Verordening handhaving en maatregelen Wij 2010Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen Hoofdstuk 2 Handhaving en fraudebestrijding Artikel 2 Opdracht aan het college Artikel 3 Aangifte Hoofdstuk 3 Algemene bepalingen over maatregelen Artikel 4 Het opleggen van een maatregel Artikel 5 Afzien van het opleggen van een maatregel Hoofdstuk 4 Uitvoering van de maatregel Artikel 6 Ingangsdatum en tijdvak Artikel 7 Samenloop van gedragingen of maatregelen Artikel 8 Heroverweging Hoofdstuk 5 Inkomensvoorziening Artikel 9 Maatregelen Inlichtingenplicht Artikel 10 Maatregelen arbeidsinschakeling Artikel 11 Zeer ernstige misdragingen Hoofdstuk 6 Het werkleeraanbod Artikel 12 Intrekken van het werkleeraanbod Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 13 Uitvoering van deze verordening Artikel 14 Hardheidsclausule Artikel 15 Citeerwijze en inwerkingtreding De raad der gemeente Spijkenisse; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 juni 2010 [Red: 23 juni 2010]; besluit: vast te stellen de navolgende Verordening handhaving en maatregelen Wij 2010 en de daarop betrekking hebbende algemene en artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: de wet: de Wet investeren in jongeren; de Wwb: de Wet werk en bijstand; de Wet suwi: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse; jongere: een persoon zoals bedoeld in artikel 2 van de Wij; inlichtingenplicht: de verplichtingen genoemd in artikel 30c tweede of derde lid van de wet Suwi en/of artikel 44 van de wet; Wij-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of verminderd met de door het college vastgestelde verhoging of verlaging, op grond van de Toeslagen en verlagingenverordening Wij 2009 [Red: 2010]; maatregel: het verlagen van de Wij-norm op grond van artikel 41, eerste lid van de wet; benadelingsbedrag: het bedrag aan netto Wij-norm dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; re-integratie praktijkvergoeding: een vergoeding aan de deelnemer van een traject waarbij een werkleersituatie van toepassing is en de werkzaamheden gericht zijn op de uitbreiding van de eigen kennis en het opdoen van ervaring; werkervaringplaats; een tijdelijke arbeidsplaats (additionele werkzaamheden) als bedoeld in artikel 23 van de Participatieverordening [Red: 2010]. Hoofdstuk2Handhaving en fraudebestrijding Artikel2Opdracht aan het college 1.Het college draagt in het kader van de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, zorg voor het opstellen van een handhavingsplan. 2.Het handhavingsplan als bedoeld in artikel 2 van de verordening handhaving en maatregelen Wwb [Red: 2010] geldt als handhavingsplan als bedoeld in het eerste lid. Artikel3Aangifte Indien het benadelingsbedrag de bedragen genoemd in de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude [Red: beleidsregel van het College van procureurs-generaal van 15-09-2008, reg.nr. 2008A019] overschrijdt, wordt door of namens het college proces-verbaal opgemaakt en aangifte gedaan bij het openbaar ministerie. Hoofdstuk3Algemene bepalingen over maatregelen Artikel4Het opleggen van een maatregel 1.Als de jongere naar het oordeel van het college de uit de wet of artikel 30c, tweede of derde lid van de Wet Suwi voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. 2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de jongere de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. 3.De maatregel wordt toegepast op de Wij-norm, tenzij aan de jongere bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Wwb. 4.In aanvulling op het derde lid, is de handhaving- en maatregelenverordening Wwb [Red: Verordening handhaving en maatregelen Wwb 2010], artikel 4 derde lid, van toepassing. 5.In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de Wij-norm wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. Artikel5Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden; of indien meer dan zes maanden is verstreken, nadat het college kennis heeft genomen van de gedraging. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht ten onrechte of tot een te hoog bedrag een inkomensvoorziening op grond van de wet is verleend. In dat geval wordt een maatregel niet opgelegd na dan verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. 3.Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Het besluit hiertoe wordt gelijkgesteld aan een besluit tot opleggen van een maatregel als bedoeld in deze verordening. Hoofdstuk4Uitvoering van de maatregel Artikel6Ingangsdatum en tijdvak 1.Een maatregel wordt steeds voor een bepaalde tijd opgelegd. 