4. Werkwijze bij klachten 53 Artikel 17.5. Toezichthoudend ambtenaar 53 Hoofdstuk 18. Ondersteuning 17-27 jarigen 54 Artikel 18.1. Inleiding 54 Artikel 18.2. Zorgcontinuïteit 54 Artikel 18.3. Verlengde jeugdhulp 54 Hoofdstuk 19. Overige bepalingen 55 Artikel 19.2. Privacy 55 Hoofdstuk 20. Slotbepalingen 56 Artikel 20.1. Hardheidsclausule 56 Artikel 20.2. Citeertitel en inwerkingtreding 56 Bijlage 1. Algemeen gebruikelijke voorzieningen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 57 Bijlage 2. Onderzoek dreigende overbelasting 59 Bijlage 3. Gebruikelijke hulp 61 Bijlage 4. Maaltijdvoorbereiding en (kortdurende) kindverzorging 64 Bijlage 5. Lijfgebonden ondersteuning 65 Artikel1.1.Algemene inleiding De gemeente is verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning in de zelfredzaamheid en ondersteuning bij participatie van inwoners met een beperking. Die ondersteuning moet erop gericht zijn inwoners zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen laten leven. Wanneer een inwoner naar het oordeel van het college niet voldoende zelfredzaam is of onvoldoende kan participeren, wordt gekeken of de inwoner geholpen kan worden met inzet van eigen verantwoordelijkheid, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. Het college kan, na onderzoek, beslissen een (individuele) maatwerkvoorziening te verstrekken. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die kunnen bijdragen aan het verbeteren of het in stand houden van de zelfredzaamheid, participatie of het bieden van beschermd wonen of opvang aan een inwoner. Het te bereiken resultaat is het uitgangspunt voor inzet van maatwerkvoorzieningen. Dit komt ook terug in de wijze waarop het college de voorzieningen heeft ingekocht. Niet het aantal uren is leidend, maar het te bereiken resultaat. Aandacht voor wat nodig is om de mantelzorger van de inwoner te ondersteunen kan ook onderdeel uitmaken van een maatwerkvoorziening. Artikel1.2.Definities en begrippen Alle begrippen en definities die in deze beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (kortweg Wet), het Uitvoeringsbesluit, de Algemene wet bestuursrecht, de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 (kortweg Verordening) en het Besluit maatschappelijke ondersteuning (kortweg Besluit Wmo) en zijn daarmee bindend voor deze beleidsregels. Artikel1.3.Juridische status beleidsregels De beleidsregels betreffen de uitvoeringspraktijk van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Zoeterwoude 2015. Het vaststellen van de beleidsregels is daarmee een bevoegdheid van het college. De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:18 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht: “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid”. Wanneer de beleidsregels door het college zijn vastgesteld kan naar het betreffende artikel worden verwezen in een beschikking. Hoofdstuk2.Melding, onderzoek en aanvraag Artikel2.1.Inleiding In dit hoofdstuk is de toegangsprocedure voor een inwoner met behoefte aan ondersteuning beschreven. Er worden verschillende aspecten beschreven zoals het persoonlijk plan en onafhankelijke cliëntondersteuning. Hoewel deze onderdelen niet altijd deel hoeven uit te maken van de toegangsprocedure heeft het college wel de algemene verplichting een inwoner te informeren over deze onderdelen van de toegangsprocedure. De in dit hoofdstuk benoemde termijnen zijn maximale termijnen. Artikel2.2.Melding Een melding is het startpunt van het onderzoek naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Via een melding doet een inwoner van Zoeterwoude, dan wel een vertegenwoordiger daarvan, het verzoek om een onderzoek naar de behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, participatie en zelfredzaamheid. Een melding kan worden gedaan bij het loket Zorg, Werk en Inkomen van de gemeente. Dit kan telefonisch, per e-mail of schriftelijk. Een informatie- of adviesvraag wordt niet als een melding aangemerkt. Naar aanleiding van de melding wordt contact opgenomen met de inwoner. In dit eerste contact komen de procedureregels en de mogelijkheden van cliëntondersteuning aan de orde. Dit eerste contact kan leiden tot een gesprek, bij voorkeur bij de inwoner thuis. Artikel2.3.Cliëntondersteuning Artikel2.3.1.Informatieplicht over cliëntondersteuning Het college wijst voor de start van het onderzoek de inwoner en zijn mantelzorger(

  1. s)op de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning. Het gaat om ondersteuning via informatie en advies over maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan. Inwoners uit Zoeterwoude kunnen kosteloos een beroep doen op cliëntondersteuning geleverd door Stichting MEE. Het staat inwoners echter vrij om gebruik te maken van andere vormen van cliëntondersteuning. Indien dit gepaard gaat met kosten komen deze niet in aanmerking voor vergoeding door de gemeente. Artikel2.3.2.Onafhankelijkheid Onafhankelijkheid van de cliëntondersteuning betekent dat de inwoner erop moet kunnen vertrouwen dat de ondersteuning die geboden wordt tijdens het onderzoek volledig onafhankelijk is van het besluit dat het college uiteindelijk neemt ten aanzien van het ondersteuningsplan. De onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner wordt gewaarborgd via de wettelijke plicht er voor te zorgen dat het uitgangspunt het belang van de inwoner is. Artikel2.4.Identificatie melder Op grond van de Wet moet het college bij elk nieuw onderzoek de identiteit van de inwoner vaststellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (een geldig paspoort, Nederlandse identiteitskaart of rijbewijs). Artikel2.5.Informatie van belang voor behandeling van de melding Op grond van de Wet moet de inwoner of zijn vertegenwoordiger het college alle gegevens en bescheiden verschaffen die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Voor aanvang van het onderzoek beoordeelt het college of alle informatie die nodig is voor een onderzoek beschikbaar is. De inwoner heeft hierin een actieve rol en kan eventueel aanvullende informatie aandragen die ook van belang is voor een goede beoordeling van de beperkingen en eventueel noodzakelijke ondersteuning. De inwoner heeft de mogelijkheid om tot 7 dagen na de melding een persoonlijk plan in te dienen. Het persoonlijk plan is een plan waarin een inwoner de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid, onderdelen a tot en met g van de Wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar diens mening het meest is aangewezen c.q. het beste past bij diens persoonlijke situatie. Artikel2.6.Onderzoek en gesprek De onderzoeksfase is een waarborg voor de melder om gehoord te worden en gezamenlijk tot een kwalitatieve plan van aanpak te komen. Artikel2.6.1.Het gesprek De zorgconsulent welke de melding in behandeling neemt, bespreekt samen met de inwoner en eventueel diens cliëntondersteuner en/of mantelzorger(
  2. s)wat de hulpvraag inhoudt en waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat. Hieronder wordt nadrukkelijk ook de behoefte van de mantelzorger(
  3. s)begrepen. Dit gesprek is het gesprek zoals bedoeld in artikel 2.3 van Verordening maatschappelijke ondersteuning Zoeterwoude 2015. Artikel2.6.2.Situatie voldoende bekend Als de situatie van de inwoner al voldoende bekend is en er geen nieuwe omstandigheden aanwezig zijn die op de melding van invloed zijn, kan met instemming van de inwoner worden afgezien van (delen van) het onderzoek. Artikel2.6.3.Onderdelen van het onderzoek Het zal regelmatig voorkomen dat niet alle aspecten zoals opgenomen in artikel 5 van de Verordening onderdeel van een onderzoek zijn. Bijvoorbeeld als blijkt dat aan de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan worden voldaan door het geven van informatie, een eenvoudige verwijzing of omdat bijvoorbeeld blijkt dat een combinatie van eigen kracht en gebruikelijke hulp van een huisgenoot volstaat. Als de inwoner tijdens het onderzoek te kennen geeft dat hij met aangereikte mogelijkheden uit de voeten kan of geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal doen, kan het onderzoek als afgerond worden beschouwd. Artikel 2.7. Verslag en ondersteuningsplan Artikel2.7.1.Het verslag Het college verstrekt de inwoner of diens vertegenwoordiger op verzoek een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Indien de inwoner het niet eens is met de weergave van het onderzoek kunnen opmerkingen worden toegevoegd. Deze opmerkingen zullen binnen enkele dagen met de melder worden besproken. De resultaten van dit (vervolg)gesprek kunnen worden verwerkt in het verslag. Indien de inwoner het uiteindelijk niet eens is met de uitkomst van het onderzoek, staat er geen wettelijke bezwaarmogelijkheid open. De inwoner kan wel alsnog een aanvraag doen voor een maatwerkvoorziening. indien op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening negatief beschikt wordt, kan daartegen bezwaar worden gemaakt. Het verslag dient binnen maximaal 6 weken gereed te zijn na ontvangst van de melding. Artikel2.7.2.Ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan is de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de inwoner zijn gemaakt naar aanleiding van diens melding, en de beoogde resultaten en de toekomstige evaluatie daarvan. Artikel2.8.Aanvraag van een maatwerkvoorziening Alvorens wordt overgegaan tot de verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt eerst gekeken naar andere mogelijkheden om de inwoner te helpen met zijn beperkingen. Dat kan bijvoorbeeld een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van het eigen netwerk, kortdurende ondersteuning of een verwijzing naar een algemene voorziening. De maatwerkvoorziening vormt het sluitstuk. Artikel2.8.1.Voorliggende voorziening Wanneer tijdens het intakegesprek of het onderzoek blijkt dat de inwoner mogelijk recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of andere voorliggende voorzieningen, worden deze aanspraken opgenomen in het plan. De mate van zelfredzaamheid van de inwoner bepaalt of hij de aanvraag voor deze voorzieningen zelf doet of dat iemand uit zijn omgeving dan wel de onafhankelijk cliëntondersteuner dit doet. Artikel2.8.2.Maatwerkvoorziening Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan, na afhandeling van het onderzoek, worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 lid 9 van de wet). Indien een inwoner direct een aanvraag wenst te doen voor een maatwerkvoorziening wordt de behandelingstermijn gehanteerd zoals deze is opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht. Deze termijn bedraagt acht weken. Een aanvraag kan in principe pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken van de zes wekentermijn. Na de ontvangst van de aanvraag heeft het college twee weken om de beschikking te geven. Het kan voorkomen dat geruime tijd verstrijkt tussen het afronden van het onderzoek en het feitelijk indienen van een aanvraag. Dit kan tot gevolg hebben dat het verslag verouderde informatie bevat waardoor het college niet binnen de wettelijke kaders kan beslissen op de aanvraag. In voorkomende gevallen zal het college de inwoner opnieuw uitnodigen voor een gesprek voordat op de aanvraag wordt beslist. De aanvraag zal in die gevallen worden behandeld als een (nieuwe) melding. Een maatwerkvoorziening wordt in beginsel aangevraagd op een door het college beschikbaar gesteld formulier. Om administratieve lasten te voorkomen kan het ondertekende verslag / ondersteuningsplan ook als aanvraag worden aangemerkt. Artikel2.8.3.Opschorten beslistermijn Uit de Wet vloeit de mogelijkheid voort om de beslistermijn op te schorten indien de inwoner niet de benodigde gegevens, bescheiden of medewerking heeft verleend aan het gesprek (onderzoek als bedoeld in art. 2.3.2 lid 4 van de Wet). Artikel2.9.Advisering In het kader van de uitvoering kan het nodig zijn om een (medisch) advies in te winnen van een (medisch) deskundige en/of een deskundige die bekend is met de problematiek van de inwoner met een psychiatrische geschiedenis of een specifieke beperking die nadere toelichting vraagt. Indien dat aan de orde is, zal het college een dergelijk advies moeten afwachten. Dat is immers noodzakelijk in het kader van een zorgvuldig onderzoek en voor het totale beeld dat het college zich moet vormen van de inwoner en diens ondersteuningsvraag. Artikel2.10.Keuze persoonsgebonden budget of zorg in natura Bij de behandeling van de aanvraag moet de inwoner in de gelegenheid worden gesteld om te kiezen voor een persoonsgebonden budget of zorg in natura. Artikel2.11.Spoedeisende situaties Wanneer er sprake is van een spoedeisende situatie, dan zal het college na de melding zo snel mogelijk een vorm van noodzakelijk ondersteuning (onder andere een maatwerkvoorziening) aanbieden. De uitkomst van het onderzoek hoeft dan niet afgewacht te worden. De inzet van deze ondersteuning is tijdelijk. Van een spoedeisende situatie kan sprake zijn bij een terminaal en/of progressief ziektebeeld of een situatie waarbij er sprake is van kinderen in thuissituatie van de inwoner. Hoofdstuk3.Resultaten, afwegingskader, algemene voorzieningen en criteria Artikel3.1.Inleiding Wanneer een inwoner beperkingen heeft op het gebied van zelfredzaamheid en participatie wordt tijdens het onderzoek en het gesprek de ondersteuningsbehoefte bepaald. Deze resulteert in een ondersteuningsplan waarin de ondersteuningsbehoefte wordt weergegeven in resultaten. Artikel3.2.Resultaten 1.de draagkracht en draaglast van de mantelzorger is in balans. 