Beleidsregel Terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Peel en Maas BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN PEEL EN MAAS; Gelet op het bepaalde in artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht; Gelet op het bepaalde in 58 Participatiewet, artikel 25 IOAW, 25 IOAZ; Gelet op het artikel 5 van de verordening bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Peel en Maas; Overwegende dat het wenselijk is beleidsregels vast te stellen voor het gebruik maken van de bevoegdheid tot het terugvorderen van onterecht verstrekte bijstand en inkomensvoorzieningen BESLUITEN: Vast te stellen de volgende beleidsregel: Terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Peel en Maas Artikel1Begripsomschrijving In deze beleidsregel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Awb. In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Awb : Algemene wet bestuursrecht; Belanghebbende : degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken; Bruteren : het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; College : het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas; Fraudevordering : vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht; Inlichtingenplicht : verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; IOAW : de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ : de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Norm : de op grond van artikelen 20, 21, 22, 22a , 23 en 24 van de Participatiewet, artikel 9 van de IOAW en artikel 9 van de IOAZ van toepassing zijnde norm c.q. grondslag. Uitkering : de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ. Artikel2Algemene bepaling met betrekking tot de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering en brutering Het college acht zich verplicht tot de aanpak van fraude. In dit kader: herziet dan wel trekt het college het recht op uitkering in, indien de uitkering tot een te hoog bedrag dan wel ten onrechte is verleend, op grond van artikel 54 derde lid Participatiewet, artikel 17 IOAW en artikel 17 IOAZ; maakt het college ten volle gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering zoals deze hem op grond van artikel 58, tweede lid en 59 Participatiewet alsmede artikel 25, tweede lid en 26 IOAW en 25, tweede lid en 26 IOAZ toekomt; en bruteert het college de vordering, welke zijn ontstaan door gebruik te maken van de onder b genoemde bevoegdheden, bij niet tijdige betaling. Artikel3Uitzonderingen voortvloeiende uit de jurisprudentie 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 2 van deze beleidsregel, aanhef en onder b vordert het college een door hem na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering niet terug, voor zover deze uitkering ook zes maanden na ontvangst van dit signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend, tenzij belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht heeft geschonden. 2.Onder een signaal als genoemd in het eerste lid van dit artikel wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 2 van deze beleidsregel, aanhef en onder b beperkt het college de terugvordering tot het bedrag dat te veel aan bijstand zou zijn verstrekt, zo belanghebbende wel aan de inlichtingenplicht had voldaan, indien sprake is van intrekking van het recht op bijstand over een langere periode omdat belanghebbende over de gehele periode in beperkte mate beschikte over in aanmerking te nemen vermogen. 4.In afwijking van het bepaalde in artikel 2 van deze beleidsregel, aanhef en onder c ziet het college af van brutering indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Artikel4Reikwijdte De bepalingen in de artikelen 5 tot en met 8 en artikel 17 lid 2 van deze beleidsregel zijn niet van toepassing op fraudevorderingen die op of na 1 januari 2013 zijn ontstaan. Artikel5Afzien van terugvordering of van verdere invordering na het voldoen aan debetalingsverplichting 1.In afwijking van artikel 2, aanhef onder b van deze beleidsregel, besluit het college af te zien van terugvordering of van verdere invordering van uitkering indien de belanghebbende: gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald en ten minste 75% van de hoofdsom van de vordering heeft voldaan; of gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten. 2.In beginsel wordt een besluit als bedoeld in het eerste lid, aanhef onder a. of b. van dit artikel slechts genomen als de belanghebbende daarom schriftelijk heeft verzocht. Tot toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c. van dit artikel wordt uitsluitend ambtshalve besloten. 3.De in het eerste lid onder a. en b. van dit artikel genoemde termijn van vijf jaar is drie jaar indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan. Artikel6Uitzondering 1.Artikel 5 is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen die: het gevolg zijn van schending van de inlichtingenplicht dan wel tekortschietend besef van verantwoordelijkheid; door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden. 2.Het op basis van artikel 5 van deze beleidsregel genomen besluit tot (gedeeltelijk) afzien van terugvordering wordt ingetrokken, indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel7Afzien van terugvordering bij kruimelbedragen In afwijking van het bepaalde in artikel 2, onderdeel b van deze beleidsregel, kan het college afzien van het nemen van een terugvorderingsbesluit indien de terug te vorderen uitkering een bedrag van € 150,00 op netto basis per kalenderjaar niet te boven gaat. Artikel8Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij schulden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 60c Participatiewet, artikel 29a IOAW en artikel 29a IOAZ, verleent het college medewerking aan een schuldregeling indien: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden én; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; én de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang 2.Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien: de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende dan wel de vordering ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, Participatiewet; de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden. 3.Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere invordering treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen. 4.Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid van dit artikel dan wel; de belanghebbende de aan de schuldregeling verbonden verplichting ondanks eerdere waarschuwing blijft schenden; dan wel; onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel9De betalingsverplichting 1.Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en hanteert daarbij de in artikel 4:87 Awb genoemde betalingstermijn van zes weken. 