Beleidsregels Wet taaleis 2016 Het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Reusel-De Mierden, Gelet op de artikel 18b en artikel 47c van de Participatiewet; Gelet op de artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht Overwegende dat het om redenen van rechtszekerheid en doelmatigheid wenselijk is om beleidsregels vast te stellen inzake de Wet taaleis Participatiewet; Besluit vast te stellen: Beleidsregels Wet taaleis 2016 Artikel1.Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: College: het college van burgemeester en wethouders; Uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de Participatiewet; Wet taaleis: de wet tot wijziging van de Participatiewet teneinde de eis tot beheersing van de Nederlandse taal toe te voegen aan die wet; Besluit taaltoets: het ‘Besluit taaltoets Participatiewet’; Referentieniveau: het fundamentele niveau (1F-niveau) taal en rekenen volgens de richtlijnen van de Rijksoverheid; Wet educatie: de wet van 9 juli 2014 tot wijziging van onder meer de Wet participatiebudget en de Wet educatie en beroepsonderwijs inzake het invoeren van een specifieke uitkering educatie en het vervallen van de verplichte besteding van educatiemiddelen bij regionale opleidingscentra; Inburgering: de Wet inburgering; Taalplan: een plan dat wordt opgesteld door ISD de Kempen, waarin staat wat het startniveau van belanghebbende is, welk niveau haalbaar is en hoe lang belanghebbende nodig heeft om dit niveau te bereiken. Het taalplan is onderdeel van het plan van aanpak; Plan van aanpak: het plan van aanpak zoals bedoeld in de Participatiewet en overige plannen van aanpak die gericht zijn op arbeidsinschakeling; Taaltoets: de toets zoals bedoeld in artikel 18b lid 2 van de Participatiewet; Belanghebbende: elke persoon die een uitkering in het kader van de Participatiewet aanvraagt of ontvangt. Artikel2.Aantonen kennis Nederlandse taal 1.Wanneer belanghebbende in de leerplichtige leeftijd (van 5 tot 16 jaar) tenminste acht jaren in Nederland heeft gewoond, wordt ervan uitgegaan dat door belanghebbende gedurende acht jaar Nederlandstalig onderwijs is gevolgd. 2.Belanghebbende toont het volgen van Nederlandstalig onderwijs aan met rapporten of diploma’s van erkende Nederlandse onderwijsinstellingen (zowel basis- als voortgezet/beroepsonderwijs). Dat kan ook particulier of Nederlandstalig onderwijs in het buitenland zijn. 3.Een diploma inburgering of een gelijkwaardig document geldt als bewijs dat belanghebbende de Nederlandse taal beheerst en aan de taaleis voldoet. 4.Belanghebbende toont aan voldoende kennis te hebben van de Nederlandse taal indien hij, tijdens een vorige uitkeringsperiode en/of bij een andere gemeente, een taaltoets in verband met de Wet taaleis met goed gevolg heeft afgerond, of anderszins door een college is vastgesteld dat hij de Nederlandse taal op referentieniveau 1F beheerst. 5.Wanneer belanghebbende niet kan beschikken over de in dit artikel genoemde bewijsstukken, kan belanghebbende middels een eigen verklaring aantonen te voldoen aan het referentieniveau. Bij twijfel over deze verklaring kan het college ervoor kiezen een taaltoets af te (laten) nemen. 6.Indien een belanghebbende inburgeringsplichtig is en een inburgeringstraject volgt, dan wel op korte termijn (< 3 maanden) gaat starten met een dergelijk traject, stelt het college dat gelijk aan een waarborg dat de belanghebbende binnen afzienbare tijd voldoet aan het referentieniveau en wordt, weliswaar onder voorbehoud, vastgesteld dat de belanghebbende voldoet aan het referentieniveau, mits belanghebbende halfjaarlijks de voldoende voortgang van het inburgeringstraject aantoont aan het college. Artikel3.De taaltoets 1.De taaltoets wordt uitgevoerd door ISD de Kempen. 2.Naast het oordeel over de taalvaardigheid, zal de onder lid 1 van dit artikel genoemde organisatie ook een oordeel geven over de meest geschikte taaltraining voor belanghebbende, hierbij uitgaande van de goedkoopst adequate voorziening. Artikel4.Geen taaltoets Wanneer de taalvaardigheid op referentieniveau 1F niet is aangetoond door belanghebbende, wordt toch geen taaltoets afgenomen indien: het college vaststelt dat er in de individuele situatie van belanghebbende duurzame of langdurige belemmeringen zijn richting de arbeidsmarkt; of tijdens een vorige uitkeringsperiode door een college is vastgesteld dat belanghebbende door in de persoon gelegen factoren niet in staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden; of