Verordening handhaving en maatregelen Wwb 2010Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepalingen Hoofdstuk 2 Handhaving en fraudebestrijding Artikel 2 Opdracht aan het college Artikel 3 Aangifte Hoofdstuk 3 Algemene bepalingen over maatregelen Artikel 4 Het opleggen van een maatregel Artikel 5 Afzien van het opleggen van een maatregel Hoofdstuk 4 Uitvoering van de maatregel Artikel 6 Ingangsdatum en tijdvak Artikel 7 Samenloop van gedragingen of maatregelen Artikel 8 Heroverweging Hoofdstuk 5 Maatregelen arbeidsplicht en tekortschietende verantwoordelijkheid Artikel 9 Maatregelen arbeidsverplichting Artikel 10 Maatregel tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Hoofdstuk 6 Maatregelen inlichtingen- en medewerkingsplicht Artikel 11 Maatregel inlichtingenverplichting Artikel 12 Maatregelen bij schending van de medewerkingsplicht Hoofdstuk 7 Maatregelen overige verplichtingen Artikel 13 Maatregelen bij zeer ernstige misdragingen Artikel 14 Maatregelen schenden van aan bijstand verbonden verplichtingen Hoofdstuk 8 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 15 Uitvoering van deze verordening Artikel 16 Hardheidsclausule Artikel 17 Citeerwijze en inwerkingtreding De raad der gemeente Spijkenisse; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 juni 2010 [Red: 23 juni 2010]; besluit: vast te stellen de navolgende Verordening handhaving en maatregelen Wwb 2010 en de daarop betrekking hebbende algemene en artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: de wet: de Wet werk en bijstand; de Wet suwi: de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse; inlichtingenplicht: de verplichtingen genoemd in artikel 17, eerste, tweede en vierde lid van de wet en artikel 30c tweede of derde lid van de wet suwi; maatregel: het verlagen van de bijstand of de langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet; benadelingsbedrag: het bedrag aan netto bijstand dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; re-integratie praktijkvergoeding: een vergoeding aan de deelnemer van een traject waarbij een werkleersituatie van toepassing is en de werkzaamheden gericht zijn op de uitbreiding van de eigen kennis en het opdoen van ervaring; werkervaringsplaats: een tijdelijke arbeidsplaats (additionele werkzaamheden) als bedoeld in artikel 23 van de Participatieverordening [Red: 2010]. Hoofdstuk2Handhaving en fraudebestrijding Artikel2Opdracht aan het college 1.Het college draagt in het kader van de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet zorg voor het opstellen van een handhavingsplan. 2.In het in het eerste lid genoemde handhavingsplan komt tenminste aan de orde: een visie op handhaving binnen de kaders van de wet, waaronder begrepen een heronderzoeksplan en een verificatieplan; de wijze van aanpak van de fraudepreventie; de wijze van aanpak van de frauderepressie. 3.Het college legt jaarlijks verantwoording af aan de raad over de onderwerpen die in het plan geregeld zijn. Artikel3Aangifte Indien het benadelingsbedrag de bedragen genoemd in de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude [Red: beleidsregel van het College van procureurs-generaal van 15-09-2008, reg.nr. 2008A019] overschrijdt, wordt door of namens het college proces-verbaal opgemaakt en aangifte gedaan bij het openbaar ministerie. Hoofdstuk3Algemene bepalingen over maatregelen Artikel4Het opleggen van een maatregel 1.Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of artikel 30c, tweede lid of derde lid van de Wet suwi voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. 2.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. 3.De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm, tenzij: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet; de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie tot zijn recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag aanleiding geeft de maatregel toe te passen op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag. 4.In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. Artikel5Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college, heeft plaatsgevonden; of indien meer dan zes maanden is verstreken, nadat het college kennis heeft genomen van de gedraging. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien als gevolg van een schending van de inlichtingenplicht ten onrechte bijstand is verleend. In dat geval wordt een maatregel niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. 3.Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Het besluit hiertoe wordt gelijkgesteld aan een besluit tot opleggen van een maatregel als bedoeld in deze verordening. Hoofdstuk4Uitvoering van de maatregel Artikel6Ingangsdatum en tijdvak 1.Een maatregel wordt steeds voor een bepaalde tijd opgelegd. 2.Tenzij in deze verordening anders is bepaald, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm en/of van toepassing zijnde periodieke bijzondere bijstand. 3.In afwijking van het tweede lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, indien en voor zover de gedraging waarop deze betrekking heeft in het verleden heeft plaatsgevonden. 