2.een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden voeren; 3.wonen in een geschikte woning; 4.het uitvoeren van dagelijkse activiteiten en het hebben van een ingevulde dag; 5.mogelijkheid om te verplaatsen, vervoeren en sociale contacten aan te gaan; 6.mogelijkheid om beschermd te kunnen wonen en opvang te krijgen. Artikel3.3.Mate van de beperkingen Het college beoordeelt op basis van de mate van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, het verslag en eventueel het persoonlijk plan wat de ondersteuningsbehoefte is en op welke maatwerkvoorziening de inwoner eventueel is aangewezen. De mate waarin de beperking aanwezig is, speelt een rol bij het bepalen van de uiteindelijke ondersteuningsbehoefte. Dit is slechts een hulpmiddel om de ondersteuningsbehoefte te bepalen. Lichte beperkingen Stimuleren van het zelf uitvoeren van taken en activiteiten is nodig. Daaronder kan ook het (tijdelijk en/of deels) toezicht worden verstaan geboden door een professionele ondersteuner. De inwoner met lichte beperkingen is in het algemeen in staat om zelf om ondersteuning te vragen. De ondersteuning kan gericht zijn op het oefenen met vaardigheden of handelingen. Daaronder kan ook het gebruik van bijvoorbeeld hulpmiddelen worden verstaan. Matige beperkingenHelpen bij het (zelf) uitvoeren van taken en activiteiten is nodig. Daaronder kan ook het (tijdelijk en/of deels) toezicht worden verstaan. Het is noodzakelijk dat een professionele ondersteuner, al dan niet met regelmaat, ondersteuning biedt ter voorkoming van een achteruitgang/verslechtering van de zelfredzaamheid. De inwoner met matige beperkingen is niet (altijd) in staat om zelf om ondersteuning te vragen. Zware beperkingenHet (deels en/of tijdelijk) overnemen van taken en/of continu bieden van ondersteuning en/of toezicht is nodig. De inwoner heeft bijvoorbeeld geen of onvoldoende regievermogen. Het is noodzakelijk dat een professionele ondersteuner deze ondersteuning biedt. Denk ook aan sturing op problematisch gedrag of een inwoner met oriëntatiestoornissen. Er kan sprake zijn van risico’s voor veiligheid van de inwoner of zijn omgeving. De inwoner met zware beperkingen is meestal niet in staat om zelf om ondersteuning te vragen. Artikel3.4.Ondersteuningsterreinen De inwoner kan op één of meerdere terreinen beperkingen in zelfredzaamheid en participatie ondervinden. Voor elk van deze terreinen worden aspecten onderscheiden waar de mate van zelfredzaamheid en mogelijkheden tot participatie betrekking op hebben. sociale redzaamheid; bewegen en verplaatsen; probleemgedrag; psychisch functioneren; geheugen- en oriëntatiestoornissen. Ad 1) Sociale redzaamheid Bij sociale redzaamheidgaat het om de volgende aspecten: begrijpen wat anderen zeggen; een gesprek voeren; zich begrijpelijk maken; initiëren en uitvoeren eenvoudige taken; kunnen lezen, schrijven en rekenen; communicatiehulpmiddel gebruiken; dagelijkse bezigheden; problemen oplossen en besluiten nemen; dagelijkse routine regelen; zelf geld beheren; zelf administratie zaken bijhouden; initiëren en uitvoeren complexere taken; (naar behoefte) sociale contacten aangaan en onderhouden. Ad 2) Bewegen en verplaatsen Bij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten: lichaamspositie handhaven; grove hand- en armbewegingen maken; fijne handbewegingen maken; lichtere voorwerpen tillen; gecoördineerde bewegingen maken met benen en voeten; lichaamspositie veranderen; trap op en af gaan zonder hulp(middelen); zich verplaatsen met hulp(middelen); voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen); gebruik maken van het openbaar vervoer; eigen vervoermiddel gebruiken; voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen); korte afstanden lopen; zwaardere voorwerpen tillen. Ad 3) Probleemgedrag Bij probleemgedrag gaat het om de volgende aspecten: destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk); dwangmatig gedrag; lichamelijk agressief gedrag; manipulatief gedrag; verbaal agressief gedrag; zelf verwondend of zelfbeschadigend gedrag; grensoverschrijdend seksueel gedrag. Ad 4) Psychisch functioneren Bij psychisch functioneren gaat het om de volgende aspecten: concentratie; geheugen en denken; perceptie van omgeving. Ad 5) Oriëntatiestoornissen Bij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten: oriëntatie in persoon; oriëntatie in ruimte; oriëntatie in tijd; oriëntatie naar plaats. Artikel3.5.Algemeen gebruikelijke voorzieningen Van een algemeen gebruikelijke voorziening is sprake indien: de voorziening niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking; de voorziening in de reguliere handel verkrijgbaar is; de voorziening niet duurder is dan soortgelijke producten met eenzelfde doel. Het hangt af van de specifieke situatie van de inwoner en van de jurisprudentie af of een voorziening algemeen gebruikelijk is. Dit dient dan ook in elke situatie opnieuw te worden afgewogen. In bijlage 1 is een lijst met voorzieningen opgenomen die in principe worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk. Deze lijst is niet limitatief. Niet relevant is of een inwoner gebruik wil maken van een algemeen gebruikelijke voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de algemeen gebruikelijke voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen: het inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Hierbij wordt tijdens het onderzoek meegenomen of een inwoner redelijkerwijs had kunnen sparen voor deze kosten. Artikel3.6.Algemene voorzieningen Het college treft algemene voorzieningen die naar zijn oordeel bijdragen aan de zelfredzaamheid en de participatie van inwoners en aan de inzet van mantelzorg en vrijwilligerswerk daarvoor. Algemene voorzieningen zijn voor alle inwoners, met en zonder beperkingen, toegankelijk. Hieronder vallen in ieder geval de algemene voorziening voor vervoer en huishoudelijke ondersteuning. Voorbeelden zijn verder openbaar vervoer, boodschappenservice, maaltijdenservice, buurthuizen, klussendienst, formulierenhulp, ouderenadviseurs, consultatiebureau, huisarts, kinderopvang en het opnemen van zorgverlof. Artikel3.7.Afstemming met de Wet langdurige zorg (Wlz) Het college is verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning van inwoners tot aan het moment dat deze een indicatie heeft voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Op dat moment is vastgesteld dat een inwoner vanwege beperkingen, als gevolg van bijvoorbeeld leeftijd of handicap, blijvend permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid nodig heeft. Die zorgplicht blijft belegd bij de zorgkantoren. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) indiceert voor deze zorg. Hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen (als bedoeld in hoofdstuk 10) en woningaanpassingen blijven in 2017 ook voor inwoners met een Wlz-indicatie nog vanuit de Wmo beschikbaar. Huishoudelijke ondersteuning voor inwoners met een Wlz-indicatie is met ingang van 1 januari 2017 niet meer beschikbaar vanuit de Wmo. Vanaf 1 januari 2018 zal ook de aanspraak op hulpmiddelen en woningaanpassingen bij inwoners met een Wlz-indicatie niet meer onder de Wmo vallen. Artikel3.8.Algemeen afwegingskader Het college hanteert voor het opstellen van de resultaten in het ondersteuningsplan het volgende algemeen afwegingskader: Allereerst beoordeelt het college in het gesprek en tijdens het onderzoek of de inwoner in staat is om op eigen kracht de beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie op te lossen en het resultaat te bereiken; Vervolgens beoordeelt het college of de inwoner in staat is om met mantelzorg of met ondersteuning en hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie (en of in die situatie sprake is van gebruikelijke hulp); Daarnaast beoordeelt het college in het gesprek en tijdens het onderzoek de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner om de inwoner in staat te stellen te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie; Het college beoordeelt de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, wettelijk voorliggende voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; Ook beoordeelt het college de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie; Tenslotte beoordeelt het college de mogelijkheid om met inzet van individuele maatwerkvoorzieningen een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Artikel3.9.Algemene criteria individuele maatwerkvoorziening Indien het onderzoek leidt tot de aanvraag van een individuele maatwerkvoorziening hanteert het college de volgende algemene criteria: Bij het beoordelen van de aanvraag voor een individuele maatwerkvoorziening neemt het college het ondersteuningsplan en (indien aanwezig) het persoonlijk plan als uitgangspunt; Een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en van de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten. Dit al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid van de cliënt als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet zelf kan verminderen door gebruik te maken van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel als de cliënt deze problemen niet zelf kan verminderen met gebruikmaking van algemene voorzieningen; Om in aanmerking te komen voor een individuele maatwerkvoorziening moet sprake zijn van een matige dan wel ernstige beperking in de zelfredzaamheid en participatie als gevolg van problematiek op tenminste één van de vijf terreinen zoals opgenomen in artikel 3.4 van deze beleidsregels; Indien (medische of paramedische) behandeling van de beperking mogelijk is, beoordeelt het college in hoeverre de beperkingen worden opgelost door het ondergaan van deze behandeling; Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college in aanvulling op de voorgaande leden en op grond van artikel 2.1.2 van de wet in ieder geval de volgende criteria: Voorliggend op een aanspraak op een maatwerkvoorziening zijn aanspraken op een algemene of andere voorziening, waaronder onder meer (aanvullende) ziektekostenverzekeringen, aansprakelijkheidsverzekeringen of normale maatschappelijke kosten; Er is sprake van een noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang; Kosten die tot het moment van de aanvraag al zijn gemaakt dan wel redelijkerwijs in de nabije toekomst toch hadden moeten worden gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking, tenzij de noodzaak achteraf door het college kan worden vastgesteld; In beginsel wordt door het college de adequaatste voorziening toegekend. Hierbij houdt het college rekening met de prijs van de voorziening; Het college vergoedt of verstrekt geen voorziening als de normale afschrijvingstermijn van de eerder vergoede of verstrekte gelijkwaardige voorziening nog niet is verstreken of deze technisch nog niet is afgeschreven, tenzij deze voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen. Het college vergoedt of verstrekt geen voorziening indien er sprake is van voorzienbaarheid; Hoofdstuk4.Gebruikelijke hulp Artikel4.1.Inleiding Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de levenspartner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Onder een leefeenheid wordt verstaan alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een gezamenlijk huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de inwoner behoort. Bij een commerciële huurders- of kostgangersrelaties worden volwassen huisgenoten geacht geen deel uit te maken van de leefeenheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich brengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden. Artikel4.2.Afwegingskader gebruikelijke hulp Het is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijk hulp. Het college neemt daarbij een aantal uitgangspunten over zoals die golden in de AWBZ en voor wat betreft het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden blijven de regels gelden zoals onder de Wmo 2007. Het afwegingskader gebruikelijke hulp is opgenomen in bijlage 3 van deze beleidsregels. Artikel4.3.Overbelasting en gebruikelijke hulp De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Een van de redenen daarvoor kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp biedt, overbelast is (geraakt) en niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Verwezen wordt naar de bijlage 2 van deze beleidsregels. Het verlenen van gebruikelijke hulp gaat voor op het ondernemen van maatschappelijke activiteiten. Dat wil zeggen dat indien (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten die al dan niet in combinatie met een fulltime (werk- en/of school)week ondernomen worden, het uitvoeren van deze maatschappelijke activiteiten de ouder, partner of huisgenoot niet ontslaat van het leveren van gebruikelijke hulp. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare ondersteuning te bieden, is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Om gemotiveerde redenen kan door het college afgeweken worden van de regel dat gebruikelijke hulp afdwingbaar is. Hoofdstuk5.Mantelzorg Artikel5.1.Inleiding Het uitgangspunt van de Wmo 2015 is de inwoner de mogelijkheid te bieden in zijn eigen leefomgeving te blijven wonen. Ook in de situatie waarbij de mantelzorger zo zwaar belast is door de activiteiten die voortvloeien uit het leveren van de mantelzorg en het dagelijkse leven van de mantelzorger zelf, dat de mantelzorg in gevaar dreigt te komen en daarmee het zelfstandig functioneren en wonen van de inwoner. Mantelzorg is zorg (of ondersteuning) die wordt gegeven aan een inwoner door iemand uit diens directe omgeving. Het gaat dan om onbetaalde: Ondersteuning die huisgenoten, familie, vrienden, kennissen, collega’s en buren verlenen en die voortkomt uit onderlinge relaties. Het gaat dus niet om hulp als gevolg van een beroep of georganiseerd vrijwilligerswerk; Ondersteuning die mensen geven vanwege gezondheidsproblemen of beperkingen tot in een terminale fase; Ondersteuning die varieert van huishoudelijke ondersteuning, persoonlijke verzorging tot begeleiding; Ondersteuning die in principe langer dan 3 maanden en meer dan 8 uur per week wordt verleend en die boven de gebruikelijke hulp uitstijgt in zwaarte, duur en/of intensiteit. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze zorg te leveren. Het college kan en mag mantelzorg niet afdwingen. Artikel5.2.Mantelzorgondersteuning Mantelondersteuning is het pakket aan diensten, activiteiten en goederen dat beschikbaar wordt gesteld aan de mantelzorger en dat tot doel heeft die persoon te ondersteunen bij diens ondersteuning aan de zorgvrager. Het gaat hierbij onder andere om ontspanningsactiviteiten, cursussen en themabijeenkomsten, lotgenotencontacten, emotionele en materiële hulp, informatie en advies, respijtzorg voor de meest intensieve ondersteuningssituaties en de Dag van de Mantelzorg. Tijdens het gesprek zal naast de mantelzorgondersteuning die geboden wordt vanuit bestaande inkoop- of subsidieafspraken onderzocht worden welke mogelijkheden de (eventuele) aanvullende zorgverzekering kan bieden op het gebied van mantelzorgondersteuning. Artikel5.3.Mantelzorg en dreigende overbelasting Het college beoordeelt tijdens het gesprek of er mantelzorg aanwezig is en of er maatregelen genomen moeten worden om (dreigende) overbelasting te voorkomen of de mantelzorger te ondersteunen bij het uitvoeren van zijn taken. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen een oordeel te vormen. Zie daarvoor ook bijlage 2. Artikel5.4.Gebruikelijke hulp en mantelzorg Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg, verleend door personen uit de directe omgeving van de inwoner en rechtstreeks voortvloeiend uit de sociale relatie, wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. De ondersteuning door de mantelzorger vertegenwoordigd daarmee aanspraak op geïndiceerde zorg. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo, verpleging en verzorging zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet of ondersteuning aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Artikel5.5.Afgeleide aanspraak Als er een maatwerkvoorziening wordt verstrekt om de mantelzorger te ontlasten of hem in staat te stellen de mantelzorg te leveren, gebeurt dat altijd als afgeleide van de verzorgde op zijn of haar naam. Deze maatwerkvoorziening kan niet - als het een persoonsgebonden budget betreft - door de mantelzorger zelf worden ingevuld; het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting. Artikel5.6.Respijtzorg Respijtzorg is de ondersteuning die aan de inwoner wordt toegewezen voor de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is ondersteuning te bieden. Dit wordt onderscheiden van: de maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger de ondersteuning te kunnen laten bieden; en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. Artikel5.7.Maatwerkvoorziening Kortdurend Verblijf De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf is het logeren van een inwoner, met als doel het overnemen van het (permanente) toezicht ter ontlasting van de gebruikelijke zorger of mantelzorger. Er is geen sprake van (medische) opname in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz). Er is geen sprake van spoed of crisis. Bij kortdurend verblijf logeert iemand maximaal 72 uur per week in een instelling. Hierdoor wordt degene die thuis die inwoner verzorgd, tijdelijk ontlast. Kortdurend verblijf is bedoeld voor mensen die (permanent) toezicht nodig hebben. Bij de uitvoering van deze maatwerkvoorziening is altijd iemand in de buurt aanwezig en meerdere malen per dag zal een medewerker langsgaan bij de inwoner. Het kortdurend verblijf zal maximaal 72 uur (3 overnachtingen) per week bedragen, maar kan flexibel worden ingezet. Het betreft maximaal 52 etmalen per jaar. Het zwaartepunt van de zorg ligt bij Kortdurend Verblijf vooral op logeren, met als doel het overnemen van het permanente toezicht ter ontlasting van de gebruikelijke zorger of mantelzorger. Het verblijf is te karakteriseren als logeren ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en niet als wonen in een instelling voor het grootste deel van de week. Artikel5.7.1.Voorwaarden Kortdurend Verblijf Een inwoner komt in aanmerking voor kortdurend verblijf, wanneer: -er sprake is van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap; of -de inwoner zowel een maatwerkvoorziening begeleiding ontvangt als een indicatie heeft voor persoonlijke verzorging. én de inwoner is aangewezen op zorg gepaard gaand met (permanent) toezicht; en de inwoner hierop gedurende maximaal drie etmalen is aangewezen; en de ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de verzekerde levert, noodzakelijk is. Artikel5.7.2.Varianten maatwerkvoorziening Kortdurend Verblijf De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf kent het onderscheid tussen basis, speciaal en speciaal plus. Artikel5.7.2.1.Kortdurend Verblijf basis De basiszorg wordt geleverd zoals thuis. Er is sprake van toezicht, maar geen permanent toezicht. Ruimtes worden niet afgesloten voor de inwoner. Dit product is gebaseerd op een kamer en verblijf, inclusief huishoudelijke ondersteuning en maaltijden. Artikel5.7.2.2.Kortdurend Verblijf speciaal Bij deze maatwerkvoorziening is dezelfde zorg beschikbaar als bij Kortdurend Verblijf basis, aangevuld met lijfelijke verzorging ADL en wassen. Persoonlijke verzorging valt hier niet onder. Artikel5.7.2.3.Kortdurend Verblijf speciaal plus Bij deze maatwerkvoorziening is dezelfde zorg beschikbaar als bij kortdurend verblijf speciaal, aangevuld met individuele begeleiding. Hoofdstuk6.Een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden voeren(Huishoudelijke ondersteuning en maaltijdvoorbereiding) Artikel6.1.Inleiding Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit taken die er op gericht zijn personen een schoon, gestructureerd en leefbaar huishouden te kunnen laten voeren. Deze taken hebben niet alleen betrekking op het (zware en lichte) huishoudelijke werk, maar hebben ook betrekking op het “in staat stellen tot” het voeren van het huishouden. De voorziening huishoudelijke ondersteuning wordt ingezet met als doel: het realiseren van een schone en veilige situatie in en om de woning; en/of het bevorderen van de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner/mantelzorger. Artikel6.2.Resultaatgebieden Een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden kan de volgende resultaatgebieden bevatten: Een schoon en leefbaar huis hebben Het resultaat van de ondersteuning is dat de inwoner beschikt over een schoon en leefbaar huis. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. Indien belanghebbende regie kan voeren over het eigen leven, mag van hem/haar worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en keuzes worden gemaakt. Het bereiden en/of klaarzetten van primaire levensbehoeften Het te behalen resultaat is dat, indien nodig, één maal per dag de broodmaaltijd wordt bereid en klaargezet en één maal per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. Beschikken over schoon linnengoed en schone kleding Het te behalen resultaat is de beschikking hebben over schoon linnen- en beddengoed en/of over schone kleding. De verzorging van de was zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het machinaal wassen, laten drogen en opvouwen van kleding en linnen- en beddengoed. Verwacht mag worden dat de persoon beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het realiseren van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de klant. Daarnaast wordt van de klant verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door bijvoorbeeld de aanschaf van een wasdroger of kleding die niet gestreken hoeft te worden. Van betrokkene wordt tevens verwacht dat hij/zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om het ontstaan van extra zware was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten. Organiseren van het huishouden Ondersteuning bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer de inwoner niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. Het doel van het voeren van de regie over het huishouden is het schoonhouden van het huis, maar ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de inwoner verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt of als disfunctioneren dreigt. Artikel6.3.Activiteiten Om tot een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden te komen gaat het om onderstaande activiteiten: Artikel6.3.1.Activiteiten gericht op een schoon huis Het betreft activiteiten die betrekking hebben op wonen in een woning die schoongehouden, opgeruimd en functioneel is, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Het gaat om het lichte en/of zware huishoudelijke werk. Onder licht huishoudelijk werk vallen opruimen, stof afnemen, planten water geven en afwassen. Onder zwaar huishoudelijk werk vallen stofzuigen, dweilen, reinigen toiletruimte en badkamer, poetsen keuken, ramen zemen (binnenzijde) en bed verschonen. Artikel6.3.2.Activiteiten gericht op de noodzakelijke wasverzorging Onder activiteiten voor de noodzakelijke wasverzorging vallen activiteiten voor het aanwezig zijn van gewassen, opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed en indien (medisch) noodzakelijk gestreken. Artikel6.4.Eigen verantwoordelijkheid Hulp bij het voeren van een huishouden wordt in het kader van de Wmo alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen op dit leefgebied kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door de inwoner wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van de inwoner mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt aan het zo mogelijk voorbereiden van de was en het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Uit deze eigen verantwoordelijkheid vloeit ook voort dat, in het algemeen, het type en de grootte van de woning niet van invloed zijn op de hoeveelheid te verstrekken hulp. Dit zijn keuzes waarop inwoners zelf invloed kunnen uitoefenen en keuzes in kan maken. Dit geldt ook voor het verzorgen van huisdieren (niet zijnde hulphonden/dieren). De gevolgen hiervan op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort in de eerste plaats tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Het onderhoud van de tuin wordt niet tot het huishouden gerekend. Was men al gewend om voor eigen rekening een schoonmaakhulp in te huren, dan is het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op ondersteuning in het kader van de Wmo. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van beperkingen financiële mogelijkheden wegvallen of de ondersteuning door de ‘gebruikelijk aanwezige’ schoonmaak niet meer toereikend is. Artikel6.5.Algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen Het college beoordeelt of er sprake is van algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen waar gebruik van gemaakt kan worden. Artikel6.6.Algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning Indien een inwoner een beperking heeft op het gebied van een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden en de beperking heeft betrekking op activiteiten voor een schoon huis, wordt bekeken of de algemene voorziening Huishoudelijke ondersteuning leidt tot het wegnemen van deze beperkingen. Met gecontracteerde zorgaanbieders zijn door de gemeente afspraken gemaakt ten aanzien van de inzet van de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning. De gemeente biedt in 2017 voor maximaal 125 uur per jaar een financiële compensatie bij deze algemene voorziening. Artikel6.7.Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning Een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning is gericht op ondersteuning indien er meer nodig is dan een standaard schoon huis. Slechts wanneer sprake is van de noodzaak tot meer werkzaamheden, zoals meerdere malen per week stofzuigen in verband met (stof en mijt)allergie, of als er problematiek is op het gebied van het aanbrengen van structuur in het huishouden of het voeren van regie op het huishouden bestaat de mogelijkheid tot het inzetten van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning. De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning kent het onderscheid tussen basis, speciaal en speciaal plus. Artikel6.7.1Huishoudelijke ondersteuning basis Het college kan een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning basis verstrekken indien: 1) Een of enkele van de volgende factoren bij de onderdelen licht en zwaar huishoudelijke werkzaamheden meespelen: aanwezigheid van kinderen onder de 12 jaar; allergie voor huisstofmijt, COPD: in gesaneerde woning; ernstige beperkingen in gebruik van armen en handen; woning met een hoge bezettingsgraad, of vervuilingsgraad. In deze situaties kan het zo zijn dat de algemeen gebruikelijke frequentie van de activiteiten gericht op een schoon huis niet voldoende is. Het gaat bijvoorbeeld om het meermaals stofzuigen in verband met een allergie. In die situaties kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken. 2) De volledige verzorging van kleding en linnengoed nodig is. Onderdelen van de verzorging van kleding en linnengoed zijn: kleding en linnengoed sorteren en wassen in wasmachine; was centrifugeren, ophangen, afhalen; was drogen in droogmachine; vouwen, strijken (alleen bovenkleding, indien medisch noodzakelijk) en opbergen. Artikel6.7.2.Huishoudelijke ondersteuning speciaal Het college kan een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning speciaal verstrekken indien: 1) Er sprake is van psychogeriatrische problematiek, gedragsproblematiek en/of communicatieproblemen, die de lichte en zware huishoudelijke werkzaamheden bemoeilijken. 