belanghebbende diverse malen een taalcursus of ander taalonderwijs gevolgd heeft en door een educatie-instelling vastgesteld is dat belanghebbende vanwege in de persoon gelegen factoren niet in staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden; of aan belanghebbende een ontheffing is verleend van de arbeidsplicht vanwege psychische, fysieke of sociale problematiek(en), waarbij de aard van de beperking waarvoor de ontheffing is afgegeven ertoe leidt dat het bereiken van referentieniveau 1F niet haalbaar is. Indien de ontheffing op enig moment niet wordt verlengd, dan dient belanghebbende -indien van toepassing- alsnog de taaltoets af te leggen; of bij aanvang van de uitkering duidelijk is dat er is sprake van kortdurende bijstand, waarbij kortdurend een periode van maximaal 4 maanden betreft. Artikel5.Kennisgeving en bereidverklaring Als na afname van de taaltoets blijkt dat belanghebbende niet aan referentieniveau 1F voldoet, dan wordt onderstaande procedure gevolgd: Belanghebbende ontvangt binnen acht weken na het afleggen van de taaltoets de kennisgeving met de uitslag van de taaltoets. Tijdens een gesprek wordt de uitslag van de toets en het redelijke vermoeden gecommuniceerd en krijgt belanghebbende, indien van toepassing, een passend taaltraject aangeboden dat wordt vastgelegd in een taalplan. Dit is maatwerk en hierbij wordt altijd uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening. Als belanghebbende akkoord gaat, dan wordt het taalplan, indien van toepassing, opgenomen in het plan van aanpak. Het geaccordeerde taalplan staat gelijk aan de bereidverklaring om te starten met de inspanningsverplichting zoals bedoeld in artikel 18b lid 6 van de Participatiewet. Artikel6.De voortgang van het taaltraject 1.Indien deze informatie voorhanden is, wordt in het taalplan opgenomen: het startniveau van belanghebbende; en het (eind)niveau dat voor belanghebbende redelijkerwijs haalbaar is; en het aantal maanden dat belanghebbende bij benadering nodig heeft om dit niveau te bereiken. 2.De inspanningen en vorderingen worden gevolgd conform hetgeen is opgenomen in het kwaliteitsplan ISD de Kempen. 3.Om blijk te geven van diens inspanningen, overlegt belanghebbende hiervan bewijsstukken. Artikel7.Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid Indien belanghebbende zich bereid heeft verklaard en zich naar oordeel van het college voldoende heeft ingespannen maar de voortgang achterblijft, wordt geoordeeld dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt indien: a. het college vaststelt dat belanghebbende door in de persoon gelegen factoren niet in staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden; of door een educatie instelling vastgesteld wordt dat belanghebbende vanwege in de persoon gelegen factoren niet in staat is om de taal op referentieniveau 1F machtig te worden; of het college ontheffing verleend van de arbeidsplicht vanwege psychische, fysieke of sociale problematiek(en), waarbij de aard van de beperking waarvoor de ontheffing is afgegeven ertoe leidt dat het bereiken van referentieniveau 1F niet haalbaar is. Indien de ontheffing op enig moment niet wordt verlengd, dan dient belanghebbende –indien van toepassing- alsnog de taaltoets af te leggen; of anderszins een individuele omstandigheid aanwezig is die maakt dat het gebrek aan voortgang niet verwijtbaar is. Wanneer belanghebbende aan het einde van de vastgestelde periode, zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel c, het referentieniveau niet heeft bereikt noch de gewenste vorderingen heeft gemaakt en er door het college wordt vastgesteld dat dit niet verwijtbaar is, dan kan het college besluiten het taaltraject te stoppen en wordt dit opgenomen in het persoonsdossier. Voor de situatie zoals beschreven onder lid 2 van dit artikel hanteren we een termijn van maximaal 3 jaar. Artikel8.Relatie met de Wet educatie Wanneer belanghebbende voor de ingangsdatum van de Wet taaleis begonnen is met een nog lopend taaltraject in het kader van de Wet educatie, dan kan dit aangemerkt worden als ‘voldoende inspanning’ van de kant van belanghebbende, zoals bedoeld in de Wet taaleis. Artikel9.Herzien en afstemmen verlaging Het college stemt de opgelegde verlaging op grond van artikel 18b lid 7 van de Participatiewet in beginsel af op de omstandigheden van belanghebbende, op de wijze die is opgenomen onder a tot en met e. Indien het college de bijstand verlaagt conform artikel 18b lid 9, 10 of 11 van de