← Nederland

Handhavingbeleidsplan 2017-2020 (Steenbergen)

Handhavingbeleidsplan 2017-20201. Inleiding 1.1 Inleiding Als bevoegd gezag voor diverse wet- en regelgeving heeft de gemeente de plicht om toe te zien op de naleving van deze wetten en regels en handhavend op te treden in geval van overtredingen. Hierbij is het van belang dat er eenduidig, efficiënt en transparant wordt opgetreden. Een integrale, brede en meer planmatige manier van handhaving geniet daarbij de voorkeur. Het is noodzakelijk om beleid te voeren op handhaving en prioriteiten te stellen ten aanzien van de vele handhavingstaken. Enerzijds omdat vanuit wetgeving verplichtingen gelden ten aanzien van handhavingsdocumenten, anderzijds omdat de gemeente nu eenmaal niet over de capaciteit en middelen beschikt om alle handhavingstaken volledig uit te (laten) voeren. Dit noodzaakt tot het maken van keuzes. Samen met in- en externe handhavingspartners is input verzameld voor de totstandkoming van dit nieuwe Handhavingsbeleid. Handhaving is een dynamisch beleidsveld dat continue in ontwikkeling en beweging is. Op landelijk niveau spelen ontwikkelingen die een grote invloed op de organisatie en uitvoering van Handhaving hebben. Deze ontwikkelingen komen daarom kort aan de orde in deze nota. Alle handhavingstaken binnen de gemeente Steenbergen zijn samengebracht in één integraal beleidsplan. In deze nota wordt onder meer gemotiveerd aangegeven welke doelen en prioriteiten de gemeente Steenbergen zichzelf stelt bij de handhaving en welke activiteiten daarvoor worden uitgevoerd. Dit integraal handhavingsbeleid is leidend voor de invulling en uitvoering van de integrale handhaving voor de komende vier jaar. Handhavingsbeleid betreft uitvoeringsbeleid. Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot vaststelling van het handhavingsbeleid. Het vastgestelde beleid wordt vervolgens ter kennisname verzonden aan de gemeenteraad en aan de provincie. Vooruitlopend op de vaststelling van het beleid door het college van burgemeester en wethouders is de raad tussentijds geïnformeerd over het plan van aanpak. Ook heeft op 14 september 2016 een workshop met de raad plaatsgevonden, waarin de risicoanalyse is uitgelegd. 1.2 Aanleiding Op grond van artikel 5.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 7.2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) dient elke gemeente handhavingsbeleid vast te stellen waarin onder meer gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen en prioriteiten deze zichzelf stelt bij de handhaving en welke activiteiten deze daartoe zal uitvoeren. Het huidige handhavingbeleidsplan 2012-2016 kent een werkingsduur tot en met 2016. Om deze reden dient nieuw handhavingsbeleid te worden vastgesteld. Daarnaast is in het collegeprogramma 2014-2018 de wens uitgesproken dat regionale samenwerking met in eerste instantie de Brabantse Wal gemeenten, in eerste aanleg op het gebied van onder andere VTH- taken (Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving) onderzocht gaat worden. In dit kader is zoveel mogelijk aangesloten bij het in 2015 vastgestelde handhavingbeleidsplan van de gemeente Bergen op Zoom. Het handhavingbeleidsplan van Woensdrecht is ouder en loopt binnenkort af. 1.3 Reikwijdte Deze nota omvat in beginsel het handhavingsbeleid als bedoeld in artikel 7.2 van het Bor in samenhang met artikel 5.3 van de Wabo. Het heeft daarbij betrekking op de in artikel 5.1 van de Wabo genoemde wetten, voor zover de gemeente daarvoor het bevoegd gezag is en dit bij of krachtens deze wetten is bepaald 1 [1] Woningwet, Monumentenwet 1988, Wet op de ruimtelijke ordening, Wet milieubeheer, Wet bodembescherming, Wet geluidhinder, Wet in zake de luchtverontreiniging, Wet verontreiniging oppervlaktewateren, Flora- en Fauna wet en Natuurbeschermingswet 1998. . Concreet gaat het om toezicht en handhaving van regelgeving op het gebied van bouwen, slopen, gebruik en milieu, het zogenaamde omgevingsrecht. Naast het omgevingsrecht heeft het handhavingsbeleid ook betrekking op wet- en regelgeving ten aanzien van de leefbaarheid zoals de Algemene Plaatselijke Verordening en de Afvalstoffenverordening en ten aanzien van een aantal bijzondere wetten, zoals de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, de Drank- en Horecawet en de Opiumwet. Dit handhavingsbeleid betreft voor het eerst één integraal handhavingsbeleid. Dit betekent dat de reikwijdte van dit integraal handhavingsbeleid ook de Participatiewet, de Wet basisregistratie personen (BRP, voorheen GBA), de Leerplichtwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning omvat. Omdat de scoop van dit handhavingsbeleid veel breder is dan dat van de afgelopen jaren is sprake van handhavingstaken binnen verschillende beleidsterreinen. Om deze reden zijn de handhavingstaken onderverdeeld in vier handhavingsvelden: Wabo: omgevingsrecht (milieu, bouwen, slopen incl. asbest en gebruik) leefbaarheid (kleine ergernissen en overlast) bijzondere onderwerpen (aanpak ondermijnende criminaliteit, Horeca en Kinderopvang) sociaal-maatschappelijke voorzieningen en BRP (Participatiewet, BRP, Leerplicht en Wmo) 1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 komt een aantal algemene, maar belangrijke onderwerpen aan bod. Er is een beschrijving gegeven van de handhavingsbeleidscyclus, de visie, de samenwerking met de Brabantse Wal gemeenten en Tholen, nieuwe ontwikkelingen, de beginselplicht tot handhaven, overige uitgangspunten en de afstemming van beleid. In hoofdstuk 3 komen de instrumenten en middelen aan de orde. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen bestuursrechtelijke-, strafrechtelijke- en privaatrechtelijke handhaving. Tevens is uitgelegd wat toezichthouders en buitengewoon opsporingsambtenaren zijn. In hoofdstuk 4 worden de doelen beschreven die het college zichzelf voor de komende vier jaar stelt en de activiteiten die worden uitgevoerd om deze doelen te bereiken. Vervolgens komt in hoofdstuk 5 en 6 de risicoanalyse en de prioriteitstelling aan bod. Op basis van de uitgevoerde risicoanalyse zijn de prioriteiten tot stand gekomen. Die prioriteiten zijn van belang voor de mate van toezicht dat op een specifiek handhavingsonderwerp wordt uitgevoerd. Daarna komt in hoofdstuk 7 de volledige nalevingstrategie aan bod. De nalevingstrategie is daarbij onderverdeeld in de preventiestrategie, de toezichtstrategie, de sanctiestrategie en de gedoogstrategie. De nota wordt afgesloten met een beschrijving van de uitvoeringsorganisatie en monitoring in hoofdstuk 8. 2. Algemeen 2.1 Handhavingsbeleidscyclus De handhavingsbeleidscyclus betreft een gesloten cyclus op basis van de zogeheten ‘big-eight’. In deze cyclische aanpak zijn de strategische en operationele cyclus met elkaar verbonden. Hierbij is de planmatige handhaving geborgd door deze telkens te monitoren en aan te passen. Op deze wijze wordt constante verbetering bewerkstelligd. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande planning- en control cyclus van de gemeente. Binnen de handhavingsbeleidscyclus staan drie handhavingsdocumenten centraal: het integraal handhavingsbeleid, het uitvoeringsprogramma en het evaluatieverslag. Het integraal handhavingsbeleid (de onderhavige nota) bevat ondermeer de doelen, activiteiten, prioriteiten en handhavingstrategie en wordt doorgaans eenmaal per vier jaar vastgesteld. Het handhavingsbeleid wordt jaarlijks uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma. In het uitvoeringsprogramma staat concreet weergegeven welke uitvoeringsactiviteiten het college voornemens is in het betreffende jaar uit te voeren. Hierbij wordt rekening gehouden met de evaluatieresulaten van het voorafgaande jaar en met de doelen en prioriteiten zoals opgenomen in het handhavingsbeleid. Ten slotte evalueert het college jaarlijks welke activiteiten feitelijk zijn uitgevoerd en in hoeverre deze activiteiten hebben bijgedragen aan het bereiken van de in het handhavingsbeleid geformuleerde doelen. Deze evaluatie wordt vastgelegd in een evaluatieverslag (jaarverslag). Het college maakt het integraal handhavingsbeleid, het uitvoeringsprogramma en het evaluatieverslag bekend aan de gemeenteraad en de provincie. Naast de jaarlijkse evaluatie van het uitvoeringsprogramma wordt ook minimaal jaarlijks bezien of er aanleiding is om het handhavingsbeleid aan te passen. Het handhavingsbeleid wordt zo nodig tussentijds aangepast. De handhavingsbeleidscyclus is schematisch weergegeven in figuur 1. 2.2 Visie De gemeente is op grond van een aantal wetten verplicht tot het uitvoeren van toezicht en handhaving. Voor de gemeente Steenbergen is handhaven meer dan enkel het repressieve optreden van de overheid. Handhaven is vooral een instrument dat bijdraagt aan het realiseren van gestelde beleidsdoelen. Hierbij is het van belang dat handhaving niet primair wordt geleid door het reageren op incidenten, maar dat beleidsdoelen worden gerealiseerd door een planmatige en integrale handhaving. De gemeente Steenbergen vindt het van belang om voor haar inwoners en bezoekers een veilige, gezonde en schone leefomgeving te behouden. Daarbij is het soms onvermijdelijk om handhavend op te treden. Uitgangspunt hierbij is dat het handhavend optreden gericht is op het naleven van wet- en regelgeving en dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te allen tijde voorop staan. Bij een bevinding wordt passend geïntervenieerd, waarbij in vergelijkbare situaties vergelijkbare keuzes worden gemaakt en waarbij besluiten zorgvuldig worden voorbereid. Basis hiervoor is de per 1 januari 2016 in werking getreden Landelijke Handhavingstrategie, welke geïmplementeerd is in deze nota. Handhaving wordt georganiseerd en uitgevoerd in overeenstemming met helder vooraf gestelde prioriteiten die gebaseerd zijn op een risicoanalyse en aansluiten bij de gestelde beleidsdoelen. Deze nota biedt hiervoor de basis. 2.3 Samenwerking Brabantse Wal gemeenten en Tholen De gemeente Steenbergen wenst de samenwerking op Brabantse Wal niveau verder uit te breiden. Gedurende de beoogde werkingsduur van deze beleidsnota wordt de mogelijkheid en bereidheid onderzocht om tot een bredere samenwerking tussen de Brabantse Wal gemeenten te komen op het gebied van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving. In de per 1 april 2016 in werking getreden wet VTH (zie ook paragraaf 2.4) staan drie kwaliteitscriteria voor het uitvoeren van vergunningverlening, toezicht en handhaving centraal. Met de gemeenten Bergen op Zoom en Woensdrecht wordt onderzocht of het lukt om gezamenlijk aan deze eisen te voldoen. Voor wat betreft de uitvoering van de handhaving van de Drank- en Horecawet (DHW) vindt door middel van een boa-pool al samenwerking plaats tussen de Brabantse Wal gemeenten en Tholen. Dit op basis van een dienstverleningsovereenkomst die jaarlijks wordt geüpdate en een convenant met de politie en het OM ten aanzien van de bevoegdheden van de boa’s/toezichthouders. Op 26 juli 2016 heeft het college besloten om met de vier gemeenten een boa-pool op te richten op een breder werkterrein dan alleen de DHW, zoals de domein I en de domein II boa’s. De mogelijkheid en bereidheid om in de toekomst ook tot samenwerking in de juridische afwikkeling te komen zal hierbij worden meegenomen. 2.4 Nieuwe ontwikkelingen In deze paragraaf wordt kort stilgestaan bij een drietal landelijke ontwikkelingen omdat deze ontwikkelingen een grote invloed hebben/krijgen op de organisatie en de uitvoering van toezicht en handhaving van de Wabo. Wet VTH Ten behoeve van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving zijn landelijk de zogenaamde VTH kwaliteitscriteria (VTH criteria) ontwikkeld. De VTH criteria omvatten drie thema’s, te weten: Kritieke massa criteria. Criteria inzake vakmanschap en personele ‘massa’; Procescriteria. Criteria inzake transparantie en bestuurlijke vastlegging; Inhoudelijke eisen en prioriteitsstelling. Criteria rondom minimale ondergrens binnen werkprocessen. De criteria ten aanzien van de kritieke massa worden vastgelegd door de gemeenteraad, waarbij de Kwaliteitscriteria wel het uitgangspunt zijn. Dit is door de gemeenteraad in september 2016 vastgelegd in de Verordening kwaliteit VTH-taken. Het vastleggen van de Kwaliteitscriteria is één ding, het voldoen aan deze criteria is een tweede. Iedere gemeente in Nederland heeft zelf getoetst door middel van de zelfevaluatietool waar wordt voldaan aan de Kwaliteitscriteria 2.1 en waar nog niet. Deze te verbeteren punten zijn vastgelegd in een verbeterplan. Binnen de regio Brabantse Wal is besloten om samen op te trekken in de aanpak van de verbeterpunten. Wet kwaliteitsborging voor het bouwen De wetgever heeft het voornemen om over te gaan tot de gecertificeerde bouwplantoetsing. Dat houdt in dat bedrijven/adviesbureaus als gecertificeerd toetser kunnen gaan optreden. De rol van de gemeente wordt dan beperkt tot de planologische toets, toets brandveiligheid en eventueel een welstandstoets. Toetsen aan het Bouwbesluit 2012 wordt dan volledig door het gecertificeerde bedrijf verzorgd. De markt en ook de gemeente Steenbergen, middels de pilot private kwaliteitsborging in de bouw, bereiden zich hier al op voor. De teams Vergunningen en Handhaving zijn en blijven verantwoordelijk voor toezicht en handhaving op de bestaande bouw. Ook het toezicht op het voldoen aan de minimumeisen voor de bestaande bouw, de gebruikseisen en de (brand)veiligheid blijft een gemeentelijke taak. De komende jaren bereidt het team Handhaving zich samen met het team Vergunningen verder voor op deze wetswijziging en draagt zij zorg voor voldoende kennis en expertise om het toezicht en de handhaving op het ‘rode spoor’ (Bouwen, slopen, Ruimtelijke ordening) te waarborgen. Omgevingswet Met de Omgevingswet bundelt de overheid de regels voor ruimtelijke projecten. Zo wordt het makkelijker om ruimtelijke projecten te starten. Bijvoorbeeld woningbouw op voormalige bedrijventerreinen of de bouw van windmolenparken. Omgevingswet gaat in 2019 in Op 1 juli 2015 heeft een ruime meerderheid van de Tweede Kamer ingestemd met de Omgevingswet. Begin 2016 stemde ook de Eerste Kamer in met het wetsvoorstel. Daarna volgde direct de publicatie in het Staatsblad. Verder moet er een invoeringswet en een invoeringsbesluit komen. In 2017 en 2018 werkt het kabinet verder aan de Nationale Omgevingsvisie. De wet treedt in 2019 in werking. Afspraken over invoering Omgevingswet De komst van de Omgevingswet betekent dat er veel verandert. De wet bundelt bijvoorbeeld 26 bestaande wetten voor onder meer bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. Het is belangrijk dat de overheid nu al begint met de voorbereidingen. Anders lukt het niet om de wet in 2019 goed in te laten gaan. Daarom heeft het Rijk afspraken gemaakt over de invoering van de Omgevingswet. De afspraken zijn gemaakt met de Vereniging Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen. Uitgangspunten Omgevingswet Met de nieuwe Omgevingswet wil het kabinet: de verschillende plannen voor ruimtelijke ordening, milieu en natuur beter op elkaar afstemmen; duurzame projecten (zoals windmolenparken) stimuleren; gemeenten, provincies en waterschappen meer ruimte geven. Zo kunnen zij hun omgevingsbeleid afstemmen op hun eigen behoeften en doelstellingen. Verder biedt de wet meer ruimte voor particuliere ideeën. Dit komt doordat er meer algemene regels gelden, in plaats van gedetailleerde vergunningen. Het doel staat voorop en niet het middel om er te komen. De houding bij het beoordelen van plannen is ‘ja mits’ in plaats van ‘nee tenzij’. Zo ontstaat ruimte voor bijvoorbeeld bedrijven en organisaties om met ideeën te komen. Omgevingswet vereenvoudigt en bundelt omgevingsrecht Het omgevingsrecht bestaat uit tientallen wetten en honderden regelingen voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Zij hebben allemaal hun eigen uitgangspunten, werkwijzen en eisen. De wetgeving is daardoor te ingewikkeld geworden voor de mensen die ermee werken. Daardoor duurt het bijvoorbeeld langer voordat een project kan starten. Veranderingen door Omgevingswet Het kabinet maakt het omgevingsrecht makkelijker en voegt alle regelingen samen in 1 Omgevingswet. Wat levert de Omgevingswet de Nederlander op? Een aantal feiten op een rij: Van 26 wetten naar 1. Van 5000 wetsartikelen naar 350. Van 120 ministeriële regelingen naar 10. Van 120 algemene maatregelen van bestuur naar 4. 