2.Het gelijktijdig met het terugvorderingsbesluit afgegeven invorderingsbesluit omvat daarbij de volgende punten: de hoogte van (het saldo van) de vordering; de betalingsverplichting om de vordering in zijn geheel te voldoen; de datum waarop de betalingsverplichting in gaat; de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4.87 Awb een betalingsregeling te treffen; de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 Awb over aanmaning en invordering bij dwangbevel; de vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichtingen behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden. Artikel10Verrekening Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid Participatiewet en artikel 28, tweede lid IOAW en IOAZ en ongeacht de in artikel 9 van deze beleidsregel genoemde betalingstermijn, gaat het college indien mogelijk meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met een eventueel recht op uitkering in het kader van de Participatiewet, IOAW of IOAZ. Artikel11Uitstel van betaling 1.Het college verleent uitstel van betaling indien hem ambtshalve dan wel op basis van een gemotiveerd verzoek van belanghebbende duidelijk is dat belanghebbende geen mogelijkheid heeft om binnen de gestelde betalingstermijn tot algehele aflossing van de vordering over te gaan. 2.Voor zover belanghebbende beschikt over aflossingscapaciteit verbindt het college aan het verleende uitstel de voorwaarde dat belanghebbende deze aflossingscapaciteit aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld. 3.Onverminderd het bepaalde in het tweede lid verbindt het college, indien het een fraudevordering betreft, aan de verlening van (verder) uitstel de extra voorwaarde dat belanghebbende indien hij over vermogen beschikt dan wel komt te beschikken, dit vermogen - voor zover dit meer bedraagt dan de voor hem geldende bijstandsnorm - aanwendt ter aflossing van de openstaande schuld. 4.Bij de vaststelling of belanghebbende over vermogen beschikt als bedoeld in het derde lid: worden de vorderingen die het gevolg zijn van te veel ontvangen uitkering buiten beschouwing gelaten en; is het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d Participatiewet van overeenkomstige toepassing. 5.Het uitstel wordt ingetrokken indien de belanghebbende de nader overeengekomen aflossing niet nakomt. Artikel12Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bijbelanghebbenden met een uitkering 1.Indien belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ, bedraagt de aflossingsverplichting 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, dan wel de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5, derde lid en volgende, IOAW en IOAZ per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. 2.In afwijking van het gestelde in het eerste lid van dit artikel, wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt. 3.In geval van beslaglegging door een derde (dat wil zeggen een andere schuldeiser dan het college), kan de aflossingsverplichting ingevolge de bovengenoemde leden voor alle vorderingen worden bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in artikel 475d wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel13Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteitbij uitstroom uit de Participatiewet, IOAW of IOAZ en bij debiteuren die geen recht hebben op algemene bijstand krachtens de Participatiewet, uitkering krachtens de IOAW en uitkering krachtens de IOAZ. 1.De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering wordt gedurende zes maanden na de verzenddatum van dit besluit, gesteld op het bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de bijstandsperiode of periode waarin een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ is ontvangen. 2.Na afloop van de termijn van zes maanden wordt bij alle vorderingen de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 12, eerste lid van deze beleidsregel, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld en maximale toeslag, dan wel IOAW- of IOAZ-grondslag inclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. 3.Indien de terugvordering ziet op een fraudevordering wordt het in het tweede lid genoemde percentage verhoogd tot 50%. 4.Indien tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ, wordt bij alle vorderingen de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 12, eerste lid van deze beleidsregel, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld en maximale toeslag, dan wel IOAW- of IOAZ-grondslag inclusief vakantiegeld, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. 5.In afwijking van het derde lid wordt, indien tijdens het nemen van een terugvorderingsbesluit een ander inkomen wordt ontvangen dan een uitkering op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ, maar waarbij dat inkomen inclusief vakantiegeld niet meer dan € 100,00 per maand meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag, de aflossingsverplichting gesteld op 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of grondslag per maand inclusief vakantietoeslag maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. 6.In afwijking van het derde en vierde lid wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 24 maanden in zijn geheel zal kunnen worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 25,00 per maand bedraagt. Artikel14Wettelijke rente bij uitstel Voor de periode dat uitstel is verleend wordt geen wettelijke rente in rekening gebracht. Artikel15Tussentijdse beoordeling van een betalingsverplichting door het college 1.Bij een gegrond vermoeden dat de afloscapaciteit van belanghebbende is gewijzigd, kan het college een draagkrachtonderzoek instellen. 2.Voor zover geen gegrond vermoeden, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, aanwezig is, stelt het college telkens binnen 24 maanden een draagkrachtonderzoek in. 3.Wanneer het college als gevolg van een draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging of handhaving van de eerder opgelegde betalingsverplichting, wordt belanghebbende hiervan in kennis gesteld bij beschikking. 4.In het geval van een gewijzigde betalingsverplichting wordt deze opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking. Artikel16Verzoek tot wijziging van een betalingsverplichting door belanghebbende 1.Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot: wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting, of tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen voldoen. 2.Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek neemt het college een besluit over de aanvraag als bedoeld in het eerste lid van dit artikel en deelt dit aan belanghebbende mee. 3.Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op tenzij er sprake is van dringende redenen. Artikel17Niet of niet meer voldoen van de betalingsverplichting 1.Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een betalingsregeling of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of beslag in de zin van het Tweede Boek Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op basis van de executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel, als bedoeld in artikel 4:114 Awb, nadat de per omgaande gestarte betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in artikel 4:117 Awb. 2.Wanneer het restant van een vordering minder bedraagt dan € 250,00 op debiteurniveau kan uit oogpunt van doelmatigheid van verdere invordering worden afgezien. Artikel18Rente en kosten Indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel 17 van deze beleidsregel wordt de vordering slechts verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, indien de invordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder. Artikel19Overgangsrecht Besluiten, genomen krachtens de beleidsregel bedoeld in artikel 21 derde lid van deze beleidsregel, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze beleidsregel en waarvoor deze beleidsregel overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze beleidsregel tenzij de nieuwe beleidsregel voor de debiteur gunstiger uitvallen. Artikel20Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de debiteur, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel21Citeertitel, inwerkingtreding en intrekking oude beleidsregel 1.Deze beleidsregel wordt aangehaald als Terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Peel en Maas. 2.De beleidsregel treedt in werking de eerste dag na de dag van bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.