4.In afwijking van het tweede lid kan de maatregel met ingang van een later tijdstip worden opgelegd indien op het tijdstip als bedoeld in het tweede lid reeds een maatregel van toepassing is. De maatregel kan niet later ingaan dan de eerste dag van de derde kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. 5.In afwijking van het eerste lid, wordt een maatregel die betrekking heeft op de verstrekking van incidentele bijzondere bijstand of langdurigheidstoeslag tot uitdrukking gebracht in een verlaging van het toegekende bedrag of in afwijzing van de bijstand bij wijze van afstemming op de maatregelwaardige gedraging. Artikel7Samenloop van gedragingen of maatregelen 1.Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan verschillende gedragingen die aanleiding geven tot een maatregel, worden voor de afzonderlijke gedragingen aparte maatregelen opgelegd, welke op hetzelfde tijdstip kunnen aanvangen. 2.Indien en voor zolang de in het eerste lid genoemde maatregelen zouden leiden tot een verlaging met meer dan 100%, wordt de maatregel bepaald op: een tijdelijke weigering voor zolang de opgetelde maatregelen maximaal 100% bedragen, en aansluitend een verlaging ter hoogte van het resterende percentage. Artikel8Heroverweging 1.Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt binnen drie maanden nadat tot die maatregel is besloten heroverwogen. Er wordt alleen een nieuw besluit genomen indien de duur en/of hoogte van de maatregel wordt gewijzigd. 2.Bij een maatregel voor zes maanden of langer, wordt de heroverweging steeds binnen drie maanden herhaald. Hoofdstuk5Maatregelen arbeidsplicht en tekortschietende verantwoordelijkheid Artikel9Maatregelen arbeidsverplichting 1.Onverminderd artikel 4, tweede lid en artikel 5, leiden gedragingen van belanghebbenden waardoor naar het oordeel van het college de verplichting als bedoeld in artikel 9 van de wet, niet of onvoldoende is nagekomen, tot de volgende maatregelen: een maatregel van 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het zich niet (tijdig) laten registreren als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie; een maatregel van 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, waaronder het niet verschijnen op een oproep in verband met re-integratie; een maatregel van 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren; een maatregel van 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; een maatregel van 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b en artikel 10, eerste lid van de wet, en waarbij nog geen sprake is van een vergevorderd traject waarbij reeds een reële kans op arbeidsinschakeling bestaat, waaronder begrepen het niet ondertekenen van het trajectplan; een maatregel van 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet verschijnen op een sollicitatiegesprek, dan wel het zich tijdens een sollicitatiegesprek zodanig gedragen dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hierdoor geen concreet baanaanbod volgt; een maatregel van 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b en artikel 10, eerste lid van de wet, waarbij sprake is van een vergevorderd traject en/of een reële kans op arbeidsinschakeling bestaat; een maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet accepteren van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b en artikel 10, eerste lid van de wet, waarbij gebruik wordt gemaakt van een re-integratie praktijkvergoeding als bedoeld in artikel 1 sub G van de verordening, dan wel gebruik wordt gemaakt van een werkervaringsplaats met uitzicht op een reguliere baan; een maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij het, tijdens de bijstand, niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd op grond van dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte. 3.Indien de belanghebbende, op wie het tweede lid van toepassing is, zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd op grond van dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte, wordt de omvang van de maatregel individueel bepaald, rekening houdend met alle van belang zijnde omstandigheden. Artikel10Maatregel tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Onverminderd artikel 4, tweede lid en artikel 5, leiden gedragingen waarmee naar het oordeel van het college belanghebbende tijdens of voorafgaand aan het beroep op algemene bijstand blijk geeft van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, tot de volgende maatregelen: een maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het, voorafgaand aan de bijstand, door eigen toedoen niet behouden dan wel niet accepteren van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder b van de wet, waarbij gebruik wordt gemaakt van een re-integratie praktijkvergoeding als bedoeld in artikel 1 sub G, waardoor (eerder) een beroep op bijstand wordt gedaan; een maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij het door eigen toedoen niet (geheel) behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, waardoor (eerder) een beroep op bijstand wordt gedaan; een maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij het, voorafgaand aan de bijstand, niet accepteren van algemeen geaccepteerde arbeid, waardoor (eerder) een beroep op bijstand wordt gedaan; een maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij het niet of niet tijdig aanvragen van een passende en toereikende voorliggende voorziening, waardoor een beroep op algemene bijstand wordt gedaan; tenminste 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het op andere wijze blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, als bedoeld in het eerste lid onder a, b en c, met betrekking tot algemene bijstand. 