1 wet voor de hele leefomgeving. De wet maakt het mogelijk om lokale problemen ook lokaal op te lossen. Van meerdere bestemmingsplannen naar 1 omgevingsplan. Wat betekent de Omgevingswet voor burgers, bedrijven en overheden? Hieronder 3 voorbeelden: Omgevingsvisie voor overheden De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincie en gemeente een omgevingsvisie te maken. In de omgevingsvisie moeten zij rekening houden met de verschillende belangen in een gebied. Nu beslissen de overheden vaak alleen over een deelproject. Ze kijken vaak niet naar de andere plannen voor het gebied. 1 loket voor burgers en bedrijven Willen burgers of bedrijven straks een project of activiteit starten? Dan hoeven zij nog maar 1 vergunning (digitaal) aan te vragen bij 1 loket. Daarna neemt de gemeente of de provincie een beslissing. Zijn de gemeente en de provincie allebei verantwoordelijk voor de vergunningaanvraag? Dan neemt maar 1 van beide de beslissing. Dit is makkelijker voor de aanvrager. Ook is de vergunningaanvraag zo sneller afgehandeld. Bedrijven hoeven minder onderzoek te doen Om een vergunning te krijgen voor een ruimtelijk project, moeten bedrijven onderzoek doen (bijvoorbeeld bodemonderzoek). Door de Omgevingswet zijn onderzoeksgegevens straks langer geldig. Hierdoor is het makkelijker om ze opnieuw te gebruiken. Sommige onderzoeken zijn helemaal niet meer nodig. Dit betekent minder kosten. Gevolgen Omgevingswet voor handhaving Op het eerste gezicht zal er onder de Omgevingswet weinig veranderen ten opzichte van het huidig recht voor wat betreft de handhaving. De handhavingsinstrumenten blijven dezelfde en staan grotendeels in de Algemene wet bestuursrecht, terwijl de bijzondere handhavingsbepalingen in de Omgevingswet (hoofdstuk 18) voor het merendeel overgenomen zijn uit de Wabo. Toch zijn er een paar praktische punten die wel de aandacht verdienen. Handhaving gaat onder de Omgevingswet namelijk een (nog) belangrijkere positie bekleden dan onder het huidig recht en dat heeft praktische consequenties. Meer handhaving Een nieuw stelsel waarbij er minder vergunningen zijn, meer zorgplichten en meer algemene regels leidt er noodzakelijkerwijs toe dat waar voorheen vooraf werd getoetst, de meeste toetsingen in het nieuwe stelsel achteraf gaan plaatsvinden. Juridisch betekent dat een verschuiving van vergunningverlening naar handhaving en dat kan een aantal praktische gevolgen hebben. Het bevoegd gezag zal immers fte’s moeten gaan verschuiven van de vergunningverleners naar de handhavers. Dat zal echter niet het grootste praktische probleem zijn, aangezien vergunningverleners en handhavers veel van dezelfde kennis in huis moeten hebben. Interessanter is daarom wat de gevolgen van 'meer handhaving, minder vergunningen' gaat zijn voor de relaties tussen het bevoegd gezag en de omgevingsdienst. Er zal goed gekeken moeten worden naar hoeveel uren er worden ingekocht op welke vlakken bij de omgevingsdienst. Meer boetes De bestuurlijke boete wordt nu beperkt gebruikt in het omgevingsrecht. Bij de invoeringswet zal de Minister naar verwachting een boetebevoegdheid introduceren ten aanzien van de regelgeving voor cultureel erfgoed en ten aanzien van de regelgeving voor Seveso-inrichtingen (nu: BRZO-bedrijven). De verwachting is dat de boete in de toekomst steeds vaker als instrument beschikbaar zal zijn. Er zal dus tijdig voor voldoende kennis in huis gezorgd moeten worden ten aanzien van de bijzondere regels bij bestuurlijke boetes! Meer strafrecht? Uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) blijkt dat alle zorgplichten niet alleen bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Dat is op zich geen uitbreiding ten opzichte van het huidig stelsel. In de Wet op de Economische Delicten zijn (onder meer) overtredingen van artikel 1b Woningwet (en dus het Bouwbesluit 2012) als ook artikel 8.40 Wet milieubeheer (en dus het Activiteitenbesluit) strafbaar gesteld. Het strafrecht krijgt echter wel nadrukkelijker de aandacht – het wordt als het ware meer naar voren geschoven; ook in de toelichtingen. Dat is een subtiele, maar potentieel ingrijpende wijziging voor bedrijven. Zeker aangezien het makkelijker lijkt te worden om (zonder voorafgaande toetsing) een overtreding te begaan. Tijdige aandacht voor het handhavingsbeleid! Het belang van handhaving wordt steeds groter. Daarmee is het belang van adequaat en doordacht handhavingsbeleid ook weer nadrukkelijk op de kaart. Veel gemeenten kennen vrij divers sectoraal handhavingsbeleid (bijvoorbeeld ten aanzien van de horeca, burenoverlast of de openbare ruimte) en een algemeen handhavingsbeleid. Onder de Omgevingswet ligt het voor de hand om algemeen breed inzetbaar handhavingsbeleid op te stellen die ziet op de gehele fysieke leefomgeving. Daarbij verdienen twee punten de bijzondere aandacht: Ten eerste is het verstandig om prioriteringsbeleid op te nemen. Dit soort beleid houdt in dat het bevoegd gezag bij beperkte capaciteit niet altijd (gelijk) kan worden gedwongen om handhavend op te treden tegen overtredingen van beperkt belang (zie ABRvS 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1982). Gelet op mogelijke capaciteitsproblemen onder de Omgevingswet, zou dit soort beleid nog wel eens de redding kunnen zijn voor menig bevoegd gezag. Ten tweede is een degelijk waarschuwingsbeleid onontbeerlijk. Deze 'isoleerlaag' houdt in dat het bestuursorgaan – als het redelijk beleid hanteert dat het bij de eerste overtreding slechts een waarschuwing wordt gegeven – zich op dat beleid kan beroepen in het kader van een handhavingsverzoek (zie ABRvS 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6683). Onder de Omgevingswet is de 'voor toets' (lees: de vergunningverleningsfase) bij 90% van de gevallen weg. Dat betekent dat het makkelijk is voor bedrijven en burgers om per ongeluk een fout te maken. Een waarschuwingsbeleid voorkomt dat het bevoegd gezag bij elk ongelukje een last onder dwangsom of bestuursdwang moet gaan opleggen. Tijdige opname van waarschuwingsbeleid zal daarom een hoop ellende kunnen voorkomen. Met dit Handhavingbeleidsplan is met deze mogelijke gevolgen rekening gehouden, doordat het zowel prioriteringsbeleid, als waarschuwingsbeleid inhoudt. 2.5 Beginselplicht tot handhaven Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt een beginselplicht tot handhaven bij een geconstateerde overtreding. Slechts in bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgezien. Bij een verzoek tot handhaving zal daarom per individueel geval een afweging moeten worden gemaakt, waarbij de verschillende belangen worden betrokken. De standaard in jurisprudentie gehanteerde overweging is als volgt: ‘Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding met de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie kan worden afgezien.’ 2.6 Overige uitgangspunten Bij het opstellen van deze nota is naast voornoemde uitgangspunten rekening gehouden met geldende wet- en regelgeving, met andere beleidsdocumenten en met drie relevante landelijke documenten: de Landelijke Handhavingstrategie (zie paragraaf 7.4.1 en bijlage 3), een brief van de minister van Veiligheid en Justitie en een brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (zie paragraaf 3.6). 2.7 Afstemming beleid Het is van belang dat het onderhavige beleid en het beleid van andere betrokken bestuursorganen en van partners die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving, onderling is afgestemd. Mede om deze reden is ervoor gekozen al aan de voorkant een groot aantal partners te betrekken bij de totstandkoming van het handhavingsbeleid. In 2016 zijn, naast medewerkers van verschillende afdelingen, de politie, de Brandweer en de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant betrokken bij de totstandkoming. Knelpunten, opmerkingen en vragen met betrekking tot de afstemming van beleid, bijvoorbeeld over prioriteiten, takenscheiding en de handhavingstrategie, konden direct ter sprake worden gebracht en zijn meegenomen bij het opstellen van het onderhavige beleid. Daarnaast is het beleid afgestemd met de buurgemeenten Bergen op Zoom, Woensdrecht en Tholen middels het vooraf toezenden en bespreken van het beleid in het overleg van de basisteamdriehoek. Het beleid is tevens afgestemd op het Beleidsplan Toezicht en Handhaving 2015-2019 van de Brabantse Delta en het Regionale Beleidsplan 2015-2018 van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant. 3. Instrumenten en middelen 3.1 Inleiding Om de inhoud van deze nota goed te begrijpen is het van belang inzicht te krijgen in de verschillende handhavingsinstrumenten die de gemeente ter beschikking heeft. In dit hoofdstuk wordt beknopt uitleg gegeven over de repressieve handhavingsinstrumenten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen bestuursrechtelijke handhaving, strafrechtelijke handhaving en privaatrechtelijke handhaving. Wanneer welk handhavingsinstrument wordt toegepast is opgenomen onder de ‘sanctiestrategie’ in paragraaf 7.4. Voor een uitgebreide beschrijving van de verschillende handhavingsinstrumenten wordt verwezen naar pagina 13 t/m 17 van de Landelijke Handhavingstrategie in bijlage 3. Naast repressieve handhavingsinstrumenten is het ook mogelijk om communicatie en mediation in te zetten. Communicatie en mediation zijn nader beschreven onder de ‘preventiestrategie’ in paragraaf 7.2. Binnen handhaving kan onderscheid worden gemaakt tussen handhavers in de rol van toezichthouder en in de rol van buitengewoon opsporingsambtenaar. In paragraaf 3.5 en 3.6 wordt daarom een korte toelichting gegeven over toezichthouders en buitengewoon opsporingsambtenaren. 3.2 Bestuursrechtelijke handhaving Binnen de bestuursrechtelijke handhaving kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende instrumenten. De belangrijkste instrumenten betreffen de last onder bestuursdwang of dwangsom en de bestuurlijke boete. Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid om overtreders enkel aan te spreken en te informeren of mondeling dan wel schriftelijk te waarschuwen. Dit is doorgaans alleen aan de orde bij kleine overtredingen en goedwillende overtreders die onbedoeld niet naleven en gemotiveerd zijn om de overtreding zo snel mogelijk te beëindigen. Last onder bestuursdwang en last onder dwangsom De last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom betreffen beiden herstelsancties waarbij de overtreder een last tot beëindigen en beëindigd houden van de overtreding krijgt opgelegd. Indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd heeft het bestuursorgaan de bevoegdheid om respectievelijk: - de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen; - de verplichting tot betaling van een geldsom op te leggen. Uitgangspunt is dat in beginsel het instrument last onder dwangsom wordt ingezet, tenzij, gezien de aard van de overtreding, een last onder bestuursdwang meer in de rede ligt. Bestuurlijke boete Een bestuurlijke boete is daarentegen een bestraffende sanctie die zonder tussenkomst van het OM of een rechter kan worden opgelegd. Het betreft een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom en kan naast bijvoorbeeld een last onder bestuursdwang worden opgelegd. Intrekken van een begunstigend besluit of aanpassing registratie BRP Soms is het intrekken van een verleende vergunning of ontheffing een passende interventie. De wet- en regelgeving op basis waarvan de vergunning of ontheffing is verleend bevat regels ten aanzien van het intrekken van betreffende vergunning of ontheffing. Ook bestaat de mogelijkheid om bijvoorbeeld een (bijstands)uitkering te beëindigen of een registratie in de Basisregistratie personen (BRP) ambtshalve aan te passen. 3.3 Strafrechtelijke handhaving Strafrechtelijke handhaving is gericht op leedtoevoeging (het bestraffen van de overtreder) en onderscheidt zich daarin van de last onder dwangsom en de last onder bestuursdwang die juist gericht zijn op herstel. Binnen de strafrechtelijke handhaving kan onderscheid worden gemaakt tussen een proces-verbaal en een bestuurlijke strafbeschikking. Beiden kunnen worden opgesteld door een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa). Proces-verbaal Een proces-verbaal is een schriftelijke verslaglegging waarmee justitie op de hoogte wordt gebracht van een overtreding van wet- en regelgeving. Het is vervolgens aan de officier van justitie van het OM om te beslissen of tot vervolging wordt over gegaan. Indien tot vervolging wordt overgegaan wordt het proces-verbaal door de rechter gebruikt om een rechtvaardig besluit te nemen ten aanzien van een verdachte. Bestuurlijke strafbeschikking Op grond van de zogenaamde Wet OM-afdoening hebben boa’s de bevoegdheid om een strafbeschikking (een soort boete) uit te vaardigen voor een aantal relatief kleine overtredingen, waarbij er over de schuldvraag geen twijfel bestaat. De bestuurlijke strafbeschikking is een instrument dat in beginsel zonder tussenkomst van het OM kan worden opgelegd en wordt ingezonden aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Indien een verdachte het niet eens is met een opgelegde strafbeschikking, dient deze in verzet te komen bij het OM. 3.4 Privaatrechtelijke handhaving De gemeente treedt ook op als private partij, bijvoorbeeld bij het sluiten van koop- en huurovereenkomsten (bijvoorbeeld voor standplaatsen op woonwagenlocaties). Vanuit haar hoedanigheid als rechtspersoon kan de gemeente dan in bepaalde gevallen privaatrechtelijk handhaven door bijvoorbeeld een actie tot nakoming van de overeenkomst of een onrechtmatige daad in te stellen of door het claimen van een contractuele boete. Ook op privaatrechtelijke handelingen zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn criteria ontwikkeld om te bepalen of in een situatie gebruik gemaakt kan worden van privaatrecht of van publiekrecht, de zogenaamde “doorkruisingsleer”. Dit betekent dat geen gebruik gemaakt mag worden van privaatrecht als dit de publiekrechtelijke regeling onaanvaardbaar doorkruist. Concreet betekent dit dat als de gemeente de keuze heeft tussen privaatrechtelijke of bestuursrechtelijke instrumenten in de regel gekozen moet worden voor de bestuursrechtelijke weg omdat daarbij betere rechtswaarborgen gelden voor de burger. In de praktijk zijn de mogelijkheden tot privaatrechtelijke handhaving daarom beperkt. 