2) Ondersteuning bij de dagelijkse organisatie van het huishouden en plannen en beheren van middelen met betrekking tot het huishouden noodzakelijk is. 3) Advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden kortdurend (voor maximaal 6 weken) nodig is: instructie met betrekking tot omgaan met hulpmiddelen; instructie met betrekking tot licht huishoudelijk werk; instructie met betrekking tot textielverzorging; Artikel6.7.3.Huishoudelijke ondersteuning speciaal plus Het college kan een maatwerkvoorziening voor Huishoudelijke ondersteuning speciaal plus verstrekken wanneer, naast de bij de maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning speciaal genoemde activiteiten individuele begeleiding nodig is: het formuleren van doelen/bijstellen doelen met betrekking tot het huishouden; het helpen handhaven/verkrijgen/herkrijgen structuur in het huishouden; het helpen handhaven/vergroten van zelfredzaamheid met betrekking tot budget. Huishoudelijke ondersteuning speciaal plus kan verstrekt worden indien het gaat om het aanleren van het zelf uitvoeren van belangrijke huishoudelijke taken zodat de inwoner in staat wordt gesteld een gestructureerd huishouden te voeren. Huishoudelijke ondersteuning speciaal plus biedt de mogelijkheid om het (tijdelijk) overnemen van de huishoudelijke werkzaamheden en het bieden van begeleiding bij het zelf uitvoeren daarvan te combineren. Artikel6.8.Verstrekkingsvorm De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning kan door het college in natura en via een persoonsgebonden budget bereikt worden. Bij een persoonsgebonden budget wordt het bedrag afgegeven als tegenwaarde van de hulp in natura. In het Financieel besluit is de omvang van het persoonsgebonden budget opgenomen. Artikel6.9.Afgeleide aanspraak mantelzorgers Ook bij mantelzorgers kan sprake zijn van problemen met een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden. Dit is een afgeleid recht van de verzorgde, zodat voor de mantelzorger geen zelfstandig recht ontstaat. Dit kan in twee situaties het geval zijn. Bij de eerste situatie komt de mantelzorger aantoonbaar niet toe aan een bijdrage tot een schoon en leefbaar huis van de verzorgde. Dat zou kunnen als gevolg van (dreigende) overbelasting. Dan kan op naam van de verzorgde hulp plaats vinden. De tweede situatie betreft het niet toekomen aan het schoonmaken van het eigen huis. Dan zou de verzorgde in plaats van hulp in natura een pgb kunnen aanvragen en dat kunnen gebruiken om de mantelzorger te betalen, die op zijn beurt met dat geld hulp in eigen huis kan bekostigen. Artikel6.10.Maatwerkvoorziening maaltijdvoorbereiding Indien een inwoner een probleem heeft bij het bereiden van de maaltijden wordt in eerste instantie gekeken of er mogelijk via het sociale netwerk of via voorliggende voorzieningen (kant-en-klaarmaaltijden, maaltijd-aan-huis) of algemene voorzieningen (welzijns- en vrijwilligerswerk) een oplossing kan worden gevonden voor de maaltijdvoorbereiding. Indien al deze mogelijkheden niet tot een oplossing leiden kan een maatwerkvoorziening maaltijdvoorbereiding verstrekt worden. Deze maatwerkvoorziening wordt ingezet bij kwetsbare inwoners die om uiteenlopende redenen niet in staat zijn om de maaltijd te bereiden of om deze op te warmen met behulp van (bijvoorbeeld) een magnetron. De maatwerkvoorziening kan betrekking hebben op de volgende activiteiten bij de verschillende maaltijden: Broodmaaltijd: brood smeren, maaltijd klaarzetten, tafel dekken, afwassen of in/uitruimen van de vaatwasmachine; Warme maaltijd: maaltijd bereiden, koken of opwarmen, maaltijd klaarzetten, tafel dekken, afwassen of in/uitruimen van de vaatwasmachine. De normtijden met betrekking tot bovengenoemde activiteiten zijn opgenomen in bijlage 4. Artikel6.11.Maatwerkvoorziening kindzorg De zorg voor kinderen die tot de leefeenheid behoren, is in eerste instantie een taak van de ouder(s). Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beiden werken opvang voor de kinderen is. De opvang kan plaatsvinden op de manier dat zij zelf willen, het is immers hun eigen verantwoordelijkheid. Deze maatwerkvoorziening wordt ingezet bij kwetsbare inwoners die tijdelijk de zorg voor een kind niet op zich kunnen nemen. Het gaat hier om het overnemen van de dagelijkse zorg voor een kind die door de tijdelijke beperking van de ouders moeten worden overgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan het overnemen van de zorg voor een kind na een operatie van de ouder, of na een ziekenhuisopname, wanneer een of beide ouders de zorg tijdelijk niet zelf kunnen geven. Er wordt in eerste instantie gekeken of er mogelijk via het sociale netwerk of via voorliggende voorzieningen of algemene voorzieningen (welzijns- en vrijwilligerswerk) een oplossing kan worden gevonden voor de verzorging van de kinderen. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen indien via voorliggende voorzieningen of algemene voorzieningen geen oplossing geboden kan worden. Dat wil zeggen: de acute problemen worden tijdelijk opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Hoofdstuk7.Het uitvoeren van dagelijkse activiteiten en het hebben van een ingevulde dag(Begeleiding en dagbesteding) Artikel7.1.Inleiding Begeleiding is gericht op het behouden of verbeteren van zelfredzaamheid en participatie voor inwoners die, al naar gelang de zwaarte van hun beperking, hulp nodig hebben bij diverse activiteiten in hun dagelijkse leven en het organiseren van een ingevulde dag. Het gaat meestal om de ondersteuning en begeleiding bij het laten uitvoeren van deze ‘algemene dagelijkse levensverrichtingen’ door de inwoner zelf. De noodzaak voor deze vorm van ondersteuning bij het maatschappelijk functioneren doet zich vaak voor bij inwoners met een zintuiglijke of verstandelijke beperking of psychiatrische problematiek. Een maatwerkvoorziening ten aanzien van dit resultaat kan inhouden dat de inwoner wordt ondersteund bij een taak of dat een taak wordt overgenomen. Ook het oefenen met of het aanbrengen van structuur in de dagelijkse activiteiten en het ondersteunen van het voeren van regie rond de dagelijkse activiteiten waaronder het beheren van geld en het voeren van de administratie behoren tot begeleiding. Artikel7.1.1.Dagelijkse activiteiten en ingevulde dag Tot de dagelijkse activiteiten en een ingevulde dag kunnen alle activiteiten behoren die noodzakelijkerwijs moeten gebeuren, die niet op het vlak van de persoonlijke verzorging liggen en niet tot een ander resultaat, zoals opgenomen in artikel 3.2 van deze beleidsregels, behoren. Zo kan het gaan om de behandeling van post, om de financiële administratie of om het regelmatig doorspreken van activiteiten met de inwoner zodat deze weer weet wat hij of zij doen moet. De dagelijkse activiteiten vinden over het algemeen in de woning van de inwoner plaats. Om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen is het van belang dat een inwoner over een ingevulde dag kan beschikken. Voor veel mensen is het hebben van een ingevulde dag heel gewoon. Vanaf 4 jaar bezoekt een ieder het onderwijs en na het onderwijs vinden de meeste mensen werk. Als er niet meer gewerkt hoeft te worden, zijn veel mensen uitstekend in staat hun dag te vullen. Het is niet mogelijk een lijst te geven van dagelijkse activiteiten die onder dit resultaat vallen, omdat dit te beperkend zou zijn. Uitgangspunt is dat alle dagelijkse zaken er onder kunnen vallen die nodig zijn om zelfstandig in een woonsituatie te kunnen functioneren en een ingevulde dag te hebben, mits zij niet onder een andere wettelijke regeling of onder een ander resultaat vallen. Artikel7.2.Eigen verantwoordelijkheid Het college wijst in eerste instantie een inwoner op de eigen verantwoordelijkheid om tot een oplossing te komen. De vraag doet zich dan ook voor of een inwoner de activiteiten kan leren zelf te doen. Of de vraag kan zijn of er hulpmiddelen zijn waarmee iemand de dagelijkse activiteiten zelf kan doen. Is dat mogelijk, dan hoeft voor dat onderdeel geen maatwerkvoorziening verstrekt te worden. Dat geldt ook als men in staat is zelf voor een daginvulling te zorgen. Denk bijvoorbeeld aan het doen van vrijwilligerswerk, het zoeken van een passende hobby of het bezoeken van (welzijns)activiteiten die georganiseerd worden. Artikel7.3.Gebruikelijke hulp Zijn er geen mogelijkheden dat een inwoner de dagelijkse activiteiten zelf kan doen of zelf in staat is een voor daginvulling te zorgen, dan wordt beoordeeld of er is sprake is van gebruikelijke hulp. De vraag is hoe vaak dat voorkomt en of het mogelijk is op die momenten de ondersteuning die nodig is te krijgen van de aanwezige huisgenoot of huisgenoten. Dit moet concreet worden geïnventariseerd. Er mag van uitgegaan worden dat het algemeen gangbaar is dat huisgenoten elkaar helpen met de dagelijkse activiteiten, maar niet met een ingevulde dag. Als deze activiteiten kortdurende ondersteuningsvragen zijn, hoeft het geen probleem te zijn voor huisgenoten. Zo nodig zal beoordeeld moeten worden wat wel en wat niet in redelijkheid van huisgenoten gevraagd kan worden. Voor de criteria met betrekking tot gebruikelijke hulp wordt verder verwezen naar bijlage 3. Artikel7.4.Voorliggende voorzieningen Als er een indicatie is voor de Wet langdurige zorg is er in die situaties geen aanleiding voor het treffen van een maatwerkvoorziening, de Wlz is voorliggend. De Zorgverzekeringswet, die verantwoordelijk is voor persoonlijke verzorging, is eveneens een voorliggende voorziening. Er dient wel beoordeeld te worden wat vanuit de Zorgverzekeringswet mogelijk is. Wat buiten die momenten valt, blijft een verantwoordelijkheid vanuit de Wmo. Niet wettelijk voorliggende voorzieningen kunnen zijn budgetbeheer, budgetbegeleiding, vrijwillige schuldhulp en/of vrijwillige schuldhulpverlening en zogenaamde formulierenbrigades, hulp via vakverenigingen en ouderenorganisaties et cetera. Artikel7.5.Algemeen gebruikelijke voorzieningen Een algemeen gebruikelijke voorziening bij het voeren van een (financiële) administratie kan een computer zijn, voor een blinde eventueel met een braille-leesregel. Daarvoor is wel noodzakelijk dat men een computer kan bedienen. Artikel7.6.Algemene voorzieningen Het college beoordeelt of er algemene voorzieningen zijn. Hierbij kan gedacht worden aan een administratiekantoor. Ook kan gedacht worden aan dagactiviteiten voor senioren welke georganiseerd worden door welzijnsorganisaties. Artikel7.7.Resultaatgebieden Het college kan ondersteuning bieden op een vijftal resultaatgebieden. Hiermee wordt strikt genomen geen limitatief stelsel beoogt. Er kunnen dan ook meer voorbeelden denkbaar zijn. De resultaten kunnen per terrein verschillend zijn. Een aantal voorbeelden worden in de onderstaande tekst genoemd. Er zijn vijf resultaatgebieden bij maatwerkvoorziening begeleiding: Begeleiden bij een schoon en leefbaar huis; Ondersteunen bij en opbouwen van sociaal netwerk inwoner; Ondersteuning bij onderwijs/arbeidsparticipatie/dagbesteding; Mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning; Ondersteunen bij zelfzorg. Ad 1) Begeleiden bij een schoon en leefbaar huis -de inwoner is in staat taken die leiden tot het uitvoeren van activiteiten gericht op het voeren van een schoon en leefbaar huis te organiseren Ad 2) Ondersteuning bij en het opbouwen van sociaal netwerk inwoner de inwoner heeft een gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende sociale rol. de inwoner is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar sociaal netwerk de inwoner kan eigen problematiek in relatie tot sociaal netwerk hanteren bij bemoeizorg: cliënt staat open voor opbouw sociaal netwerk NB. Bij bemoeizorg en geïsoleerde inwoners zonder een sociaal netwerk is het resultaat ‘Inwoner heeft een gezond sociaal netwerk’ een brug te ver. Het gaat hier om het opbouwen van een sociaal netwerk met als achterliggende doelstelling mensen uit isolement of uit ‘verkeerde/foute sociale omgeving’ te halen. Ad 3) Ondersteuning bij onderwijs/arbeidsparticipatie/ dagbesteding de inwoner volgt een opleiding. de inwoner heeft een zinvolle dagbesteding; de inwoner heeft onbetaald werk met ondersteuning; de inwoner heeft onbetaald werk zonder ondersteuning; de inwoner heeft betaald werk met ondersteuning; de inwoner heeft betaald werk zonder ondersteuning. Ad 4) Mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning (alleen in combinatie met een van de eerdergenoemde drie resultaten). de draagkracht en draaglast van de mantelzorger is in balans; vrijwilliger/mantelzorger is ondersteund; sociaal netwerk is ondersteund. Ad 5) Ondersteunen bij zelfzorg (persoonlijke hygiëne) de inwoner is in staat zichzelf te verzorgen; de inwoner draagt schone kleding; de inwoner ziet er verzorgd uit; de inwoner komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na. Artikel7.8.Maatwerkvoorziening begeleiding groep (dagbesteding) De maatwerkvoorziening begeleiding is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de