← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Raalte 2017 (Raalte)

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Raalte 2017Het college van burgemeester en wethouders gelet op: Titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht; De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Raalte 2017; Het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Raalte 2017; overwegende dat: het college met betrekking tot de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet het noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit vast te stellen: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Raalte 2017 Hoofdstuk1ALGEMENE BEPALINGEN Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan Beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Geen algemeen verbindend voorschrift Bij Beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Feitelijk gaat het om een geschreven geldende gedragslijn met betrekking tot een bepaald beleid. Het gaat over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of over de toepassing van de bepalingen in de verordening. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. Alle begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: de wet) en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Raalte 2017 en de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Raalte 2017 strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente Raalte die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. Zelfredzaamheid is in de Wmo 2015 gedefinieerd als: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden. Onder participatie wordt deelname aan het maatschappelijk verkeer verstaan. Er zijn hoofdstukken in deze beleidsregels over de verschillende soorten maatschappelijke ondersteuning waarbinnen het college maatwerkvoorzieningen kan verstrekken dan wel in de vorm van een persoonsgebonden budget en hoe het college de aanspraak daarop beoordeelt. Kernbegrippen zijn: eigen verantwoordelijkheid; uitgaan van te bereiken resultaten; en het leveren van maatwerk. Hoofdstuk2BEOORDELEN VAN DE AANSPRAAK § 2.1Inleiding De Wmo 2015 voorziet in belangrijke waarborgen voor het uitvoeren van een goed onderzoek naar de ondersteuningsbehoeften van mensen. Van het college wordt verwacht dat zij dit onderzoek uitvoeren in goede samenspraak met de mensen om wie het gaat en dat zij samen met betrokkenen komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening. De Wmo 2015 voorziet daarom in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de hulpvraag) moeten worden meegenomen. Beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Raalte komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel d. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. § 2.2Beoordelingskader Om zoveel mogelijk maatwerk te kunnen bieden hanteert het college bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening vanzelfsprekend het ondersteuningsplan (het verslag van het onderzoek) en indien aanwezig het persoonlijk plan als uitgangspunt. Daarbij geldt dat de beoordelingskaders kunnen verschillen per soort maatwerkvoorziening. De hierna volgende onderdelen worden beoordeeld. Heeft de cliënt geobjectiveerde beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie? Wat zijn de doelen die de cliënt wil bereiken om zijn zelfredzaamheid en participatie te versterken, verbeteren, bevorderen of te behouden? Welke mogelijkheden heeft de cliënt zelf (al dan niet met hulp met anderen, algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen) om zijn zelfredzaamheid en participatie te versterken, te verbeteren of te behouden? Pas als bovenstaande bedoelde mogelijkheden naar oordeel van het college niet leiden tot een passende oplossing, komt de beoordeling van een maatwerkvoorziening aan de orde. Dat moet blijken uit het ondersteuningsplan en voor zover aanwezig het persoonlijk plan van de cliënt. Welke weigeringsgronden, beperkende voorwaarden of beoordelingscriteria zijn van toepassing volgens de verordening, de daarop gebaseerde lagere regelgeving of deze beleidsregels? Welke mogelijkheden kan het college bieden om de gewenste doelen (een passende bijdrage) te bereiken via een collectieve- en/of individuele maatwerkvoorziening? Heeft de cliënt, indien hij dat wenst recht op een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget? § 2.3Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren indien de cliënt toegang kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen. Er gelden in (in ieder geval) in 2017 nog uitzonderingen op grond waarvan het college een maatwerkvoorziening niet mag weigeren. Dit geldt ook voor cliënten die beschikken over een Wlz-indicatie. Dit houdt verband met artikel 8.6.a van de wet. Het gaat om cliënten die: thuis wonen en een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd of daar op zijn aangewezen; of zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd, zoals een rolstoel. Ad. 1. De gemeente blijft voor ‘thuiswonende’ verzekerden verantwoordelijk om de genoemde maatwerkvoorzieningen te verlenen totdat de regelgeving wijzigt. Ad. 2. Het gaat hier om verzekerden die in een instelling verblijven en geen behandeling van die in stelling ontvangen. In de meeste gevallen gaat het om een hulpmiddel in de vorm van een rolstoel. Deze groep verzekerden kan (ook) aanspraak maken op het Service Vervoer Raalte en eventueel een scootmobiel voor de maatschappelijke (sociale) participatie. Outillage van de instelling Het is wel zo indien en voor zover de gevraagde voorziening tot de outillage van een instelling kan worden gerekend, de cliënt niet is aangewezen op maatschappelijke ondersteuning (vergelijk CRVB:2013:CA0312). Het college wijst de aanvraag in voorkomende gevallen af. Toepassing weigeringsgrond Opgemerkt wordt dat de hier bedoelde weigeringsgrond niet geldt in het geval de aanvraag betrekking heeft op ondersteuning groep, ondersteuning thuis of kortdurende verblijfsondersteuning in een instelling. Het college zal moeten motiveren waarom het gebruik maakt van de bevoegdheid tot weigeren van de aanvraag omdat het in art. 2.3.5, zesde lid, Wmo 2015 om een kan-bepaling gaat. In het algemeen ziet het college niet af van de bevoegdheid tot het weigeren van een aanvraag omdat de hoogte van de eigen bijdrage op grond van de Wlz hoger uit zou kunnen vallen dan de bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015. Ook de stelling van de cliënt dat hij verwacht minder Wlz-zorg te zullen gaan ontvangen (in vergelijking met de ondersteuning op grond van de Wmo 2015) is geen reden om de aanvraag niet af te wijzen. Overigens is de eigen bijdrage op grond van Wlz voor verzekerden die thuis wonen met een modulair pakket thuis (mpt) in natura per 1 januari 2017 aangepast in het voordeel van verzekerden. Aan hen die de zorg enkel via een mpt ontvangen en daarmee 20 uur of minder zorg in natura per maand ontvangen, zal de laagst mogelijke eigen bijdrage voor het mpt opgelegd krijgen ter hoogte van € 23 per maand. Daartoe is art. 3.3.2.2 Besluit langdurige zorg een vijfde en zesde lid toegevoegd (Stb. 2016, 527). Daarnaast is het zo dat verzekerden die op grond van het best passende profiel (voorheen Zorgzwaartepakket) te weinig zorg ontvangen een beroep kunnen doen op verschillende vormen van ‘meer zorg’. Het betreft: de regeling Meerzorg, een eventuele toeslag voor specifieke doelgroepen, de extra kosten thuis regeling en het persoonlijk assistentiebudget pgb. Het college kan wel gehouden zijn om tijdelijk, tot het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) op de aanvraag heeft besloten, een maatwerkvoorziening in te zetten. Voor de cliënt die aanspraak kan maken op een indicatie op grond van de Wlz geldt in het algemeen dat er voor het college geen ondersteuningsplicht meer is. Immers er kan in voorkomende gevallen niet meer gesproken worden van op zelfredzaamheid en participatie gerichte ondersteuning gelet op de omvang van de zorgbehoefte. § 2.4Algemene uitgangspunten Eigen kracht Het college meent dat de eigen kracht een belangrijk onderdeel vormt van de beoordeling of iemand is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat naar oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt zal zich -in een door het college te beoordelen mate- moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is onder de Wmo 2015 echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd. Aanspreken sociaal netwerk Ook meent het college dat onder eigen kracht het aanspreken van het sociale netwerk wordt verstaan. Cliënten vinden het misschien niet altijd makkelijk of zijn niet (meer) gewend om een ander te vragen iets voor hen te doen. Dit terwijl mensen in het sociaal netwerk vaak best bereid zijn iets voor een ander te betekenen. Dit zal ook onderwerp zijn van het gesprek, waarbij het college personen uit de sociale omgeving kan betrekken. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het gesprek. Van de cliënt mag in principe worden verwacht dat hij personen uit zijn sociale netwerk vraagt om hulp. Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de verordening). Indien naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. Mantelzorg Mantelzorg is niet afdwingbaar. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. Het is daarom van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke ondersteuningsbehoefte de mantelzorger heeft zodat de taken kunnen worden volgehouden. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie worden verminderd of weggenomen. Algemene voorzieningen Uit de systematiek van de wet vloeit voort dat de cliënt gebruik kan maken van algemene voorzieningen die de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kunnen verminderen of wegnemen. Er is dan geen taak voor het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Indien een algemene voorziening als passende oplossing kan worden aangemerkt, wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Beschikbare algemene voorzieningen zijn onder andere: de scootmobielpool, de rolstoelpool en de dagopvang voor ouderen voor het onderhouden van sociale contacten. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning De hoofdregel volgens de Verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals het Service Vervoer Raalte. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het primaat van het zogeheten Service Vervoer Raalte was al bekend onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo 2007. Het spreekt voor zich dat het college zich op het standpunt moet kunnen stellen dat deze collectieve verstrekking een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Het is bij de uitvoering van de Wmo 2015 van groot belang dat het college op zorgvuldige wijze vaststelt of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening. De eigen kracht van de cliënt maar ook ondersteuning door personen uit diens sociale netwerk zijn daarbij cruciaal. Daaronder wordt ook mantelzorg gerekend. Het kan ook zijn dat de inzet van vrijwilligers of het gebruik van een algemene voorziening een rol kan spelen bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening. Tijdelijke indicatie of kortdurend Het college is bevoegd om een maatwerkvoorziening tijdelijk te verlenen. Dat betekent dat in de beschikking wordt bepaald tot welke datum de indicatie geldig is. Dat wil nadrukkelijk niet zeggen dat er na afloop van de indicatie geen nieuwe melding en/of aanvraag kan worden gedaan om verlenging van de eerder toegekende maatwerkvoorziening. Ook kan de maatwerkvoorziening ontwikkelingsgericht ingezet hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te versterken en/of verbeteren. Eenvoudig gezegd: iemand leren zichzelf te helpen. Dat is (indirect) ook het geval als tijdelijk maatwerkvoorziening wordt verleend omdat degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren. Het toeleiden naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen valt ook binnen het bereik van de Wmo 2015. Denk bijvoorbeeld aan de toeleiding naar de zorg of diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Geheel aan maatregelen Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan het concreet tot stand brengen van contact (afspraak) tussen de vrijwilligersorganisatie en de cliënt (vergelijk CRVB:2011:BR7013). Het geheel van maatregelen kan ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5, vijfde lid, van de wet. Daarin is bepaald dat de maatwerkvoorziening afgestemd kan worden op bijvoorbeeld ondersteuning op grond van de Participatiewet, als daar aanleiding voor is. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat er om dat de cliënt in aanvaardbare mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en participatie zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving (vergelijk CRVB:2012:BV5448). § 2.5Eigen verantwoordelijkheid In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd. Indien de aanvraag voor een maatwerkvoorziening naar oordeel van het college het gevolg is van niet dan wel onvoldoende nemen van de eigen verantwoordelijkheid, dan kan de aanvraag worden geweigerd (vergelijk CRVB:2012:BW6810 en CRVB:2013:776). Zelf of met anderen Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de belemmeringen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om een maatwerkvoorziening afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens op basis van de individuele situatie moet beoordelen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie. In de onderstaande tekst staan voorbeelden genoemd die zijn gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen. Aangenomen wordt dat deze uitspraken hun gelding onder de Wmo 2015 behouden. Het gesprek na de melding van de hulpvraag In het gesprek met de cliënt kunnen allerlei oplossingen worden besproken die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. In de onderstaande tekst staan een aantal voorbeelden wanneer dat de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht zodat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verleend (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429). Planning en organisatie Van de ouder(

  1. s)kan onder omstandigheden worden verwacht dat zij de organisatie- en planningsactiviteiten verrichten die nodig zijn om hun kind van het aanvullend openbaar vervoer gebruik te laten maken (CRVB:2010:BM7989). Preventieve maatregelen Van de cliënt kan worden gevergd dat gebruik wordt gemaakt van geschikte (omhullende) kleding en/of handschoenen die er voor zorgen dat de lichaamstemperatuur op peil blijft (CRVB:2011:BR5767). Voorliggende voorziening Zoals gezegd speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt in de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Dat brengt mee dat het in principe onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt een beroep te doen op een ‘andere wettelijke regeling’ die een aanspraak meebrengt met het oog op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning (zie bepaling in de verordening). Denk aan het afsluiten van en/of gebruik te maken van een aanvullende zorgverzekering ook al is die niet in alle gevallen dekkend (vergelijk CRVB:2013:CA1427). Denk bijvoorbeeld ook aan gebruikmaking van (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke en psychische klachten (CRVB:2011:BT7241). Voor zover de cliënt daarvoor zijn verplicht eigen risico moet aanspreken, vormt dat in principe geen reden om een maatwerkvoorziening in te zetten. Het verplicht eigen risico treft namelijk iedereen in Nederland die gebruik maakt van bepaalde vormen van zorg of diensten op grond van de Zvw. Daarnaast is het zo dat de cliënt een beroep kan doen op een betalingsregeling. Overigens kan met een aanvullende zorgverzekering het verplicht eigen risico mogelijk worden ‘afgekocht’. Onder de eigen verantwoordelijkheid valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming. Denk bijvoorbeeld aan een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (vergelijk CRVB:2012:BV9433). Een ander voorbeeld is het in of buiten rechte aanspreken van een huiseigenaar wegens het niet voldoen aan de eisen die aan de woning gesteld mogen worden. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Risicosfeer Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen (vergelijk CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735). Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met de iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen zullen worden ondervonden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. In de verordening is nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift. § 2.6Algemeen gebruikelijk Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening indien de beperkingen van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening kunnen worden opgelost dan wel verminderd. Ratio Deze bepaling heeft als doel te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is voor de cliënt als aanvrager algemeen gebruikelijk als deze: 1. normaal in de handel verkrijgbaar is; en 2. niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en 3. niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en 4. naar geldende maatschappelijke normen past binnen het normale bestedingspatroon van de cliënt. Het is ter beoordeling aan het college of er op het moment van de aanvraag sprake is van een voorziening die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (vergelijk RBARN:2012:BX8032). Uitzonderingen zijn mogelijk als de voorziening vanwege omstandigheden van de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om een plotseling optredende beperking waardoor algemeen gebruikelijke voorzieningen eerder dan normaal moeten worden vervangen. Voorzieningen die zijn afgeschreven worden algemeen gebruikelijk geacht en als renovatie aangemerkt. Voorbeelden zijn badkamers (inclusief sanitair en kranen) of keukens. Beoordelingskader De eerste drie vragen hebben betrekking op de vraag of de voorziening algemeen gebruikelijk is. De vraag onder punt vier gaat over het antwoord op de vraag of de voorziening voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Het college beoordeelt de hier bovengenoemde vragen in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit dat een voorziening normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog niet zeggen dat het naar geldende maatschappelijke normen voor de persoon van de cliënt past binnen zijn normale bestedingspatroon. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verlenen van de voorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees ook het kunnen beschikken) over een dergelijke voorziening door een vergelijkbaar persoon zonder beperkingen. Niet al te strikt Aan de andere kant wordt nadrukkelijk opgemerkt dat de beoordeling van de eerste drie geformuleerde vragen niet al te strikt moet worden gelezen. Het feit dat de cliënt niet zonder meer een fiets met hulpmotor zou aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke voorziening voor hem/haar kan zijn. Fietsen met hulpmotor zijn -in principe- algemeen gebruikelijk voor personen die ouder zijn dan 16 jaar. Een fiets met hulpmotor is vergelijkbaar met een brommer, ook qua kosten (CRVB:2010:BN1265). Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen maatschappelijke normen. Het spreekt voor zich dat de cliënt het persoonsgebonden budget niet mag besteden aan een voor hem algemeen gebruikelijke voorziening. Zie ook de Bijlage bij deze beleidsregels met een overzicht van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Betaalbaarheid condensdroger In CRVB:2005:AT8015 oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het kunnen beschikken over een condens droger, in de omstandigheden van belanghebbende, als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een condens droger niet een specifiek voor 'gehandicapten' ontwikkeld product is. Eigen mogelijkheden vaatwasser Bij een aanvraag om huishoudelijke hulp geldt het uitgangspunt dat de cliënt primair zelf verantwoordelijk is voor het eigen huishouden. Voorzieningen op grond van de Wmo zijn ter aanvulling op de eigen mogelijkheden. De beperkingen die de cliënt ondervindt bij het afwassen kunnen worden ondervangen door gebruik te maken van een hulpmiddel. Daarbij valt te denken aan een eenpersoons vaatwasser (Rechtbank 's-Hertogenbosch 18-12-2012, AWB 12/2447). Vervanging Het toepassen van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers, algemene gebruikelijke voorzieningen worden door personen met en zonder beperkingen vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven. Een onverwachts optredende noodzaak Wanneer er sprake is van een plotseling optredende noodzaak tot aanschaf of vervanging van een voorziening en deze zijn oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een omstandigheid zijn waarom een algemeen gebruikelijke voorziening voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk is. Denk vooral aan plotseling opgetreden beperkingen omdat de persoon in dat geval niet had kunnen voorzien dat hij aangewezen zou zijn op een dergelijke voorziening. Wat onder plotseling wordt verstaan is in ieder geval afhankelijk van de algemene levensduur van de betreffende voorziening. Renovatie Renovatie heeft betrekking op het verlenen van voorzieningen die technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden (afschrijftermijn). In het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Raalte 2017 worden de afschrijftermijnen van een aantal voorzieningen genoemd. Voor personen met en zonder beperkingen geldt dat voorzieningen na verloop van tijd moeten worden vervangen of aangepast aan de eisen van de tijd. Meerkosten Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een maatwerkvoorziening die voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is, kunnen soms toch onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Voorbeelden hiervan zijn: Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel. De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Privaatrechtelijke verbintenis In het kader van de beoordeling of een aangevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is, kan onder omstandigheden betekenis toekomen aan het gegeven dat op grond van een privaatrechtelijke verbintenis aanspraak op de voorziening kan worden gemaakt. Het college kan in die gevallen verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is algemeen gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen.Is de aanvrager de eigenaar van de woning zal hij de voorziening zelf moeten realiseren. Hoofdstuk3GEBRUIKELIJKE HULP § 3.1Inleiding Gebruikelijke hulp is gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Onder een leefeenheid worden alle bewoners verstaan die gemeenschappelijke een woning bewonen omdat zij gezamenlijk een huishouden voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt behoort. Alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie worden volwassen huisgenoten geacht geen deel uit te maken van de leefeenheid. Dit is beperkt tot personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. Daarin kan overigens wel zijn overeengekomen dat ook ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. § 3.2Algemeen uitgangspunt In de Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen (beperkingen) op te vangen. De verordening bepaalt wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie; het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die naar oordeel van het college volgens algemene maatstaven tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. Hiermee is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere ondersteuning kan naar oordeel van het college ook als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. Naar oordeel van het college Het is ter beoordeling aan het college of gebruikelijke hulp kan worden verlangd van huisgenoten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in onze samenleving het normaal wordt geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Een huishouden heeft in dit kader niet alleen betrekking op de huishoudelijke taken maar moet in een breder verband worden opgevat. Ondervindt een huisgenoot beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, dan heeft dat betrekking op het (functioneren van) huishouden binnen de leefeenheid. Gezamenlijke verantwoordelijkheid Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de ‘sociale relatie’ tussen huisgenoten, waarin het gemeenschappelijk voeren van een huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid met zich meebrengt voor het functioneren van dat huishouden. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden. Objectief wegingskader De wet bepaalt dat het college onderzoek moet doen, gebruikelijke hulp kan dus niet worden aangenomen (RBGEL:2016:3028). Naast het bepaalde in de verordening hanteert het college een aantal uitgangspunten die zijn gebaseerd op de regels die golden in Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Voor wat betreft het overnemen van huishoudelijke taken gelden de regels zoals die onder de Wmo 2007 werden gehanteerd. Daarbij geldt het algemene uitgangspunt dat van huisgenoten wordt verwacht dat zij de huishoudelijke taken overnemen als de cliënt, vanwege diens beperkingen, daartoe niet of niet voldoende in staat is. In deze beleidsregels wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen de gebruikelijke hulp in de zin van begeleiden bij of het overnemen van bepaalde activiteiten, waaronder ook het bieden van vervoer kan worden verstaan, en bij het overnemen van huishoudelijke taken. Verder is het zo dat ouders in principe zorg behoren te bieden aan hun minderjarige kinderen die nog niet voor zichzelf kunnen zorgen, dat is gebruikelijk hulp. In het kader van de Wmo 2015 heeft dat voornamelijk betrekking op het (tijdelijk) uitvallen van een van de ouders. Zie verder in hoofdstuk 6 huishoudelijke hulp van deze beleidsregels. Modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden (Stb. 2014, 565) Met dit wetsvoorstel zijn de regels voor verlof in de Wet arbeid en zorg en de Wet aanpassing arbeidsduur vereenvoudigd. Denk aan het gebruik van verlofrechten en de mogelijkheid van aanpassing van de arbeidsduur. Ook is het opnemen van ouderschapsverlof, adoptie- en pleegzorgverlof en langdurend zorgverlof eenvoudiger geworden. De reikwijdte van het kort- en langdurend zorgverlof is uitgebreid naar werknemers die zorgen voor andere huisgenoten dan partner, ouder of kind. De personenkring voor het kort- en langdurend zorgverlof is uitgebreid met familieleden in de tweede graad en anderen met wie de werknemer een sociale relatie heeft. De werkingssfeer van het langdurend zorgverlof is verbreed met de zorg voor zieken en hulpbehoevenden. Deze regels kunnen betrokken worden bij de vraag of gebruikelijke hulp kan worden gevergd van de huisgenoot. Is dat het geval, dan heeft het bieden van gebruikelijke hulp een verplichtend karakter. Het college moet bij de beoordeling wel rekening houden met het verlies aan inkomsten bij gebruikmaking van dergelijk verlof. Het gaat in deze situatie namelijk niet om een eigen keuze om feitelijk minder te gaan werken en bij gevolg daarvan ook minder inkomen te ontvangen. Het college zal daarbij de omvang van het verlof en bij behorende inkomensderving af moeten zetten tegen het voorkomen of verminderen van de aanspraak. Daarnaast speelt de omvang van de inkomensderving een rol met het oog op het kunnen betalen van de reguliere kosten van levensonderhoud waaronder ook woon-en energielasten. § 3.3Beoordeling gebruikelijke hulp In de verordening is bepaald dat het college bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp zich baseert op de volgende feiten en omstandigheden: 1. De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. 2. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, tenzij het huishoudelijke hulp betreft. 3. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. 4. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Ad. 1. De aard, omvang en te verwachten duur van de ondersteuningsbehoefte Het college inventariseert als eerste de hier bedoelde feiten en omstandigheden. De aard De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De cliënt kan aangewezen zijn op hulp: bij zelfzorg; bij de thuisadministratie (of het overnemen daarvan); bij het plannen of ondernemen van (dagelijkse) activiteiten in het kader van participatie; of in verband met problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met bijvoorbeeld hulp van anderen of met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of eventuele algemene voorzieningen. Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar verwacht wordt geboden te worden. Zo mag het college bijvoorbeeld verwachten dat het doen van de thuisadministratie door de huisgenoot wordt overgenomen van de cliënt als hij daar niet meer toe in staat is. Het kan ook zijn dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot ondersteuning bij de thuisadministratie. Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval de postverzorging en de betaling van rekeningen en dergelijke. Het bieden van gebruikelijke hulp bij de thuisadministratie moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie. Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt’ van deze beleidsregels. De omvang Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Zo kan de cliënt zijn aangewezen op begeleiding bij of het overnemen van bepaalde activiteiten maar ook afhankelijk zijn van (volledig) toezicht. Naast de vraag of dit toezicht onder gebruikelijke hulp kan worden geschaard, kan het zware eisen stellen aan en/of een zware wissel trekken op de persoon die deze hulp biedt. Ook kan de totale omvang van de ondersteuningsbehoefte in de zelfredzaamheid met zich meebrengen dat niet volledig van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Het college neemt daarbij de uitstelbare en niet-uitstelbare hulp en/of planbare en niet-planbare hulp in aanmerking maar ook de mogelijkheid van redelijkerwijs te vergen oplossingen die een eventuele aanspraak op maatschappelijke ondersteuning (deels) kunnen voorkomen. De omvang van de ondersteuning kan (deels) ook onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en/of klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, op familiebezoek gaan, et cetera. Dergelijke hulp kan volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer als gebruikelijk worden aangemerkt (zie verder in deze beleidsregels). Het college kan voor de boven-gebruikelijke hulp een maatwerkvoorziening verlenen (zie verder in deze beleidsregels). Kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte Afhankelijk van de aard van de beperking(
  2. en)kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de cliënt. In het algemeen hanteert het college hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Ook in die situaties kan er nog steeds uitzicht zijn op herstel maar er kan ook sprake zijn van een (naar verwachting) permanente ondersteuningsbehoefte. Als er sprake is van hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden, is het in principe niet van belang of sprake is van een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte. Huishoudelijke taken Ook bij het overnemen van huishoudelijke taken wordt in principe geen rekening gehouden met een onderscheid tussen een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie zoals die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen (zie bijvoorbeeld CRVB:2015:3198). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen dat de huisgenoot in staat moet worden geacht de huishoudelijke taken, die de cliënt zelf niet kan doen, kan verrichten. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden zou zijn om huishoudelijke hulp toe te kennen (CRVB:2016: 3665). Ad. 2. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp moeten bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid kiezen ervoor om gezamenlijk een huishouden te voeren. Dat maakt hen verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Huishoudelijke taken Bij het overnemen van huishoudelijke taken wordt in principe geen rekening gehouden met de aard van de relatie. Het gaat er om of sprake is van een huisgenoot binnen de leefeenheid van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie zoals die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen (zie ook hiervoor). Algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer Het college houdt bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. De volgende voorbeelden worden genoemd. Hulp bij een bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts, et cetera. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan; het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daarover kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Het vervoer bij structurele verplaatsingen, waarbij rekening wordt gehouden met de intensiteit van de verplaatsingen en de reguliere dag invulling van de huisgenoot. Hulp bij of het overnemen van taken die tot een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie. Hulp aan anderen, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het (leren) omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, vrijwilligers, et cetera. Hulp van ouders (zorgplicht) aan minderjarige kinderen (zie verder ook hoofdstuk 6 huishoudelijke hulp van deze beleidsregels). Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer; de onderhoudsplicht die echtgenoten/partners naar elkaar toe hebben. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg of hulp biedt bij beperkingen in de sociale redzaamheid. Bij een substantiële omvang in de ondersteuningsbehoefte kan dit er evenwel toe leiden dat sprake is van boven-gebruikelijke hulp. Kinderen ten opzichte van ouders Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen aan hun ouders. Daarbij moet vooral gedacht worden aan het overnemen van de huishoudelijke taken. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan het bieden van begeleiding als gebruikelijke hulp anders liggen. Het hoeft ook niet in alle situaties zo te zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer gebruikelijk is dat meerderjarige inwonende kinderen hun ouder(
  3. s)individuele ondersteuning bieden. Het college zal dat op basis van de individuele situatie moeten beoordelen aan de hand van het onderzoek. Ouders en kinderen De zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Het overnemen van de gebruikelijke hulp van de kinderen kan een Wmo-aanspraak zijn, maar structurele opvang van kinderen in beginsel niet. Zie verder hoofdstuk 6 huishoudelijke hulp van deze beleidsregels. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Voor huisgenoten ten opzichte van elkaar kan het bieden van begeleiding als gebruikelijke hulp anders liggen. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het ook zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander bijvoorbeeld aanspoort tot zelfzorg. Ad. 3. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, gaat het college er in beginsel vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke taken. Dat beoordeelt het college op basis van de individuele situatie. Kinderen binnen de leefeenheid In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, gaat het college er vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden in principe geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Onder de omstandigheden van de individuele situatie kan ook andere hulp of ondersteuning van het meerderjarige kind aan de ouder(