3.5 Toezichthouders Een toezichthouder onderzoekt namens en onder verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur of wetten en regels worden nageleefd. Een toezichthouder draagt een legitimatiebewijs bij zich dat is uitgegeven door het gemeentebestuur. Op verzoek is de toezichthouder verplicht om dit legitimatiebewijs te tonen. Bevoegdheden In titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is aan de toezichthouders een standaard pakket met bevoegdheden toegekend. Aanvullend daarop zijn aan de toezichthouder in bepaalde wetten extra bevoegdheden toegekend, bijvoorbeeld het onder voorwaarden betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner. Een toezichthouder mag van zijn bevoegdheden slechts gebruik maken voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is. Een ieder is vervolgens verplicht om medewerking te verlenen aan een toezichthouder. Toezichthouders zijn op grond van de Awb onder andere bevoegd om: elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner; zich toegang te verschaffen met behulp van de politie; personen aan te wijzen die hem vergezellen bij het uitvoeren van zijn taak; inlichtingen te vorderen; inzage te vorderen in een legitimatiebewijs; inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden en hiervan kopieën te maken; zaken te onderzoeken, verpakkingen te openen en monsters te nemen; vervoermiddelen te onderzoeken waartoe hij een toezichthoudende taak heeft. 3.6 Buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’

  1. s)Een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) is een ambtenaar met een beperkte opsporingsbevoegdheid. Dit betekent dat een boa bevoegd is om strafbare feiten op te sporen die tot zijn takenpakket behoren én die in de bijhorende domeinenlijst staan. De werkgever, bijvoorbeeld de gemeente, vraagt voor de boa bij Justis (een onderdeel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie) een akte van opsporingsbevoegdheid aan. Indien aan een aantal voorwaarden is voldaan wordt door Justis een akte van opsporingsbevoegdheid verstrekt waarmee een boa kan aantonen dat hij bekwaam en betrouwbaar is. Vervolgens wordt een boa nog beëdigd. Boa’s die veel in contact komen met publiek dragen een boa-insigne en een uniform. Niet elke boa heeft dezelfde bevoegdheden. Dit is afhankelijk van de taken en het domein van de boa. Er worden zes boa-werkterreinen onderscheiden, ook wel domeinen genoemd: domein I: openbare ruimte domein II: milieu, welzijn en infrastructuur domein III: onderwijs domein IV: openbaar vervoer domein V: werk, inkomen en zorg domein VI: generieke opsporing Ten aanzien van de handhavingstaken die onderdeel uitmaken van deze nota onderscheiden we voor de gemeente Steenbergen vier soorten boa’s, namelijk boa’s in de domeinen I, II, III en V. De boa’s in domein I bestrijden kleine ergernissen, overlast en andere feiten die de leefbaarheid in de openbare ruimte aantasten. De boa’s in domein II zijn boa’s die zich vooral bezig houden met natuur, milieu en fysieke leefomgeving. De wens bestaat dat de domein II boa's werkzaam bij de boa-pool worden uitgerust met geweldsmiddelen (handboeien, wapenstok en pepperspray), aangezien zij veelal in het buitengebied werkzaam zijn. De boa's domein I en domein II zullen per 1 december 2016 worden aangesloten op het C2000 communicatiesysteem van de politie. Onder domein III vallen de boa’s die primair belast zijn met het handhaven van de Leerplichtwet. Ten slotte kennen we binnen de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal boa’s die werkzaam zijn in domein V. Deze boa’s houden zich bezig met het handhaven van regelingen op het gebied van de sociale zekerheid. Taakverdeling politie en gemeente Toezicht en handhaving in de openbare ruimte is een gedeelde verantwoordelijkheid van de gemeente en de politie, waarbij de boa’s en de politie elkaar aanvullen. De minister van Veiligheid en Justitie heeft deze complementaire taakverdeling aan de Tweede Kamer verhelderd in de brief ‘Voortgang samenhang toezicht en handhaving in de openbare ruimte’. 2 http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2014/04/02/voortgang-samenhang-toezicht-en-handhaving-in-de-openbare-ruimte.html In deze brief staat de taak van de gemeentelijke boa in domein I als volgt omschreven: “Kern van het werk van de gemeentelijke boa in Domein I is dat hij in de openbare ruimte aanwezig is en toezicht houdt, en handhavend optreedt waar nodig in geval van kleine ergernissen, overtredingen en overlastsituaties die de leefbaarheid in wijken en buurten aantasten. In beginsel treedt de boa op in situaties waarin er geen sprake is van een te verwachten gevaarzetting. Wanneer de boa situaties tegen komt waar geweld plaatsvindt of dreigt of waar sprake is van criminaliteit, zal hij een beroep doen op de politie.” Voorts staan in deze brief landelijke uitgangspunten die de politie in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft geformuleerd voor de dagelijkse samenwerking tussen politie en boa’s. De VNG heeft deze landelijke uitgangspunten bij brief van 5 juni 2014 verzonden aan haar leden. 3 https://www.vng.nl/files/vng/brieven/2014/20140605_ledenbrief_ontwikkelingen-boa-openbare-ruimte.pdfBinnen de politie eenheid Zeeland-West-Brabant zijn in 2016 in samenwerking met de gemeenten nadere afspraken gemaakt over de dagelijkse samenwerking en informatie-uitwisseling tussen politie en boa’s. Deze afspraken staan in de Notitie operationele samenwerking politie-boa’s district de Markiezaten van juni 2016. Samenwerking met Parkeerbeheer Bergen op Zoom Sinds 2014 worden de boa’s van parkeerbeheer Bergen op Zoom ingezet in Steenbergen voor de handhaving van de blauwe zone. De afspraken over de inzet in Steenbergen zijn vastgelegd in een aparte dienstverleningsovereenkomst. Het management van Parkeerbeheer wordt intensief betrokken bij de Brabantse Wal samenwerking (boa-pool). 4.Doelen en activiteiten 4.1Doelen De primaire doelstelling van handhaving is: het bevorderen van naleving van wet- en regelgeving. Door naleving van wet- en regelgeving worden: onveilige en ongezonde situaties; aantasting van landschappelijke-, cultuurhistorische-, natuurwaarden en milieukwaliteit; aantastingen van de kwaliteit van woon- en leefomgeving, verstoringen van de openbare orde; onrechtmatig gebruik van sociale- en maatschappelijke voorzieningen en inschrijvingen BRP en daarmee misbruik- en/of oneigenlijk gebruik van gemeenschapsgelden; voorkomen dan wel beëindigd. De twee secundaire doelstellingen zijn: Verdere professionalisering van de handhavingsorganisatie Handhaving vormt een steeds belangrijker onderdeel van de gemeentelijke organisatie. Tot voor kort werd handhaving vooral gekoppeld aan het vergunningenstelsel, maar tegenwoordig omvat handhaving een steeds omvangrijker vakgebied en takenpakket. Dit betekent dat er steeds meer van de discipline handhaving, en dus van de handhavers, wordt verwacht. Ook de verschillende ministeries dragen dit uit, onder meer door een duidelijke link te leggen tussen handhaving en integrale veiligheid. Het besef wordt ook steeds groter dat bestuursrechtelijke handhaving effectief kan worden ingezet, vaak ook in combinatie met straf-, privaat- en fiscaalrecht. Het gevolg hiervan is dat zich voortdurend ontwikkelingen voordoen waar wij als gemeente ons op moeten voorbereiden (denk bijvoorbeeld aan nieuwe wet- en regelgeving en nieuwe instrumenten die ingezet kunnen worden). Dit betekent ook dat we onze informatiepositie en ICT op orde moeten hebben en dat we alle medewerkers moeten trainen en opleiden op het gebied van fraude alertheid en het leren herkennen van signalen. Om als Steenbergen te kunnen voldoen aan deze hogere eisen en verwachtingen en om te kunnen inspelen op de nieuwe ontwikkelingen, is het belangrijk om een professionele handhavingsorganisatie te hebben. Professionaliteit kan, mag en moet verwacht worden van onze handhavers, maar verwachten wij ook van de handhavingspartners om ons heen. Bevorderen van samenwerking met interne- en externe handhavingspartners en op Brabantse Wal niveau en Tholen Door de steeds hogere eisen die gesteld worden aan onze handhavingsorganisatie, maar ook door het besef dat we door samenwerking veel sterker staan, van elkaar kunnen leren en doordat overtreders zich nu eenmaal niet houden aan gemeentegrenzen, is de samenwerking met onze handhavingspartners (zoals OMWB, GGD, politie, OM, Belastingdienst, Natuurmonumenten, Brabantse Delta, etc.) en onze omliggende gemeenten ontzettend belangrijk. Vaak kan door samenwerking ook effectiever en efficiënter gewerkt worden en wordt onze slagkracht ook groter. De afgelopen jaren is de samenwerking zowel intern, als extern al veel vanzelfsprekender geworden. Zo is sinds september 2016 de boa-pool Brabantse Wal in werking getreden en geven we op Brabantse Wal niveau en Tholen gezamenlijk uitvoering aan de Drank- en Horecawet. Deze samenwerking kan de komende jaren alleen maar verder worden versterkt. Het maken van heldere afspraken, deze nakomen en verwachtingen naar elkaar toe uitspreken is daarbij de sleutel tot succes. 4.2 Activiteiten Activiteiten die de gemeente reeds uitvoert en gaat uitvoeren om deze doelen te bereiken: Bevorderen van naleving wet- en regelgeving ØPreventie, toezicht en sanctioneren Door middel van het uitvoeren van de activiteiten zoals beschreven in hoofdstuk 6 bij de prioriteiten en de mate van toezicht en in hoofdstuk 7 bij de preventiestrategie, toezichtstrategie en sanctiestrategie voor de verschillende handhavingstaken binnen de vier handhavingsvelden, wordt naleving van wet- en regelgeving bevorderd. Verdere professionalisering handhavingsorganisatie ØImplementeren bestuurlijke boete Het is mogelijk bestuurlijke boetes op te leggen bij overtredingen van de wet Basisregistratie Personen (BRP), de DHW, de Woningwet en de Wet kwaliteitseisen kinderopvang en peuterspeelzalen. Wellicht wordt de bestuurlijke boete in de toekomst ook toegepast bij overtredingen van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Organiseren toezicht en handhaving BRP De uitvoering van toezicht en handhaving van de BRP staat momenteel nog in de kinderschoenen. Vanuit de Landelijke Aanpak Adresfraude zal aan de slag gegaan worden met aangeleverde signalen van adresfraude in het kader van de BRP. Hierin zal met diverse instanties samengewerkt gaan worden. Onderzoeken mogelijkheden inzet ICT-instrumenten Er komen steeds meer praktische ICT-instrumenten op de markt. Denk hierbij aan het toenemend aantal beschikbare apps. De inzet van slimme ICT-instrumenten kan informatiedeling bevorderen en toezicht en handhaving mogelijk eenvoudiger, efficiënter, praktischer of beter maken. Deze ontwikkelingen zullen de komende jaren worden gevolgd, waarbij zal worden gezocht naar ICT-instrumenten die professionele handhaving bevorderen. Onderzoeken innovatieve methoden voor toezicht Soms is het onduidelijk welke activiteiten in een pand plaatsvinden en soms zijn overtredingen moeilijk vast te stellen. Gedurende de beoogde werkingsduur van deze nota zal actief gezocht worden naar nieuwe technische ontwikkelingen en innovatieve methoden voor de uitvoering van toezichtactiviteiten. Dit ook in nauwe samenwerking met externe partijen, zoals de Brabantse Wal gemeenten, de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB), de provincie, het Openbaar Ministerie (OM) en de politie. Bevorderen fraudealertheid bij medewerkers. Om fraude zo vroeg mogelijk te kunnen ontdekken is het van belang dat de fraudealertheid van medewerkers die veelvuldig klantcontact hebben wordt vergroot. Gedurende de beoogde werkingsduur van deze beleidsuitvoeringsnota zal door middel van cursussen en voorlichting, de fraudealertheid worden vergroot. Bevorderen samenwerking met interne en externe handhavingspartners Onderzoeken mogelijkheden samenwerking Brabantse Wal gemeenten en Tholen Gedurende de beoogde werkingsduur van deze beleidsuitvoeringsnota wordt de mogelijkheid en bereidheid onderzocht om tot een bredere samenwerking tussen de Brabantse Wal gemeenten en Tholen te komen. Het gaat hierbij om samenwerking in de daadwerkelijke uitvoering van handhaving, maar tevens zal worden afgetast/onderzocht in hoeverre sprake is van de mogelijkheid en bereidheid om met de Brabantse Wal gemeenten en Tholen te komen tot de ontwikkeling van één integraal handhavingsbeleid en uitvoeringsprogramma. Zie verder paragraaf 2.3 en 2.4. Informatiedeling en combineren controles Informatie over mogelijke onrechtmatigheden wordt zo veel als nodig en mogelijk (rechtmatig) gedeeld met interne en externe (handhavings)partners. Tevens worden controlebezoeken tussen interne teams en met externe partners waar mogelijk gecombineerd zodat 'dubbele controles' worden voorkomen. Hierdoor wordt handhavingscapaciteit efficiënt ingezet en worden burgers en bedrijven zo min mogelijk belast. 4.3 Methodiek Het is van belang om te bepalen in hoeverre gestelde doelen ook daadwerkelijk worden bereikt. Het is echter moeilijk om objectief vast te stellen in hoeverre de naleving van wet- en regelgeving is bevorderd. Om dit toch te kunnen meten zijn voor de primaire doelstelling verschillende meetbare indicatoren vastgesteld. Dit betreffen harde cijfers. De relevante resultaten uit de jaarlijkse burgerpeiling van ‘waarstaatjegemeente.nl’ zijn hierbij ook als indicator benoemd. Voor de secundaire doelstellingen zijn eveneens meetbare indicatoren vastgesteld, echter dit betreffen veelal uitkomsten van processen. Tijdens de jaarlijks uit te voeren evaluatie van het uitvoeringsprogramma wordt aan de hand van de vastgestelde meetbare indicatoren bepaald in hoeverre is bijgedragen aan het bereiken van de in dit handhavingsbeleid geformuleerde doelen. Deze evaluatie wordt vastgelegd in een evaluatieverslag (jaarverslag). Indien blijkt dat er indicatoren niet werkbaar zijn of ontbreken, dan zal dit worden meegenomen bij de evaluatie van dit handhavingsbeleid en worden aangepast. Het overzicht met indicatoren is bijgevoegd als bijlage 4. 