2.Tenzij in deze verordening anders is bepaald, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de jongere is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende Wij-norm en/of van toepassing zijnde periodieke bijzondere bijstand op grond van artikel 12 Wwb. 3.In afwijking van het tweede lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, indien en voor zover de gedraging waarop deze betrekking heeft in het verleden heeft plaatsgevonden. 4.In afwijking van het tweede lid kan de maatregel met ingang van een later tijdstip worden opgelegd indien op het tijdstip als bedoeld in het tweede lid reeds een maatregel van toepassing is. De maatregel kan niet later ingaan dan de eerste dag van de derde kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de jongere is bekendgemaakt. Artikel7Samenloop van gedragingen of maatregelen 1.Indien een de jongere zich schuldig maakt aan verschillende gedragingen die aanleiding geven tot een maatregel, worden voor de afzonderlijke gedragingen aparte maatregelen opgelegd, welke op hetzelfde tijdstip kunnen aanvangen. 2.Indien en voor zolang de in het eerste lid genoemde maatregelen zouden leiden tot een verlaging met meer dan 100%, wordt de maatregel bepaald op: een tijdelijke weigering voor zolang de opgetelde maatregelen maximaal 100% bedragen, en aansluitend een verlaging ter hoogte van het resterende percentage. Artikel8Heroverweging 1.Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt binnen drie maanden nadat tot die maatregel is besloten heroverwogen. Er wordt alleen een nieuw besluit genomen indien de duur en/of hoogte van de maatregel wordt gewijzigd. 2.Bij een maatregel voor zes maanden of langer, wordt de heroverweging steeds binnen drie maanden herhaald. Hoofdstuk5Inkomensvoorziening Artikel9Maatregelen Inlichtingenplicht 1.Onverminderd artikel 4, tweede lid en artikel 5, leiden gedragingen van de jongeren waardoor naar het oordeel van het college de inlichtingenplicht niet of onvoldoende is nagekomen, tot de volgende maatregelen: Een schriftelijke waarschuwing bij het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht, in het geval de informatie alsnog door de jongere is verstrekt en zonder dat als gevolg daarvan ten onrechte of teveel Wij-norm is verleend. Een maatregel van 5% van de Wij-norm gedurende een maand bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht zonder dat als gevolg daarvan ten onrechte of teveel Wij-norm is verleend. Een maatregel van 10% van de Wij-norm gedurende tenminste een maand bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, in het geval dat dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog verleend bedrag aan Wij-norm. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onder c is: een maand bij een benadelingsbedrag tot € 500; twee maanden bij een benadelingsbedrag van € 500 tot € 1000; drie maanden bij een benadelingsbedrag van € 1000 tot € 2000; vier maanden bij een benadelingsbedrag van € 2000 of hoger. 3.Indien de jongere zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit als bedoeld in het eerste lid, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte: wordt een maatregel opgelegd van 5% van de Wij-norm gedurende een maand bij het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht, in het geval de informatie alsnog door jongere is verstrekt en zonder dat als gevolg daarvan ten onrechte of teveel Wij-norm is verleend. wordt een maatregel opgelegd van 5% van de Wij-norm gedurende twee maanden bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht zonder dat als gevolg daarvan ten onrechte of teveel Wij-norm is verleend. Wordt een maatregel opgelegd van 20% van de Wij-norm bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, in het geval dat dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog verleend bedrag aan Wij-norm. De duur van het aantal maanden is opgenomen in het tweede lid. 4.Indien de jongere, op wie het derde lid van toepassing is, zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel op grond van dit artikel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte, wordt de omvang van maatregel individueel bepaald, rekening houdend met alle van belang zijnde omstandigheden. Artikel10Maatregelen arbeidsinschakeling 1.Onverminderd artikel 4, tweede lid en artikel 5, leiden gedragingen van de jongeren waardoor naar het oordeel van het college de verplichtingen ingevolge artikel 45 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, tot de volgende maatregelen: een maatregel van 5% van de Wij-norm gedurende een maand bij het niet (tijdig) of onvoldoende mededeling doen van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het niet (tijdig) melden van (gegronde) redenen waardoor niet kan worden voldaan aan de verplichtingen verbonden aan de door het college aangeboden ondersteuning; een maatregel van 10% van de Wij-norm gedurende een maand bij het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; een maatregel