Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatieHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Winsum; Gelet op het bepaalde in: artikel 1 van de verordening onroerende-zaakbelastingen; artikel 2 van de verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten; artikel 3 van de verordening rioolheffing; artikel 4 van de verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten; gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; b e s l u i t : vast te stellen de volgende: Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie 2010 Artikel1Algemeen In sommige gevallen brengen de wettelijke regels met zich dat meer personen belastingplichtig kunnen zijn voor één belastingobject (onroerende of roerende zaak, roerende woon- of bedrijfsruimte, perceel). In de gevallen waarin dat voorkomt mag de gemeente de aanslag ten name van één van de belastingplichtigen stellen. In deze gevallen hanteert de gemeente Winsum een voorkeursvolgorde bij de aanwijzing van de belastingplichtige die de aanslag op zijn of haar naam krijgt. Deze voorkeursvolgorde is gebaseerd op veronderstelde betaalcapaciteit en doelmatige c.q. doeltreffende heffing en invordering en wordt toegepast voor zover de gegevens voorhanden of te achterhalen zijn. De in de voorkeursvolgorde neergelegde criteria bevatten geen limitatieve opsomming. Zij moeten worden beschouwd als richtlijnen voor de meest voorkomende gevallen. Artikel2Voorkeursvolgorde 1.Met betrekking tot de gemeentelijke belastingen die worden geheven van genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt, indien er met betrekking tot één roerende of onroerende zaak verschillende categorieën genothebbenden zijn, de aanslag in onderstaande volgorde gesteld ten name van: 1.1.de beperkt gerechtigde, waarbij de volgende voorkeursvolgorde geldt: 1.1.1de vruchtgebruiker c.q. gerechtigde krachtens recht van gebruik en bewoning; 1.1.2de opstaller, met uitzondering van degene die een afhankelijk opstalrecht, dan wel een opstalrecht ten behoeve van de aanleg en het onderhoud van onder- of bovengrondse leidingen heeft; 1.1.3de erfpachter dan wel de beklemde meier; 1.2de eigenaar of de appartementsgerechtigde; 1.3degene die op andere wijze als genothebbende naar voren komt, daaronder begrepen de bezitter. 2Met betrekking tot de gemeentelijke belastingen die worden geheven van genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt de aanslag in onderstaande volgorde gesteld ten name van: 2.1indien er binnen één categorie genothebbenden personen zijn die volgens de beschikbare gegevens in de gemeente Winsum wonen of gevestigd zijn: 2.1.1degene die ook als gebruiker wordt aangemerkt; 2.1.2degene die in de gemeente woont of is gevestigd; 2.1.3degene die het grootste aandeel in het genotsrecht heeft; 2.1.4een natuurlijk persoon boven een niet-natuurlijk persoon; 2.1.5bij gelijke aandelen de oudste in leeftijd; 2.1.6degene die bij de afdeling Middelen als genothebbende of gebruiker bekend is; 2.1.7de eerstgerechtigde in de volgorde die door het kadaster wordt aangehouden; 2.2 indien er binnen één categorie genothebbenden geen personen zijn die volgens de beschikbare gegevens in de gemeente Winsum wonen of gevestigd zijn, maar wel personen die volgens de beschikbare gegevens elders in Nederland wonen of gevestigd zijn: 2.2.1degene die het grootste aandeel in het genotsrecht heeft; 2.2.2een natuurlijk persoon boven een niet-natuurlijk persoon; 2.2.3bij gelijke aandelen de oudste in leeftijd; 2.2.4degene die bij de afdeling Middelen als genothebbende of gebruiker bekend is; 2.2.5de eerstgerechtigde in de volgorde die door het kadaster wordt aangehouden; 2.3indien er binnen één categorie genothebbenden geen personen zijn die volgens de beschikbare gegevens in Nederland wonen of gevestigd zijn, maar wel personen die volgens de beschikbare gegevens in het buitenland wonen of gevestigd zijn: 2.3.1degene die het grootste aandeel in het genotsrecht heeft; 2.3.2degene die bij de afdeling Middelen als genothebbende of gebruiker bekend is; 2.3.3de eerstgerechtigde in de volgorde die door het kadaster wordt aangehouden. 3Met betrekking tot de onroerende-zaakbelastingen en de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten die worden geheven van gebruikers, wordt de aanslag in onderstaande volgorde gesteld ten name van: 3.1degene die ook als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt aangemerkt; 3.2degene die een nutsvoorziening van het belastingobject op naam heeft; 3.3de oudste in leeftijd; 3.4degene die op andere wijze als gebruiker naar voren komt. 4.Met betrekking tot de afvalstoffenheffing wordt de aanslag in onderstaande volgorde gesteld ten name van: 4.1degene die de nutsvoorziening van het belastingobject op naam heeft; 4.2degene die de huur van het hele belastingobject betaalt aan een elders wonende verhuurder; 4.3degene die het grootste deel van het belastingobject gebruikt; 4.4degene die het langst in het belastingobject woont; 4.5degene die het belastingobject het langst gebruikt; 4.6de oudste, in geval van gelijktijdige vestiging in het belastingobject; 4.7degene die op andere wijze als gebruiker van het belastingobject naar voren komt. 5.Indien en voor zover aanslagen van verschillende gemeentelijke belastingen worden verenigd op één aanslagbiljet, worden deze in onderstaande volgorde ten name gesteld van de belastingplichtige die: 5.1ingevolge de onderdelen 1 en 2 kan worden aangewezen; 5.2ingevolge onderdeel 3 kan worden aangewezen; 5.3ingevolge onderdeel 4 kan worden aangewezen. 6.De onderdelen 1 tot en met 5 vinden geen toepassing indien: 6.1de aanslag kan worden opgelegd aan degene die met betrekking tot het voorgaande belastingtijdvak of kalenderjaar de aanslag heeft gekregen, gezorgd heeft dat de aanslag betaald is en nog steeds belastingplichtig is; 6.2bij de afdeling Middelen bekend is dat één van de potentiële belastingplichtigen de desbetreffende aanslag op zijn/haar naam wil hebben, althans voor zover dit niet leidt tot een mogelijke situatie dat de belasting niet kan worden betaald dan wel ingevorderd. 7.Voor zover de belasting wordt geheven over een belastingtijdvak, is bij de toepassing van de voorkeursvolgorde beslissend de situatie bij de aanvang van dat tijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 8.Aangezien de voorkeursvolgorde erop is gericht de aanslag op te leggen aan een belastingplichtige die in staat geacht mag worden om de belasting te betalen, kan ook tot een andere keuze gekomen worden dan uit de voorkeursvolgorde zou volgen. 9.Wijzigingen kunnen - indien reeds een aanslag aan een belastingplichtige is opgelegd - pas plaatsvinden met ingang van het eerstvolgende belastingtijdvak. 10.Indien in uitzonderingsgevallen, door welke oorzaak dan ook, een aanslag wordt opgelegd in afwijking van het in de voorgaande onderdelen bepaalde, is die aanslag alleen ongeldig als er sprake is van willekeur. 11Indien een belasting niet wordt geheven bij wege van aanslag, maar op andere wijze, is het bepaalde in de onderdelen 1 tot en met 10 van overeenkomstige toepassing. Artikel3Slotbepaling 1.De instructies inzake “het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie” van 2 juni 2004 worden ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3.De datum van ingang van deze beleidsregels is 1 januari 2010. 4.Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie 2010”. Winsum, 29 september 2009Het college van burgemeester en wethouders van Winsum,De burgemeester,De secretaris,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.