5.Probleemanalyse 5.1 Analyse van de problemen Op grond van artikel 7.2 van Besluit omgevingsrecht (Bor) dient het handhavingsbeleid gebaseerd te zijn op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van wet- en regelgeving, voor zover het gemeentebestuur met de handhaving van deze wetten is belast. Alhoewel deze wettelijke verplichting formeel alleen geldt voor wet- en regelgeving binnen het omgevingsrecht is besloten de probleemanalyse, voor zover mogelijk, ook uit te voeren voor alle handhavingstaken die zijn opgenomen in deze nota. Beleid voeren op het terrein van handhaving is noodzakelijk omdat een overheidsorganisatie niet alle handhavingstaken volledig kan (laten) uitvoeren. Door beperkte middelen en capaciteit moeten we kiezen; wat doen we wel, wat niet, wat eerst en wat later. Door het uitvoeren van een probleemanalyse, ook wel risicoanalyse genoemd, is inzicht verkregen in de gevolgen van overtredingen en de kansen dat overtredingen plaats vinden. Hierdoor kon een goede afweging worden gemaakt. Voor het uitvoeren van de risicoanalyse is het landelijk model van de risicomatrix gebruikt, welke ontwikkeld is door het Expertisecentrum Rechtspleging en Rechtshandhaving. Deze risicomatrix is een hulpmiddel bij het zo objectief mogelijk vaststellen van de prioriteiten voor de verschillende handhavingstaken. In de risicomatrix is per geïnventariseerde handhavingstaak het negatieve effect (de gevolgen) en de overtredingskans weergegeven. De inventarisatie van alle handhavingsonderwerpen is tot stand gekomen met diverse in- en externe experts die vanuit verschillende invalshoeken naar de handhavingstaken hebben gekeken. De risicomatrix is door diverse personen, zoals raadsleden, collegeleden en interne- en externe collega’s ingevuld. De uitwerking van de risicoanalyses is bijgevoegd in bijlage 1. 5.2 Gevolgen en kansen In de risicomatrix (bijlage 1) is de gemiddelde verwachte ernst weergegeven van de gevolgen van overtreding van gedragsregels die voor het desbetreffende handhavingsthema gelden. Hierbij zijn zes soorten negatieve effecten onderscheiden: Fysieke veiligheid: Dit effect leidt tot situaties waarin de veiligheid van mens en dier fysiek wordt bedreigd. Sociale kwaliteit leefomgeving: Dit effect heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van de sociale leefomgeving. Financieel-economische schade/aansprakelijkheid: Dit effect leidt mogelijk tot financiële schade/aansprakelijkheid. Natuur-/stadsschoon: Dit effect heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van de natuur- en cultuurhistorische waarden. Volksgezondheid: Dit effect leidt tot situaties waarin het lichamelijk welzijn van mens en dier wordt bedreigd (gezondheidsklachten/ziekten). Bestuurlijk imago: Dit effect leidt tot aantasting van het beeld van de gemeente bij burgers en bedrijven. Voor het invullen van het negatieve effect is per handhavingsthema een score toegekend op basis van een vijfpuntenschaal. Vervolgens is voor elk handhavingsthema eveneens op basis van een vijfpuntenschaal een score toegekend voor de overtredingskans. Het gaat hierbij om de kans dat een overtreding wordt begaan als vanuit de overheid geen toezicht wordt gehouden. Deze score zegt iets over het spontane naleefgedrag. Bij het toekennen van deze scores is rekening gehouden met aspecten die van invloed kunnen zijn op spontane naleving, zoals: kennis van regels, kosten en baten, mate van acceptatie, normgetrouwheid van de doelgroep en maatschappelijke controle. Voor een toelichting op de risicoanalyse wordt verwezen naar bijlage 2. 6.Prioriteitenstelling 6.1Inleiding Met behulp van de resultaten van de risicoanalyse zijn prioriteiten bepaald. In paragraaf 6.2 wordt eerst toegelicht op welke wijze de prioriteiten tot stand zijn gekomen en wat een prioriteit betekent voor de mate van toezicht. Vervolgens zijn de prioriteiten per handhavingsveld schematisch weergegeven. De risicoanalyse is per handhavingstaak uitgevoerd. Echter omwille van de leesbaarheid zijn de handhavingstaken waaraan eenzelfde prioriteit is toegekend in onderstaande schema’s gebundeld per thema. 6.2Wijze van prioriteitenstelling De omvang van een risico (risico= negatief effect x kans) in cijfers is niet alleen bepalend voor de prioriteit. Het kan namelijk zijn dat het belang/negatieve effect van bepaalde onderwerpen groot is terwijl de overtredingskans klein is. Deze onderwerpen scoren in de uitkomst van de risicoanalyse daardoor gemiddeld of zelfs laag, maar kunnen voor de handhaving toch hoge prioriteit hebben. Om die reden zijn de onderwerpen geprioriteerd op grond van de beschermde belangen en de overtredingskans. Op basis van de scores van het gemiddelde negatieve effect en de overtredingskans is met gebruikmaking van het schema in figuur 2 gekomen tot een prioriteitenstelling. Algemeen uitgangspunt is dat in ieder geval een hoge prioriteit wordt toegekend indien sprake is van een gevaar voor de veiligheid of gezondheid of indien sprake is van een onomkeerbare situatie. 6.3 Prioriteiten en mate van toezicht De toegekende prioriteit is bepalend voor de mate waarin toezichtactiviteiten in beginsel worden uitgevoerd. Bij een (heel) hoge prioriteit wordt actief toezicht uitgevoerd en krijgt de afhandeling van signalen voorrang op andere werkzaamheden. Bij een gemiddelde prioriteit worden signalen afgehandeld en kan planmatig toezicht worden uitgevoerd. Bij een lage prioriteit wordt passief toezicht uitgevoerd. Dit betekent dat primair alleen wordt gereageerd op signalen. Signalen met een lage prioriteit kunnen ook worden gebundeld en tijdens specifiek gepland thema-, doelgroep- of gebiedsgericht toezicht worden opgepakt. Voor een beschrijving van de verschillende vormen van toezicht wordt verwezen naar paragraaf 7.3. Prioriteit: Mate van toezicht hoog/heel hoog (pro)actief -afhandeling signalen krijgt voorrang op andere werkzaamheden -de gemeente neemt initiatief tot controles, ook als geen signalen zijn ontvangen gemiddeld actief en/of passief -signalen worden afgehandeld -planmatig toezicht op/in een specifiek thema, doelgroep of gebied laag passief -signalen worden afgehandeld (met dien verstande dat signalen van heel hoge/hoge en gemiddelde prioriteit voorrang hebben) -signalen kunnen ook worden gebundeld en tijdens planmatig toezicht (thema-, doelgroep- of gebiedsgericht) worden opgepakt Tabel 1 Prioriteiten en mate van toezicht 6.4Prioriteiten Wabo (omgevingsrecht) Het handhavingsveld Wabo omvat het zogenaamde omgevingsrecht. Het heeft betrekking op de wetten genoemd in artikel 5.1 van de Wabo, voor zover de gemeente daarvoor het bevoegde gezag is (zie ook paragraaf 1.3 bij reikwijdte). Concreet gaat het om toezicht en handhaving op het gebied van milieu, bouwen, slopen en gebruik. Milieu De handhavingstaken met betrekking tot milieu worden grotendeels uitgevoerd door de OMWB en voor een klein deel ook door boa’s in domein II. Bij de risicoanalyse is onderscheid gemaakt tussen de verschillende milieuonderwerpen en het type inrichting. Aan ‘zwaardere’ risicovolle bedrijven is een hogere prioriteit toegekend. Bouwen, slopen en gebruik De handhavingstaken met betrekking tot bouwen, slopen en gebruik worden in eigen beheer uitgevoerd door de toezichthouder Bouwen van de afdeling Publiekszaken. Ten aanzien van brandveiligheid voert ook de Brandweer Midden en West Brabant inspecties uit en adviseert daarbij het bevoegd gezag. Bij de risicoanalyse is op verschillende manieren onderscheid gemaakt, onder andere op basis van onderwerp, soort pand/soort gebruik en de soort fase (bouwfase, gebruiksfase, sloopfase). Aan het bouwen, slopen of gebruik met gevaar voor de veiligheid of gezondheid is een hoge prioriteit toegekend. Bij slopen is een hoge prioriteit toegekend aan slopen met asbest. Op het gebied van brandveiligheid ligt de prioriteit vooral bij de zorg en de zogenaamde BRZO+ (Besluit Risico’s Zware Ongevallen) bedrijven. Bij de zorg gaat het om die objecten waar minder zelfredzame personen zorg of dagverblijf verkrijgen en waarvoor een omgevingsvergunning “brandveilig gebruik” benodigd is. De zogenaamde kwetsbare groepen. Het Bor bepaalt in artikel 2.2 in welke gevallen een omgevingsvergunning brandveilig gebruik benodigd is zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder d van de Wabo: Het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen; Het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin dagverblijf zal worden verschaft aan: meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of: meer dan 10 lichamelijk of verstandelijk gehandicapte personen. Met betrekking tot gebruik in strijd met het bestemmingplan is onderscheid gemaakt tussen de onderwerpen onrechtmatige bewoning, bedrijfsmatig, buitengebied met gevaar of overlast en overig strijdig gebruik. Het onderscheid met betrekking tot strijdig gebruik in het buitengebied is opgenomen omdat dit in het verleden diverse keren tot handhavingdilemma’s heeft geleid. Soms is een situatie niet toegestaan, maar leidt handhaving tot een situatie die niet wenselijk is of wegen andere belangen (zoals economische) zwaarder. We wensen een dynamisch buitengebied. Indien sprake is van strijdig gebruik in het buitengebied met gevaar of aanzienlijke en aanhoudende overlast, wordt hier prioriteit aan toegekend en wordt handhavend opgetreden. Aan de overige situaties in het buitengebied zal in beginsel een lage prioriteit worden toegekend. Per casus vindt een zorgvuldige afweging van belangen plaats. In tabel 2 zijn de prioriteiten voor het handhavingsveld Wabo schematisch weergegeven. Onderwerp Prioriteit milieu inrichting zonder vergunning/melding Laag inrichting activiteitenbesluit type A en B Laag inrichting activiteitenbesluit type C Laag/gemiddeld inrichting activiteitenbesluit type IPPC/BRZO hoog/heel hoog geluid/lucht en geur/bodem/water Laag trillingen Laag flora & fauna Laag bouwen bouwfase omgevingsvergunning woning/bijbehorend bouwwerk/publiek toegankelijk gebouw/monument/overige bouwwerken Laag Illegaal verbouwen publiek toegankelijk gebouw/monument/overige bouwwerken laag bouwen/slopen/gebruik met gevaar voor veiligheid en/of gezondheid (art. 1a Woningwet) heel hoog Verstoren archeologisch gebied laag illegaal (ver)bouwen woning/bijbehorend bouwwerk gemiddeld bouwbesluit constructief en overig gemiddeld slopen slopen asbest heel hoog slopen monument laag Slopen overig Laag/gemiddeld gebruik brandveilig gebruik BRZO+ hoog/heel hoog brandveilig gebruik omgevingsvergunning kwetsbare groepen Hoog brandveilig gebruik omgevingsvergunning niet-kwetsbare groepen Laag Melding brandveilig gebruik > 50 personen Laag Melding brandveilig gebruik kamergewijze verhuur Gemiddeld brandveilig gebruik overig (kleine feiten zoals brandblusser over keuringsdatum etc.) Laag gebruik in strijd met bestemmingsplan buitengebied met gevaar of overlast Laag gebruik in strijd met bestemmingsplan bedrijfsmatig Laag/gemiddeld gebruik in strijd met bestemmingsplan onrechtmatige bewoning/ overig/ buitengebied overig Laag Tabel 2 Prioriteiten Wabo 6.5Prioriteiten leefbaarheid Het handhavingsveld leefbaarheid omvat het toezicht en de handhaving van kleine ergernissen, overtredingen en overlastsituaties die de leefbaarheid aantasten. Het toezicht in de openbare ruimte is een gedeelde verantwoordelijkheid van de gemeente en de politie, waarbij geen sprake mag zijn van het verschuiven van taken van politie naar de gemeente, maar waar de boa’s en de politie elkaar juist aanvullen. Op basis van het leefbaarheidscriterium van de Minister van Veiligheid en Justitie (zie paragraaf 3.6) staat de boa aan de lat in situaties waarbij: een feit aan te merken is als overlast, verloedering of kleine ergernis en het in de basis gaat om overtredingen die de leefbaarheid aantasten; het te handhaven feit geen duplicering betreft van handhaving op grond van formele wetgeving (bijvoorbeeld: politie pakt drugs dealen aan op grond van de Opiumwet, de boa’s kunnen het neveneffect – de overlast – aanpakken middels de APV); het feit te constateren is tijdens de surveillance van de boa; het feit te constateren is door eigen waarnemingen en niet uitsluitend door foto/beeldmateriaal; het feit in beginsel gecodeerd af te handelen is. Bij niet-gecodeerde zaken gaat het enkel om eenvoudig bewijsbare zaken die niet gaan over geweld, veelplegers, medeplegen, en/of aanzienlijke schade; de taak/bevoegdheid geen extra opleiding of apparatuur vraagt; er in beginsel geen te verwachten gevaarlijke of gewelddadige situatie is. Het gaat hierbij voornamelijk om toezicht en handhaving op regels genoemd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en de afvalstoffenverordening. Het aantal dumpingen van synthetisch drugsafval in de Brabantse natuurgebieden is de afgelopen jaren enorm gestegen. Het gaat hierbij veelal om afval dat brandbaar, bijtend en giftig is. De kosten voor het ruimen van vaten en saneren van de bodem kunnen hierbij hoog oplopen. Een gezamenlijke aanpak van deze problematiek door onder meer provincie, gemeenten, politie, brandweer, waterschappen, het OM en Staatsbosbeheer is hierbij van wezenlijk belang. Aan dit onderwerp is dan ook de hoogste prioriteit toegekend. Dit is ook de reden dat Steenbergen participeert in het project Samen Sterk in het Buitengebied (SSiB) en hier middelen voor beschikbaar stelt. In tabel 3 zijn de prioriteiten voor het handhavingsveld leefbaarheid schematisch weergegeven. Naast de in de tabel genoemde prioriteiten kan de driehoek, afhankelijk van actuele ontwikkelingen, leefbaarheidsproblemen vaststellen waaraan een hoge prioriteit wordt toegekend. Onderwerp Prioriteit afval drugs chemisch/ hennepgerelateerd heel hoog afval asbest/ afval illegaal dumpen in buitengebied Heel hoog parkeren caravans/aanhangwagens/grote voertuigen/fietsen en overig Laag autowrakken laag (rond jaarwisseling hoog) verkeer natuurgebied (ruiters, mountainbikers, crossers etc.) laag Hondenpoep/aanlijnen gemiddeld Agressieve honden/verboden locaties voor honden/dieren overig laag reclame uitingen/uitstallingen/plakken/bekladden/illegaal plaatsen object in openbare ruimte laag Illegale afvalinzamelingen (bijvoorbeeld textiel)/afval wijze van aanbieden laag evenementen vergunningsplichtig/meldingsplichtig Laag Bijplaatsingen afval/verkeerd scheidingsgedrag afval/zwerfafval gemiddeld standplaatsen/venten laag nachtregister campings/ illegaal kamperen Laag illegaal kamperen Laag gebruik vuurwerk gemiddeld vuur stoken laag (vreugdevuren hoog) Overlast jeugd/ woonoverlast (met uitzondering van onrechtmatige bewoning)/ overlast gebruik/handel drugs in openbare ruimte gemiddeld (hotspots hoog) APV overig laag Tabel 3 Prioriteiten leefbaarheid 6.6Prioriteiten bijzondere onderwerpen Naast voornoemde handhavingstaken heeft de gemeente ook een handhavingstaak ten aanzien van een aantal bijzondere onderwerpen. De gemeente heeft een verantwoordelijkheid bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit en ten aanzien van toezicht en handhaving van een aantal bijzondere wetten. Zo vergt de aanpak van