← Nederland

Verordening individuele inkomenstoeslag (Hoorn)

Verordening individuele inkomenstoeslagZaaknummer: 1401015 gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders d.d. gezien het raadsvoorstel gelet op artikel 8 lid 1 sub b en 2 en artikel 36 van de Participatiewet betreft: Verordening individuele inkomenstoeslag De Raad van de gemeente Hoorn besluit: Vast te stellen de navolgende: Verordening individuele inkomenstoeslag Artikel1Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: college : het college van burgemeester en wethouders van Hoorn wet : de Participatiewet alleenstaande : een alleenstaande als bedoeld in artikel 4 lid 1 sub a van de wet alleenstaande ouder : een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4 lid 1 sub b van de wet gezin : een gezin als bedoeld in artikel 4 lid 1 sub c van de wet bijstandsnorm : de norm bedoeld in artikel 5 onderdeel c van de wet peildatum : de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt inkomen : het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat de zinsnede ‘een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan’ moet worden gelezen als ‘de referteperiode’ en waarbij voor de beoordeling van het recht op een individuele inkomenstoeslag ook een bijstandsuitkering als inkomen wordt gezien referteperiode : onafgebroken periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum Artikel2Individuele inkomenstoeslag op verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36 lid 1 van de wet wordt ingediend via een door het college vastgesteld formulier. Artikel3Langdurig een laag inkomen Het college verstaat onder ‘langdurig een laag inkomen’ als bedoeld in artikel 36 lid 1 van de wet een inkomen dat gedurende de referteperiode niet boven de volgende bedragen uitgaat: Per januari 2016: alleenstaanden € 1.102 alleenstaande ouders € 1.415 echtparen/samenwonenden € 1.571 Per januari 2017 alleenstaanden € 1.112 alleenstaande ouders € 1.428 echtparen/samenwonenden € 1.586 En de bedragen per januari 2018 jaarlijks te indexeren overeenkomstig de CPB prijsindex. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s. Artikel4Hoogte individuele inkomenstoeslag 1.De individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: voor alleenstaanden € 400 voor alleenstaande ouders € 500 voor gehuwden/samenwonenden € 550 2.De hoogte van de individuele inkomenstoeslag is afhankelijk van de leefsituatie van de aanvrager op de peildatum. 3.Is één van de gehuwden/samenwonenden uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 11 of 13 lid 1 van de wet, dan komt de rechthebbende echtgenoot/partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag die voor hem/haar als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden op de peildatum. Artikel5Hardheidsbepaling In gevallen waarin deze verordening niet of niet naar redelijkheid voorziet, beslist het college. Artikel6 Inwerkingtreding en citeertitel Dezeverordening wordt aangehaald als Verordening individuele inkomenstoeslag en treedt de dag na publicatie in werking en werkt terug tot 1 januari

  1. De verordening individuele inkomenstoeslag 2015, welke in werking trad op 1 januari 2015, vervalt per 1 januari
  2. Hoorn, 7 maart 2017 de griffier, de voorzitter, Toelichting Algemeen In 2004 is de langdurigheidstoeslag ingevoerd. Dit is voor personen die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Deze toeslag is op 1 januari 2009 gedecentraliseerd en werd toen een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Gemeenten werden verplicht om bij verordening regels vast te stellen over de hoogte van de toeslag en over de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op 1 januari 2015 verving de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. In deze verordening zijn de hoogte van de individuele inkomenstoeslag en de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’ opgenomen conform de raadsbesluiten van 25 november 2014 en 24 mei
  3. Wanneer er sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering' kan door het college aangeven in beleidsregels. Dit hoeft volgens artikel 8 lid 2 van de Participatiewet niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36 lid 2 van de Participatiewet staat dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Wijziging leefvorm De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd/samenwonend) van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval als gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar over een gedeelte van de referteperiode alleenstaande of alleenstaande ouder waren. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen. Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld. Artikel
  4. Begrippen In dit artikel staan definities van begrippen die in de verordening voorkomen en waarvan het van belang is dat er telkens hetzelfde onder wordt verstaan. In een aantal gevallen wordt verwezen naar definities in de wet om ervoor te zorgen, dat er zoveel mogelijk aansluiting blijft bij de wetgeving die van toepassing is. Gekozen is om de referteperiode vast te stellen op 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Hiermee is meteen invulling gegeven aan het begrip ‘langdurig’. Dus over de duur van de referteperiode wordt bepaald of iemand langdurig een laag inkomen heeft. Inkomen Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand niet. Peildatum De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44 lid 1 van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet. Artikel
  5. Indienen verzoek De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36 lid 1 van de Participatiewet dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele inkomenstoeslag kan indienen. Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen op aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb). Om onduidelijkheid te voorkomen bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan via een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb). Een mondeling verzoek wordt niet aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Artikel
  6. Langdurig een laag inkomen In dit artikel is uitgewerkt wat onder ‘langdurig’ en onder ‘laag inkomen’ wordt verstaan. Langdurig De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening. Laag inkomen De gemeenteraad verstaat vanaf 1 januari 2016 onder een laag inkomen, een inkomen tot: Alleenstaanden € 1.102 Alleenstaande ouders € 1.415 Gehuwden/samenwonenden € 1.571 En per 1 januari 2016 onder een laag inkomen, een inkomen tot: Alleenstaanden € 1.112 Alleenstaande ouders € 1.428 Gehuwden/samenwonenden € 1.586 IndexeringDe bedragen die aangeven wat een laag inkomen is zijn hierdoor per 1 januari 2016 geïndexeerd overeenkomstig de CPB prijsindex. Per januari 2018 moet dit voor de eerste keer weer opnieuw gebeuren. De bedragen worden na indexering afgerond op hele euro’s. Tot 1 januari 2015 werd het begrip ‘laag inkomen’ gekoppeld aan de van toepassing zijnde bijstandsnormen. Van 1 januari 2012 tot 1 januari 2015 was dit 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De inkomensgrens voor categoriale bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag was vanaf 2012 wettelijk gemaximeerd op 110%. Vanaf 2015 worden vaste bedragen gehanteerd die de Hoornse gemeenteraad op 25 november 2014 vaststelde. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. Dit geldt niet als het inkomen gedurende (een deel van) de referteperiode het inkomen maandelijks € 5 of meer is. Dan is er geen sprake meer van een marginale overschrijding. Ook niet van een incidentele geringe overschrijding of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten. Een onderbreking in het inkomen door bijvoorbeeld een te lang verblijf in het buitenland heeft niet perse gevolgen voor het recht op individuele inkomenstoeslag. Er moet tijdens die periode wel aan de voorwaarden zijn voldaan. De aanvrager moet dit aantonen. Artikel
  7. Hoogte individuele inkomenstoeslag Dit artikel regelt de lokale hoogte van de individuele inkomenstoeslag. Op 25 november 2014 besloot de gemeenteraad om de volgende bedragen te hanteren: € 550 aan gehuwden/samenwonenden € 500 aan alleenstaande ouders € 400 aan alleenstaanden Gehuwden / SamenwonendenBij gehuwden komt het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toe. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 lid 1van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individueleinkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 lid 1 van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op grond van artikel 11 of 13 lid 1 van de Participatiewet geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid van dit artikel. Artikel 5 HardheidsbepalingHet kan zijn dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het strikt hanteren van het gestelde in de verordening niet leidt tot een redelijke uitkomst. In zo’n situatie kan het college afwijkend beslissen. Artikel 6 Inwerkingtreding en citeertitelDit artikel spreekt voor zich.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.