van 20% van de Wij-norm gedurende een maand bij het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard; een maatregel van 20% van de Wij-norm gedurende een maand bij het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid; een maatregel van 50% van de Wij-norm gedurende een maand bij het onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten; een maatregel van 100% van de Wij-norm gedurende een maand bij het stellen van onredelijke eisen, die het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren, waaronder begrepen het weigeren mee te werken aan activiteiten of werkzaamheden gericht op de arbeidsinschakeling, waarbij bijvoorbeeld gebruik wordt gemaakt van een re-integratie praktijkvergoeding als bedoeld in artikel 1 sub J van de verordening, dan wel gebruik wordt gemaakt van een werkervaringsplaats met uitzicht op een reguliere baan; een maatregel van 100% van de Wij-norm gedurende twee maanden bij het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden van een concreet aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de jongere zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte. 3.Indien de jongere, op wie het tweede lid van toepassing is, zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte, wordt de omvang van de maatregel individueel bepaald, rekening houdend met alle van belang zijnde omstandigheden. Artikel11Zeer ernstige misdragingen 1.Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet, wordt onverminderd artikel 4, tweede lid en artikel 5 een maatregel opgelegd van minimaal 20% van de Wij-norm gedurende een maand. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel op grond van dit artikel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel. 3.Indien de jongere, op wie het tweede lid van toepassing is, zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel op grond van dit artikel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte, wordt de omvang van de maatregel individueel bepaald, rekening houdend met alle van belang zijnde omstandigheden. Hoofdstuk6Het werkleeraanbod Artikel12Intrekken van het werkleeraanbod 1.Indien de jongere zonder inkomensvoorziening, aan wie een werkleeraanbod is gedaan of deze heeft aanvaard, gedragingen vertoont als bedoeld in artikel 10, wordt de jongere schriftelijk op de hoogte gesteld van deze verwijtbare gedraging en de mogelijke consequenties, waaronder het intrekken van het werkleeraanbod. 2.Het werkleeraanbod kan door het college worden ingetrokken, dan wel herzien, indien: binnen een periode van zes maanden zich tenminste drie maal een verwijtbare gedraging heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 10, eerste lid onder e, f of g, en tenminste twee maanden zijn verstreken tussen het moment waarop de eerste gedraging schriftelijk is medegedeeld en het besluit tot intrekking, dan wel herziening van het werkleeraanbod. Hoofdstuk7Overgangs- en slotbepalingen Artikel13Uitvoering van deze verordening De uitvoering van deze verordening berust bij het college. Artikel14Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening leidt tot onredelijkheid en onbillijkheid van overwegende aard. Artikel15Citeerwijze en inwerkingtreding 1.Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening handhaving en maatregelen Wij 2010”. 2.Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2010; met ingang van deze datum wordt de ‘Verordening handhaving en maatregelen Wij 2009’ ingetrokken. Toelichting ALGEMEEN Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (Wij) in werking getreden. Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk van jongeren tot 27 jaar. In de Wij is in artikel 5 is het ‘werkleeraanbod’ als volgt gedefinieerd: het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen scholing, opleiding of sociale activering alsmede ondersteuning bij arbeidsinschakeling. De wetgever heeft de gemeenten belast met de uitvoering van de wet. In de Wij is evenals in de Wet werk en bijstand (Wwb) het college verantwoordelijk gesteld voor de uitvoering (artikel 11 Wij). De gemeenteraad heeft daarentegen de verplichting op een aantal terreinen regels vast te stellen in een verordening (artikel 12 Wij). Deze verordening combineert de opdracht aan de raad om bij verordening regels te stellen over: het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; afstemming van de inkomensvoorziening als bedoeld in artikel 41 eerste lid van de wet. Voor wat betreft de vormgeving van deze vordering en het beleid in het kader van de Wij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het reeds geregelde en bestaande beleid in de Wwb. Handhaving en fraudebestrijding In artikel 12, eerste lid onderdeel c van de Wij is vastgesteld dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wij. De