inwoner opdat hij zolang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. De activiteiten in groepsverband zijn gericht op ondersteuning bij dagbesteding, handhaven en bevorderen zelfstandig functioneren, voorkomen van sociaal isolement, het ontlasten van de mantelzorger en voorkomen van achteruitgang bij cliënt van fysieke, cognitieve en/of sociaal-emotionele vaardigheden. Daarbij geldt dat groepsbegeleiding voorliggend is op individuele begeleiding. Artikel7.8.1.Vormen van Begeleiding groep Artikel7.8.1.1.Begeleiding groep basis Bij Begeleiding groep basis gaat het om inwoners met een psychiatrische achtergrond, een licht verstandelijke beperking of betreft het ouderen met beperkingen. Voorbeelden van begeleiding groep basis zijn de dagbestedingsgroepen voor ouderen en dagactiviteitencentrum voor mensen met psychiatrische problematiek. Begeleiding groep basis A: Doelgroep ouderen met (licht somatische) beperkingen Begeleiding groep basis B: Doelgroep cliënten met psychiatrische en/of verstandelijke beperkingen Artikel7.8.1.2.Begeleiding groep speciaal Bij Begeleiding groep speciaal gaat het om forse problematiek door somatische aandoeningen of een psychogeriatrische stoornis (waarbij dementie is vastgesteld). Voorbeelden van Begeleiding groep speciaal zijn de ontmoetingscentra dementie en dagbehandeling. Het aanbod bij Begeleiding groep speciaal onderscheidt zich van het aanbod bij Begeleiding groep basis door de inzet van een hoger opgeleide medewerker in aansluiting op de forsere problematiek van de cliënt en een kleinere groepsomvang. Bovendien worden bij dit aanbod meer eisen gesteld aan de faciliteiten die in de ruimte aanwezig zijn. Begeleiding groep speciaal A: Doelgroep ouderen met zware somatische beperkingen en/of dementie Begeleiding groep speciaal B: Doelgroep cliënten met lichamelijk handicap of matige dan wel ernstige verstandelijke beperking Artikel7.8.2.Intensiteit begeleiding groep Bij Begeleiding groep bestaan twee intensiteiten, te weten intensiteit 1 (normaal: 0-24 dagdelen per periode van vier weken) en intensiteit 2 (intensief: 24-36 dagdelen per periode van vier weken). Onder een dagdeel wordt minimaal 3,5 uur verstaan. Intensiteit 1 is de standaard intensiteit. Intensiteit 2 betekent een hogere tijdsinzet van ondersteuning en zal worden ingezet als de doelen bij de cliënt niet binnen de maximale dagdelen van de normale intensiteit kunnen worden bereikt. Artikel7.8.3.Vervoer begeleiding groep Wanneer een inwoner niet in staat is zelfstandig te reizen of op eigen kracht naar de dagbesteding te reizen (fiets, openbaar vervoer, etc.) en dat niet kan worden geleerd, kan een indicatie voor vervoer naar dagbesteding worden toegekend. Het betreft een vast tarief. De indicatie voor dit betreffende vervoer maakt deel uit van de indicatie voor Begeleiding groep. Artikel7.9.Maatwerkvoorziening begeleiding individueel Begeleiding individueel is aan de orde als de doelen bij cliënt niet worden bereikt met groepsbegeleiding, bijvoorbeeld omdat een inwoner thuis begeleiding nodig heeft. Artikel7.9.1.Vormen van Begeleiding individueel Artikel7.9.1.1.Begeleiding individueel basis Bij Begeleiding individueel basis gaat het om inwoners met somatische aandoeningen, psycho-sociale beperkingen, licht psychiatrische beperkingen, lichamelijke beperkingen en/of een verstandelijke beperking. De activiteiten bij Begeleiding individueel basis zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid die strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing. Verder kan het gaan om ondersteuning bij beperkingen op het vlak van zelfregie over het dagelijks leven. Artikel7.9.1.2.Begeleiding individueel speciaal Bij Begeleiding individueel speciaal gaat het om inwoners met niet aangeboren hersenletsel (NAH) of ernstige psychiatrische problematiek. Begeleiding individueel speciaal is alleen aan de orde als gespecialiseerde begeleiding noodzakelijk is vanwege ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen dan wel ernstig regieverlies als gevolg van NAH of psychiatrische problematiek. Het aanbod bij Begeleiding individueel speciaal onderscheid zich van het aanbod bij begeleiding individueel basis door de inzet van een medewerker met specifieke vaardigheden en/of deskundigheid in verband met de ernstige tekort schietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen/zwaar regieverlies als gevolg van NAH of psychiatrische problematiek. Naast praktische begeleiding en ondersteuning bij het dagelijks leven, wordt ook ondersteuning geleverd voor het omgaan met de beperking. In individuele gevallen kan ook een inwoner met multiproblematiek vanwege bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld een beperkt probleeminzicht, risico van zorgmijding) en bij afwezigheid van andere ondersteuning (tijdelijk) onder begeleiding individueel speciaal vallen. Artikel7.9.2.Intensiteit begeleiding individueel Bij Begeleiding individueel bestaan twee intensiteiten, te weten intensiteit 1 (normaal: 0-12 uur per periode van vier weken) en intensiteit 2 (intensief: 12-24 uur per periode van vier weken). Intensiteit 1 is de standaard intensiteit. Intensiteit 2 betekent een hogere tijdsinzet van ondersteuning en zal worden ingezet als de doelen bij de cliënt niet binnen de maximale uren van de normale intensiteit kunnen worden bereikt. Artikel7.10.Activiteiten Onderstaand schema geeft een overzicht van de activiteiten welke door de zorgaanbieder uitgevoerd kunnen worden binnen de in artikel 7.7 genoemde resultaatgebieden. Ondersteunen bij het aanbrengen van structuur en/of het voeren van regie Deze activiteiten richten zich met name op de beperkingen en stoornissen in de sociale redzaamheid en het psychisch functioneren, op oriëntatiestoornissen en op probleemgedrag. Begeleiden in verband met ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen. Hulp bij initiëren of compenseren van eenvoudige of complexe taken, besluiten nemen en de gevolgen daarvan wegen. Hulp bij het regelen van randvoorwaarden op het gebied van wonen, onderwijs, werk, inkomen, iets kopen/ betalen, het stimuleren tot en voorbereiden van een gesprek (dit betreft niet het meegaan naar en aanwezig zijn bij het gesprek). Hulp bij plannen, stimuleren en voorbespreken van activiteiten. Hulp bij het initiëren of compenseren van op/bijstellen van dag/weekplanning; dagelijkse routine. Inzicht geven in (mogelijke) gevolgen van besluiten. Hulp bij zich aan regels, afspraken houden, corrigeren van besluiten of gedrag. Ondersteunen bij praktische vaardigheden / handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid. Deze activiteiten richten zich met name op de beperkingen in de sociale redzaamheid en het zich bewegen en verplaatsen. Hulp bij uitvoeren of overnemen van eenvoudige of complexe taken/activiteiten, of hulp bij oplossen van praktische problemen die buiten de dagelijkse routine vallen. Hulp bij het beheren van geld. Hulp bij de administratie (alleen in de zin van oefenen). Hulp bij openbaar vervoer gebruik (alleen in de zin van oefenen). Hulp bij of overnemen van post openmaken, voorlezen en het regelen van de afhandeling praktische zaken. Instructie bij en/of het toezien op de persoonlijke verzorging (zelfzorg). Hulp bij plannen en stimuleren van contact in de persoonsgebonden sociale omgeving, bijvoorbeeld hulp bij het opbouwen van een sociaal netwerk). Hulp bij communicatie in de persoonsgebonden omgeving bij bijvoorbeeld afasie. Ondersteunen van de mantelzorger/gebruikelijke zorger -Oefenen van de mantelzorger/gebruikelijke zorger hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de inwoner. Bieden van toezicht Overnemen van toezicht gericht op het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig ingegrepen kan worden bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte en medicijngebruik. Het overnemen van toezicht en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis, thuis of elders. Aansturen van gedrag Aansturen van gedrag met ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen. Begeleiden bij sociaal-emotionele problematiek die samenhangt met de stoornis. Bieden van een dagprogramma ter vervanging van onderwijs, arbeid of andersoortige dagstructurering Begeleiden bij onderwijs, arbeidsmatige dagbesteding (activiteiten met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst, afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de inwoner). Begeleiden bij activering (activiteiten gericht op zinvol besteden van de dag, aangepast aan de mogelijkheden en interesse van de inwoner, waaronder handvaardigheid, expressie, beweging, belevingsactiviteiten). Begeleiden bij activering (belevingsgerichte activiteiten op een eenvoudig niveau met extra aandacht voor sfeer, geborgenheid, veiligheid, ritme en regelmaat). Artikel7.11.Verstrekkingsvorm De maatwerkvoorzieningen begeleiding groep en begeleiding individueel kunnen door het college in natura en via een persoonsgebonden budget verstrekt worden. Bij een persoonsgebonden budget wordt het bedrag afgegeven als tegenwaarde van de hulp in natura. In het Financieel besluit is de omvang van het persoonsgebonden budget opgenomen. Artikel7.12.Maatwerkvoorziening specialistische begeleiding bij personen met een zintuiglijke beperking Bij de ondersteuning aan inwoners met een zintuiglijke beperking gaat het om specialistische ondersteuning. Het gaat om ondersteuning waarvoor geldt dat er een gering aantal inwoners gebruik van maakt, er een beperkt aantal aanbieders voor is en de inhoud van het aanbod zeer specialistisch is. Artikel7.13.1.Landelijke inkoop specialistische begeleiding De VNG heeft, in afstemming met het ministerie van VWS, landelijke inkoopafspraken voor de specialistische ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking tot stand gebracht. Deze afspraken zijn opgenomen in een raamovereenkomst tussen gemeenten en aanbieders van specialistische begeleiding betreffende mensen met een zintuiglijke beperking. De raamovereenkomst gaat over de inhoud van de ondersteuning en de afgesproken werkwijze tussen de gemeenten en aanbieders. Het college moet beoordelen of de beperkingen van de betreffende inwoner onder deze landelijke afspraken valt. Zo ja, dan heeft het college geen ‘aparte’ ondersteuningsplicht. Het college geeft de beschikking af voor de specialistische begeleiding. Voor de doelgroep is een (landelijk) programma van eisen vastgesteld. Het gaat om: Specialistische begeleiding voor doofblinde volwassen; Specialistische begeleiding voor visueel volwassenen; Specialistische begeleiding voor vroegdove volwassen. Artikel7.13.2.Doventolk Het college is gehouden om een maatwerkvoorziening te verlenen aan de inwoner voor zover het ondersteuning betreft die niet is opgenomen in de landelijke inkoopafspraken én de inwoner vanwege de mate van zelfredzaamheid is aangewezen op deze specialistische vorm van maatschappelijke ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een doventolk bij het voeren van een gesprek in de normale leefsituatie zoals een bezoek aan huisarts of specialist, een notaris, de kerk, een conferentie of een ouderavond op school. Artikel7.14.Maatwerkvoorziening lijfgebonden ondersteuning Inwoners met een beperking bij het verrichten van de algemene dagelijkse levensverrichtingen kunnen in aanmerking komen voor Lijfgebonden ondersteuning indien aanspraak op Persoonlijke verzorging op basis van de Zorgverzekeringswet niet mogelijk is gebleken omdat er onder meer geen sprake is van “geneeskundige zorg of een hoog risico daarop”. Zie hiervoor bijlage 5 van de beleidsregels. Indien voor iemand aansporing bij het uitvoeren van de algemene dagelijkse levensverrichtingen niet voldoende is en de verzorgende handelingen om tot de algemene dagelijkse levensverrichtingen te komen feitelijk voor langere tijd overgenomen moeten worden, kan lijfgebonden Ondersteuning worden toegekend. Lijfgebonden ondersteuning is ondersteuning bij zelfzorg in de thuissituatie. Artikel7.15.Afgeleide aanspraak mantelzorgers Het resultaatgebied mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning betreft een afgeleide aanspraak op begeleiding. Het kan daarbij specifiek gaan om het omgaan met de beperkingen van de persoon waar de mantelzorg geleverd wordt. Een maatwerkvoorziening daarvoor wordt afgegeven op naam van de persoon die de mantelzorg ontvangt. Hoofdstuk8.Wonen in een geschikte woning(Woonvoorziening) Artikel8.1.Inleiding Het te bereiken resultaat ”wonen in een geschikte woning” omvat de elementaire woonfuncties. Het gaat daarbij om slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel, het zich gelijkvloers en tussen etages verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daar bij het veilig kunnen spelen in de woonruimte. Er wordt geen rekening gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen worden, als de inwoner deze noodzakelijk en regelmatig gebruikt. Artikel8.2.Eigen verantwoordelijkheid Uitgangspunt is dat iedere inwoner zelf zorg dient te dragen voor een geschikte woning. Daarbij mag er vanuit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Als de problemen een gevolg zijn van een verhuizing naar een niet geschikte woning (al dan niet vanuit een geschikte woning) en er geen belangrijke redenen, zoals een medische noodzaak of de nabijheid van mantelzorg of sociale problematiek, zijn voor de verhuizing is de inwoner zelf verantwoordelijk voor het realiseren van een oplossing voor deze problemen. Wanneer de ondervonden problemen in de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen of uit de slechte staat van onderhoud van de woning is het oplossen van deze problemen de verantwoordelijkheid van de inwoner. Artikel8.3.Algemeen gebruikelijke voorzieningen Voor het resultaat “wonen in een geschikte woning” geldt dat dit gerealiseerd kan worden met de algemeen gebruikelijke voorzieningen uit bijlage 1. Een inwoner is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf, en eventuele montage van deze voorzieningen, tenzij tijdens het onderzoek is gebleken dat een inwoner daar niet toe in staat kan worden geacht. Artikel8.4.Plotselinge noodzaak Bij plotselinge noodzaak gaat het om problemen met de geschiktheid van de woning die onverwacht zijn ontstaan, doordat een inwoner op een bepaald moment, zonder dat dit op basis van leeftijd of aandoening te verwachten is, geconfronteerd wordt met een beperking met consequenties voor de geschiktheid van de woning. Artikel8.5.Zelfstandige woonruimte Een zelfstandige woning kan zowel een gekochte woning als een huurwoning zijn. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van een woning. De woonwagen/woonboot mag niet ouder zijn dan tien jaar en moet een technische levensduur hebben van nog minimaal vijf jaar, vastgesteld door een taxateur. De woonwagen/woonboot moet daarnaast nog minimaal vijf jaar op de standplaats/ligplaats kunnen blijven staan dan wel liggen. Tenslotte moet de woonwagen ten tijde van de melding en het onderzoek bij de gemeente op de standplaats staan en moet de hoofdbewoner van de woonwagen in het bezit zijn van een bewoningsvergunning als bedoeld in de Huisvestingswet. Artikel8.6.Primaat van verhuizen Als blijkt uit het onderzoek dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om het probleem op te lossen beoordeelt het college eerst of het resultaat “wonen in een geschikte woning” ook te bereiken is via een verhuizing. Dit gebeurt in ieder geval indien de individuele maatwerkvoorziening het bedrag van € 10.000,- overstijgt. Hierbij zullen tenminste de volgende aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een nieuwe woning beschikbaar komt (in verband met de medisch en sociaal verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de inwoner en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Hierbij kunnen de volgende aspecten aan de orde komen: gevolg van de verhuizing op de reisafstand voor de mantelzorger; frequentie van mantelzorg (aantal keren per dag of per week); gevolg van de verhuizing op het sociaal netwerk (het verdwijnen/verkleinen van het sociale netwerk als gevolg van een verhuizing betekent vaak lastenverzwaring voor de mantelzorger). Artikel8.6.1.Tijdelijke maatwerkvoorzieningen Het aanbrengen van eenvoudige, tijdelijke maatwerkvoorzieningen is mogelijk als de situatie in de huidige woning zodanig is, dat er per direct enige aanpassingen noodzakelijk zijn. Indien er direct grote aanpassingen nodig zijn en de verwachting is dat een nieuwe woning niet direct beschikbaar komt, dan dient opnieuw een afweging tussen aanpassen en verhuizen plaats te vinden. Artikel8.6.2.Financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten bij primaat van verhuizen Als het primaat van verhuizen van toepassing is, kan het college, zonder aparte aanvraag, een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten verstrekken. Bij beoordeling van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend. Artikel8.7.Maatwerkvoorziening voor wonen in een geschikte woning De maatwerkvoorziening moet er zorg voor dragen dat de inwoner zich in, om en nabij zijn woning zodanig kan redden zodat normaal, of in ieder geval acceptabel, functioneren mogelijk is. Het gaat hierbij dus om alle verplaatsingen die nodig zijn voor een normaal gebruik van de woning. Bij het normale gebruik van de woning horen ook verplaatsingen naar een centrale hal in een flat, waar veelal de brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon. Wat het balkon betreft moet het mogelijk zijn daar te komen, de inrichting van het balkon is een eigen verantwoordelijkheid. Artikel8.7.1.Bouwkundige en niet bouwkundige maatwerkvoorzieningen Als het gaat om het wonen in een geschikte woning kan het college zowel bouwkundige als niet-bouwkundige, evenals losse en nagelvaste, maatwerkvoorzieningen verstrekken. Uitgangspunt is daarbij dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. Het is niet zo dat een gemeente voor een woning moet zorgen. De maatwerkvoorzieningen kunnen nieuw of gebruikt zijn. Het is niet zo dat de maatwerkvoorziening altijd een nieuwe voorziening moet zijn. Bij grotere bouwkundige aanpassingen moet worden gewerkt met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden conform het gemeentelijk inkoopbeleid. Artikel8.7.2.Specifieke criteria ten aanzien van een maatwerkvoorziening voor wonen in een geschikte woning 1.In aanvulling op de algemene criteria voor een maatwerkvoorziening kan een inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening als hij: aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen, of een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis, met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen. 2.Een inwoner met beperkingen kan alleen voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate voorziening is. 3.Een maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt als de inwoner zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de maatwerkvoorziening wordt getroffen. 4.Er worden geen maatwerkvoorzieningen verstrekt voor: het aanpassen van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; het aanpassen van, specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel maatwerkvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen. 5.De aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan in ieder geval worden geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; deze betrekking heeft op maatwerkvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het gebouw te bereiken zijn met een rolstoel; het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders; het aanbrengen van een trapleuning bij een portiekwoning; het plaatsen van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het gebouw; de inwoner verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud of is ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld. Artikel8.8.Eigenaar maatwerkvoorziening De kosten van een maatwerkvoorziening in de vorm van een bouwkundige aanpassing worden uitbetaald aan de eigenaar van de woning. De beschikking wordt verstuurd aan de inwoner aan wie de maatwerkvoorziening wordt verstrekt, met een afschrift aan de eigenaar. Bij huurwoningen kan, in overleg met Rijnhart Wonen, hiervan worden afgeweken. Artikel8.9.Gestegen woningwaarde als gevolg van een maatwerkvoorziening Indien een maatwerkvoorziening is verstrekt in de vorm van een uitbouw aan de woning, die eigendom is van de inwoner, kan er vanuit worden gegaan dat de woning in waarde is gestegen. Daarom dienen de door het college gesubsidieerde kosten bij verkoop van de woning te worden terugbetaald volgens een afschrijvingsschema dat is opgenomen in het Financieel besluit. Artikel8.10.Bezoekbaar / logeerbaar maken van de woning voor inwoners van een instelling De situatie waarbij de inwoner in een instelling verblijft en er een maatwerkvoorziening aangevraagd wordt voor het bezoekbaar maken van de woning van ouders of van de partner is een uitzonderingssituatie. Er is dan weliswaar sprake van één hoofdverblijf, namelijk de instelling, maar er wordt ook één woning zeer regelmatig bezocht, namelijk de woning van ouders of van de partner. De ondersteuningsplicht gaat hier in beginsel niet verder dan dat de inwoner de woonruimte, de woonkamer, een slaapvoorziening (kan bed in woonkamer zijn) en het toilet moet kunnen bereiken en gebruiken. Artikel8.11.Verstrekkingsvorm Het college kan een maatwerkvoorziening voor wonen in een geschikte woning verstrekken in natura en via een persoonsgebonden budget. Bij een persoonsgebonden budget wordt het bedrag afgegeven als tegenwaarde van de ondersteuning in natura. Dit kan vastgesteld worden aan de hand van prijslijsten in natura, maar ook op offertebasis (complexe aanpassingen). Artikel8.12.Onderhoud, keuring en reparatie maatwerkvoorzieningen voor wonen in een geschikte woning Indien het college wettelijk verplicht is een maatwerkvoorziening voor wonen in een geschikte woning te onderhouden en te repareren kunnen deze vergoed worden. Dat deze kosten onderdeel uitmaken van de maatwerkvoorziening wordt vermeld in de beschikking. Het gaat daarbij alleen om voorzieningen waarbij de gemeente verplicht is om de technische staat te keuren en te onderhouden, zoals een traplift of plafondlift. Bij het bepalen van de hoogte van de maatwerkvoorziening, kunnen alleen de werkelijk gemaakte reële kosten van keuring en onderhoud en reparatie voor vergoeding in aanmerking komen. Hierbij wordt ook de afweging gemaakt of het verwijtbare/ te voorkomen kosten betreft. De kosten worden op declaratiebasis, indien het incidentele kosten betreft met toestemming van het college vooraf, toegekend. Indien een maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget is verstrekt, zijn de kosten van keuring en onderhoud en/of reparatie in het persoonsgebonden budget als instandhoudingskosten meegenomen. Artikel8.13.Verwijderen maatwerkvoorzieningen Er kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt in de vorm van een vergoeding voor het verwijderen van een ingrijpende woningaanpassing, die op grond van de Wmo is verstrekt, als de woonruimte in de huidige staat niet opnieuw verhuurbaar of verkoopbaar is. De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de werkelijk gemaakte reële kosten. Artikel8.14.Woningsanering Er kan eenmalig een maatwerkvoorziening voor het wonen in een geschikte woning in de vorm van een woningsanering worden verstrekt. Hiervoor gelden wel een aantal voorwaarden. Er is een acute noodzaak voor woningsanering, vanwege klachten aan de luchtwegen in verband met een allergie voor huisstof of huisstofmijt, vastgesteld. Deze noodzaak dient door middel van een bericht van een longverpleegkundige te worden aangetoond. De aanvraag voor de woningsanering moet zijn aangevraagd binnen één jaar nadat voor de eerste maal de allergie voor huisstofmijt is vastgesteld. Bij de aanschaf van de huidige vloer- en raambedekking is geen sprake van een (verwachte) noodzaak tot woningsanering en mag de huidige woning niet eerder door de inwoner op grond van de Wet of andere wet- en regelgeving zijn gesaneerd. Ook wordt rekening gehouden met de afschrijftermijn van de vloerbedekking of de gordijnen. Als afschrijftermijn wordt een periode van 8 jaar gehanteerd. Afschrijving over deze periode gebeurt evenredig. Artikel8.15.Belang mantelzorgers Bij het bepalen van een maatwerkvoorziening in de vorm van bouwkundige woonvoorzieningen moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Artikel8.15.1.Mantelzorgwoning Als sprake is van een voornemen tot realisatie van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde(
  4. n)had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantelzorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen et cetera. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Voor de plaatsingskosten van de mantelzorgwoning wordt geen subsidie verleend. Hoofdstuk9.Mogelijkheid om te verplaatsen (Rolstoelvoorziening) Artikel9.1.Inleiding Een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoelvoorziening is bedoeld om een inwoner in staat te stellen zich in en om de woning zittend te verplaatsen. Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning en om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Onder het verplaatsen in de woning wordt verstaan dat een inwoner in staat moet zijn de woonkamer, het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de douche, de berging indien daar noodzakelijk en regelmatig gebruik van wordt gemaakt, de tuin of het balkon te kunnen bereiken en er zich zodanig te kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk is. De maatwerkvoorziening kan nieuw of gebruikt zijn. Artikel9.2.Aanvullende criteria In aanvulling op de onder artikel 3.9. genoemde algemene criteria voor individuele maatwerkvoorzieningen gelden voor rolstoelen nog een aantal specifieke criteria. Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om inwoners die voor het dagelijks verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel. Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal zo nodig via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Hierbij is bepalend dat de verleende mantelzorg relevant en substantieel is. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verstrekt kan worden. De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. Deze wordt gezien als een maatwerkvoorziening bedoeld om deel te nemen aan recreatieve activiteiten. Artikel9.3.Incidenteel rolstoelgebruik Slechts in uitzonderlijke gevallen kan een rolstoel voor incidenteel gebruik worden verleend indien een inwoner zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de korte vervoersafstanden. Het gaat dan om inwoners die rolstoelafhankelijk zijn. Dat wil zeggen dat er sprake is van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. Een rolstoel voor incidenteel gebruik (ook wel transportrolstoel genoemd) is doorgaans niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Afhankelijk van de aard van het gebruik wordt eerst beoordeeld of gebruik gemaakt kan worden van een rolstoel van de uitleen (thuiszorgwinkel) of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn (bijvoorbeeld in ziekenhuizen, pretparken). Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop de inwoner is aangewezen om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Artikel9.4.Verstrekkingsvorm Het college kan een voorziening verstrekken in de vorm van een in natura voorziening of een persoonsgebonden budget. Artikel9.4.1.Persoonsgebonden budget -Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die de inwoner zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen. -De gemeente hanteert een gebruiksduur van 7 jaar voor een rolstoel. -De inwoner is verplicht om gedurende de gebruiksduur de via het persoonsgebonden budget aangeschafte rolstoel voldoende te laten onderhouden. -De inwoner is verplicht om gedurende de gebruiksduur voor de via het persoonsgebonden budget aangeschafte elektrische rolstoel een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten. -De gemeente vergoedt alleen de werkelijk gemaakte kosten van de aanschaf van de rolstoel op basis van aankoopbewijs of vooruitbetaald op basis van een offerte. Hierbij gelden als maximum de in het Financieel besluit 2017 opgenomen bedragen voor de aanschaf, dit is inclusief standaard fabrieksopties en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering. -De meerkosten die verband houden met noodzakelijke individuele aanpassingen aan de rolstoel worden voor 100% vergoed. Artikel9.4.Restwaarde rolstoel Indien vaststaat dat de inwoner de rolstoel niet meer gebruikt, is hij gehouden de restwaarde ervan te vergoeden. Bij overlijden van de inwoner binnen de gebruiksduur van de voorziening rust deze verplichting op de erfgenamen van de inwoner. Indien vanwege medische redenen binnen 7 jaar opnieuw een persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt aangevraagd, dan wordt deze eventueel verstrekt onder inhouding van het bedrag van de restwaarde van de eerder verstrekte rolstoel. Indien de inwoner aan wie een persoonsgebonden budget voor een rolstoel is toegekend, binnen 7 jaar verhuist, dan wordt het bedrag van de restwaarde van de eerder verstrekte rolstoel gevorderd, tenzij de gemeente van de nieuwe woonplaats de verstrekking overneemt. De restwaarde van de rolstoel wordt bepaald op basis van een in het Financieel besluit 2017 opgenomen percentage. Hoofdstuk10.Mogelijkheid om te verplaatsen, te vervoeren en sociale contacten aan te gaan (vervoersvoorziening) Artikel10.1.Inleiding De maatwerkvoorziening vervoer zal ingezet worden wanneer een inwoner geen gebruik kan maken van het regulier openbaar vervoer en het aanvullend openbaar vervoer in de directe woon- en leefomgeving. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, is afhankelijk van de individuele situatie. Bij maatwerkvoorzieningen voor vervoer moet worden gedacht aan scootmobielen, driewielfietsen en de Regiotaxi. Ook de voorziening voor de reguliere individuele (rolstoel)taxi of eigen auto, die kan worden vergoed als de Regiotaxi geen of onvoldoende compensatie kan bieden, behoort tot deze categorie. Deze vergoeding wordt op declaratiebasis verstrekt. Andere voorbeelden van mogelijke voorzieningen zijn een financiële tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de eigen auto of ander verplaatsingsmiddel en, in uitzonderlijke gevallen, een auto of een gesloten buitenwagen. Artikel10.2.Aard van de verplaatsingen Het verplaatsen en vervoeren in de directe woon- of leefomgeving betreft een breed scala van verplaatsingen. Het heeft betrekking op verplaatsingen, die nodig zijn voor het doen van boodschappen, om naar artsen, paramedici of specialisten te gaan en voor ziekenhuisonderzoek. Verder kan het gaan om verplaatsingen om bestemmingen te bereiken waar men contact heeft met medemensen en/of deel kan nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken van kerkdiensten, het deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het volgen van cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen. De (extra) vervoersbehoefte of vervoerskosten in verband met het verrichten van vrijwilligerswerk vormt in beginsel geen aanleiding voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening voor vervoer. Tijdens het onderzoek is het noodzakelijk de vervoersbehoefte van de inwoner vast te stellen. Deze behoefte wordt onderzocht aan de hand van de volgende kenmerken: Verplaatsingsgedrag. Verplaatsingsmotief (waarom) verplaatsingsbestemming (waarheen); Artikel10.3.Gemiddelde vervoersbehoefte De omvang van de maatwerkvoorziening voor vervoer bedraagt tenminste 1500 kilometer per jaar. Dit betekent niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het kan voorkomen dat er een grotere of kleinere vervoersbehoefte bestaat. Van belang is allereerst vast te stellen of er een realistische vervoersbehoefte is, gezien de medische, maar ook gezien de financiële situatie van de inwoner. Artikel10.3.1.Aanpassing omvang bij grotere vervoersbehoefte Een aanpassing van de omvang van de maatwerkvoorziening voor vervoer kan bijvoorbeeld plaatsvinden in situaties waarbij het vervoer noodzakelijk zo frequent is, bijvoorbeeld bij intensieve medische behandeling (waarbij het vervoer niet vergoed wordt door de zorgverzekeraar) of bij een partner die in een verpleeghuis verblijft, dat de beschikbaar gestelde vervoersvoorziening bijna geheel aan dit vervoer gebruikt zou worden. In deze situatie kan een aanvullende maatwerkvoorziening worden geboden in de vorm van extra vervoer. Artikel10.3.2.Aanpassing omvang bij combinatie met andere vervoersvoorziening Als gebruik wordt gemaakt van een andere verstrekte maatwerkvoorziening voor vervoer zoals een scootmobiel, dan wel van een eigen verplaatsingsmiddel kan een aanpassing plaatsvinden in de toegekende omvang van de maatwerkvoorziening. Het aantal kilometers kan worden verlaagd, afhankelijk van de mate waarin het andere verplaatsingsmiddel in de vervoersbehoefte voorziet. Indien een partner aanwezig is met eenzelfde vervoersvoorziening of ander individueel vervoer, kan een aanpassing plaatsvinden in de toegekende omvang van de maatwerkvoorziening, afhankelijk van de gezamenlijke vervoersbehoefte. Tenslotte kan een aanpassing plaatsvinden in de toegekende omvang van de maatwerkvoorziening indien het gaat om een vervoersvoorziening voor kinderen. Kinderen hebben een andere vervoersbehoefte dan volwassenen en hebben geen volledige zelfstandige vervoersbehoefte. Artikel10.4.Directe leefomgeving Als leefomgeving in het kader van het vervoeren en verplaatsen wordt een afstand van 15 tot 20 kilometer rondom de woning als redelijk aangemerkt. Wel is het zo dat de inwoner een minimaal aantal basisvoorzieningen moet kunnen bereiken. Bij dreigend sociaal isolement kan de vervoersvoorziening worden afgegeven voor reizen buiten de directe woon- en leefomgeving, indien de Valysregeling (zie artikel 10.6) daar niet in kan voorzien. Artikel10.5.Voorliggende voorzieningen Het college houdt tijdens het gesprek en het onderzoek rekening met de mogelijkheden om de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie op het gebied van vervoeren en verplaatsen rekening met voorliggende voorzieningen. Artikel10.5.1.Vervoer in het kader van betaalde arbeid Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een vervoermiddel gemaakt moeten worden in verband met betaalde arbeid en regulier onderwijs. Heeft men voor dit vervoer een aparte voorziening nodig, die verder gaat dan de normale voorziening voor het verplaatsen in het kader van het leven van alledag, dan kan deze voorziening vergoed worden vanuit de voorzieningen ten behoeve van werken: zoals de Wia of via de werkgever. Artikel10.5.2.Vervoer in het kader van onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van het leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap. In het kader van de Wet passend onderwijs worden scholen (waarschijnlijk) verantwoordelijk voor het vervoer. Artikel10.5.3.Vervoer in het kader van dagbesteding Vervoer naar en van dagbesteding is opgenomen in de maatwerkvoorziening Begeleiding groep. Artikel10.5.4.Ziekenvervoer via de Zorgverzekeringswet (Zvw) Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als de inwoner onder de doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen) of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. Artikel10.5.5.Vervoer in het kader van ontspanning en recreatie Het college heeft geen ondersteuningsplicht als de ondersteuningsbehoefte enkel bestaat uit verplaatsingen en vervoer gericht op recreatie en ontspanning. Te denken valt hierbij aan bewoners van een Wlz-instelling die de voorziening uitsluitend aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen bekostigen/regelen. Artikel10.6.Valysregeling Wanneer een inwoner een vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 5 zones openbaar vervoer vanaf het woonadres van de inwoner of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 5 zones openbaar vervoer vanaf het woonadres van de inwoner (met andere woorden: buiten de directe woon- en leefomgeving) kan het vervoer geregeld worden met de Valysregeling. Voordat gebruik gemaakt kan worden van de Valysregeling zal de inwoner hiervoor zelf een pas moeten aanvragen. Artikel10.7.Algemeen gebruikelijke voorzieningen Voor het resultaat “de mogelijkheid om te verplaatsen, vervoeren en sociale contacten aan te gaan ” geldt dat dit gerealiseerd kan worden met de algemeen gebruikelijke voorzieningen uit bijlage 1. Een inwoner is zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van deze voorzieningen. Artikel10.8. Beoordelingscriteria ten aanzien van de mobiliteit Tijdens het onderzoek naar de vervoersbehoeften houdt het college rekening met de volgende aspecten: Mobiliteit maximale loopafstand op goede dag; maximale loopafstand op slechte dag; gebruik loophulpmiddel (rollator, wandelstok, kruk, et cetera). Uithoudingsvermogen maximale reisduur; kan gedurende de reis overstappen; invloed weersomstandigheden op functioneren; invloed tijdstip (overdag/avond) op functioneren. Organisatie en begeleiding van de reis kan zonder begeleiding met het OV; kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de taxi; kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de taxi; kan alleen met begeleiding met de taxi. Combinatiemogelijkheden bij vervoer in de taxi kan met iedereen gecombineerd worden; kan alleen met eigen doelgroep gecombineerd worden; kan met niemand gecombineerd worden. Artikel10.9.Primaat van collectief vraagafhankelijk vervoer Indien het onderzoek aangeeft dat er sprake is van een ondersteuningsplicht ligt het primaat, voor het verplaatsen in de directe woonomgeving, altijd bij het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV of regiotaxi). Artikel10.10.Regiotaxi In de regio Leiden en de bollenstreek is het collectief vervoer beschikbaar middels de Regiotaxi Holland Rijnland. De Regiotaxi is een vorm van aanvullend openbaar vervoer. Deze taxi rijdt van deur tot deur. Net als een gewone lijnbus rijdt de Regiotaxi in zones die de ritprijs bepalen. Dit zijn dezelfde zones als in het reguliere openbaar vervoer. Het vervoerssysteem is toegankelijk voor een ieder die, met of zonder rolstoel, zelfstandig of met begeleiding kan reizen. De Regiotaxi kent een aantal vaste opstapplaatsen daar waar er mogelijk misverstanden kunnen ontstaan over de exacte ophaalplaats (station, winkelcentrum). Met de Regiotaxi kan ook buiten de regio (meer dan 5 zones) worden gereisd, hiervoor geldt het volledige tarief. Inwoners met beperkingen die geen gebruik kunnen maken van het reguliere openbaar vervoer, kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding voor dit collectieve vervoersysteem vanuit de Wmo. Voor wat betreft de Regiotaxi is de gemeente verantwoordelijk voor de vervoersbehoefte van de pashouder tot en met vijf OV-zones vanaf diens woonadres of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand tot en met 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder. Artikel10.10.1.Vorm van verstrekken De standaardvergoeding betreft een vergoeding voor het gebruik van de Regiotaxi, waarbij een tegemoetkoming wordt gegeven voor de meerkosten van de Regiotaxi ten opzichte van het reguliere openbaar vervoer voor een maximaal aantal zones per jaar. Dit aantal is opgenomen in het Financieel Besluit. De meerkosten worden door de gemeente rechtstreeks afgerekend met de vervoerder. De inwoner met beperkingen heeft een pasje en betaalt in de Regiotaxi het regulier openbaarvervoerstarief. Daarnaast wordt een vrij besteedbaar bedrag toegekend ten behoeve van vervoer per eigen auto, (rolstoel)taxi of vervoer door derden. Het is alleen mogelijk gereden kilometers te declareren welke de inwoner waarvoor de voorziening is afgegeven daadwerkelijk in de auto, (rolstoel)taxi, etc. heeft doorgebracht. Uitbetaling van het vrij besteedbare bedrag vindt op basis van declaratie in twee termijnen plaats, in de maanden juli en januari. Het vrij besteedbaar bedrag kan ook geheel worden overgeheveld naar de Regiotaxi. Artikel10.10.2.Begeleiding bij het gebruik van de Regiotaxi Inwoners kunnen voor hun verplaatsingen met de Regiotaxi aangewezen zijn op begeleiding. Die noodzaak van begeleiding kan verschillende achtergronden hebben: a)Medische noodzaak van begeleiding onderweg De begeleider moet kunnen ingrijpen, bijvoorbeeld bij een epilepsieaanval of een andere uiting die het gevolg is van de beperking. Bij deze groep is het noodzakelijk dat er iemand aanwezig is die kennis van zaken heeft en kan ingrijpen wanneer dat nodig is.