2.Onverminderd artikel 4, tweede lid en artikel 5, leiden gedragingen waarmee naar het oordeel van het college belanghebbende tijdens of voorafgaand aan het beroep op bijzondere bijstand blijk geeft van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, tot de volgende weigering: een volledige weigering van de aangevraagde bijzondere bijstand bij het niet of niet tijdig aanvragen van een voorliggende voorziening, waardoor een beroep op bijzondere bijstand wordt gedaan; tenminste een gedeeltelijke weigering bij het op andere wijze blijk geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in het tweede lid onder a, met betrekking tot bijzondere bijstand. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd op grond van dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een gelijksoortige verwijtbare gedraging. 3.Indien de belanghebbende, op wie het tweede lid van toepassing is, zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd op grond van dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een gelijksoortige verwijtbare gedraging, wordt de omvang van de maatregel individueel bepaald, rekening houdend met alle van belang zijnde omstandigheden. Hoofdstuk6Maatregelen inlichtingen- en medewerkingsplicht Artikel11Maatregel inlichtingenverplichting 1.Onverminderd artikel 4, tweede lid en artikel 5, leiden gedragingen van belanghebbenden waardoor naar het oordeel van het college de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid van de wet, niet of onvoldoende is nagekomen, tot de volgende maatregelen: een schriftelijke waarschuwing bij het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht, in het geval de informatie alsnog door de belanghebbende is verstrekt en zonder dat als gevolg daarvan ten onrechte of teveel uitkering is verleend; een maatregel van 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht zonder dat als gevolg daarvan ten onrechte of teveel uitkering is verleend; een maatregel van 10% van de bijstandsnorm gedurende tenminste een maand bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, in het geval dat dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog verleend bedrag aan uitkering. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onder c is: een maand bij een benadelingsbedrag tot € 500; twee maanden bij een benadelingsbedrag van € 500 tot € 1000; drie maanden bij een benadelingsbedrag van € 1000 tot € 2000; vier maanden bij een benadelingsbedrag van € 2000 of hoger. 3.Indien de belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit als bedoeld in het eerste lid, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte: wordt een maatregel opgelegd van 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht, in het geval de informatie alsnog door de belanghebbende is verstrekt en zonder dat als gevolg daarvan ten onrechte of teveel uitkering is verleend; wordt een maatregel opgelegd van 5% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht zonder dat als gevolg daarvan ten onrechte of teveel uitkering is verleend; wordt een maatregel opgelegd van 20% van de bijstandsnorm bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, in het geval dat dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog verleend bedrag aan uitkering. De duur van het aantal maanden is opgenomen in het tweede lid. 4.Indien de belanghebbende, op wie het derde lid van toepassing is, zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd op grond van dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte, wordt de omvang van de maatregel individueel bepaald, rekening houdend met alle van belang zijnde omstandigheden. Artikel12Maatregelen bij schending van de medewerkingsplicht 1.Wanneer een belanghebbende zijn medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede lid van de wet en anders dan bedoeld in artikel 9 van deze verordening, niet of onvoldoende is nagekomen, wordt onverminderd artikel 4, tweede lid een maatregel opgelegd van minimaal 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid bedraagt 2 maanden, indien de belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel. 3.Indien de belanghebbende, op wie het derde lid van toepassing is, zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd op grond van dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte, wordt de omvang van de maatregel individueel bepaald, rekening houdend met alle van belang zijnde omstandigheden. Hoofdstuk7Maatregelen overige verplichtingen Artikel13Maatregelen bij zeer ernstige misdragingen 1.Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 4, tweede lid een maatregel opgelegd van minimaal 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid bedraagt 2 maanden, indien de belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd op grond van dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel. 3.Indien de belanghebbende, op wie het derde lid van toepassing is, zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd op grond van dit artikel, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte, wordt de omvang van de maatregel individueel bepaald, rekening houdend met alle van belang zijnde omstandigheden. Artikel14Maatregelen schenden van aan bijstand verbonden verplichtingen 1.Wanneer een belanghebbende op grond van artikel 55 Wwb aan de bijstand verbonden verplichtingen, die verband houden met het doel en de aard van de bijstand niet nakomt, wordt onverminderd artikel 4, tweede lid een maatregel opgelegd van tenminste 5% van de bijstandsnorm gedurende een maand. 2.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid bedraagt 2 maanden, indien de belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel. 3.Indien de belanghebbende, op wie het derde lid van toepassing is, zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte, wordt de omvang van de maatregel individueel bepaald, rekening houdend met alle van belang zijnde omstandigheden. Hoofdstuk8Overgangs- en slotbepalingen Artikel15Uitvoering van deze verordening De uitvoering van deze verordening berust bij het college. Artikel16Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening leidt tot onredelijkheid en onbillijkheid van overwegende aard. Artikel17Citeerwijze en inwerkingtreding 1.Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening handhaving en maatregelen Wwb 2010”. 2.Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2010; met ingang van deze datum wordt de ‘Verordening handhaving en maatregelen WWB 2009’ ingetrokken. Toelichting ALGEMEEN Deze verordening combineert de opdracht aan de raad om bij verordening regels te stellen over handhaving (artikel 8a van de wet) en over afstemming van bijstand als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet. In artikel 8a van de Wet werk en bijstand (Wwb) is opgenomen dat de gemeenteraad regels dient te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. In de toelichting bij dit amendement is verwezen naar artikel 212 Gemeentewet. Strekking van laatstgenoemde artikel is dat de verordening dient te waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. Onderhavige verordening regelt hoe wordt omgegaan met fraudebestrijding en –preventie, maar tevens het beleid met betrekking tot heronderzoeken, verificatie en aangifte. Geregeld wordt hoe in de gevallen waarbij sprake is van het tot een ten onrechte of tot een te hoog verleend bedrag aan bijstand als gevolg van het verwijtbaar niet-nakomen van de inlichtingenplicht, wordt omgegaan met de fraudeaangifte en de toepassing van een maatregel. Artikel 8, eerste lid onder b Wwb bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in een verordening vast te leggen, overeenkomstig artikel 18 Wwb. Dit laatste artikel luidt: Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand of de langdurigheidstoeslag. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt. Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede verstaan het gezin. In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van uitkeringsgerechtigden. In tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging. Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te stellen verordening. De term ‘maatregel’ Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de terminologie van de Wwb aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de Wwb benadrukt dat rechten en plichten twee kanten van dezelfde medaille vormen. Zonder dat uitgangspunt los te laten, duiden wij het verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aan als het opleggen van een maatregel. Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook het sanctionerende karakter ervan benadrukt. Gemeenten zullen wel steeds voor ogen moeten houden dat het opleggen van een maatregel géén punitieve sanctie is, waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat, maar een reparatoire sanctie (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt. In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de Wwb wordt steeds gesproken over de ‘afstemmingsverordening’. Om te onderstrepen dat de verordening de juridische grondslag vormt om maatregelen op te leggen wanneer een uitkeringsgerechtigde niet aan een verplichting voldoet, gebruiken wij de term ‘verordening handhaving en maatregelen Wwb’. Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuurswet is van toepassing op deze verordening. Dit betekent dat belanghebbende die van het college een beschikking ontvangt, in de gelegenheid gesteld wordt zijn zienswijze naar voren te brengen (hoor en wederhoor). ARTIKELSGEWIJS Artikel 1: De begrippen die in de verordening worden gebruikt, die niet gedefinieerd zijn in artikel 1, hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de wet. In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. Artikel 2: Eerste en tweede lid Het college legt in een plan (het handhavingsplan) vast hoe met verschillende aspecten van fraudebestrijding wordt omgegaan (zowel preventie als repressie van fraude). Hierin zou ook de bewaking van de recht- en doelmatigheid geregeld kunnen worden in een heronderzoeksplan en een verificatieplan. Het plan geldt voor onbepaalde tijd. Het plan kan op ieder moment dat dit dienstig wordt geacht, vervangen of gewijzigd worden. Bij de preventie legt het college enerzijds de nadruk op goede voorlichting over de regelingen, zodat zo min mogelijk misverstanden ontstaan en anderzijds geeft het college bekendheid aan de geconstateerde gevallen van fraude, om daarmee duidelijk bekend te maken dat fraudebestrijding plaatsvindt (generale preventie). Voor deze voorlichting worden alle inwoners van Spijkenisse, dus zowel de uitkeringsgerechtigden als de overige burgers, als doelgroep gezien. In het plan besteedt het college tevens aandacht aan de bevordering van de fraude-alertheid van medewerkers. In het heronderzoekplan wordt aangegeven op welke wijze de controle op de rechtmatigheid van de verstrekte uitkering wordt vormgegeven, uitgaande van risico- en signaalsturing. In het verificatieplan wordt vastgelegd welke bewijsstukken bij aanvragen, heronderzoeken en beëindigingen tenminste dienen te worden overgelegd om een besluit op de verstrekte informatie te kunnen baseren. Derde lid Het college legt verantwoording af over de zaken welke in handhavingsplan c.a. worden behandeld. Voor het tijdstip wordt aangesloten bij de reguliere cycli voor verantwoording en informatievoorziening aan de raad. Artikel 3: Op grond van de aangifterichtlijn sociale zekerheid bestaat de verplichting voor gemeenten om proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie (OM) indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan het genoemde in de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude. Dit artikel voorziet hierin. In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden bestaat dat het bruto benadelingsbedrag € 10.000 of hoger is, er aangifte bij en vervolging door het OM dient plaats te vinden. Is er echter sprake van ‘witte’ fraude (door koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van € 35.000 (peiljaar 2010). Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het opleggen van een maatregel niet uit. Beide sancties kunnen in theorie samen gaan aangezien de maatregel geen punitief karakter heeft en daarom niet wordt aangemerkt als een straf c.q. strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de maatregel die is opgelegd door het bestuursorgaan. Dit is het principe van ‘anrechnung’. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan tot het opleggen van een maatregel, als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging [anders] dan bij beslissing van één enkele overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De centrale raad voor beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing'. Artikel 4: De Wwb verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende verplichtingen: De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit twee soorten verplichtingen: de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; en de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening vormt de juridische basis voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd. De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). Voorbeelden van gedragingen die hieronder vallen zijn het behouden van arbeid of het verantwoord interen op vermogen. Het is echter een zeer ruim begrip, dat niet binnen de kaders van enkele voorbeelden is te vatten. De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals: het toestaan van huisbezoek; het meewerken aan een psychologisch onderzoek. Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen’. Los van bovengenoemde verplichtingen, kunnen aan de bijstand verplichtingen worden verbonden op grond van artikel 55 Wwb. Deze verplichtingen kunnen verband houden met: arbeidsinschakeling; aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand; het doel de bijstandverstrekking te verminderen of te beëindigen. De Wet suwi legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV Werkbedrijf te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing tot het toekennen of afwijzen van een uitkering door het college (artikel 30c Wet Suwi) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV Werkbedrijf, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand. Tweede lid Het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de ‘standaardmaatregel’ geboden is. Afwijking van de ‘standaardmaatregel’ kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. Derde lid In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. Onderdeel a De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm (Wet investeren in jongeren), die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Onderdeel b Deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag (LDT). Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de LDT. Met deze bepaling wordt beoogd ruimte te bieden voor andere vormen van tekortschietend besef (bijvoorbeeld niet afsluiten van aanvullende verzekering, m.n. collectieve verzekering, maar ook het geen beroep doen op wat een voorliggende voorziening had kunnen zijn of het niet kunnen voorzien in kosten waarvoor gereserveerd had moeten en kunnen worden (bijv. toekenning van lage norm inrichtingskosten). Bij de LDT kan met name gedacht worden aan de situatie dat de belanghebbende de voor de LDT benodigde informatie niet tijdig aanlevert. Andere schending van een verplichting leidt immers veelal tot het ontbreken van recht op de toeslag of tot het buiten behandeling laten van de aanvraag. Vierde lid: Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende uitkering wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op grond van artikel 45 Wwb genomen. Wordt een maatregel met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid). Tegen beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt voorzien. Artikel 5: Eerste lid Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is, dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die bij de constatering al langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Een maatregel mag wettelijk gezien ook na 12 maanden worden opgelegd. De beperking is omdat de maatregel effect moet hebben op gedrag. Een maatregel opleggen voor een gedraging die meer dan 12 maanden geleden heeft plaatsgevonden, wordt niet geacht een reparatoir karakter te hebben. Na constatering van de gedraging moet de maatregel binnen een redelijke termijn gebeuren; de grens wordt hierbij bepaald door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (o.a. rechtszekerheid). De rechter lijkt een termijn van 6 maanden in het algemeen voldoende te vinden voor onderzoek en afdoening. Gelet op het directe belang voor de cliënt wordt ervoor gekozen deze uitleg vast te leggen. Tweede lid Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van 5 jaar. De hantering van de (op zichzelf behoorlijk lange) termijn van 5 jaar is gerechtvaardigd, gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. Derde lid Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Het college doet schriftelijk mededeling van het afzien van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen. Dit is van belang in verband met eventuele recidive. Bij een nieuwe, dezelfde verwijtbare gedraging of een ernstigere gedraging binnen dit artikel, telt een dergelijke mededeling mee voor de bepaling van recidive. Artikel 6: Eerste lid Bepaald wordt dat een maatregel steeds voor bepaalde tijd is. In beginsel is ook een maatregel voor onbepaalde tijd mogelijk. De maatregel voor onbepaald tijd zou vooral aan de orde zijn bij het niet voldoen aan – overigens voor het recht niet essentiële – verplichtingen. Gelet op de onduidelijkheden met betrekking tot de heroverweging binnen 3 maanden, is het praktischer van maatregelen voor onbepaalde termijn af te zien. De maatregel kan immers altijd herhaald worden als bij het aflopen van de termijn nog niet aan de verplichting wordt voldaan. Tweede en derde lid Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en), of; met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering. Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen. Indien zich geen verdere bijzonderheden voordoen, verdient deze wijze van afdoening op praktische gronden de voorkeur. In die gevallen dat zich wel bijzonderheden voordoen (bijstand eindigt, bijstand wordt door wijzigingen aanmerkelijk lager, er zijn meer verlagingen aan de orde, de belanghebbende ontvangt ook of alleen bijzondere bijstand), bevat dit artikel mogelijkheden om de ingangsdatum daarop af te stemmen. De constatering van een maatregelwaardige gedraging kan uiteraard alleen betrekking hebben op iets wat in het heden of verleden heeft plaatsgevonden. Indien onmiddellijk nadat de gedraging plaatsvindt tot een maatregel wordt besloten, dan kan die maatregel zonder bezwaar met onmiddellijke ingang worden opgelegd. Wanneer de uitkering voortduurt, zal er in het algemeen echter geen behoefte bestaan aan het opleggen van een maatregel met terugwerkende kracht. Er kunnen echter situaties zijn, waarin de toepassing daarvan te verkiezen is boven een verlaging van de toekomstige uitkering. Het kan immers zijn dat de (resterende) uitkering(-duur) onvoldoende is om het gewenste maatregel uit te voeren en daarmee het beoogde effect te bereiken. Ook kan de situatie zijn dat de omvang van de bijstand ten tijde van de gedraging aanzienlijk hoger was dan in de komende maand(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.