  4. s)onder de gebruikelijke hulp vallen. Verder gelden de volgende uitgangspunten bij de huishoudelijke taken: Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen tussen 5-13 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Ad. 4. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd Het kan voor komen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp van een huisgenoot kan worden verlangd. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier gebruikelijke hulp kan of moet worden verleend, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een nog niet eerder aanwezige ondersteuningsbehoefte van de cliënt zoals bij een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie het geval kan zijn. Of een huisgenoot die nooit heeft geleerd huishoudelijke taken uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de ‘gebruikelijke hulp’ aan te leren. De ondersteuning kan dan ook gericht zijn op het leren om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de cliënt. Er moet in die gevallen wel sprake zijn van een noodzaak tot het verlenen van een maatwerkvoorziening die in overwegende mate is gericht op de cliënt. Het spreekt voor zich dat hierbij de leerbaarheid van de cliënt ook een belangrijke rol kan spelen. Dat kan ook betrekking hebben op het (leren) accepteren van de te bieden gebruikelijke hulp. De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of in individuele situaties sprake kan zijn van een uitzondering op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden, overbelast is (of dreigt te geraken) en niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze feitelijk inhoudt. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen. Ook kan een medisch advies nodig zijn. Zie daarvoor hoofdstuk 11 Advisering van deze beleidsregels. § 3.4Dreigende overbelasting Bij een beroep op (dreigende) overbelasting van de huisgenoot moet dat door de cliënt of huisgenoot aannemelijk worden gemaakt en zonodig nader worden onderbouwd. In dat geval rust er op het college de plicht daar een onderzoek naar in te stellen. De betreffende huisgenoot is dan overigens wel verplicht zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert de huisgenoot dit, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld, tenzij het college het recht op een andere manier kan vaststellen. Omvang planbare en/of onplanbare hulp Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te bieden is van invloed op de belastbaarheid van de degene geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Gebruikelijke zorg/hulp overig Het college zal bij de beoordeling van (dreigende) overbelasting in voorkomende gevallen ook rekening moeten houden met de omstandigheid dat de cliënt (of diens huisgenoot) gebruikelijke zorg/hulp bieden in het kader van andere regelgeving. Denk bijvoorbeeld aan verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en/of het bieden van jeugdhulp op grond van de Jeugdwet. Voorkomen of oplossen overbelasting Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen dienen deze te worden aangewend. Indien de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten met een niet verplichtend karakter, al dan niet in combinatie met een fulltime werkweek, kan het verlenen van gebruikelijke hulp voor gaan op die maatschappelijke activiteiten. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting vanwege het bieden van mantelzorg, dan kan het college mogelijk vergen dat de huisgenoot die overbelasting voorkomt of opheft door deze zorg door (andere) zorgverleners of ondersteuners uit te laten voeren. Is dat het geval, dan heeft het bieden van gebruikelijke hulp een verplichtend karakter. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de huisgenoot (vaak de partner/ouder) persoonlijke verzorging biedt als bedoeld in de Zvw of de Jeugdwet. Op grond van die wetten kan de aanspraak in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget worden geboden. Bij de beoordeling van de natura oplossing houdt het college nadrukkelijk rekening met de wens dat de cliënt of de jeugdige door zijn partner respectievelijk ouder verzorgd wil worden en niet door ‘derden’. In voorkomende gevallen ligt de aanvraag om een persoonsgebonden budget meer voor de hand. Dat beoordeelt het college in de individuele situatie. Verder wordt verwezen naar Bijlage ‘onderzoek dreigende overbelasting’ van deze beleidsregels. § 3.5Boven-gebruikelijke hulp Het kan zijn dat de gebruikelijke hulp (substantieel) wordt overschreden. Denk bijvoorbeeld aan de situatie van een langdurige ondersteuningsbehoefte in combinatie met het uitvoeren van huishoudelijke taken en/of het bieden van noodzakelijke individuele ondersteuning. Voor boven-gebruikelijke hulp kan een indicatie worden afgegeven (CRVB:2015:3576). Het college moet daarvoor de feiten en omstandigheden van de individuele situatie beoordelen. Daarvoor zal het college eerst moeten vaststellen wat de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. § 3.6Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe van uit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: de huisgenoot is overbelast of dreigt te worden overbelast; de huisgenoot heeft beperkingen en mist de kennis/vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren; de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; de huisgenoot is regelmatig niet aanwezig, vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. In voorkomende gevallen kan het college al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. Denk bijvoorbeeld aan kinderopvang. Hoofdstuk4MANTELZORG § 4.1Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Wettelijk begrip In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Niet verzilveren van een aanspraak Uit de wettelijke definitie van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigd. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Afstemmen Anders dan in de Wlz (ook AWBZ) het geval is, kan het college bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt. Dit neemt overigens niet weg dat het bieden van mantelzorg vrijwillig is. En zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1, eerste lid onder g, van de Wlz). Wel kunnen deze verzekerden gebruik maken van algemene voorzieningen op grond van de Wmo 2015. Dergelijke voorzieningen zijn immers ‘vrij’ toegankelijk omdat er geen aanvraag voor hoeft te worden gedaan. Hulpmiddelen Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. Er kan in voorkomende gevallen duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt. In eerste instantie is echter de zelfredzaamheid van de cliënt het uitgangspunt. Pas wanneer deze ondersteuning nodig heeft van een mantelzorger worden de (on)mogelijkheden van de vaste mantelzorger onderzocht. § 4.2Respijtzorg De maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf adequaat te ondersteunen. Het college houdt daarbij rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Dat betekent dat de cliënt (tijdelijk) aangewezen kan zijn op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Dat is respijtzorg. Denk bijvoorbeeld aan ondersteuning groep of huishoudelijke hulp. De maatwerkvoorziening als respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend. Daarvoor is overigens een bijdrage in de kosten verschuldigd, tenzij de verordening of de daarop gebaseerde lagere regelgeving anders bepalen. Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger wordt in principe verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hier ook een rol in spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden hierbij altijd meegewogen (zie bijlage bij deze beleidsregels). Inzet van respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. In geval de mantelzorger persoonlijke verzorging, als bedoeld in de Zvw, biedt kan het college mogelijk vergen dat daar een aanvraag voor wordt gedaan (zie ook eerder in deze beleidsregels). Persoonlijke verzorging op grond van de Zvw kan door de zorgverzekeraar in natura of als persoonsgebonden budget worden toegekend. Een indicatie wordt gesteld door de wijkverpleegkundige. Hiermee kan het verlenen van een maatwerkvoorziening worden voorkomen. § 4.3Mantelzorger: ondersteunen of zelf cliënt Respijtzorg moet worden onderscheiden van: de ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de hulpvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het gesprek) plaatsvindt. Het ligt niet voor de hand dat deze situaties snel zullen leiden tot het verlenen van een maatwerkvoorziening. § 4.4Mantelzorgwoning Tijdens de wetsbehandeling van de Wmo 2015 is aangegeven dat initiatieven als mantelzorgwoningen aandacht verdienen en waar mogelijk belemmeringen tot plaatsing te worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). Hoofdstuk5ONDERSTEUNING GROEP EN ONDERSTEUNING THUIS § 5.1Inleiding Met de maatwerkvoorziening ondersteuning groep en ondersteuning thuis wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding. Daaronder worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het bieden van dagbesteding kan een vorm zijn van begeleiding, die bijdraagt aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, zodat deze langer in de eigen leefomgeving kan blijven. Dit omvat structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij een persoon actief wordt betrokken (en die hem zingeving verleent). Ondersteuning thuis en ondersteuning groep ondersteunen cliënten met beperkingen op het gebied van hun: sociale redzaamheid (dagelijkse bezigheden, problemen oplossen en besluiten nemen, dagelijkse routine regelen, et cetera) probleemgedrag (gedragsproblemen) psychisch functioneren (concentratie, geheugen en denken en perceptie van omgeving) geheugen en oriëntatie § 5.2Lichte Ondersteuning Thuis (LOT) Het doel van LOT is het bieden van ondersteuningsactiviteiten in de thuisomgeving gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en participatie, zodat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen. LOT is in overwegende mate gericht op het overnemen van eenvoudige huishoudelijke taken en wordt geïndiceerd per uur of een tijdseenheid naar rato daarvan. Ureninzet is afhankelijk van de individuele situatie. De activiteiten of inhoud van LOT kunnen bestaan uit: ondersteuning bij het aanbrengen van structuur in het huishouden; ondersteuning bij en uitvoeren van schoonmaakwerkzaamheden; ondersteuning bij en uitvoeren van het kunnen beschikken over schone en draagbare, zo nodig opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed, indien (medisch) noodzakelijk gestreken; ondersteuning bij en uitvoeren van verzorgen van de (brood)maaltijd; ondersteuning bij en uitvoeren van boodschappen doen; ondersteuning bij en uitvoeren van verzorging (gezonde) kinderen; signalerende functie op gebied van zelfredzaamheid & participatie, dreigende problematiek en daar direct op handelen om zwaardere en duurdere zorg en ondersteuning te voorkomen.; eenvoudige signalering van en doorgeleiding van de vraag naar voorliggende voorzieningen en personen uit het sociaal netwerk; eenvoudige signalering van en doorgeleiding van de vraag naar de behoefte aan meer of andere zorg; eenvoudige signalering van gezondheidsrisico’s en doorgeleiding van de risico’s naar reguliere hulpverlening, niet zijnde maatschappelijke ondersteuning. § 5.3Basis Ondersteuning Thuis (BOT) Het doel van BOT is gericht op het bieden van ondersteuningsactiviteiten in de thuisomgeving gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en participatie, zodat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen. BOT is in overwegende mate gericht op begeleiding en wordt geïndiceerd per uur. Ureninzet is afhankelijk van de individuele situatie. De activiteiten of inhoud van BOT kunnen bestaan uit: ondersteuning bij het laten uitvoeren van de Algehele Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL); ondersteuning bij het aanbrengen van structuur in het huishouden; ondersteuning bij de zelfregie/ dagstructuur/stabiel functioneren; ondersteuning bij en het oefenen met het voeren van de administratie en bij het omgaan met geld; ondersteuning bij en het oefenen met (werknemers)vaardigheden of handelingen; ondersteuning bij het oefenen met het zelfstandig reizen met openbaar vervoer; ondersteuning bij het leren om zelfstandig te wonen; ondersteuning en stimulering van het leggen van contact in de (persoonsgebonden) sociale omgeving; ondersteuning bij contacten met officiële instanties; ondersteuning bij de mogelijke integratie in de samenleving en de sociale participatie (bijvoorbeeld hulp bij de opbouw van een sociaal netwerk); toepassen van casemanagement. Coördinatie en afstemming met (ondersteunende) partijen