reikwijdte van de verordeningsplicht lijkt beperkter te zijn dan die onder de Wwb. In artikel 8a van de Wwb is bepaald dat de gemeenteraad regels dient te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van de inkomensvoorziening alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel 12, eerste lid, onderdeel c van de Wij stelt niet dat regels vastgesteld moeten worden ten aanzien van de bestrijding van ten onrechte ontvangen inkomensvoorziening. Uit de memorie van toelichting op de Wij kan wel worden afgeleid dat beoogd is hetzelfde te regelen als in artikel 8a van de Wwb, namelijk het te voeren beleid over fraudebestrijding. In de toelichting bij dit amendement is verwezen naar artikel 212 Gemeentewet. Strekking van laatstgenoemde artikel is dat de verordening dient te waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. Onderhavige verordening regelt hoe wordt omgegaan met fraudebestrijding en preventie, maar tevens het beleid met betrekking tot heronderzoeken, verificatie en aangifte. Geregeld wordt hoe in de gevallen waarbij sprake is van het tot een ten onrechte of tot een te hoog verleend bedrag aan inkomensvoorziening als gevolg van het verwijtbaar niet nakomen van de inlichtingenplicht, wordt omgegaan met de fraude-aangifte en de toepassing van een maatregel. Maatregelen i.v.m. schending verplichtingen Artikel 12, eerste lid onder b van de Wij bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in een verordening vast te leggen, overeenkomstig artikel 41 eerste lid van de Wij. Dit laatste artikel luidt: Indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, dan wel de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt, verlaagt het college het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college heroverweegt een besluit tot verlaging van de inkomensvoorziening binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt. Evenals dat binnen de kaders van de Wwb het geval is, dient de maatregel afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere. Hierin kan aanleiding gevonden worden om af te wijken van de standaardmaatregel. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het college echter zonder meer verplicht om van verlaging af te zien (artikel 41, tweede lid, Wij). In het eerste lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en verplichtingen van de jongere met een inkomensvoorziening: het recht op een inkomensvoorziening is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van deze voorziening te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de inkomensvoorziening niet alleen afhangt van de toepasselijke Wij-norm en de beschikbare middelen van de jongere, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een jongere zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de inkomensvoorziening verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging. De term ‘maatregel’ Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de jongere zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de terminologie van de Wij aangeduid als het afstemmen van de inkomensvoorziening op de mate waarin de jongere de opgelegde verplichtingen nakomt. Het verlagen van de inkomensvoorziening vanwege het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen wordt aangeduid als het opleggen van een maatregel. Het opleggen van een maatregel is een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de inkomensvoorziening met de mate waarin de jongere de aan de inkomensvoorziening verbonden verplichtingen nakomt. In de Memorie van Toelichting bij de Wij wordt gesproken over de ‘afstemmingsverordening’. Om te onderstrepen dat de verordening de juridische grondslag vormt om maatregelen op te leggen wanneer een jongere met een werkleeraanbod en/of inkomensvoorziening niet aan een verplichting voldoet, gebruiken wij de term ‘verordening handhaving en maatregelen Wij’. Maatregelwaardige gedragingen De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de inkomensvoorziening jegens het college zijn verbonden zijn de volgende: de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, Wij) de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, Wij) de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, Wij) verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod (artikel 45 Wij) Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44 Wij verplicht in beginsel tot het op opleggen van een maatregel met als gevolg een verlaging van de inkomensvoorziening. De hier genoemde verplichtingen betreffen de inlichtingen,- medewerkings,- en identificatieplicht. Voor de twee laatstgenoemde verplichtingen geldt dat schending van deze verplichtingen er in beginsel toe leidt dat het recht op werkleeraanbod en op de inkomensvoorziening niet kan worden vastgesteld en daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken kan worden, conform de Wij. Om die reden zijn ze in het kader van deze verordening niet als maatregelwaardige gedragingen aangemerkt. Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuurswet is van toepassing op deze verordening. Dit betekent dat belanghebbende die van het college een beschikking ontvangt, in de gelegenheid gesteld wordt zijn zienswijze naar voren te brengen (hoor en wederhoor). ARTIKELSGEWIJS Artikel 1: De begrippen die in de verordening worden gebruikt, die niet gedefinieerd zijn in artikel 1, hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de wet. In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. Artikel 2: Het college legt in een plan (het handhavingsplan) vast hoe met verschillende aspecten van fraudebestrijding wordt omgegaan (zowel preventie als repressie van fraude). Gezien er met het bestrijden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, hetzelfde wordt beoogd als in de Wwb wordt het handhavingsplan zoals bedoeld in artikel 2 van de verordening handhaving en maatregelen Wwb op de Wij van toepassing verklaard. Artikel 3: Op grond van de aangifterichtlijn sociale zekerheid bestaat de verplichting voor gemeenten om proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie (OM) indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan het genoemde in de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude. Dit artikel voorziet hierin. In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden bestaat dat het bruto benadelingsbedrag € 10.000 of hoger is, er aangifte bij en vervolging door het OM dient plaats te vinden. Is er echter sprake van ‘witte’ fraude (door koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van € 35.000 (peiljaar 2009). Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het opleggen van een maatregel niet uit. Beide sancties kunnen in theorie samen gaan aangezien de maatregel geen punitief karakter heeft en daarom niet wordt aangemerkt als een straf c.q. strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de maatregel die is opgelegd door het bestuursorgaan. Dit is het principe van ‘anrechnung’. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan tot het opleggen van een maatregel, als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging [anders] dan bij beslissing van één enkele overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De centrale raad voor beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’. Artikel 4: De Wij verbindt aan het recht op het werkleeraanbod en/of de inkomensvoorziening de volgende verplichtingen: de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, Wij); de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, Wij); de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, Wij); verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod (artikel 45 Wij). Eerste lid Het eerste lid betreft de verplichtingen die voortvloeien uit de Wij en de Wet Suwi. Het betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV Werkbedrijf te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing tot het toekennen of afwijzen van een uitkering door het college (artikel 30, tweede en derde lid Wet Suwi) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV Werkbedrijf, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op het werkleeraanbod en/of de inkomensvoorziening. Tweede lid Het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de jongere en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken jongere met een inkomensvoorziening afwijking van de hoogte en de duur van de ‘standaardmaatregel’ geboden is. Afwijking van de ‘standaardmaatregel’ kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. Derde lid In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over de Wij-norm. Hieronder wordt verstaan de wettelijk bepaalde inkomensvoorziening, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Voor jongeren in de leeftijd van 18 tot 21 geldt een lage inkomensvoorziening. Indien de jongere hogere noodzakelijke kosten van het bestaan heeft die uitgaan boven de Wij-norm, heeft de jongere op grond van artikel 12 van de Wwb recht op bijzondere bijstand. Indien een maatregel aan de jongere van 18 tot 21 jaar wordt opgelegd en bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de algemene kosten van het bestaan, kan naast het toepassen van de maatregel over de inkomensvoorziening, ook een maatregel worden toegepast op de periodieke bijzondere bijstand. De handhaving- en maatregelenverordening Wwb, artikel 4 derde lid, is op deze situatie van toepassing. Het alleen opleggen van de maatregel op de lage jongerennorm, zou anders leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Vierde lid Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende uitkering op grond van de Wij wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening op grond van artikel 38 van de Wij genomen. Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot herziening van de inkomensvoorziening worden genomen (artikel 40 van de Wij). Tegen beide besluiten kan door de jongere bezwaar en beroep worden aangetekend. In dit artikel is aangegeven hetgeen in ieder geval in het besluit moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt voorzien. Artikel 5: Eerste lid Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is, dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (lik op stuk) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die bij de constatering al langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Een maatregel mag wettelijk gezien ook na 12 maanden worden opgelegd. De beperking is omdat de maatregel effect moet hebben op gedrag. Een maatregel opleggen voor een gedraging die meer dan 12 maanden geleden heeft plaatsgevonden, wordt niet geacht een reparatoir karakter te hebben. Na constatering van de gedraging moet de maatregel binnen een redelijke termijn gebeuren; de grens wordt hierbij bepaald door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (o.a. rechtszekerheid). De rechter lijkt een termijn van 6 maanden in het algemeen voldoende te vinden voor onderzoek en afdoening. Gelet op het directe belang voor de cliënt wordt ervoor gekozen deze uitleg vast te leggen. Tweede lid Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van 5 jaar. De hantering van de (op zichzelf behoorlijk lange) termijn van 5 jaar is gerechtvaardigd, gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. Derde lid Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Omtrent de beoordeling/waardering en indeling in klassen van concrete situaties kunnen wel richtlijnen (werkinstructies) gegeven c.q. gehanteerd worden, het is echter geen onderwerp waarop een gemeentelijke beleidsvrijheid bestaat. Het college doet schriftelijk mededeling van het afzien van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen. Dit is van belang in verband met eventuele recidive. Bij een nieuwe verwijtbare gedraging van dezelfde aard of een hogere soort binnen dat artikel, telt een dergelijke mededeling mee voor de bepaling van recidive. Artikel 6: Eerste lid Bepaald wordt dat een maatregel steeds voor bepaalde tijd is. In beginsel is ook een maatregel voor onbepaalde tijd mogelijk. De maatregel voor onbepaalde tijd zou vooral aan de orde zijn bij het niet voldoen aan, overigens voor het recht niet essentiële, verplichtingen. Uit praktische overwegingen wordt afgezien van maatregelen voor onbepaalde termijn. De maatregel kan namelijk altijd herhaald worden als bij het aflopen van de termijn nog niet aan de verplichting wordt voldaan. Tweede en derde lid Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de inkomensvoorziening. Verlaging van de inkomensvoorziening kan in beginsel op twee manieren: door middel van verlaging van het bedrag aan inkomensvooziening in de eerstvolgende maand(en), of; met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de inkomensvoorziening. Het verlagen van de inkomensvoorziening die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan inkomensvoorziening terug te vorderen. Indien zich geen verdere bijzonderheden voordoen, verdient deze wijze van afdoening op praktische gronden de voorkeur. In die gevallen dat zich wel bijzonderheden voordoen (inkomensvoorziening eindigt, inkomensvoorziening wordt door wijzigingen aanmerkelijk lager, er zijn meer verlagingen aan de orde, de jongere ontvangt ook of alleen bijzondere bijstand), bevat dit artikel mogelijkheden om de ingangsdatum daarop af te stemmen. De constatering van een maatregelwaardige gedraging kan uiteraard alleen betrekking hebben op iets wat in het heden of verleden heeft plaatsgevonden. Indien onmiddellijk nadat de gedraging plaatsvindt tot een maatregel wordt besloten, dan kan die maatregel zonder bezwaar met onmiddellijke ingang worden opgelegd. Wanneer de inkomensvoorziening voortduurt, zal er in het algemeen geen behoefte bestaan aan het opleggen van een maatregel met terugwerkende kracht. Er kunnen echter situaties zijn, waarin de toepassing daarvan te verkiezen is boven een verlaging van de toekomstige inkomensvoorziening. Het kan immers zijn dat de (resterende) uitkering(-duur) onvoldoende is om de gewenste maatregel uit te voeren en daarmee het beoogde effect te bereiken. Ook kan de situatie bestaan dat de omvang van de inkomensvoorziening ten tijde van de gedraging aanzienlijk hoger was dan in de komende maand(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.