← Nederland

Monumentenverordening Almere 2016 (Almere)

wet (in samenhang met artikel 15 van de Monumentenwet 1988) en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; overwegende dat het wenselijk is om in ruimtelijke plannen rekenin

Artikel 24

. Openbaarheid van vergaderen en mondeling toelichting Deze regels zijn gelijk aan de

Artikel 25

. Vorm waarin het advies wordt uitgebracht Deze regels zijn gelijk aan de

Artikel 26

Deze regels zijn gelijk aan de

Hoofdstuk 7

. Overige bepalingen Artikel 27.

Strafbepaling De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict. Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 405,- (januari 2016); in de tweede categorie maximaal € 4.050,- (januari 2016). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. Artikel

  1. Toezichthouders Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de Monumentenverordening kan plaatsvinden. In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten. Hoofdstuk
  2. Slotbepalingen Artikel
  3. Evaluatiebepaling Hiermee wordt invulling gegeven aan de wens van de raad om binnen een afzienbare periode te evalueren of het “light” beleid het gewenste effect heeft. Artikel
  4. Inwerkingtreding Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding. Artikel
  5. Citeertitel Dit artikel noemt de naam van de verordening. Bijlage I Waarderingscriteria opgesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed I Cultuurhistorische waarden belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) culturele, sociaaleconomische en/of bestuurlijke/beleidsmatige en/of geestelijke ontwikkeling(en); belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) geografische, landschappelijke en/of historisch-ruimtelijke ontwikkeling; belang van het object/complex als bijzondere uitdrukking van (een) technische en/of typologische ontwikkeling(en); belang van het object/complex wegens innovatieve waarde of pionierskarakter; belang van het object/complex wegens bijzondere herinneringswaarde. II Architectuur- en kunsthistorische waarden bijzonder belang van het object/complex voor de geschiedenis van de architectuur en/of bouwtechniek; bijzonder belang van het object/complex voor het oeuvre van een bouwmeester, architect ingenieur of kunstenaar; belang van het object/complex wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp; belang van het object/complex wegens het bijzondere materiaalgebruik, de ornamentiek en/of monumentale kunst; belang van het object/complex wegens de bijzondere samenhang tussen exterieur en interieur(onderdelen). III Situationele en ensemblewaarden betekenis van het object als essentieel (cultuurhistorisch, functioneel en/of architectuurhistorisch en visueel) onderdeel van een complex; a) bijzondere, beeldbepalende betekenis van het object voor het aanzien van zijn omgeving; b) bijzondere betekenis van het complex voor het aanzien van zijn omgeving, wijk, stad of streek; a) bijzondere betekenis van het complex wegens de hoogwaardige kwaliteit van de bebouwing in relatie tot de onderlinge historisch ruimtelijke context en in relatie tot de daarbij behorende groenvoorzieningen, wegen, wateren, bodemgesteldheid en/of archeologie; b) bijzondere betekenis van het object wegens de wijze van verkaveling/inrichting/voorzieningen. IV Gaafheid en herkenbaarheid belang van het object/complex wegens de architectonische gaafheid en/of herkenbaarheid van ex- en/of interieur; belang van het object/complex wegens de materiële, technische en/of constructieve gaafheid; belang van het object/complex als nog goed herkenbare uitdrukking van de oorspronkelijke of een belangrijke historische functie; belang van het complex wegens de waardevolle accumulatie van belangwekkende historische bouw- en/of gebruiksfasen; belang van het complex wegens de gaafheid en herkenbaarheid van het gehele ensemble van de samenstellende onderdelen (hoofd- en bijgebouwen, hekwerken, tuinaanleg e.d.); belang van het object/complex in relatie tot de structurele en/of visuele gaafheid van de stedelijke, dorpse of landschappelijke omgeving. V Zeldzaamheid belang van het object/complex wegens absolute zeldzaamheid in architectuurhistorisch, bouwtechnisch, typologisch of functioneel opzicht; uitzonderlijk belang van het object/complex wegens relatieve zeldzaamheid in relatie tot één of meer van de onder I t/m III genoemde kwaliteiten

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.