die geïndiceerde zorg of ondersteuning bieden. Het kan gaan om professionele ondersteuners of hulpverleners of om personen uit het sociaal netwerk van de cliënt; ondersteuning op afstand. Hieronder wordt verstaan: beeldschermzorg en telefonische ondersteuning; ondersteuning oproepbaar, naast planbare ondersteuning. ADL-activiteiten Onder ADL-activiteiten wordt verstaan: het ondersteunen bij het in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning en sociaal contact en aansporing om onder de douche te gaan (lichamelijke hygiëne). § 5.4Gespecialiseerde Ondersteuning Thuis (GOT) Het doel van GOT is gericht op het bieden van ondersteuningsactiviteiten in de thuisomgeving gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid en participatie, zodat de cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen. BOT wordt geïndiceerd per uur. Ureninzet is afhankelijk van de individuele situatie. Aanspraak Het college kan de maatwerkvoorziening GOT verlenen aan cliënten waarbij de inzet van BOT niet toereikend is én waarbij sprake is van: ernstige gedragsproblematiek, en/of; zorg mijdend gedrag, en/of; agressief gedrag, en/of; (ernstige) verwaarlozing, en/of; ernstige cognitieve problematiek, en/of; meervoudige coördinatie en afstemming met eerder genoemde ondersteunende partijen (complexiteit zorg- en/of ondersteuningsvraag is groot, opgestelde ondersteuningsplan werkt onvoldoende en/of samenwerking stagneert), en/of; zorgen om/voor de veiligheid van de cliënt (en zijn/haar omgeving, en/of ondersteuner) Ondersteuningsactiviteiten of inhoud Zie Basis Ondersteuning Thuis. § 5.5Activerende Ondersteuning Groep (AOG) Het doel van AOG gericht op het bieden van arbeidsmatige ondersteuning. Het gaat bij AOG om gestructureerde activiteiten, waarbij met de cliënt gerichte afspraken zijn gemaakt over de werkzaamheden die verricht zullen worden (er is een overeenkomst tussen de cliënt en aanbieder). Het gaat om onbetaalde werkzaamheden (wel is in de praktijk een beperkte onkostenvergoeding mogelijk). Er zijn duidelijke afspraken gemaakt over het aantal uren dat de cliënt ‘werkzaam’ is en het tijdstip waarop de werkzaamheden verricht worden. AOG wordt geïndiceerd per dagdeel. Doel arbeidsmatige ondersteuning: arbeidsmatige activiteiten hebben betekenis in het kader van persoonlijke ontplooiing en verkenning van individuele mogelijkheden, bijvoorbeeld gericht op het opdoen van arbeidservaring of het toeleiden naar een (on)betaalde baan; arbeidsmatige activiteiten zijn gericht op het aanleren en/of onderhouden van arbeidsvaardigheden; er is een stimulerend leer- en oefenmilieu; arbeidsmatige activiteiten zijn gericht op het activeren van cliënten met psychiatrische en/of psychische problemen (rehabilitatiedoelen) en dragen bij aan bevordering van maatschappelijke (her-)integratie; arbeidsmatige activiteiten hebben een stabiliserend effect op het dagelijks leven van de cliënten en dragen op die manier bij aan het voorkomen van isolement, terugval en decompensatie. Aanspraak Het dagondersteuningsprogramma in groepsverband of voor een cliënt die zelfstandig werkt op een locatie (maar wordt ondersteund door de groepsbegeleider), is gericht op arbeidsmatige activiteiten voor cliënten die geen reguliere arbeid kunnen verrichten. Zij vallen onder de doelgroep van de wet, maar zijn wel in staat om onbetaalde werkzaamheden te verrichten. Dit zijn cliënten met bijvoorbeeld: een langdurige psychische stoornis; niet aangeboren hersenletsel; verstandelijk- lichamelijk beperkt zijn. Vervoer van-en-naar de maatwerkvoorziening De cliënt die niet in staat is om op eigen kracht naar de locatie van de groepsondersteuning te komen, kan gebruik maken van de vervoersmogelijkheden die de aanbieder verplicht is te bieden. § 5.6Basis Ondersteuning Groep (BOG) Het doel van BOG is gericht op het aanbrengen van structuur, activeren/ bevorderen van sociale participatie (o.a. door bewegen, sport, cultuur) en het ontlasten van mantelzorgers. BOG wordt geïndiceerd per dagdeel, inzet is afhankelijk van de individuele situatie. De activiteiten of inhoud van BOG kunnen bestaan uit: dagondersteuning in groepsverband en ondersteuning sociale activiteiten; Bevorderen, behouden en compenseren van het functioneren en voorkomen, vertragen of verergeren van beperkingen; dagondersteuning bij het leren omgaan met fysieke en/of cognitieve beperkingen; dagondersteuning bij het voorkomen van achteruitgang in fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele vaardigheden. § 5.7Gespecialiseerde Ondersteuning Groep (GOG) Het doel van GOG is gericht op het aanbrengen van structuur, activeren/ bevorderen van sociale participatie (o.a. door bewegen, sport, cultuur) en het ontlasten van mantelzorgers. GOG wordt geïndiceerd per dagdeel, inzet is afhankelijk van de individuele situatie. Aanspraak Het college kan de maatwerkvoorziening GOG verlenen aan cliënten waarbij de inzet van BOG of AOG niet toereikend is én waarbij sprake is van: ernstige gedragsproblematiek, en/of; sterk verminderde zelfregie, en/of; ernstige cognitieve problematiek. Ondersteuningsactiviteiten of inhoud Zie Basis Ondersteuning Groep. Hoofdstuk6HUISHOUDELIJKE HULP § 6.1Inleiding Indien een cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening kan het college ondersteuning in de vorm van huishoudelijke hulp toekennen. De inzet van huishoudelijke hulp heeft als doel een bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Zelfredzaamheid is in de Wmo 2015 gedefinieerd als: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep valt niet op te maken onder welke van de twee hiervoor genoemde elementen van zelfredzaamheid huishoudelijke hulp geschaard moet worden. Wel is duidelijk geworden dat huishoudelijke hulp binnen het bereik valt van de Wmo 2015 (CRVB:2016:1402 en 1403). In de bijlage Indicatierichtlijn Huishoudelijke hulp van deze beleidsregels staan normtijden die van toepassing zijn. § 6.2Inhoud huishoudelijke hulp De verordening bepaalt dat huishoudelijke hulp gericht is op het bereiken van de volgende resultaten: een schoon en leefbaar huis; het beschikken over schone en draagbare, zo nodig opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed, indien (medisch) noodzakelijk gestreken; het klaarzetten of bereiden en zonodig aanreiken van maaltijden; het kunnen beschikken over benodigdheden om te voorzien in primaire levensbehoeften (boodschappen); het thuis kunnen zorgen voor de minderjarige kinderen die tot het gezin behoren (die niet voor zich zelf kunnen zorgen). Zie verder hierna in deze beleidsregels. Overnemen taken Het gaat bij het verlenen van huishoudelijke hulp voornamelijk om het uitvoeren van huishoudelijke taken (overnemen). Voor zover de cliënt zelf in staat is deze taken uitvoeren maar heeft hij daar begeleiding bij nodig kan het college overgaan tot het verlenen van (lichte) ondersteuning thuis (LOT). Zie hoofdstuk 5 van deze beleidsregels. Beleidsuitgangspunten Bij het verlenen van huishoudelijke hulp hanteert het college de volgende beleidsuitgangspunten. Leefeenheid primair zelf verantwoordelijk De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Dat valt onder gebruikelijke hulp (zie verder hoofdstuk 3 van deze beleidsregels). Voorliggende oplossingen Het college beoordeelt of er voorliggende oplossingen zijn. Die gaan voor op het verlenen van een maatwerkvoorziening. Voorbeelden zijn: inzet van personen uit het sociale netwerk (waaronder ook mantelzorg), geschikte en beschikbare vrijwilligers, gebruikmaking van algemene voorzieningen of gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Ook de aanbieder kan bij de inzet van huishoudelijke hulp richting of sturing geven aan het gebruik (gaan) maken van voorliggende oplossingen, mits dat ook onderdeel is van het ondersteuningsplan. Aanwezigheid van algemeen gebruikelijke voorzieningen Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen waarmee de huishoudelijke hulp zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, et cetera (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde voorzieningen die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke taken zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau of een handwringer voor het uitwringen van werkdoekjes. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke voorziening een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die wel bereikbaar is voor de cliënt zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Geen andere oplossingen Ook geldt vanzelfsprekend dat er geen andere oplossingen mogelijk (kunnen) zijn die problemen bij kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op ondersteuning (vergelijk CRVB:2011:BP1804). Mogelijk is ook dat een deel van de huishoudelijke taken door de cliënt zelf wordt gedaan en voor een ander deel ondersteuning door het college wordt geboden. Zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking zodat de huishoudelijke hulp zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen of (
  5. te)volle vensterbanken die - voordat de ramen gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (
  6. te)volle kasten met allerlei kleinheden, et cetera. Ook mag van de cliënt worden verwacht dat hij - indien mogelijk - voorbereidingen treft bijvoorbeeld voor het doen van de was. Houden van huisdieren Heeft de cliënt huisdieren dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet van huishoudelijke hulp. Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Immers, het hebben van huisdieren brengt nu eenmaal (wat) meer vervuiling van de woning met zich mee. Als uitzondering kan gelden indien de cliënt is aangewezen op een blinde geleide hond of een zogeheten hulp hond die is verstrekt op grond van de Zvw of aan de jeugdige op grond van de Jeugdwet. Gesaneerde woning Verder is het zo dat bij huishoudelijke hulp wordt uitgegaan van een gesaneerde woning ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten maar worden deze dieren wel door de cliënt gehouden dan geldt geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. Normale gebruik van de woning Voor wat betreft het schoonhouden en opruimen van de woning geldt het uitgangspunt dat de taken alleen betrekking hebben op ruimten die voor de cliënt noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning. In het kader van huishoudelijke hulp bepaalt de verordening dat het om ruimten gaat die te maken hebben met de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken) en verplaatsingen in de woning (verkeersruimten). Ruimten die niet in gebruik (hoeven
  7. te)zijn vallen hier dus buiten. Dat wil niet echter zeggen dat in deze ruimte(