Participatiewet, dan kan de verlaging worden stopgezet, indien belanghebbende aantoont dat hij zichzelf op een bepaald moment weer voldoende inspant en hij zich (opnieuw) bereid verklaart. Indien de bepaling zoals onder a. van toepassing is, dan stopt de verlaging vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum dat belanghebbende zich heeft gemeld om aan te geven dat hij wederom gestart is met zichzelf in te spannen en hij dit ook heeft kunnen aantonen. Dit wordt bekrachtigd door middel van het taalplan. Wanneer belanghebbende op enig moment, nadat hij zich bereid heeft verklaard om zich in te spannen, stopt met de inspanning, dan dient belanghebbende opnieuw mee te werken aan een taaltoets. Onderdeel c is in beginsel niet van toepassing, indien belanghebbende binnen drie maanden na de bereidverklaring stopt met de inspanning. In dat geval wordt aangenomen dat het niveau van belanghebbende niet in die mate kan zijn verbeterd, dat het afnemen van de toets een significant beter resultaat oplevert. De afstemming geschiedt conform artikel 18b lid 9, 10 of 11 van de Participatiewet, met dien verstande dat voor de hoogte/het percentage van de afstemming wordt aangesloten bij het aantal maanden waarover reeds een afstemming voor deze gedraging is toegepast op de uitkering, in plaats van het aantal maanden dat is verstreken tussen de bereidverklaring en de gedraging. De afstemming wordt dus pas verhoogd als de afstemming over in totaal zes dan wel twaalf maanden heeft plaatsgevonden. Artikel10.Gevallen waarin de beleidsregels niet voorzien Wanneer zich situaties voordoen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college. Artikel11.Inwerkingtreding en citeertitel Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na bekendmaking. Deze beleidsregels kan worden aangehaald als “Beleidsregels Wet taaleis 2016”. Aldus besloten in de vergadering van 6 september 2016,Burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,de secretaris, de burgemeester,Toelichting bij beleidsregels Wet taaleis 2016 AlgemeenDe Eerste Kamer heeft op 17 maart 2015 ingestemd met het wetsvoorstel ‘Wet taaleis WWB’ (hierna: Wet taaleis). Dit wetsvoorstel is een uitvloeisel van een aantal afspraken uit het regeerakkoord “Bruggen slaan”. Het niet voldoende beheersen van de Nederlandse taal is nadrukkelijk géén uitsluitingsgrond of toegangsvoorwaarde voor bijstand. De taaleis is alleen van toepassing, als er recht op bijstand bestaat en heeft betrekking op alle bijstandsgerechtigden. De taaleis legt een inspanningsverplichting op aan belanghebbende. Voldoende is, dat de belanghebbende zich inspant om de Nederlandse taal voldoende machtig te worden om zo belemmeringen richting re-integratie en de arbeidsmarkt weg te nemen. Hiermee is de Wet taaleis een re-integratie-instrument. Doel van die inspanningsverplichting is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F te verwerven. Dat betekent dat een belanghebbende: eenvoudige gesprekken kan voeren, informatie en meningen en opvattingen kan interpreteren voor zover deze dicht bij de leerling staan; eenvoudige teksten over herkenbare onderwerpen zodanig vloeiend kan lezen dat woordherkenning en tekstbegrip de leerling niet in de weg staan; jeugdliteratuur, waarvan de structuur eenvoudig is, belevend kan lezen; korte, eenvoudige teksten kan schrijven over alledaagse onderwerpen in de vorm van een briefje, kaart of e-mail. Belanghebbende kan daarnaast de meest voorkomende leestekens gebruiken; woordsoorten kent en werkwoordspelling en regels voor spelling beheerst. Met de Wet taaleis krijgen gemeenten de verplichting om van bijstandsgerechtigden te verlangen dat zij actief werken aan hun taalvaardigheid. Zonder Nederlands te begrijpen en te spreken is het immers veel moeilijker om aan het werk te komen en daarmee uit de bijstand te komen. Bovendien draagt kennis van de taal bij aan maatschappelijke participatie. De Participatiewet kent een brede arbeids- en re-integratieverplichting. Gezien het belang van de beheersing van de Nederlandse taal voor arbeidsinschakeling is ervoor gekozen om de Participatiewet uit te breiden met een taaleis. In artikel 18b van de Participatiewet is de verplichting opgenomen om aan te tonen dat de aanvrager de Nederlandse taal beheerst. Niet meewerken aan de inspanning tot verbetering van de Nederlandse taal, kan volgens dit artikel leiden tot afstemming van de uitkering tot uiteindelijk wel 100%. Artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.