  5. b)Medische noodzaak waardoor er behoefte is aan toezicht onderweg De noodzaak van begeleiding tijdens de rit ligt vervat in het feit dat er een medische oorzaak is waardoor de inwoner de regie kwijt kan raken.In verband met bijvoorbeeld gedragsproblemen kan er niet zonder toezicht worden gereisd, omdat extra aandacht is vereist van iemand met enig overwicht. Voorbeelden hiervan zijn psychogeriatrische (bijvoorbeeld dementie), psychiatrische ziektebeelden (bijvoorbeeld fobieën) of mensen met gedragsstoornissen ten gevolge van hersenbeschadigingen. Indien sprake is van medische noodzaak van begeleiding of toezicht kan dit geleverd worden door één begeleider. Deze begeleider kan zonder extra kosten meereizen met de Regiotaxi. Artikel10.11.Afwijken van primaat van collectief vraagafhankelijk vervoer Indien collectief vervoer niet mogelijk is, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van bijvoorbeeld een (rolstoel)taxi of het gebruik van de eigen auto verstrekken. Om redenen van medische, psychische en/of sociale aard kan het collectief vervoer voor bepaalde mensen geen adequate oplossing voor het vervoersprobleem bieden. Hierbij kan worden gedacht aan: inwoners die tijdens de rit een noodzakelijk gebruik moeten maken van bepaalde hulpmiddelen en deze hulpmiddelen niet mee kunnen nemen in de regiotaxi; inwoners die vanwege ernstige maag-darm-blaasstoornissen te kampen hebben met niet op te vangen incontinentie; inwoners die ernstige benauwdheid ondervinden als gevolg van bijvoorbeeld allergie, CARA, longemfyseem waardoor reizen met anderen onmogelijk is. Artikel10.12.Financiële tegemoetkoming gebruik eigen auto Een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto is bedoeld voor inwoners die in aanmerking zouden komen voor een vergoeding voor de Regiotaxi en beschikken over een eigen auto. Voor deze groep inwoners is de mogelijkheid gecreëerd om te kiezen tussen de Regiotaxi inclusief het bijbehorende vrij besteedbare budget of een bedrag voor het gebruik van de eigen auto. Uit cijfers en enquêtes blijkt immers dat zij zelden of nooit gebruik (zullen) maken van de Regiotaxi. Deze keuze is niet toegestaan als men in de auto van anderen meereist. Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto, wordt beoordeeld of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan kan er sprake zijn van een vervoersprobleem en komt men in aanmerking voor een individuele voorziening. Artikel10.13.Duur van de verstrekking -De beschikking wordt voor onbepaalde tijd afgegeven. Bij wijzigingen in het soort vervoer, in de hoogte van tegemoetkomingen, de gezinssituatie of het inkomen moet een nieuwe beschikking worden afgegeven. -De voorziening gaat in per de eerste van de maand waarin de voorziening is aangevraagd en eindigt per de eerste van de maand volgend op de datum waarop het recht op de voorziening eindigt. In geval van overlijden is de einddatum de datum van overlijden. -Er kan soms toekenning van een vergoeding voor een tijdelijke periode plaatsvinden. Dit is het geval als in het medisch advies een herkeuring wordt aangegeven. In dat geval vindt er een nieuw medisch onderzoek plaats om te kijken of de vergoeding verlengd kan worden. Artikel10.14.Maatwerkvoorziening voor vervoeren en verplaatsen Bij maatwerkvoorzieningen voor verplaatsen moet, naast de hierboven benoemde collectief vraagafhankelijk vervoer, worden gedacht aan bijvoorbeeld scootmobielen en driewielfietsen die, al dan niet in combinatie met de Regiotaxi, voor compensatie van de ervaren beperking van de zelfredzaamheid of participatie moet zorgen. Ook de voorziening voor de reguliere individuele (rolstoel)taxi of eigen auto, die kan worden vergoed als de Regiotaxi geen of onvoldoende compensatie kan bieden, behoort tot deze categorie. Deze vergoeding wordt op declaratiebasis verstrekt. Andere voorbeelden van mogelijke voorzieningen zijn een financiële tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de eigen auto of ander verplaatsingsmiddel en in uitzonderlijke gevallen een auto of een gesloten buitenwagen. Artikel10.14.1.Criteria maatwerkvoorziening Het college kan een maatwerkvoorziening voor verplaatsen en vervoeren verstrekken. Deze noodzaak zal aanwezig zijn als een inwoner geen gebruik van het regulier openbaar vervoer en de Regiotaxi kan maken. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, zal afhankelijk zijn van de individuele situatie. Artikel10.15.Aanpassing eigen auto Wanneer inwoners een eigen auto hebben en geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, een ander vervoermiddel op twee wielen dan wel de Regiotaxi of wanneer mensen de auto veelal in gezinsverband gebruiken, kunnen zij mogelijk in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming in de kosten van autoaanpassingen. Deze aanpassingen kunnen betreffen: de bediening en besturing van de auto; het in en uit de auto komen; de zithouding; de verzorging van de gehandicapte; het mee kunnen nemen van hulpmiddelen. Artikel10.15.1.Voorwaarden aanpassing eigen auto De financiële tegemoetkoming voor de autoaanpassing wordt voor een periode van zeven jaar toegekend. Een nieuwe aanvraag voor een zelfde aanpassing binnen deze periode wordt slechts naar rato van de verstreken termijn vergoed. Dit geldt niet bij een calamiteit. De tegemoetkoming wordt alleen toegekend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: er kan géén gebruik gemaakt worden van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het (aanvullend)openbaar vervoer of de taxi; óf de belanghebbende maakt deel uit van een gezin bestaande uit meer dan 2 personen, én kan geen gebruik maken van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het openbaar vervoer, én de gezinssituatie speelt een substantiële rol in de vervoersbehoefte van belanghebbende. Dwz: men kan aannemelijk maken dat er veelal in gezinsverband wordt gereisd. de eigen auto kan niet worden gebruikt als de auto niet is aangepast aan de beperkingen van de inwoner; er is geen (medische) contra-indicatie om in een auto te kunnen rijden; de bestuurder is de aanvrager of lid van het gezin van de aanvrager; de bestuurder heeft een geldig rijbewijs en is of komt in het bezit (eigenaar) van een auto, gelijktijdig met de autoaanpassing; er treedt naar alle waarschijnlijkheid geen ingrijpende wijziging op in de rijbevoegdheid van de bestuurder. Ook aan de eigen auto worden randvoorwaarden gesteld. De auto moet: redelijk aan te passen en in goede staat zijn; het goedkoopst aan te passen model zijn; in principe niet ouder dan drie jaar zijn of nog minimaal zeven jaar mee kunnen. Dit hoeft niet te gelden bij overplaatsbare aanpassingen. Tenslotte dienen de aanpassingen aan de auto door de eigenaar verzekerd te worden. Meerkosten van onderhoud en verzekering van uitsluitend de aanpassingen komen voor compensatie in aanmerking. Artikel10.16.Andere maatwerkvoorzieningen Bij inwoners met een loopafstand van minder dan 100 meter zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. In geval van een loopstand van minder dan 800 meter zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. Een dergelijke individuele maatwerkvoorziening kan alleen worden verstrekt indien de inwoner verantwoord met het middel overweg kan en over een adequate stalling beschikt. Indien deze niet aanwezig is, kan het college het realiseren van een stalling opnemen in een maatwerkvoorziening. De kosten van deze stalling moeten in redelijke verhouding staan tot de huur- of aanschafkosten én van de verwachte gebruiksduur van de betreffende maatwerkvoorziening. Hoofdstuk11.Mogelijkheid om beschermd te wonen en opvang te krijgen(Beschermd wonen) Artikel11.1.Inleiding Op grond van de Wmo worden (samenwerkende) gemeenten ook verantwoordelijk voor het bieden van een maatwerkvoorziening in de vorm van beschermd wonen. Het beschikbaar stellen van plaatsen voor beschermd wonen is een taak van de centrumgemeente Leiden. Artikel11.2.Doelgroep Beschermd wonen is bestemd voor inwoners met psychische en/of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Beschermd Wonen is wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen. Er moet sprake zijn van een diagnose en/of een advies van een specialist op gebied van GGZ of maatschappelijke opvang. Als diagnose niet mogelijk is, moet er aantoonbaar onvermogen zijn om zichzelf staande te houden in een zelfstandige woning. Artikel11.3.Categorieën beschermd wonen De maatwerkvoorziening Beschermd wonen kent zes categorieën: Beschermd wonen met begeleiding Gestructureerd beschermd wonen met uitgebreide begeleiding Beschermd wonen met intensieve begeleiding Gestructureerd beschermd wonen met intensieve begeleiding en verzorging Beschermd wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulering Beschermd wonen met intensieve begeleiding en intensieve verpleging en verzorging Artikel11.4.Overbruggingszorg Wanneer intramuraal verblijf niet direct beschikbaar is, dan is de gemeente verantwoordelijk voor het bieden van een passend alterna

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.