georganiseerde criminaliteit een georganiseerde overheid. In deze paragraaf wordt vanuit het oogpunt van handhaving beschreven op welke wijze wordt bijgedragen aan de integrale aanpak van deze problematiek. Daarnaast komt toezicht en handhaving van horeca en kinderopvang aan de orde. Omdat het handhavingsonderwerpen betreft waarbij per onderwerp sprake kan zijn van uiteenlopende overtredingen, variërend van eenvoudig tot ernstig, wordt aan al deze onderwerpen in beginsel een gemiddelde prioriteit toegekend, maar wordt vervolgens verwezen naar een aantal afzonderlijk vastgestelde beleidsdocumenten waarin, afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, per overtreding is vastgelegd op welke wijze wordt opgetreden. Bestuurlijke aanpak ondermijnende criminaliteit Ondermijnende criminaliteit zorgt voor een sluipende ontwrichting van de samenleving, waarbij vermenging van boven- en onderwereld ontstaat, de overheid ongewild criminelen faciliteert en waarbij burgers worden geconfronteerd met overlast en criminaliteit in hun directe woon- en leefomgeving. Om effectief te kunnen zijn in de aanpak van ondermijnende criminaliteit dient de aanpak van de overheid gericht te zijn op het verslechteren van het criminele ondernemersklimaat. Om dit te realiseren is een georganiseerde overheid nodig waarbij alle preventieve en repressieve mogelijkheden die de overheid heeft geïntegreerd worden ingezet. De bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit maakt onderdeel uit van deze geïntegreerde overheidsaanpak en heeft tot doel de ondermijnende invloed op de samenleving zo veel mogelijk weg te nemen en de veiligheid te vergroten. Door middel van bestuursrechtelijke handhaving kunnen barrières worden opgeworpen, welke bijdragen aan het verslechteren van het criminele ondernemersklimaat in onze gemeente. De bestuurlijke handhaving van ondermijnende criminaliteit richt zich daarbij op de volgende onderwerpen: Drugshandel Op grond van artikel 13b van de Opiumwet, ook wel de wet Damocles genoemd, is de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in of vanuit woningen of lokalen in drugs wordt gehandeld. Het is een juridisch instrument om bestuurlijk op te treden tegen illegale drugsverkooppunten en een bevoegdheid van de burgemeester. Ook het kweken van hennep wordt als drugshandel aangemerkt. Aan de productie van chemische drugs wordt vanwege de gevaarzetting een hoge prioriteit toegekend. In het Damoclesbeleid is beschreven hoe de burgemeester feitelijk invulling geeft aan deze bevoegdheid en hoe concreet wordt opgetreden als de politie drugshandel heeft geconstateerd in of vanuit een pand in de gemeente. De boa’s zullen structureel aansluiten bij de hennepruimingen van de politie en de gemeente ontvangt van elke ontruimde hennepkwekerij van de politie een hennep informatie bericht. Op basis van het hennep informatie bericht wordt vervolgens bestuursrechtelijk opgetreden. Per 1 maart 2015 is artikel 11a van de Opiumwet in werking getreden. Met dit artikel worden handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt strafbaar gesteld. Handhaving van dit nieuwe artikel ligt primair bij de politie en het OM. In de Opiumwet is aan de burgemeester dan ook geen bestuursdwangbevoegdheid toegekend bij overtreding van dit artikel. Indien echter sprake is van overtredingen van artikel 11a van de Opiumwet in voor het publiek openstaande inrichtingen én er tevens een gerechtvaardigde vrees bestaat dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert of op kan leveren voor de openbare orde, kan de burgemeester wel op grond van artikel 2:30 van de APV bevelen dat het pand tijdelijk wordt gesloten. Indien sprake is van een gevaar voor de veiligheid heeft de burgemeester ook op grond van artikel 174 van de Gemeentewet een bevoegdheid om een sluitingsbevel te geven vanuit de toezichtrol op voor het publiek openstaande gebouwen. Om deze sluitingsbevoegdheid te kunnen toepassen zal veelal sprake moeten zijn van herhaling van overtredingen, goede dossieropbouw en maatwerk in casussen. Enkel overtredingen van artikel 11a Opiumwet geven geen mogelijkheid tot bestuursrechtelijk handhaven. In dergelijke casussen zal dan ook worden geïnvesteerd in goede dossieropbouw. Mensenhandel Mensenhandel betreft het verwerven, vervoeren, overbrengen, opnemen of huisvesten van een persoon, met gebruik van dwang (in brede zin) met het doel om die persoon uit te buiten. Bekende vormen van uitbuiting zijn arbeidsuitbuiting en seksuele uitbuiting. Het spreekt voor zich dat mensenhandel een ernstig misdrijf is dat een integrale overheidsaanpak vergt. De gemeente speelt samen met de ketenpartners een actieve rol in de aanpak van mensenhandel. Er wordt actief gezocht naar signalen van mensenhandel. Informatie over mogelijke mensenhandel wordt gedeeld met de relevante ketenpartners. Om barrières op te werpen tegen mensenhandel zullen waar mogelijk ook bestuurlijke handhavingsinstrumenten worden ingezet. Mensenhandel kent verschillende verschijningsvormen waardoor de aanpak zich ook richt op verschillende handhavingstaken, waaronder het toezicht op onrechtmatige bewoning, het toezicht op illegale prostitutie en het toezicht op de BRP. De aanpak van mensenhandel vraagt specifieke expertise vanuit verschillende disciplines. Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’
  2. s)De OMG’s zijn geen gewone motorclubs. Het zijn motorclubs die zich niet houden aan geldende wet- en regelgeving, waarin veel personen met een strafblad actief zijn en waarvan het vermoeden bestaat dat het dekmantels zijn voor het al dan niet gezamenlijk plegen van misdrijven. Om deze reden voert de overheid sinds 2012 een zero-tolerance beleid tegen OMG’s. In lijn met het landelijk beleid zal, voor zover mogelijk, tegen elke overtreding begaan door OMG’s/OMG-leden handhavend worden opgetreden. Heling De aanpak van heling maakt integraal onderdeel uit van de aanpak van woninginbraken, straatroven en overvallen. Zolang daders gestolen goederen kunnen slijten aan derden blijft het plegen van deze misdrijven lucratief. Een effectieve aanpak van heling is daarom van belang. De bevoegdheid tot het opsporen van heling ligt primair bij de politie. De boa’s zijn op grond van de APV echter wel bevoegd tot controle en handhaving van het verkoopregister van gebruikte goederen. In het kader van de helingaanpak kunnen de boa’s daarom aansluiten bij de integrale controles die door de politie worden georganiseerd bij opkopers van gebruikte goederen. Indien sprake is van heling in of vanuit een voor het publiek openstaand pand ontvangt de gemeente een rapportage van de politie om vervolgens op grond van de APV bestuursrechtelijk op te kunnen treden. Ook met betrekking tot deze casussen wordt geïnvesteerd in een goede dossieropbouw. BIBOB Sinds 2003 bestaat de Wet Bevordering Integriteitbeoordelingen door het openbaar Bestuur (BIBOB). Deze wet dient primair ter bescherming van het integriteitsrisico van overheidsorganen. De toepassing van dit instrument is beperkt tot de gevallen die zijn opgenomen in de Wet BIBOB en het Besluit BIBOB. De BIBOB kan worden ingezet als instrument om vergunningen te toetsen en zo te voorkomen dat de integriteit van overheidsorganen wordt aangetast. De integriteit wordt aangetast als bij een verleende of te verlenen beschikking (horeca/evenementen vergunning, subsidie), overheidsopdracht of vastgoedtransactie, sprake is van het door betrokkene aanwenden van financieel voordeel uit (reeds gepleegde) criminele activiteiten dan wel het plegen van strafbare feiten. In het district De Markiezaten bestaat al langere tijd de wens om de BIBOB toetsing breed in te zetten. Dit heeft in Steenbergen geleid tot het vaststellen van “Beleidsregels Bibob 2016” voor het inzetten van de BIBOB toets. Elke gemeente heeft ook een BIBOB coördinator die ervoor verantwoordelijk is dat BIBOB toetsingen worden uitgevoerd en dat er nauw wordt samengewerkt met het landelijk BIBOB bureau en het RIEC (Regionaal Informatie en Expertise Centrum). De BIBOB toetsing wordt onder meer ingezet op de terreinen horeca, Wabo en vastgoed. Horeca Op 1 januari 2013 en vervolgens op 1 januari 2014 is de Drank- en Horecawet gewijzigd. Doelen van de gewijzigde Drank- en Horecawet zijn het verminderen van alcoholgebruik onder jongeren en het voorkomen van alcoholgerelateerde verstoringen van de openbare orde. De burgemeester is het bevoegde bestuursorgaan in het kader van toezicht en handhaving. In het Alcohol- en Horecasanctiebeleid Brabantse Wal is beschreven hoe de burgemeester invulling geeft aan deze bevoegdheid. Er is beschreven op welke wijze toezicht wordt gehouden op naleving en welke sanctie wordt opgelegd bij overtredingen. Dit beleid is gebaseerd op het Brabants Alcohol- en Horecasanctiebeleid dat door het Bestuurlijk Provinciaal Handhavingsoverleg is vastgesteld en wat een zo veel mogelijk uniforme aanpak op provinciaal niveau beoogt. De uitvoering van de handhaving van de Drank- en Horecawet vindt plaats in samenwerking met de gemeenten Bergen op Zoom, Woensdrecht en Tholen door middel van een boa-pool. De uitvoering van de handhaving wordt gecoördineerd door de gemeente Bergen op Zoom. Voorts kunnen horeca inrichtingen ook breed/integraal worden gecontroleerd waarbij bijvoorbeeld wordt gekeken naar de eisen waaraan inrichtingen ingevolge artikel 10 van de Drank- en Horecawet moeten voldoen (Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet) en waarbij, naast de bepalingen in de Drank- en Horecawet, ook wordt gekeken naar de naleving van diverse wet- en regelgeving (brandveiligheid/bouwregelgeving, bestemmingsplan, illegaal gokken etc.). In de gewijzigde DHW van 1 januari 2014 is opgenomen dat de gemeenteraad iedere vier jaar een preventie- en handhavingsplan alcohol vaststelt (artikel 43a DHW). Hiermee wil de wetgever stimuleren dat gemeenten actief nadenken over en uitvoering geven aan het verbinden van de beleidsterreinen Volksgezondheid (voorlichting en bewustwording) en Openbare Orde en Veiligheid (beleid en handhaving) als het gaat om alcoholpreventie. Onderzoek heeft meerdere malen laten zien dat beide beleidsterreinen van belang zijn voor effectieve alcoholpreventie bij jongeren. Het preventie- en handhavingsplan bevat de hoofdzaken van het beleid dat zich richt op de preventie van alcoholgebruik -met name onder jongeren- en de handhaving van de wet. Het plan kan tussentijds worden gewijzigd. Het Preventie- en handhavingsplan alcohol Brabantse Wal gemeenten 2014-2016 wordt elke vier jaar gelijktijdig met de vaststelling van de lokale nota volksgezondheid vastgesteld. Het voorliggende plan wijkt eenmalig af van de periode van vier jaar en beslaat de periode 2014-2016 om aan te kunnen sluiten op de nota’s volksgezondheid die in 2016 aflopen. Kinderopvang en peuterspeelzalen De verantwoordelijkheid voor toezicht en handhaving op de naleving van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen berust bij het college. Het toezicht wordt, op grond van de wet, uitgevoerd door de GGD Midden- en West-Brabant onder de verantwoordelijkheid van het college. De gemeente ontvangt van de GGD een inspectierapport met de bevindingen van het uitgevoerde toezicht. Bij door de GGD geconstateerde overtredingen wordt vanuit de afdeling Beleid een bestuursrechtelijke handhavingsprocedure opgestart aan de hand van specifiek hiervoor opgesteld handhavingsbeleid, de Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. In deze beleidsregels is aangegeven wanneer en met welke maatregel wordt opgetreden tegen overtredingen in kinderopvang en peuterspeelzalen. Per overtreding is daarbij vermeld welke prioriteit de overtreding heeft en hoeveel tijd de overtreder krijgt om de overtreding te beëindigen. Indien handhaving in de vorm van een bestuurlijke boete of dwangsom noodzakelijk is zal dit door het team Handhaving opgepakt en uitgevoerd worden. 6.7Prioriteiten sociaal- en maatschappelijke voorzieningen en BRP Het handhavingsveld sociaal- en maatschappelijke voorzieningen en BRP betreft een geheel nieuw handhavingsveld binnen het handhavingsbeleid en is ingegeven door de wens om een integraal handhavingsbeleid op te stellen. Dit handhavingsveld omvat de wet Basisregistratie personen (BRP), de Participatiewet, de Leerplichtwet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Voor dit handhavingsveld is alleen voor de BRP een risicoanalyse uitgevoerd, omdat de overige onderdelen in nauwe samenwerking met andere gemeenten plaatsvinden en de keuzes waarop gehandhaafd wordt gezamenlijk met die gemeenten gemaakt worden. In de risicoanalyse zijn scores toegekend voor het gemiddelde negatieve effect en de overtredingskans. Hierbij zijn drie soorten negatieve effecten onderscheiden: de sociaal/maatschappelijke impact, de financieel/economische schade en het bestuurlijk imago. Voor de risicoanalyse wordt verwezen naar bijlage 1. BRP Op 6 januari 2014 is de nieuwe wet Basisregistratie personen (BRP) in werking getreden. Deze wet vervangt de wet Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). In de wet BRP is een aantal verplichtingen opgelegd voor burgers, onder meer het doen van aangifte van verblijf en adres en aangifte van adreswijziging. In de wet BRP is voor het college een verplichting opgenomen om toezichthouders aan te wijzen die toezicht uitoefenen op naleving van de wet BRP. In de wet GBA was een dergelijke verplichting niet opgenomen. In Steenbergen zijn enkele toezichthouders aangewezen. Aan inschrijvingen BRP welke niet overeen komen met de feitelijke situatie en aan onjuiste identiteitsgegevens is een lage prioriteit toegekend. In tabel 4 zijn de prioriteiten voor BRP schematisch weergegeven. Tabel 4 Prioriteiten BRP Onderwerp Prioriteit BRP: Inschrijving BRP komt niet overeen met feitelijke situatie Laag BRP: briefadressen Laag BRP: identiteit Laag Participatiewet Per 1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden. De Participatiewet betreft één regeling voor alle personen die over arbeidsvermogen beschikken. Het begrip ‘eigen kracht’ staat in de Participatiewet centraal, waarbij van iedereen wordt verwacht dat naar vermogen een bijdrage wordt geleverd aan de samenleving. Met ingang van 1 januari 2015 is ook de Wet Maatregelen Wwb ingevoerd als onderdeel van de Participatiewet. Hierbij zijn onder meer een aantal verplichtingen aangescherpt en is de kostendelersnorm geïntroduceerd. Met de introductie van de kostendelersnorm moet worden voorkomen dat stapeling van uitkeringen binnen één huishouden plaatsvindt. Het is van belang dat de rechtmatigheid en de doelmatigheid van uitkeringen is gewaarborgd om het draagvlak en de maatschappelijke solidariteit voor de sociale zekerheid in stand te houden. In dat kader is naast een grote en nadrukkelijke inzet op preventie en doelmatigheid ook controle op de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking van wezenlijk belang. Handhaving heeft tot doel de naleving van wet- en