  8. n)helemaal nooit gestofzuigd of gedweild hoeft te worden. § 6.3Resultaten Zoals gezegd is de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp gericht op het bereiken van resultaten (zie verordening). Hieronder worden de betreffende resultaten nader toegelicht. 1. Een schoon en leefbaar huis Het te bereiken resultaat bestaat allereerst uit het kunnen wonen in een woning die schoongehouden is. Daarnaast is het van belang dat de woning leefbaar is, dat staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Met het oog op dit resultaat kan een maatwerkvoorziening getroffen worden voor taken die betrekking hebben op het schoonmaken en/of opruimen. Schoon Dit betekent dat men in het algemeen gebruik moet kunnen maken van schone ruimten in verband met het in staat zijn tot het normale gebruik van de woning. In het algemeen is het natuurlijk zo dat deze ruimten met enige regelmaat schoongemaakt moeten worden. Het wil echter niet zeggen dat alle ruimten altijd wekelijks schoongemaakt moeten worden. Bij schoon wordt onderscheid gemaakt hygiënisch schoon en optisch (lees ook representatief) schoon. Hygiënisch schoon kan zijn aangewezen omdat het bevorderlijk is voor de gezondheid. Het resultaat hygiënisch schoon heeft daarom betrekking op de sanitaire ruimten en het keukenblad waar de maaltijden worden bereid. Een optisch schoon resultaat van bijvoorbeeld de rest van de keuken, waaronder de keukenkastjes, wordt verkregen als het oppervlak vrij is van zichtbare vervuiling. Denk verder aan het stofzuigen en/of dweilen van de (overige) ruimten voor het normale gebruik van de woning, bed verschonen, stof afnemen en ramen lappen. Leefbaar Een algemene definitie van leefbaarheid luidt als volgt; ‘geschikt om erin of ermee te kunnen leven’ (Van Dale, 1997). Dat maakt leefbaarheid nog niet geheel objectief. Leefbaarheid in dit kader gaat over de relatie van de cliënt en de woning. In het algemeen gaat leefbaarheid in het kader van deze beleidsregels er van uit dat de woning opgeruimd moet zijn om bijvoorbeeld vallen te voorkomen. Er mag van de cliënt worden verwacht dat hij daar - voor zover mogelijk en in wat redelijk is - zijn medewerking aan verleent. 2. Het beschikken over schone en draagbare, zo nodig opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed, indien (medisch) noodzakelijk gestreken De dagelijkse kleding, beddengoed, handdoeken, e.d. moeten met enige regelmaat schoongemaakt worden. Daaronder valt het aanwezig zijn van gewassen, opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed, indien medisch noodzakelijk gestreken. Bij dat laatste wordt opgemerkt dat van de cliënt ook mag worden verwacht dat hij rekening houdt met het kopen van kleding waarbij strijken niet nodig is. Dit moet overigens ook in relatie worden gezien met de aanschaf van een algemeen gebruikelijke wasdroger. Van de cliënt mag in dit kader worden verwacht dat er bijvoorbeeld extra (twee- of driedubbel) beddengoed aanwezig is. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld voldoende handdoeken, andere linnengoed en/of kleding. Op deze manier kan de inzet van ondersteuning zo efficiënt mogelijk worden gedaan. 3. Het klaarzetten of bereiden en zonodig aanreiken van maaltijden Dit te bereiken resultaat bestaat uit het bereiden van broodmaaltijden en warme maaltijden en koffie of thee zetten. Broodmaaltijd Een broodmaaltijd kan 1 keer dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de jurisprudentie qua frequentie (CRVB:2016:2960, CRVB:2011:BU5492). Warme maaltijden Naast het bereiden van de warme maaltijd kan ook enkel het opwarmen van een maaltijd aan de orde zijn. Een warme maaltijd kan 1 keer per dag worden geboden. Dit geldt vanzelfsprekend alleen als er geen andere (voorliggende) oplossingen zijn zoals: de maaltijdservice, mee kunnen eten bij een buurt- of verzorgingshuis of de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt. Aanreiken Het aanreiken van de maaltijden kan binnen het bereik van de Wmo 2015 vallen. Voor zover de cliënt vanwege lichamelijke beperkingen niet in staat is zelf te eten, ligt het voor de hand dat daarvoor een indicatie verkregen kan worden op grond van de Zvw (verzorging en verpleging). Ook indien vanwege bijvoorbeeld verslikkingsgevaar toezicht moet worden gehouden tijdens het eten zal die aanspraak van de Zvw zijn aangewezen. 4. Het kunnen beschikken over benodigdheden om te voorzien in primaire levensbehoeften (boodschappen) Het kunnen beschikken over boodschappen voor het dagelijks leven valt binnen het bereik van huishoudelijke hulp. Denk in dit geval aan levensmiddelen en schoonmaakmiddelen en dergelijke die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Onder dit resultaat kan ook het opstellen van een boodschappenlijst vallen. Boodschappendienst Gebruikmaking van een boodschappendienst wordt in principe aangemerkt als algemeen gebruikelijke voorziening. Supermarkten hebben doorgaans een dergelijke service, hetgeen wel uit het onderzoek moet blijken. De cliënt kan zijn boodschappen via de telefoon of de PC bestellen. De aanbieder kan zonodig ondersteuning bieden bij het opstellen van een boodschappenlijst. Of de boodschappendienst een passende oplossing is wordt bepaald door: de feitelijke beschikbaarheid; of de kosten voor de aanvrager financieel draagbaar zijn; en of de boodschappendienst als adequate compensatie kan worden aangemerkt. Passend Het feit dat de cliënt, die gebruik kan maken van de boodschappendienst (of bezorgen van maaltijden), afhankelijk is van bezorgtijden brengt niet mee dat de boodschappendienst om die reden niet als passende oplossing kan worden aangemerkt (CRVB:2011:BU5492). Ad. 1 Het spreekt voor zich dat het college vast moet stellen dat er een boodschappendienst beschikbaar is. De omstandigheid dat de supermarkt waar de cliënt normaal gesproken zijn boodschappen doet of zou willen doen geen boodschappendienst heeft, maakt niet dat een andere boodschappendienst niet als passende oplossing kan gelden. Ad. 2 Het beschikken over (dagelijkse) boodschappen is structureel noodzakelijk, dat spreekt voor zich. Dat betekent ook dat het gebruik van de boodschappendienst telkens terugkerende kosten met zich mee kan brengen. Daarover moet het college zich op het standpunt kunnen stellen dat deze kosten door de cliënt financieel gedragen kunnen worden. Daarbij neemt het college ook in aanmerking dat het doorgaans mogelijk is en als gangbaar wordt beschouwd dat mensen boodschappen geclusterd doen door bijvoorbeeld eens per week of tweewekelijks een voorraad in huis te halen. Voor zover het gaat om de zware boodschappen kan daar in ieder geval van worden uitgegaan. Ook kan het zijn dat de cliënt zelf nog in staat is om met bijvoorbeeld een scootmobiel (dagelijkse) boodschappen te doen. Daarbij kan van de cliënt ook worden verlangd om de hulp van het personeel of een derde in te roepen als hij onverwacht niet bij een boodschap kan omdat deze te laag of te hoog in de schappen ligt. Verder mag van de cliënt in voorkomende gevallen ook worden verwacht dat met een daarop gerichte training wordt geleerd om met een scootmobiel op een veilige manier winkels binnen te gaan en boodschappen te doen. Ad. 3 Het is vanzelfsprekend dat het college zich op het standpunt moet kunnen stellen dat de boodschappendienst als passende oplossing kan worden aangemerkt. Zo kan uit het onderzoek blijken dat de cliënt geen gebruik kan maken van de boodschappendienst omdat hij de boodschappen van de bezorgservice niet kan aanpakken en/of opruimen. Het kan ook zijn dat de cliënt is aangewezen op een medisch noodzakelijk dieet (aantoonbaar) waardoor kant-en-klaarmaaltijden niet als voorliggende oplossing kunnen gelden. Ook kan er sprake zijn van dusdanige beperkingen dat de cliënt de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt niet kan openen en/of in de magnetron kan zetten. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Opgemerkt wordt dat bij het oordeel of een maaltijdservice als passende oplossing kan worden aangemerkt het college ook de 3 hierboven genoemde punten moet beoordelen. Daarbij geldt dat de cliënt ook te maken kan hebben met algemeen gebruikelijke kosten: de kosten van het eten zelf. Die kosten worden feitelijk uitgespaard. 5. Het thuis zorgen voor de minderjarige kinderen die tot het huishouden behoren (die niet voor zich zelf kunnen zorgen) Dit resultaat heeft betrekking op de verzorging van kinderen waarbij de ouder (tijdelijk) niet in staat is om de ouderrol op zich te nemen én het om eenvoudige activiteiten gaat van huishoudelijke aard. Het specifiek verzorgen van kinderen vraagt om een andere deskundigheid. In die situatie zal het college overgaan tot het indiceren van LOT. Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Bij uitval van een van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg (hulp) voor de kinderen over (zie hoofdstuk 3 van deze beleidsregels). Structurele opvang valt in principe niet onder huishoudelijke hulp. Het is in het algemeen een eigen verantwoordelijkheid van de ouder(
  9. s)om daar voor te zorgen. Gebruikmaking van kinderopvang gaat dan ook in principe voor op het verlenen huishoudelijke hulp. Denk bijvoorbeeld aan gebruikmaking van kinderopvang en/of crèche wat in principe gangbaar is tot en met 5 dagen per week. Dat is te vergelijken met mensen die werken. Er is slechts voor een korte periode inzet van hulp op grond van de Wmo voor opvang van kinderen mogelijk. Dit om de ouder(
  10. s)in de gelegenheid te stellen een eigen oplossing te vinden. Hoofdstuk7KORTDURENDE VERBLIJFSONDERSTEUNING IN EEN INSTELLING § 7.1Inleiding Kortdurende verblijfsondersteuning in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, is onderdeel van de wettelijke definitie kortdurend verblijf van een maatwerkvoorziening (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Nadat is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast geldt nog een ander specifiek criterium om in aanmerking te komen voor deze maatwerkvoorziening. De cliënt is in voorkomende gevallen door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op permanent toezicht. Het college kan ook kortdurende verblijfsondersteuning indiceren in het geval er sprake is van (dreigende) overbelasting van de persoon die normaal gesproken gebruikelijke hulp zo moeten verlenen. Doel en intensiteit respijtverblijf Het college onderzoekt en beoordeelt of er naast de ondersteuning van een cliënt permanent toezicht noodzakelijk is. Onder permanent toezicht wordt verstaan: op regelmatige en onregelmatige momenten toezicht bieden zodat, de ondersteuner(
  11. s)goed kan inspelen op de (frequent voorkomende) al dan niet expliciet gemaakte ondersteuningsvraag; actieve observatie, met als doel dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie vroegtijdig te signaleren. Op die manier kan tijdig ingegrepen worden en kunnen escalatie van onveilige of gevaarlijke (levens)bedreigende gezondheids- en of gedragssituaties voor de cliënt worden voorkomen. Het college neemt hierbij in aanmerking dat er ook aanspraak kan bestaan op een indicatie voor de Wlz. Het aangewezen zijn op permanent toezicht kan daar immers een implicatie voor zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat voor de Wlz een voorwaarde is dat sprake moet zijn van ‘van blijvende aard’. Daarnaast geeft een psychische stoornis alleen geen toegang tot de Wlz. Beoordeling Voorliggende oplossingen Het college onderzoekt mogelijke oplossingen. Zo kan het voor komen dat de cliënt niet is aangewezen op permanent toezicht en zou bijvoorbeeld ondersteuning groep uitkomst kunnen bieden om de mantelzorger te ontlasten. Omvang Kortdurende verblijfsondersteuning hoeft niet voor een noodzakelijk aantal etmalen per week of per maand te worden toegekend. Afhankelijk van de omstandigheden van de individuele situatie kan kortdurende verblijfsondersteuning bijvoorbeeld ook voor een aaneengesloten periode per kalenderjaar worden toegekend. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de mantelzorger op vakantie wil. Vervoer Onder kortdurende verblijfsondersteuning is ook, zonodig, het vervoer naar de locatie begrepen waar het verblijf wordt geboden. Dit vervoer wordt in ieder geval noodzakelijk geacht indien de mantelzorger niet in staat is de cliënt te brengen (en te halen) en er ook geen andere vervoersmogelijkheden zijn. Eerstelijns verblijf Het college houdt bij de beoordeling van de aanspraak op kortdurende verblijfsondersteuning rekening met de vraag of de cliënt aanspraak kan maken op eerstelijns verblijf op grond van de Zvw. Het gaat in die gevallen om medisch noodzakelijk verblijf (= aangewezen op geneeskundige zorg). Het gaat om de eerste lijn waarvoor de huisarts of medisch specialist kan indiceren. Dit is één van de varianten van het Zvw-verblijf. Het gaat om een verzekerbare aanspraak waarvan het college - in het kader van de eigen verantwoordelijkheid - mag verwachten dat hier ook daadwerkelijk een beroep op wordt gedaan. Permanent toezicht en toegang Wlz Het college kan in voorkomende gevallen de maatwerkvoorziening weigeren. Voor kortdurende verblijfsondersteuning geldt namelijk geen wettelijke uitzondering (zie art. 8.6a van de wet). Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat de cliënt aanspraak kan hebben op toegang tot de Wlz. In dat geval is er sprake van een situatie waarin niet meer gesproken kan worden van op zelfredzaamheid en participatie gerichte ondersteuning mede gelet op de omvang van de (aangewezen) zorg. Toegang tot de Wlz bestaat bij een blijvende behoefte aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Hoofdstuk8ONDERSTEUNING BIJ HET WONEN § 8.1Inleiding Uitgangspunt is dat iedere burger zelf voor een eigen woning moet zorgen. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen en een woonschip met vaste stand- of ligplaats wordt gezien als een woning. Zie ook begripsbepaling van een woning in de verordening. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) en erkende instellingen of instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning waarover men beschikt. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Onder omstandigheden kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning (zie verder hierna). Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Verder is het zo dat bij de beoordeling van de aanvraag beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde kunnen zijn. In dat kader wordt ook nog opgemerkt dat in de verordening verschillende begrippen aan de orde kunnen zijn. Zo bepaalt de verordening dat onder een woonvoorziening een woningaanpassing (als bedoeld in de wet) wordt verstaan maar ook een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning. Dat is van belang omdat een traplift niet als woningaanpassing kan worden gekwalificeerd. De verordening bepaalt bijvoorbeeld dat het college bevoegd is om het primaat van verhuizen toe te passen in het geval de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of een traplift die een bepaald bedrag tezamen te boven gaat. Ondersteuning bij het wonen bestaat uit het in staat stellen van de cliënt tot het normale gebruik van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het college kan aan de cliënt met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorzieningen verlenen in de vorm van: a. woonvoorzieningen; en/of b. hulpmiddelen om zich in en om de woning verplaatsen. Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het moet gaan om elementaire woonfuncties en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1, eerste lid, van de verordening. Woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 is artikel 16 van de Woningwet geschrapt. De eigenaar van de woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren. Daarom regelt artikel 2.3.7 van de wet dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216, eerste lid, BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het college dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die voor 1 januari 2015 golden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken. Overleg Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede - net als voor 1 januari 2015 het geval was - dat wel te doen. Derde-belanghebbende Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit. Wettelijke afbakening hulpmiddelen Vanaf 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12, tweede lid Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulp-middelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt. In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maanden-termijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor het gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015. In het algemeen geldt dat indien en voor zover de cliënt (zonder kosten) gebruik kan maken van de uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen. § 8.2Specifieke criteria De verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het verlenen van maatwerkvoorzieningen gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat of kan bestaan, zie onder meer hoofdstuk 4 van de verordening. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Een van de criteria over het verlenen van een woningaanpassing gaat over het toepassen van het primaat verhuizen. § 8.3Primaat van verhuizen Om te voorkomen dat bij een niet te kostbare woningaanpassing het verhuisprimaat al toegepast zou kunnen worden, is deze bevoegdheid in de verordening begrensd tot een bedrag (zie Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Raalte 2017). Het college is wel gehouden de belangen van de cliënt en het college tegen elkaar af te wegen. De cliënt kan voor een woningaanpassing en/of een traplift in aanmerking komen indien blijkt dat verhuizen als bedoeld in het vorige lid niet binnen een redelijke en/of medisch aanvaardbare termijn mogelijk is. Afwegingsfactoren Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen. Zwaarwegende redenen Er kunnen zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden daarvan zijn: 1. Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een (dementerende) cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. 2. Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoek-tijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. 3. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is bijvoorbeeld het geval als de mantelzorg zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. 4. Het toepassing van het verhuisprimaat treft vanzelfsprekend ook de aanwezige huisgenoten. Het college weegt hun belangen mee bij de beoordeling of het primaat van verhuizen onverkort kan worden toegepast. 5. De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner. 6. Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd (zie verder hierna). Woonlastenconsequenties woning Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening met de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Wel is het zo dat het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Of daarvan sprake is beoordeelt het college op basis van de individuele situatie. Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend: Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten); Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom; Opstalverzekering. § 8.4Kosten verhuizen Het kan voor komen dat cliënten bij wie het primaat van verhuizen wordt toegepast, geconfronteerd worden met verhuiskosten. In die gevallen kan het college een maatwerkwerkvoorziening dan wel maatregel treffen gericht op de verhuizing. Het college kan tot het oordeel komen dat er passende oplossingen (al dan niet georganiseerd door de gemeente) een oplossing kunnen bieden maar ook kan daarvoor een offerte worden opgevraagd bij een verhuisbedrijf. § 8.5Woonvoorziening overig Het verlenen van een maatwerkvoorziening voor aanpassingen in bijvoorbeeld de keuken zijn mogelijk, tenzij deze kosten zonder meerkosten kunnen worden meegenomen in de bouw of er sprake is van renovatie. Ook kan van de cliënt en zijn partner en/of huisgenoten worden verlangd dat de taakverdeling kan worden aangepast waarmee een aanspraak kan worden voorkomen of beperkt in omvang. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer activiteiten ook door andere gezinsleden kunnen worden gedaan zoals het in- en uitladen van de wasmachine, er geen ondersteuningsplicht voor het college hoeft te zijn. Offertes Indien de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing, dan wordt een programma van eisen opgesteld voor de goedkoopst passende bijdrage in dat kader. Starten met de werkzaamheden Alleen met de door het college verleende toestemming mag worden begonnen met de werkzaamheden. Het spreekt voor zich dat de woningaanpassing binnen het programma van eisen wordt uitgevoerd. Nadat de werkzaamheden zijn voltooid is het college bevoegd om dat te controleren aan de hand van onder meer de bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing. § 8.6Hulpmiddelen Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het kan gaan om een roerende woonvoorzieningen zoals een douchestoel of een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt mede af van de bouwkundige situatie van de woning en van de geobjectiveerde beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning. Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatst genoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling over de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken: de te verwachten transfers; de mogelijkheden van de cliënt/het kind; de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen; de beschikbare ruimte; de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind. Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen voor gebruik in de "natte cel" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen. § 8.7Kindvoorzieningen Het verlenen van kindvoorzieningen valt onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden zijn: speelvoertuigen, aangepaste driewielers en kruiphulpmiddelen. Deze maatwerkvoorzieningen hebben een ontwikkelingsgericht karakter en kunnen ook dienen als mobiliteitshulpmiddel. Driewielers Het college kan een driewieler verlenen die zonodig is aangepast aan de beperking van het kind. Afhankelijk van de leeftijd van het kind kan een driewieler wel als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Immers tot 4 jaar is het normaal dat een kind een driewieler of een fiets met zijwieltjes gebruikt. Speelvoorzieningen Speelmobielen en vliegende Hollanders zijn maatwerkvoorzieningen gericht op het spelen en verplaatsen voor buiten (vervoersvoorziening). Deze speelvoorzieningen zijn sneller en wendbaarder dan handbewogen rolstoelen. Bovendien geeft het kinderen de mogelijkheid langere afstanden af te leggen. Kruipwagens en kruiphulpmiddelen Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. § 8.8Rolstoel Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden getroffen. Het gaat in beginsel om het zich verplaatsen in en om de woning. Dat betekent dat het allereerst om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden gedaan. Bij het verlenen van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken (of kunnen gebruiken) voor verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving. Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Doorgaans wordt deze gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke. Uitzondering Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan een rolstoel voor incidenteel gebruik worden verleend. Daarbij wordt nadrukkelijk opgemerkt dat deze rolstoelen ook als algemene voorzieningen beschikbaar zijn. Dat is het geval indien een cliënt zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de korte vervoersafstanden. Dat wil zeggen dat er sprake is van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. De cliënt is aangewezen op een incidenteel te gebruiken rolstoel om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. In dat geval zijn de bovengenoemde mogelijkheden (rolstoelpool, uitleen) niet van toepassing. Deze rolstoel kan worden meegenomen in het Service Vervoer Raalte of in de eigen auto. In de praktijk zal dit echter niet vaak voorkomen. Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel door de leverancier wordt gekeken naar de volgende factoren: a. Het gebruik b. Het gebruiksgebied c. De aandrijving • door middel van het eigen lichaam • door het bedienen van een aandrijfmechanisme • voortduwen door anderen d. De zithouding en de eisen aan de ondersteuning e. De meeneembaarheid f. Antropometrische gegevens Hoofdstuk9ONDERSTEUNING BIJ DEELNAME MAATSCHAPPELIJK VERKEER § 9.1Inleiding Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving gericht op zelfredzaamheid en participatie. Resultaten Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich kunnen verplaatsen met als doel participatie kan bestaan uit: a. het zich kunnen verplaatsen; b. medemensen ontmoeten en sociale verbanden aangaan, over de korte afstand rond de woning en verplaatsingen over de langere afstand binnen de leefomgeving van de cliënt. § 9.2Beleidsuitgangspunten Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke voorziening zoals bijvoorbeeld een fiets met hulpmotor of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Het ligt op zijn weg om te stellen en te onderbouwen dat de betreffende algemeen gebruikelijke voorziening in zijn geval geen geschikt vervoermiddel is om zich kunnen verplaatsen binnen de leefomgeving met het oog op zijn zelfredzaamheid en participatie. Bereiken en gebruiken van het (niet vraagafhankelijk) openbaar vervoer Ook wordt bij de beoordeling van de aanspraak onderzocht of het (niet vraagafhankelijk) Openbaar Vervoer te voet, per fiets of in voorkomende gevallen per bus kan worden bereikt en vervolgens kan worden gebruikt. Voor de vraag of de cliënt bijvoorbeeld de bus (of ander Openbaar Vervoer) kan bereiken en gebruiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met gebruikelijke loophulpmiddelen zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat dit ook afhankelijk kan zijn van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte bevindt. In die gevallen beoordeelt het college of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor hem algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Bushaltes zijn over het algemeen opgehoogd en mogelijk zijn ook lage instapbussen beschikbaar eventueel met een uitklapbare oprijplaat. Vervoersbehoeften en vervoersmogelijkheden Het spreekt voor zich dat het een vereiste is om voor een maatwerkvoorziening in aanmerking te komen dat de cliënt geobjectiveerde beperkingen moet ondervinden in het zich verplaatsen in de leefomgeving. Daarnaast is een te verstrekken vervoersvoorziening afhankelijk van de vervoersbehoefte en de andere vervoersmogelijkheden van de cliënt met beperkingen. Het college houdt daarbij ook rekening met gebruikelijke hulp en de eventuele mogelijkheden van personen uit de sociale omgeving van de cliënt. Zie voor hoofdstuk 3 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels. Verplaatsingsgedrag Bij het onderzoek naar de goedkoopst passende bijdrage is het noodzakelijk de vervoersbehoefte van de cliënt vast te stellen. Deze behoefte wordt onderzocht aan de hand van de volgende kenmerken: verplaatsingsgedrag; het verplaatsingsmotief (waarom); en de verplaatsingsbestemming (waarheen). Beoordeling aanspraak vervoersvoorziening Tijdens het onderzoek gericht op een (collectieve) vervoersvoorziening worden ook de hierna volgende zaken meegewogen. Mobiliteit: maximale loopafstand op goede dag maximale loopafstand op slechte dag gebruik loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.) gebruik rolstoel/scootmobiel: (type, bijvoorbeeld elektrische rolstoel) in staat gebruik te maken van de scootmobielpool (indien aanwezig en geschikt) Uithoudingsvermogen: maximale reisduur kan gedurende de reis overstappen invloed weersomstandigheden op functioneren invloed tijdstip (overdag/avond) op functioneren Organisatie en begeleiding van de reis kan zonder begeleiding met het OV kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met het Service Vervoer Raalte kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met het Service Vervoer Raalte kan alleen met begeleiding met het Service Vervoer Raalte Combinatiemogelijkheden bij vervoer in het Service Vervoer Raalte kan met iedereen gecombineerd worden kan alleen met eigen doelgroep gecombineerd worden kan met niemand gecombineerd worden Leefomgeving Onder leefomgeving in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt een afstand van 25 kilometer rondom de woning als redelijk aangemerkt, zie begripsbepaling in de verordening. Wel is het zo dat de cliënt een minimaal aantal basisvoorzieningen moet kunnen bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld een NS-station met dienstverlening, winkels voor het doen van boodschappen en het ziekenhuis. De ondersteuningsplicht van het college is gericht op de leefomgeving waar in bovengenoemde locaties te bereiken zijn. Wil de cliënt sociale contacten onderhouden buiten de directe woon- en leefomgeving, dan geldt daarvoor het landelijke vervoersysteem Valys (standaard- en hoog persoonsgebonden kilometerbudget). Omvang Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wmo 2007 blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van 1500 kilometer per jaar (vergelijk CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in de verordening. Maatwerk Het college kan afwijken van deze norm. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Het college zal daar dan onderzoek naar moeten doen. Omvang is maatwerk De omvang van de maatwerkvoorziening(
  12. en)kan, als daar aanleiding voor is, worden afgestemd op: De eigen mogelijkheden van de cliënt (zie ook beoordeling aanspraak in hoofdstuk 3 van de verordening). Vervoersbehoefte, frequentie, afstand en tijdstip van de dag. De vervoersbehoefte gelet op de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Het ligt op de weg van de cliënt om aannemelijk te maken dat het algemene uitgangspunt van 1500 kilometer per jaar niet voldoende is hem in staat te stellen tot participatie. Denk bijvoorbeeld ook aan situaties van noodzakelijk gebruik van het plaatselijk vervoerssysteem alleen bij slecht weer of als het donker is. Het beschikken over (maatwerk)voorzieningen waarmee de cliënt zich kan verplaatsen in zijn leefomgeving. Bij vervoersvoorzieningen die geschikt zijn voor de korte en/of middellange afstand gaat het college er in het algemeen van uit dat daarmee voor 750-1000 kilometer op jaarbasis kan worden voorzien in de vervoersbehoefte. Andere wettelijke aanspraak Volgens de verordening is het college in principe niet gehouden een maatwerkvoorziening te verlenen als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee een gelijk doel kan worden bereikt als met de maatschappelijke ondersteuning. In voorkomende gevallen is de cliënt niet aangewezen op maatschappelijke ondersteuning en behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt de aanspraak naar volle vermogen te gelde te maken. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd. Ziekenvervoer Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het gaat om verzekerden die nierdialyses, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. Leefvervoer WIA Op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (art. 35, derde lid, WIA). Die bepaling geldt voor verzekerden aan wie op grond van de WIA een vervoersvoorziening wordt verstrekt zodat degene zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken. Dit in het kader van arbeidsintegratie. De zogeheten leefvervoersvoorziening heeft een functie in de leefsfeer net als in de Wmo 2015 (CRVB:2012:BV9433). Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager deze leefvervoersvoorziening aan te vragen en de gelden in te zetten waarvoor zij bestemd zijn. Verzekerden met een hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA-voorziening omdat er een inkomensgrens van toepassing is. Dit betekent dat het college om die reden een aanvraag niet mag afwijzen. Het hanteren van inkomensgrenzen is onder de Wmo 2015 - net als onder de Wmo 2007 - niet toegestaan. Plaatselijk vervoerssysteem als passende bijdrage Het Service Vervoer Raalte is collectief aanvullend openbaar vervoer en kan bestaan uit zowel een collectieve maatwerkvoorziening maar ook uit individueel (rolstoel)taxivervoer. Of gebruik van het Service Vervoer Raalte voor deelname aan het maatschappelijk verkeer in het individuele geval kan worden aangemerkt als passende bijdrage, is afhankelijk van de vraag of de cliënt - medisch gezien - gebruik kan maken van het Service Vervoer Raalte. Verder is het afhankelijk van de vervoersbehoefte en frequentie van de verplaatsingen op de middellange afstand. Daaronder vallen in ieder geval gerichte verplaatsingen waardoor het Service Vervoer Raalte voor de korte afstand een passende bijdrage kan zijn (vergelijk CRVB:2013:2459). Daarbij geldt ook dat het hebben van enige wachttijd bij gebruik van het Service Vervoer Raalte niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een passende bijdrage. In voorkomende gevallen wordt in principe het primaat van het Service Vervoer gehanteerd (vergelijk CRVB:2014:1491). Heeft de cliënt een vervoersbehoefte op de korte én middellange afstand, dan kunnen twee vervoersvoorzieningen zijn aangewezen. Begeleiding nodig Het spreekt voor zich dat bezien moet worden of de cliënt (medisch gezien) gebruik kan maken van het Service Vervoer Raalte, al dan niet met begeleiding. Die begeleider kan gratis toegang krijgen tot het Service Vervoer Raalte. Dat is het geval als de cliënt vanwege diens beperkingen, belemmeringen, cognitieve of psychische aandoeningen niet alleen de taxirit kan afleggen. Het gaat in deze situaties om vervoer van deur tot deur. Het is dan ook zo dat de cliënt zonder begeleider geen toegang krijgt tot het Service Vervoer Raalte. Niet gezamenlijk kunnen reizen Bij de toekenning van het Service Vervoer Raalte kan het voorkomen dat het gezin niet gezamenlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het voorstelbaar dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het niet samen kunnen reizen niet betekent dat het Service Vervoer Raalte niet als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van het Service Vervoer Raalte betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101). Reizigersbijdrage Service Vervoer Raalte Voor het gebruik van het OV is iedereen - ongeacht het hebben van beperkingen - een gebruikelijk OV-tarief verschuldigd. Dit zijn algemeen gebruikelijke kosten. Gebruikers van het Service Vervoer Raalte zijn in dat kader een de zogeheten reizigersbijdrage verschuldigd. Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste) auto Het hanteren van het primaat van het Service Vervoer Raalte kan ook zijn toegestaan bij progressieve aandoeningen. Het kan in voorkomende gevallen aannemelijk zijn dat een autoaanpassing (of verdere aanpassingen) op zichzelf wel aangewezen kunnen zijn, maar dat het duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare termijn niet meer kan worden gebruikt. Deze overweging heeft ook betrekking op het kostenaspect (goedkoopst passende bijdrage). Kostenaspect Het college is niet gehouden om het kostenaspect ambtshalve te beoordelen. Het is niet zo dat het enkele feit dat de kosten van de door de cliënt gewenste vervoersvoorziening lager zouden kunnen zijn dan de (tot de individuele deelnemer herleide) kosten van het Service Vervoer Raalte meebrengt dat deelname aan het Service Vervoer Raalte geen passende bijdrage is, dan wel er toe moet leiden dat de hardheidsclausule moet worden toegepast (vergelijk CRVB:2013:2795 en CRVB:2009:BH5467). Medisch vervoer Onderdeel van een vervoersbehoefte kan ziekenhuisbezoek of ander 'medisch vervoer' zijn. Het feit dat de cliënt met het Service Vervoer Raalte - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen vormt geen reden om het primaat van het Service Vervoer Raalte niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De ondersteuningsplicht van het college is namelijk in beginsel gericht op verplaatsingen in de directe leefomgeving. Verplaatsingen in verband met medische spoedsituaties vallen daar niet onder. Bestaat er geen aanspraak op medisch vervoer, dan valt het vervoer in verband met therapie of het bezoeken van medische behandelaars ook onder de ondersteuningsplicht van het college (CRVB:2010:BL4037). Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken Bij een cliënt met beperkingen die uiterst beperkt mobiel is, moet in beginsel mede de vervoersbehoefte die voortvloeit uit zorgtaken met betrekking tot minderjarige kinderen worden betrokken (vergelijk CRVB:1998:AA8703). Dit kan betekenen dat het Service Vervoer Raalte zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden verlangd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een vervoersbehoefte op zowel de korte als de middellange afstand waarvoor meerdere voorzieningen aangewezen kunnen zijn. § 9.3Soorten vervoersvoorzieningen Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken zoals vervoersvoorzieningen en een gebruikerspas voor het Service Vervoer Raalte. Onder vervoersvoorzieningen vallen in ieder geval een: scootmobiel; fietsvoorziening; of autoaanpassing. Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De scootmobiel is bedoeld voor verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als: de scootmobielpool niet als passende oplossing kan worden aangemerkt; er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.