Verordening op de heffing en de invordering van standplaatsgeld voor autobusdiensten in de gemeente Eindhoven 2017Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven maakt bekend, dat de raad van de gemeente Eindhoven, gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20 september 2016; mede gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet; gelet op de behandeling in Meningsvormende Vergadering van 1 november 2016 en de nadere toelichting met herzien ontwerp raadsbesluit van 25 oktober 2016; in zijn vergadering van 8 november 2016 heeft vastgesteld de volgende Verordening op de heffing en de invordering van standplaatsgeld voor autobusdiensten in de gemeente Eindhoven 2017 Artikel1.Aard en voorwerp van de heffing Onder de naam van "standplaatsgeld voor autobusdiensten" worden overeenkomstig de bepalingen van deze verordening rechten geheven wegens het innemen van een standplaats met een autobus voor het onderhouden van een autobusdienst op een gemeentelijk autobusstation. Artikel2.Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: autobus: een motorrijtuig, ingericht tot het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen; autobusdienst: volgens een dienstregeling uitgevoerd vervoer van personen met een autobus, met uitzondering van besloten busvervoer als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b en f van de Wet personenvervoer; gemeentelijk autobusstation: een voor de openbare dienst bestemd, bij de gemeente in beheer en onderhoud zijnd terrein, dat door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen voor het innemen van standplaatsen met autobussen, in de zin van artikel
- Artikel3.Belastingplicht Belastingplichtig is de ondernemer van de autobusdienst, welke op de in artikel 1 bedoelde wijze een standplaats met een autobus inneemt. Artikel4.Heffingsgrondslag De grondslag, waarnaar het standplaatsgeld wordt geheven, is het aantal standplaatsen, dat door de belastingplichtige op de in artikel 1 bedoelde wijze wordt ingenomen. Artikel5.Tarieven Het standplaatsgeld bedraagt € 737,- per ingenomen standplaats per jaar. Indien een standplaats in de loop van het belastingjaar wordt ingenomen, bedraagt het standplaatsgeld € 61,- voor elke kalendermaand. Een gedeelte van een maand wordt voor een gehele maand gerekend. Artikel6.Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel7.Ontheffing 1.Indien een standplaats niet of gedurende een kortere tijd is ingenomen dan waarvoor standplaatsgeld is geheven wordt aan de belastingplichtige ontheffing van het geheven standplaatsgeld verleend. 2.Deze ontheffing bedraagt: indien de standplaats niet is ingenomen, het gehele bedrag van het daarvoor geheven standplaatsgeld; indien de standplaats gedurende kortere tijd dan waarvoor standplaatsgeld is geheven is ingenomen, een bedrag van € 61,- voor elke volle kalendermaand, dat de standplaats niet is ingenomen. Artikel8.Wijze van heffing Het standplaatsgeld wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel9.Tijdstip verschuldigdheid Het standplaatsgeld wordt verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of voor zover de standplaats in de loop van het belastingjaar is ingenomen, met ingang van dat tijdstip. Artikel10.Termijn van betaling 1.In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen standplaatsgeld worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2.Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag. 3.De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel11.Kwijtschelding Bij de invordering van het standplaatsgeld voor autobusdiensten wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel12.Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van het standplaatsgeld. Artikel13.Overgangsrecht, i De "Verordening standplaatsgeld autobusdiensten 2016", vastgesteld bij raadsbesluit van 3 november 2015, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten, die zich voor die datum hebben voorgedaan. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari
- Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening standplaatsgeld autobusdiensten 2017". Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 november
- Eindhoven, 8 november
- Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven, , burgemeester. , secretaris. Uitgegeven, 15 december
- Mij bekend, de gemeentesecretaris van Eindhoven, M.L. Wilke