regelgeving te bevorderen waarmee tevens het benodigde draagvlak in stand wordt gehouden en een bijdrage wordt geleverd aan het beheersen van de uitkeringslasten. De onderhavige nota is gericht op de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking, waarbij fraude wordt gezien als het verwijtbaar niet naleven van de inlichtingenplicht. Op basis van de uitkomsten van de risicoanalyse (alleen uitgevoerd in Bergen op Zoom, omdat de ISD Brabantse Wal daaronder valt) is aan verzwegen vermogen en verzwegen samenwoning een hoge prioriteit toegekend. De ISD Brabantse Wal zal, als uitvloeisel van het Uitvoeringsprogramma 2014-2018 voor de ISDBW, een handhavingsplan op operationeel niveau opstellen. Voorts is het initiatief genomen om samen met collega-gemeenten uit de regio en met ondersteuning van Berenschot Advies en het Regionaal Centrum Fraudebestrijding (RCF) tot een strategische visie te komen op handhaving met betrekking tot taken vallend onder de nieuwe Participatiewet. In tabel 5 zijn de prioriteiten voor de Participatiewet schematisch weergegeven, waarbij opgemerkt wordt dat de risicoanalyse op dit onderdeel alleen door de gemeente Bergen op Zoom is uitgevoerd en uit het Integraal Handhavingsbeleid 2015-2018 van de gemeente Bergen op Zoom is overgenomen. Tabel 5 Prioriteiten Participatiewet Participatiewet: inkomsten wit toezicht d.m.v. bestandvergelijkingen laag Participatiewet: inkomsten grijs/zwart n.a.v. signalen en/of projectmatig gemiddeld Participatiewet: vermogen actief en/of risico gestuurd zoeken o.a. bestandsvergelijkingen/n.a.v. signalen hoog/heel hoog Participatiewet: leefvorm kostendelersnorm toezicht d.m.v. bestandvergelijkingen laag Participatiewet: leefvorm samenwoning toezicht n.a.v. signalen/projectmatig hoog/heel hoog Participatiewet: leefvorm overige adresfraude toezicht projectmatig o.b.v. risico's/n.a.v. signalen/bestandsvergelijkingen gemiddeld Leerplicht Leerplicht, regionale aanpak De gemeente moet toezicht houden op de naleving van de Leerplichtwet. De gemeente Steenbergen voert deze taak gezamenlijk uit, via een netwerksamenwerking, met de gemeenten Halderberge, Roosendaal, Bergen op Zoom en Woensdrecht. Hiervoor is in februari 2014 een convenant met een werkingsduur van drie jaar afgesloten. Het doel van deze samenwerking is via een gezamenlijke aanpak, één visie, één beleid en één leerplichtambtenaar per school, het schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten verder te laten afnemen. Met dit doel is de gemeente Steenbergen in 2012 een regionale samenwerking aangegaan, met 17 andere gemeenten uit West-Brabant. Deze samenwerking is op het gebied van de leerlingenadministratie vormgegeven via een gemeenschappelijke regeling. Vanuit een gezamenlijk leerlingvolgsysteem worden de werkzaamheden op het gebied van leerplicht en RMC eenduidig geregistreerd, afgehandeld, gecoördineerd en gemonitord. De administratie wordt uitgevoerd door het Regionaal Bureau Leerplicht (RBL) in Breda. Toezicht Gemeente In artikel 16 van de Leerplichtwet is bepaald dat het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969 is opgedragen aan burgemeester en wethouders. Zij wijzen daartoe een of meer ambtenaren aan. Deze ambtenaren leggen bij de burgemeester een eed af. Verder dient het college van burgemeester en wethouders een instructie vast te stellen. Deze instructie heeft de gemeente Steenbergen regionaal opgemaakt en vastgesteld samen met 14 andere gemeenten uit West-Brabant. De regionale instructie maakt het mogelijk om de werkwijze van de leerplichtambtenaren in de regio West-Brabant op elkaar af te stemmen waardoor voor leerlingen, ouders en scholen een zo gelijk mogelijke benadering gewaarborgd is. Ook de verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen 3a en 3b (vervangende leerplicht), artikel 5 (gronden voor vrijstelling van inschrijving), artikel 6 (kennisgeving vrijstelling leerplicht), artikel 15 (vrijstelling kwalificatieplicht), artikel 18 (controle absoluut schoolverzuim), artikel 21 (onderzoek relatief verzuim) artikel 22 (onderzoek leerplichtambtenaar), artikel 23 (melding arbeidsinspectie) en artikel 25 (verstrekken van gegevens) zijn in deze regionale ambtsinstructie opgenomen. Uitvoering handhaving Gemeente Om tot handhaving over te kunnen gaan, zijn alle leerplichtambtenaren van de gemeente Steenbergen (alle leerplichtambtenaren binnen de netwerksamenwerking) bevoegd als boa. Deze bevoegdheid dient jaarlijks bijgehouden te worden via het deelnemen en examineren van specifieke boa-modules, domein III. Om het mogelijk te kunnen maken dat alle leerplichtambtenaren binnen de regio West-Brabant elkaars taken op het gebied van handhaving kunnen overnemen, is de gemeente Steenbergen een regionale samenwerkingsovereenkomst boa aangegaan met 14 andere gemeenten uit West-Brabant. Handhaving OM Per 1 februari 2011 is er een ‘nieuwe aanwijzing en richtlijn strafrechtelijke aanpak schoolverzuim’ verschenen vanuit het OM. Hierin staan de aanwijzingen voor de leerplichtambtenaar rondom het opmaken van HALT-verwijzingen en processen-verbaal. Een afdoening is een maatregel waarmee de Leerplichtwet kan worden gehandhaafd. Afdoeningen zijn gebonden aan regels van het OM en moeten in volgorde van zwaarte worden toegepast: waarschuwing, HALT-verwijzing, proces-verbaal. Bij relatief verzuim worden de jongere zelf en de ouders aangesproken op zijn/haar gedrag. Bij luxe verzuim en absoluut verzuim zijn de ouders verantwoordelijk. HALT-verwijzingen en processen-verbaal worden altijd besproken met het OM. Dit vindt plaats tijdens een structureel overleg in het zorg- en veiligheidshuis te Bergen op Zoom tussen de parketsecretaris van het OM, een medewerker van de Raad van de Kinderbescherming, een medewerker van Bureau Jeugdzorg en de coördinator van de netwerksamenwerking leerplicht. Bij rechtbankzittingen wordt de leerplichtambtenaar opgeroepen als getuige/deskundige om tijdens de zitting aanwezig te zijn. De oproeping is verplicht maar wel overdraagbaar. Rondom december 2016 wordt de strafrechtelijke aanpak schoolverzuim vervangen door een nieuwe aanwijzing vanuit het OM: de Methodische aanpak schoolverzuim. Prioriteiten De richtlijnen voor toezicht en handhaving geven duidelijk aan hoe te werken aan iedere taak van de leerplichtambtenaar. Hierin worden niet direct prioriteiten gesteld. Het jaarlijkse, regionaal opgemaakt jaarverslag somt de focuspunten voor het volgende schooljaar op. De leerplichtambtenaren richten zich het schooljaar 2015-2016 op het verzuimbeleid op scholen en het verdiepen van de samenwerking met diverse netwerkpartners (met name GGD en CJG) om zo vroeg mogelijk thuiszitters in beeld te krijgen en te bestrijden. Naast het werken met een duidelijk thuiszitterprotocol, wordt de geüpdate regionale verzuimkaart van het RBL met alle scholen binnen de samenwerking besproken. De trajectbegeleiders richten zich op de gezamenlijke aanpak VSV 18+ vanuit inloophuis Dynamo, make your move. Wmo Per 1 januari 2015 is de nieuwe Wet op de maatschappelijke ondersteuning in werking getreden (Wmo 2015). De gemeente Steenbergen heeft in dat kader het wettelijk verplichte beleidsplan vastgesteld als ook de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Steenbergen. Toezicht en handhaving, reikwijdte Op basis van de Wmo 2015 is het gemeentebestuur verantwoordelijk voor het toezicht en handhaving op de uitvoering van de relevante bepalingen uit de Wmo 2015 en de verordening. De bepalingen waar vooral toezicht op moet worden gehouden zijn de artikelen 11 en 12 van de verordening (PGB-toekenning), de artikelen 13 en 14 van de verordening (toekenning maatwerkvoorzieningen), artikel 15 van de verordening en artikel 2.1.3 a t/m c en artikel 3.1 van de Wmo 2015 (kwaliteitseisen Wmo). Toezicht Uit de wet volgt dat het bestuur toezichthouders moet aanwijzen (art. 6.1 lid 1 Wmo 2015). Het verdient de voorkeur om uitvoering en toezicht niet door dezelfde functionaris uit te laten voeren, maar door het bestuur onafhankelijke toezichthouders te laten aanwijzen. De GGD West-Brabant is in 2015 en 2016 aangewezen als toezichthouder kwaliteit. Ook voor 2017 is de wens om deze opdracht bij de GGD West-Brabant weg te leggen. Ten aanzien van de toezichthouder rechtmatigheid (artikel 11 en 12) worden in 2017 stappen gezet deze aan te wijzen. Handhaving Bij de handhaving van de Wmo is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing (Awb). Dat houdt in dat ten onrechte ontvangen geld conform de Awb teruggevorderd moet worden, maar ook dat er herstelsancties aan overtreders kunnen worden opgelegd (last onder dwangsom, bestuursdwang). Daar is (onder andere) juridische capaciteit voor nodig. In de toekomst zullen mogelijk ook bestraffende sancties door het bestuur kunnen worden opgelegd (bestuurlijke boete). 7.Strategie 7.1Inleiding nalevingstrategie In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de strategie die de gemeente hanteert met betrekking tot de naleving van wet- en regelgeving. De primaire doelstelling van handhaving is het bevorderen van naleving van wet- en regelgeving. Het totaal van strategieën dat wordt gehanteerd om de naleving van wet- en regelgeving te bevorderen noemen we de nalevingstrategie. Uitgangspunt is dat naleving van wet- en regelgeving in een zo vroeg mogelijk stadium wordt bevorderd, waarbij in eerste instantie wordt ingezet op het voorkomen van overtredingen. Binnen de nalevingstrategie worden verschillende instrumenten/activiteiten onderscheiden die allen zijn gericht op het naleven van wet- en regelgeving. Hierbij is van belang dat het instrument/de activiteit wordt gekozen die het beste aansluit op de motieven van de doelgroep die de regels overtreedt. De gehanteerde naleefstrategie bestaat uit de volgende vier strategieën: Preventiestrategie Toezichtstrategie Sanctiestrategie Gedoogstrategie De verschillende strategieën worden hierna toegelicht. De beschreven strategieën zijn van toepassing op alle handhavingsvelden, tenzij anders vermeld. 7.2Preventiestrategie De preventiestrategie omvat activiteiten/instrumenten die worden ingezet om de naleving van wet- en regelgeving te bevorderen, waarbij de activiteiten vooral zijn gericht op het voorkomen van overtredingen. Duidelijkheid en communicatie staan hierbij centraal. Het is van belang dat communicatie op de juiste manier en op het juiste moment plaats vindt. Ook is het mogelijk om mediation in te zetten om geschillen minnelijk op te lossen en een handhavingsprocedure te voorkomen. In het kader van preventie vinden in ieder geval de volgende activiteiten plaats: Communicatie bij nieuwe wet- en regelgeving Indien een regel niet bekend is kan deze ook niet worden nageleefd. Bij het van kracht worden van nieuwe wet- en regelgeving is het van belang dat burgers tijdig worden geïnformeerd. Dit gebeurt digitaal via het digitaal gemeenteblad en de gemeentelijke website, door het opnemen van extra informatie in brieven en, waar mogelijk, ook mondeling tijdens klantcontacten. Voorlichting aan personen die een milieu-inrichting drijven Het drijven van een inrichting is gebonden aan wet- en regelgeving en gaat veelal gepaard met complexe voorschriften. Het is daarom van belang dat personen die een inrichting drijven op de hoogte zijn van de voor hen geldende voorschriften. Enerzijds betreft dit een eigen verantwoordelijkheid, anderzijds is het van belang dat vanuit de overheid goede voorlichting wordt gegeven. Tijdens milieucontroles die namens de gemeente worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) worden personen die een inrichting drijven door toezichthouders voorgelicht over de voor hen geldende voorschriften, alsmede over toekomstige wetswijzigingen die het bedrijf aangaan. Deze informatie wordt, indien van belang voor de naleving van wetgeving, ook opgenomen in het bezoekverslag dat wordt opgesteld naar aanleiding van de uitgevoerde controle. Daarnaast wordt voorlichting gegeven op de website van de OMWB. Zo kunnen burgers op de site van de OMWB bijvoorbeeld met de Activiteitenbesluit Internet Module zelf vaststellen welke regels voor hun bedrijf van belang zijn. Ook wordt via de landelijke site Kenniscentrum InfoMil van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu informatie gegeven over voorschriften uit het omgevingsrecht. Voorlichting tijdens overig toezicht Voor alle handhavingsvelden geldt dat toezichthouders tijdens het uitvoeren van toezicht, voor zover dat in de betreffende situatie passend is, proactief burgers en ondernemers voorlichting geven. Dit gebeurt zowel gevraagd als ongevraagd. Buurtpreventie Niet alleen de gemeente en de politie hebben een verantwoordelijkheid voor de veiligheid en leefbaarheid in een buurt. Ook de burger speelt hierin een belangrijke rol. Sociale controle in een wijk draagt niet alleen positief bij aan het veiligheidsgevoel, het bevordert ook de naleving van wet- en regelgeving. De gemeente stimuleert en faciliteert buurtpreventieteams. Burgers spreken elkaar aan op ontoelaatbaar gedrag en/of kleine overtredingen. De buurtpreventieteams werken hierbij nauw samen met de gemeente en politie. Vergroten van acceptatie van regelgeving Het is van belang om redenen van slecht naleefgedrag zoveel mogelijk weg te nemen. Regels moeten bekend en duidelijk zijn. Wanneer de indruk bestaat dat regels voor een bepaalde doelgroep niet bekend zijn wordt hier via verschillende media extra aandacht aan besteed. Ook toezichthouders besteden hier in het contact met burgers extra aandacht aan. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan het bevestigen van het belang van wet- en regelgeving. Indien een ondernemer van een toezichthouder verneemt waarom een regel er is bestaat de kans dat een regel ook eerder wordt geaccepteerd. In dat kader is ook het gemotiveerd uitdragen van doelen en prioriteiten van belang. Na vaststelling van het handhavingsbeleid wordt dit gepubliceerd op de gemeentelijke website zodat burgers en ondernemers hier kennis van kunnen nemen. Voorlichting brandveiligheid en risicobewustzijn Ten aanzien van brandveilig gebruik is een actieve rol belegd bij de brandweer Midden en West Brabant. Naast het repressieve optreden van de brandweer speelt de brandweer een belangrijke rol bij de preventie. Daar waar de brandweer een aantal jaren geleden vooral regelgericht bezig was en het hebben van een gebruiksvergunning synoniem stond met ‘brandveilig’ zijn, wordt nu een koers gevaren die erop gericht is de gebruikers zelf mee te nemen in brandveiligheid. Eigen verantwoordelijkheid van een gebruiker wordt hierbij onder de aandacht gebracht. Constateringen van niet voldoen aan regels worden gemotiveerd en toegelicht. Voorlichting vindt vooral doelgroepgericht plaats. Zo wordt bijvoorbeeld aan bedrijven, ouderen en kinderopvangorganisaties presentaties en voorlichting gegeven. Het vergroten van het (brand)veiligheidsbewustzijn van de eigenaar/gebruiker is een speerpunt. Bij de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunning voert de brandweer Midden en West Brabant een integrale brandveiligheidtoets uit. Kortom een toets die verder gaat dan alleen het Bouwbesluit 2012. In de adviezen wordt dan onderscheid gemaakt in wettelijk verplichte onderdelen en wordt advies gegeven in bijvoorbeeld organisatorische zin. Dit onderscheid wordt ook meegenomen bij de verlening van de aanvragen om omgevingsvergunning. Toolbox De Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft in haar beleidsplan vastgelegd wat de maximale opkomsttijden mogen zijn bij de diverse gebruiksfuncties. Hieraan lag een analyse van de brandrisico’s ten grondslag. De brandweer in deze regio kan echter niet bij iedere melding binnen de gestelde normtijd ter plekke zijn. Om het risico van langere opkomsttijden te beperken heeft de Veiligheidsregio voor haar gemeenten een voorstel in de vorm van een handreiking uitgewerkt. Deze handreiking is onder andere te raadplegen op www.brandweermwb.nl. De handreiking bevat maatregelen die de gemeenten voor deze gevallen kunnen nemen. Het brandveiliger maken van de leefomgeving is echter niet alleen aan de orde voor gebieden waar de brandweer buiten de opkomsttijd arriveert, maar nadrukkelijk ook voor die gebieden waar de brandweer wel op tijd ter plekke is. De handreiking is een samenwerking tussen de gemeenten en brandweer en biedt de mogelijkheid om samen met maatschappelijke partners te zorgen dat er minder branden ontstaan, branden eerder ontdekt worden en het ontvluchten wordt verbeterd. Voorlichting bij een begunstigend besluit Aan een begunstigend besluit, zoals het verlenen van een vergunning of ontheffing, zijn vaak voorwaarden gekoppeld. Hierbij is het van belang dat er in het besluit voorlichting wordt gegeven over de van toepassing zijnde voorwaarden en voorschriften. Goed gedrag belonen Soms wordt naleving bevorderd door het belonen van goed gedrag. Een voorbeeld hiervan is het uitreiken van de sticker ‘Brandveilige camping’ aan eigenaren van campings die aan alle brandveiligheidseisen voldoen. Een ander voorbeeld is het uitdelen van hondenkoekjes aan hondeneigenaren op het moment dat een boa waarneemt dat de hondeneigenaar de hondenpoep netjes opruimt. (pre)Mediation Mediation is een instrument dat kan worden ingezet om op een alternatieve wijze, zonder handhavingsprocdure en tussenkomst van de rechter, geschillen te beslechten en (verdere) overtredingen te voorkomen. Mediation vindt plaats door een mediator, zijnde een onafhankelijke derde partij. De inzet van mediation kan worden overwogen indien sprake is van conflictsituaties. De mediator zal de betrokken partijen stimuleren zelf mee te denken en te zoeken naar oplossingen. De regering heeft aangegeven wetsvoorstellen inzake bevordering van mediation in te dienen. In het kader van het project Beter Contact is in 2016 besloten om standaard het informele gesprek (pre-mediation) aan te gaan na ontvangst van een bezwaarschrift. De medewerkers die te maken hebben met een voor bezwaar vatbaar besluit hebben een cursus gehad om vaardigheden en technieken aan te leren om een informeel gesprek te voeren. Het houden van een informeel gesprek kan leiden tot het oplossen van geschillen, het verbeteren van de dienstverlening, het verhogen van de klanttevredenheid en tot het intrekken van bezwaarschriften. In feite wordt er meer aandacht gegeven aan de belangen van een bezwaarde. Preventie ter voorkoming bijstandsfraude Klanten van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brabantse Wal (ISD) worden gewezen op de geldende voorschriften in aanvraagformulieren, beschikkingen, brochures en op de website Rechtopbijstand.nl. Handhavers assisteren klantmanagers bij het beoordelen van een bijstandsaanvraag en indien nodig wordt een huisbezoek afgelegd. In de cursus “In en uit de bijstand” wordt expliciet aandacht besteed aan de rechten en verplichtingen. Voorts wordt transparant gecommuniceerd met betrekking tot de beschikbare gegevens en de controle daarop en wordt de juistheid van gegevens gecontroleerd door tweemaal per jaar een statusformulier toe te zenden aan klanten. Wetenschappelijk onderzoek over persoonlijk contact De ISD Brabantse Wal doet mee aan een pilot van de Erasmusuniversiteit en SV Land waarbij via wetenschappelijk onderzoek aangetoond moet worden dat regelmatig persoonlijk contact met cliënten van de Sociale Dienst zal leiden tot een hogere uitstroom en minder fraude. Deze zogenoemde FIP-methode (Frequent, Intensief en Persoonlijk contact) houdt in dat een cliënt minimaal iedere drie maanden een gesprek heeft met de klantmanager. De verwachting is dat deze methode ertoe bijdraagt dat mensen sneller uit de bijstand komen en dat fraude met uitkeringen wordt tegengegaan. De pilot loopt bij de gemeenten Bergen op Zoom, Steenbergen en Woensdrecht. Universitair hoofddocent Bestuurskunde Menno Fenger van de Erasmus Universiteit Rotterdam onderzoekt twee groepen van elk 180 personen. Eén groep die volgens de gangbare werkwijze wordt geholpen en één groep die vaker wordt gezien (in ieder geval 4 keer per jaar). Als vaker met de klant gesproken wordt, kunnen er vier dingen gebeuren. De klant kan angstig worden dat de fraude ontdekt wordt en daarom zijn uitkering opzeggen. Of hij verspreekt zich, zodat er een fraudevermoeden ontstaat. Tegelijk ontstaat er een breed beeld van de situatie van de klant, wat de kans op een passende baan vergroot. En tot slot kunnen door het brede klantprofiel problemen gesignaleerd en weggenomen worden. Daardoor kan de klant weer in beweging komen, bijvoorbeeld vrijwilligerswerk gaan doen Het idee is dat als iemand vaker komt, er minder kans is op fraude en de klant sneller aan de slag kan. SV Land neemt kosteloos de coaching van de klantmanagers voor haar rekening. De klantmanagers leren een klantprofiel maken, signalen van fraude herkennen en gesprekstechnieken om een fraudegesprek met iemand te voeren. Het activeren van mensen zit daarbij altijd in het achterhoofd. Een adviseur van SV Land heeft hiervoor periodiek overleg met de klantmanagers om ervaringen te delen, de klantmanagers te coachen en resultaten te bespreken. De verwachting is dat deze zogenaamde FIP-methode ertoe bijdraagt dat mensen sneller uit de bijstand komen en dat fraude met uitkeringen wordt tegengegaan. De verwachting is dat na een jaar de resultaten van het onderzoek bekend zijn. 7.3Toezichtstrategie 7.3.1 Inleiding Met de beschrijving van de toezichtstrategie wordt inzicht gegeven in de strategie die de gemeente hanteert met betrekking tot de wijze waarop het toezicht op de naleving van wet- en regelgeving wordt uitgeoefend om de gestelde doelen te bereiken. Toezicht is het controleren of en in hoeverre wettelijke bepalingen worden nageleefd. We onderscheiden verschillende vormen van toezicht. In paragraaf 7.3.2 worden de verschillende vormen van toezicht beschreven. Vervolgens wordt in paragraaf 7.3.3 de basis werkwijze beschreven. Voor een aantal onderwerpen is daarbij tevens de controlefrequentie vermeld. Niet voor alle onderwerpen zijn de frequenties beschreven, omdat het van belang is jaarlijks in het uitvoeringsprogramma voor het betreffende jaar de frequenties per handhavingsonderwerp te kunnen bepalen. Uiteraard worden die frequenties afgestemd op de doelen en prioriteiten zoals vermeld in deze nota. In het Besluit omgevingsrecht (Bor) is een aantal specifieke eisen gesteld ten aanzien van verplicht op te nemen onderdelen in het handhavingsbeleid. Daarom is bij de beschrijving van de basiswerkwijze in paragraaf 7.3.3. extra aandacht geschonken aan het toezicht op grond van de Wabo. 7.3.2 Vormen van toezicht In tabel 5 is een beschrijving van de verschillende vormen van toezicht opgenomen waarmee naleving van wet- en regelgeving wordt nagestreefd. Afhankelijk van de prioriteit en de aard van het handhavingsonderwerp wordt bepaald welke vorm van toezicht het meest efficiënt en effectief is. De verschillende vormen van toezicht zijn omwille van de duidelijkheid afzonderlijk beschreven, echter kunnen in de praktijk ook tegelijkertijd worden toegepast. Zo kan bijvoorbeeld tijdens het reguliere toezicht een signaal worden afgehandeld en betreft een gebiedsgerichte controle veelal ook een integrale controle. Toezicht Beschrijving regulier toezicht openbare ruimte Dagelijkse vorm van toezicht (surveillance)waarbij controlerondes plaats vinden in buurten, wijken en buitengebied. Het betreft de zogenaamde ‘oog- en oorfunctie’. Dit vindt rijdend, fietsend of lopend plaats. Lichte handhavingstaken of aandachtspunten worden in de ronde meegenomen. Het betreft voornamelijk toezicht op naleving van de APV en de afvalstoffenverordening. Bijzondere constateringen worden gerapporteerd en indien nodig bestuursrechtelijk of strafrechtelijk opgevolgd. regulier toezicht OMWB Toezicht dat wordt uitgevoerd conform het werkprogramma OMWB. Het betreft de uitvoering van milieutoezicht door handhavers van de OMWB. Het werkprogramma OMWB is integraal onderdeel van de dienstverleningsovereenkomst die met de OMWB is afgesloten. In het werkprogramma is aangegeven welke taken de gemeente Steenbergen bij de OMWB heeft belegd. Aan deze taken zijn uren gekoppeld, welke als basis dienen voor de programmeringen en begroting van de OMWB. Aan het werkprogramma is een toezichtprogramma gekoppeld waarin jaarlijks de te controleren inrichtingen en controlefrequenties wordt vastgelegd. De hoofdlijnen van het toezichtprogramma worden jaarlijks als bijlage opgenomen in het uitvoeringsprogramma Handhaving. signaal gestuurd toezicht Toezicht naar aanleiding van een klacht of melding. Dit betreft zowel klachten/meldingen die binnen komen bij de gemeente als klachten die binnen komen bij de klachtenlijn van de OMWB. Het betreft een gerichte en specifieke vorm van toezicht waarbij naar aanleiding van het signaal op basis van een feitelijke constatering wordt beoordeeld of er sprake is van overtreding van wet- en regelgeving. Deze vorm van toezicht kan plaats vinden binnen alle handhavingsvelden. risico gestuurd toezicht Op basis van ervaring en/of op basis van vastgestelde risico-indicatoren kan worden bepaald waar een risico op niet-naleving aanwezig is, zodat daar gericht toezicht kan worden uitgevoerd. Een voorbeeld is de deelname aan de pilot adresfraude, waarbij toezicht op naleving van de BRP wordt uitgevoerd bij adressen die op basis van vooraf vastgestelde risico-indicatoren zijn geselecteerd. Uit ervaringen in het verleden blijkt dat tijdens evenementen een groot risico bestaat op het niet naleven van de geluidsnormen. Op basis van deze ervaring kunnen bijvoorbeeld ‘preventieve’ geluidsmetingen worden uitgevoerd tijdens evenementen. Een ander voorbeeld is het toezicht op de nakoming inlichtingenplicht Participatiewet bij alleenstaanden die in de bijstandsperiode kinderen hebben gekregen. doelgroep – of thema gericht toezicht Toezicht dat is gericht op een specifieke doelgroep of een specifiek thema. Vaak vinden deze vormen van toezicht planmatig plaats en gaat het om toezicht op een aantal specifieke aspecten. Enkele voorbeelden: toezicht op vuurwerkopslag, toezicht op brandveiligheid zorginstellingen, toezicht op slopen met asbest, toezicht op BRZO+ bedrijven, toezicht op verbod alcohol schenken/verkopen aan minderjarigen, toezicht op het niet ruimen van hondenpoep of niet aanlijnen van honden, toezicht op de schoolroutes, toezicht in panden bij hennepruimingen, toezicht tijdens evenementen, controle op voertuigbezit in relatie tot uitkeringen etc. gebiedsgericht toezicht Toezicht dat in een specifiek gebied plaats vindt. Deze vorm van toezicht vindt vaak planmatig plaats. Zo vindt bijvoorbeeld gebiedsgericht toezicht plaats op zogenaamde ‘hotspots’. Ook de zogenaamde ‘gevel’controles betreft een vorm van gebiedsgericht toezicht. Bij ‘gevel’controles wordt in een bepaald gebied, bijvoorbeeld op een (deel van) een industrieterrein achter de verschillende gevels toezicht uitgevoerd om te kijken welke activiteiten ter plaatse worden uitgevoerd en of de wet- en regelgeving met betrekking tot het omgevingsrecht worden nageleefd. integraal toezicht Om efficiënt te handhaven en de controlelast voor burgers en bedrijven zo laag mogelijk te houden is het streven om zo veel mogelijk integraal toezicht uit te oefenen. Hierbij worden controles met interne handhavingspartners en met andere handhavingsinstanties zoveel mogelijk gecombineerd zodat tijdens één controlemoment zoveel mogelijk verschillende aspecten worden gecontroleerd. Zo wordt voorkomen dat een burger of bedrijf een paar keer een controle krijgt van achtereenvolgens verschillende handhavers binnen de gemeente of van andere handhavingsinstanties. Daar waar dit niet mogelijk of wenselijk is geldt voor elkaar een ‘oog- en oorfunctie’. Enkele voorbeelden van integraal toezicht: Integrale bedrijvencontroles (al dan niet gecombineerd met onderzoek naar innovatieve toezicht methoden), integraal toezicht op onrechtmatige bewoning, integraal toezicht brandveiligheid, integraal toezicht tijdens evenementen, integrale controleacties in het buitengebied, integrale controles bij vermoedelijke illegale verkooppunten van drugs etc. Zie ook ‘Afstemming werkzaamheden’ in paragraaf 7.8. hercontrole Toezicht naar aanleiding van een eerder gedane bevinding en handhavingsactie. Het kan bijvoorbeeld een controle betreffen nadat een begunstigingstermijn in een handhavingsbrief is verstreken. Beoordeeld wordt of een overtreding binnen de gestelde termijn is beëindigd. Het kan ook een controle betreffen op mondeling of schriftelijk gemaakte afspraken. meetcontrole Toezicht door middel van meten. Deze vorm van toezicht kan plaats vinden naar aanleiding van een signaal, maar kan ook preventief worden uitgevoerd (zoals preventieve geluidsmetingen). Door het uitvoeren van metingen kan een overschrijding van normen of bijvoorbeeld een verontreiniging worden vastgesteld. Voorbeelden van meetcontroles: geluidsmetingen, geurmetingen en bodemmetingen. administratief toezicht Soms vindt administratief toezicht plaats. Dit vindt onder meer plaats bij de grotere milieu-inrichtingen zoals bedrijven in de afvalverwerking en bijvoorbeeld gronddepots. Administratief toezicht vindt bijvoorbeeld plaats door middel van controle op de boekhouding, zoals het controleren van de afvalstromen (waar komt het afval vandaan en waar gaat het naar toe). Ook moeten vaak schriftelijke documenten worden overlegd en gecontroleerd, bijvoorbeeld een vloeistofdichtheidsverklaring. Ook binnen het handhavingsveld Sociale- en Maatschappelijke voorzieningen en BRP vindt administratief toezicht plaats door middel van het beoordelen van documenten zoals huurovereenkomsten, identiteitsdocumenten etc. voortgangs- en/of opleveringscontrole Toezicht tijdens en/of aan het einde van een traject. Deze vorm van toezicht vindt vooral plaats binnen het omgevingsrecht. Bijvoorbeeld bij toezicht op het naleven van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen, slopen, aanleg en monumenten. Zie ook paragraaf 7.3.5. Ook kan sprake zijn van een voortgangscontrole in een langdurig verbetertraject waarbij tussentijds wordt nagegaan hoe de voortgang is en of de gemaakte afspraken worden nageleefd. bestands- vergelijking Al dan niet geautomatiseerd toezicht door middel van het vergelijken van bestanden. Deze vorm van toezicht wordt vooral toegepast binnen het handhavingsveld Sociale- en maatschappelijke voorzieningen en BRP. Een voorbeeld is de geautomatiseerde bestandsvergelijking van het Inlichtingenbureau waarbij informatie van onder meer gemeenten, belastingdienst en Dienst Uitvoering Onderwijs (studiefinanciering) onderling wordt vergeleken. Dit levert zogenaamde ‘samenloopsignalen’ op die kunnen wijzen op mogelijke verzwegen inkomsten. Ook vinden er bestandsvergelijkingen plaats tussen het klantenbestand van de ISD en de BRP. huisbezoek Toezicht dat wordt uitgevoerd bij burgers thuis. Deze vorm van toezicht wordt vooral toegepast bij vermoedens van mogelijke bijstandsfraude, onrechtmatige bewoning (strijdigheid bestemmingsplan en/of Bouwbesluit) en niet-naleving BRP. heimelijkewaarneming Een zogenaamde ‘heimelijke waarneming’ is gericht op het verzamelen van informatie, om vast te stellen of sprake is van bijstandsfraude zonder dat de persoon, op dat moment, daarvan op de hoogte is. Deze vorm van toezicht wordt uitgevoerd door de sociale recherche. Omdat het een ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer betreft wordt op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) de persoon die onderworpen is aan een heimelijke waarneming hier achteraf over geïnformeerd (ook als geen onrechtmatigheden zijn geconstateerd). Tabel 5 Vormen van toezicht 7.3.3 Basis werkwijze De wijze waarop toezicht wordt voorbereid en uitgevoerd verschilt per casus, maar kent wel een rode draad, een zogenaamde ‘basis werkwijze’. Deze basis werkwijze bestaat uit: Voorbereiding toezicht Dossieronderzoek waarbij, voor zover het van toepassing is, onder meer het volgende wordt onderzocht: wie is de pandeigenaar? welk bedrijf is in het pand gevestigd/wie is gebruiker van het pand? welke personen staan ingeschreven in de BRP? wat is de bestemming van het pand? welke vergunningen zijn verleend? welke uitkeringsnorm is van toepassing? wat is de tenaamstelling van het voertuig? wat is de toezicht- en handhavinghistorie? zijn er overige relevante bijzonderheden? welke regelgeving is van toepassing? Hierbij kunnen, voor zover medewerkers daarvoor bevoegd zijn, onder meer de volgende systemen worden geraadpleegd: Corsa, BRP, GWS, ZTC, GIS-Stroomlijn, Suwi-net, RDW en registratiesysteem van de OMWB. Uitvoering toezicht Toezicht kan zowel aangekondigd als onaangekondigd plaatsvinden. Toezicht vindt plaats met gebruikmaking van de wettelijk toegekende bevoegdheden. Zie verder paragraaf 3.5 Toezichthouders. Een woning wordt zonder toestemming van een bewoner enkel betreden met een rechtmatig afgegeven machtiging tot binnentreden. Daarbij worden de voorschriften uit de Algemene wet op het binnentreden in acht genomen. Een toezichthouder deelt de reden van zijn komst mede en toont desgevraagd zijn legitimatiebewijs. De toezichthouder voert het benodigde toezicht uit op betreffende locatie, noteert eigen waarnemingen en neemt indien nodig verklaringen op. Bij de uitvoering van het toezicht wordt, afhankelijk van het soort toezicht, gebruik gemaakt van checklisten. Soms worden foto’s gemaakt. Voor zover mogelijk wordt de betrokken persoon op de hoogte gebracht van de gedane bevindingen. Indien de consequenties van de bevindingen direct en 100% duidelijk zijn, brengt de toezichthouder de betrokken persoon hiervan direct op de hoogte. Afwerking controle De uitkomsten van een controle worden vastgelegd in een zogenaamd constateringsrapport. Zie verder paragraaf 7.7 Rapportage. Hierna wordt aanvullend op de basiswerkwijze een toelichting gegeven op een aantal specifieke onderdelen van het toezicht met betrekking tot de Wabo. 7.3.4 Toezicht op milieuregelgeving Voorbereiding toezicht Ter voorbereiding op de uit te voeren controle raadpleegt de toezichthouder verschillende in- en externe bronnen. Hierbij wordt onder meer informatie uit het informatiesysteem van de OMWB en de gemeente geraadpleegd. Er wordt uitgebreid dossieronderzoek uitgevoerd waarbij ook wordt gekeken naar de toezicht- en handhavinghistorie. Bij de voorbereiding wordt tevens gekeken naar de van toepassing zijnde wetgeving. Als de in- en externe bronnen onvoldoende informatie en inzicht bieden voor het uit te voeren toezicht vindt eerst nader (extern) overleg plaats met bijvoorbeeld collega’s met specialistische kennis of medewerkers van de gemeente. Daarin worden aandachtspunten, risico’s, knelpunten en randvoorwaarden van het toezicht besproken. Uitvoering toezicht De daadwerkelijke inspectie kan zowel de beoordeling van documenten (administratief toezicht) inhouden, als het bezoeken van de te controleren inrichting of locatie. Bij aanvang vindt eerst een wederzijdse introductie plaats. Naar aanleiding van verplichtingen vanuit de omgevingsvergunning deelactiviteit milieu, artikelen uit het Activiteitenbesluit of andere direct werkende wetgeving, worden administratieve stukken gecontroleerd. Bij de voorbereiding van een controle wordt al nagegaan welke milieuwetgeving van toepassing is op de inrichting en vervolgens wordt bepaald wélke administratieve zaken gecontroleerd gaan worden tijdens de controle. Het bedrijf is wettelijk verplicht inzage te geven in deze stukken. Tijdens de controle worden de stukken dan ook ter inzage gevraagd. Soms wordt dit op voorhand bij het maken van de afspraak met de inrichtinghouder al aangegeven, zodat deze de stukken al gereed heeft. Ook kan blijken dat tijdens een controle nog inzage in andere specifieke stukken nodig is. Op voorhand of bij twijfels over de stukken wordt ook geprobeerd de stukken via landelijke databases te verifiëren. Een voorbeeld hiervan is het LMA (Landelijk Meldpunt Afvalstoffen). Bij het toezicht op bepalingen ten aanzien van stoffen, trillingen, en warmte die of geluid dat, direct of indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem, worden onderscheidenlijk wordt gebracht, wordt ‘vanuit een bron’ gezien als inrichting. Tijdens een controle worden hierbij zowel de visuele aspecten bekeken als de administratieve aspecten. Mocht naar aanleiding van een van deze punten onduidelijkheid bestaan dan wordt de expertise van een specialist ingeschakeld. Ook kan naar aanleiding van een klacht op dit gebied een specialist worden ingeschakeld voor een controle op deze specifieke aspecten. Een adequate controle op bodemverzet wordt tevens van belang geacht. Onder meer bodemonderzoeken, bodemsaneringen, uitvoer van grondverzet, transport en storten van grond maken hier onderdeel van uit. Door de OMWB wordt hier toezicht op uitgeoefend. Ook wordt specifiek toezicht gehouden op afvalbedrijven. Zo wordt bijvoorbeeld gecontroleerd of slip uit riolen, kolken en gemalen op correcte wijze wordt verwerkt (door bevoegde bedrijven, juiste wijze van registratie etc.). Ook hierbij wordt gebruik gemaakt van informatie van het LMA. Vervolgens vindt een rondgang door het bedrijf plaats. Tijdens deze rondgang worden wederom de verplichtingen vanuit omgevingsvergunning deelactiviteit milieu, artikelen uit het Activiteitenbesluit of andere direct werkende wetgeving gecontroleerd op naleving. Bevindingen worden genoteerd en, waar mogelijk en wenselijk, direct besproken. Vervolgens wordt de controle afgerond. Afwerking controle De uitkomsten van een controlebezoek worden vastgelegd in een zogenaamd bezoekverslag. Zie verder paragraaf 7.7 Rapportage. De frequentie van routinematige controlebezoeken De OMWB werkt in opdracht van de gemeente Steenbergen. Het werkprogramma wordt jaarlijks opgesteld door de gemeente in overleg met de OMWB. In dit werkprogramma wordt opgenomen welke activiteiten worden uitgevoerd. Daarbij wordt concreet aangegeven welke bedrijven worden gecontroleerd. Bij het samenstellen van deze bedrijvenlijst worden onderstaande controlefrequenties als richtlijn gehanteerd. Er kunnen zich echter zaken voordoen waaruit blijkt dat de standaard controlefrequentie niet voldoende is. In dat geval kan van deze controlefrequentie worden afgeweken. Daarnaast kunnen deze bedrijven ook worden bezocht in het kader van de klachtenafhandeling. Omschrijving Controlefrequentie Vuurwerkverkooppunten en D2 bedrijven eenmaal per jaar C1 bedrijven eenmaal per twee jaar C2 en D1 bedrijven tweemaal per 3 jaar B1 en B2 bedrijven eenmaal per 7 jaar. A en B bedrijven eenmaal per 10 jaar Tabel 6 frequentie routinematige controlebezoeken Toelichting indeling bedrijven A niet meldingsplichtig B Lichte meldingsplichtige bedrijven B1 meldingsplichtig BARIM B2 meldingsplichtig BARIM wel basistakenpakket v.w.b. toezicht & handhaving C1 vergunningsplichtig (niet zijnde C2, D1, D2) C2 RIS inrichtingen, kunnen zowel vergunningsplichtig als meldingsplichtig zijn D1 IPPC vergunningsplichtig: Dit betreft zowel veehouderijen als overige IPPC bedrijven D2 BRZO+ (Steenbergen kent geen BRZO-bedrijven. BRZO+ zijn bedrijven die hier dicht tegen aan hangen) Tabel 7 Toelichting indeling bedrijven 7.3.5 Toezicht overige omgevingsvergunningen en overig toezicht Wabo Uitgangspunt is het zoveel mogelijk integraal uitvoeren van het toezicht en handhaving. Zie verder paragraaf 7.8 Afstemming werkzaamheden. Toezicht op omgevingsvergunningen voor activiteit bouwen Het toezicht op de bouw is gekoppeld aan omgevingsvergunningen. Een bouwwerk dient tijdens de bouw op een aantal essentiële punten beoordeeld te worden om een volledig beeld te kunnen krijgen van de kwaliteit van de uitvoering en de wijze waarop een bouwwerk is geconstrueerd. Als bijvoorbeeld de wapening van een constructie niet wordt gecontroleerd kan later niet meer worden beoordeeld of het bouwwerk op dat punt wel aan de voorschriften voldoet. Nu is het echter niet efficiënt en daarnaast praktisch onmogelijk om elk bouwwerk op elk moment in de bouw te controleren. Daartoe ontbreken kortweg de mogelijkheden. Het toezicht richt zich dan ook op de cruciale momenten in het bouwproces. Tijdens de bouw wordt een aantal toezichtmomenten onderscheiden, waarbij wordt opgemerkt dat een toezichtmoment kan noodzaken tot meerdere bezoeken: aanloop (aanwijs landmeters, bouwkundig peil en eerste contact met aannemer); onderbouw; bovenbouw (staalconstructie, betonskelet, wanden, verdiepingsvloeren); afbouw. oplevering. Het aantal gedefinieerde toezichtmomenten behoeft niet altijd te worden aangehouden. Bij kleinere projecten kan een selectie worden gemaakt. Bij grotere projecten kan een vastgelegd toezichtmoment tot meerdere bezoeken noodzaken. Bij toezicht tijdens de bouwfase wordt, zeker bij grote en complexe gebrouwen, ook specifiek aandacht besteed aan de brandveiligheid. Het uitgangspunt bij het uitvoeren van het bouwtoezicht is dat alle verleende vergunningen, hoe bescheiden van omvang ook, worden gecontroleerd. In al deze gevallen zal in ieder geval de opleveringscontrole worden uitgevoerd. Deze opleveringscontrole is ook een juridisch belangrijk moment omdat daarmee de werking van de vergunning eindigt en het bouwwerk een bestaand bouwwerk is geworden. Toezicht op omgevingsvergunningen/meldingen voor activiteit slopen De toezichthouder Bouw houdt toezicht op naleving van de voorschriften bij het slopen. Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt in het bijzonder gelet op naleving van de bepalingen uit het Asbestverwijderingbesluit en het sloopveiligheidsplan. Het aantal controles is afhankelijk van de aard en omvang van de sloopsituatie. Toezicht op omgevingsvergunningen voor activiteit uitvoeren van een werk In bijna alle bestemmingsplannen zijn voorschriften opgenomen waarin wordt bepaald dat voor bepaalde werken/werkzaamheden een omgevingsvergunning is vereist. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het egaliseren, ophogen of afgraven van grond waar de locatie is gelegen in een hoog archeologisch waardevol gebied. In het geval een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘uitvoeren van een werk’ is verleend, dient erop toegezien te worden dat de werkzaamheden conform de vergunning worden uitgevoerd. Bij de gebieden waar een hoge archeologische waarde geldt wordt de expertise ingeschakeld van de stadsarcheoloog van Bergen op Zoom. Het aantal controles dat wordt uitgevoerd hangt van de complexiteit van de vergunning af. Toezicht op omgevingsvergunningen voor activiteit monumenten Vanuit de Wabo, de monumentenwet 1988 en de monumentenverordening geldt de verplichting dat een vergunning voor de activiteit monumenten is vereist indien men wijzigingen aanbrengt in, aan, op en/of nabij een (gemeentelijk) monument. In het geval een monumentenvergunning is verleend, dient erop toegezien te worden dat de werkzaamheden overeenkomstig deze vergunning worden uitgevoerd. Op iedere verstrekte omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten vindt een vorm van toezicht plaats. Afhankelijk van de monumentale ingreep worden steekproefsgewijs controles uitgevoerd. Bij zeer geringe ingrepen zoals het plaatsen van een reclameaanduiding zal slechts een oplevercontrole worden uitgevoerd. Toezicht op bestaande bouw in het kader van brandveiligheid: Zoals vermeld in paragraaf 6.4 wordt een hoge prioriteit gegeven aan het toezicht op de bestaande bouw in relatie tot de brandveiligheid in de “zorgfuncties” en de BRZO+ bedrijven. Onderscheidt wordt gemaakt in een vijftal controlesoorten ten aanzien van brandveiligheid: Enkelvoudige controle: Bij een enkelvoudige controle is doorgaans sprake van een geplande controle, waarbij een object aan de hand van het totale pakket aan voorschriften van een omgevingsvergunning voor de activiteit brandveilig gebruik en algemeen geldende regels wordt bekeken. De onderdelen zullen echter steekproefsgewijs gecontroleerd worden. Meervoudige controle: De meervoudige controle is de volledige brandveiligheidscontrole. Naast de elementen die bij een enkelvoudige controle worden bekeken worden ook aspecten gecontroleerd die niet direct zichtbaar zijn. Gedacht moet worden aan de geoefendheid van de BHV, aanwezigheid van doorvoeringen in brandwerende scheidingen, toetsing aan het Bouwbesluit 2012 etc. De volledig controle kan worden gezien als een herijking van het gebouw. Van belang is dat niet alleen wordt gekeken naar de vergunde situatie. Het gebouw wordt ook getoetst aan de op dat moment vigerende wet- en regelgeving. Meervoudig complexe controle: Dit betreft eveneens de volledige brandveiligheidscontrole. Het verschil met een meervoudige controle zit in de complexiteit van het object. Er is sprake van diverse gebruiksfuncties die naast elkaar functioneren en die het gebouw technisch gezien een complex kar

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.