Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente ZoetermeerDe raad van de gemeente Zoetermeer; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. [datum]; Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en d en artikel 8b van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); BESLUIT Vast te stellen: de Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZgemeente Zoetermeer. Paragraaf1- Algemene bepalingen Artikel1- Begripsomschrijvingen 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2.In deze verordening wordt verstaan onder: het college: het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer; de raad: de gemeenteraad van Zoetermeer; uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ; bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c Participatiewet of, voor zover sprake is van een IOAW- of IOAZ-uitkering, de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW respectievelijk artikel 5 IOAZ; maatregel: het verlagen van de bijstandsnorm. Artikel2- Berekeningsgrondslag 1.Een maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan een maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet. 3.Bij toepassing van het tweede lid, moet in deze verordening 'bijstandsnorm' worden gelezen als 'bijstandsnorm plus de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand'. Artikel3- Het besluit tot het opleggen van een maatregel 1.In het besluit tot het opleggen van een maatregel op de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel; de duur van de maatregel; het percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een in de verordening opgenomen maatregel. 2.Een besluit tot het opleggen van een maatregel na een gedraging waardoor een verplichting als bedoeld in artikel 9 en 9a van de Participatiewet, artikel 37 en 38 van de IOAW en artikel 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, komt tot stand na collegiaal overleg. Artikel4- Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of de gedraging meer dan één jaar vóór constatering ervan door het college heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel5- Ingangsdatum en periode 1.Een maatregel wordt toegepast op de uitkering respectievelijk de bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van een maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. 2.Bij toekenning van een recht op uitkering kan, in afwijking van het eerste lid, met terugwerkende kracht een maatregel worden opgelegd indien de verwijtbare gedraging voorafgaand aan de bekendmaking van het toekenningsbesluit heeft plaatsgevonden. 3.In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden toegepast op de uitkering respectievelijk de bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de maand waarin het besluit is genomen, indien die bijstand nog niet betaalbaar is gesteld en de toepassing plaatsvindt nadat het maatregelbesluit aan belanghebbende bekend is gemaakt. De maatregel kan niet worden opgelegd over een periode waarin de gedraging nog niet heeft plaatsgevonden. 4.Als het toepassen van een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is, omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, wordt de maatregel toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft, dan wel de uitkering over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. Artikel6- Samenloop van gedragingen 1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste maatregel is gesteld. 2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen maatregel opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van belanghebbende niet verantwoord is. 5.Indien het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een maatregel zou kunnen leiden, blijft het opleggen van een maatregel achterwege. Artikel7- Recidive 1.Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd als bedoeld in de artikelen 8, 9, eerste of tweede lid, 13, eerste lid of 16 onder a, b of c opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in die artikelen, wordt telkens de hoogte van de maatregel verdubbeld tot een maximum van 100 procent. Vervolgens wordt de duur van de maatregel verdubbeld. 2.Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd als bedoeld in de artikelen 9, derde lid, 13, tweede lid, 15 of 16 onder d, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in die artikelen, wordt telkens de duur van de maatregel verdubbeld. 3.Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel is opgelegd als bedoeld in artikel 14 opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dat artikel, bedraagt de maatregel telkens 100 procent gedurende de eerste twee maanden en 40 procent gedurende de daaropvolgende twee maanden. 4.Een besluit waarin op grond van dringende redenen is afgezien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 4 lid 3, wordt in dit verband aangemerkt als een besluit waarmee een maatregel is opgelegd. Paragraaf2- Gedragingen Artikel8- GedragingenParticipatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor één van de verplichtingen op grond van de artikelen 9 en 9a, van de Participatiewet niet of onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel het niet tijdig laten verlengen van de registratie; het niet desgevraagd de medewerking verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling. Tweede categorie: het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, Participatiewet; het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, Participatiewet niet te willen nakomen, hetgeen heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. Artikel8a– Niet meewerken aan taaltoets Als een belanghebbende niet meewerkt aan het afleggen van de taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid van de Participatiewet, wordt een verlaging opgelegd van: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand; 40 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee de verlaging is toegepast vanwege het niet meewerken aan het afleggen van de taaltoets opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging; Telkens 100 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit in de zin van artkel 7a, onderdeel b, van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging. Artikel9- Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 20, 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 20, 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel het niet tijdig laten verlengen van de registratie; het niet desgevraagd de medewerking verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling. Tweede categorie: het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, hetgeen heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ; het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de IOAW en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en artikel 36, eerste lid, van de IOAZ en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. Derde categorie: gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren; het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdelen a en b, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, onderdelen a en b, van de IOAZ; het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de IOAW en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en artikel 36, eerste lid, van de IOAZ en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. Artikel10- Hoogte en duur van de maatregel De maatregel als bedoeld in artikel 8 en artikel 9 wordt vastgesteld op: 10 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. Artikel11- Duur maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Indien een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de maatregel 100 procent van de bijstandsnorm gedurende: één maand bij een eerste gedraging; twee maanden bij een tweede gedraging; drie maanden bij een derde gedraging en verder. Artikel12- Verrekenen maatregel 1.Bij een maatregel als bedoeld in artikel 9 derde lid, onder a, d en e, en artikel 11, wordt de maatregel toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden 1/3 van de maatregel wordt toebedeeld, voor gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onder b tot en met h, van de Participatiewet. Hiervan kan gemotiveerd worden afgeweken. 2.Als sprake is van een maatregel op grond van artikel 18, vierde lid, onder a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats. Artikel13-Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet bedraagt 20 procent van de bijstandsnorm over een periode die overeenkomt met de periode gedurende welke de belanghebbende eerder, of langer of voor een hoger bedrag beroep heeft gedaan op een uitkering. 2.Indien een belanghebbende voorafgaand aan de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de Participatiewet door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden bedraagt de maatregel 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. Artikel14- Voorliggende voorziening komt niet tot uitbetaling 1.Indien een voorliggende voorziening wegens verrekening van een bestuurlijke boete in verband met herhaalde schending van de inlichtingenplicht niet tot uitbetaling komt, waardoor een beroep wordt gedaan op algemene bijstand, wordt een maatregel opgelegd gedurende drie maanden. 2.De maatregel bedraagt de eerste maand 100 procent en de tweede en derde maand 20 procent van de bijstandsnorm. Artikel15- Zeer ernstige misdragingen Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt de volgende maatregel opgelegd: 60 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand wanneer het verbale agressie betreft; 90 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij bedreiging en zaakgericht fysiek geweld; 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij mensgericht fysiek geweld. Artikel16- Schending van overige verplichtingen Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd. De maatregel wordt vastgesteld op: 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. Paragraaf3- Handhaving Artikel17- Handhavingsbeleid 1.Het college stelt periodiek een beleidsplan handhaving vast en brengt dit ter kennis aan de raad. In dit plan doet het college voorstellen voor de wijze waarop zij het beleid wenst vorm te geven met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van fraude. 2.Het college brengt jaarlijks aan de gemeenteraad verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid. Paragraaf4- Slotbepalingen Artikel18- Hardheidsclausule Als toepassing van deze verordening voor de belanghebbende en/of zijn één meer gezinsleden tot een onbedoeld onredelijk resultaat zou leiden, wijkt het college ten gunste van de belanghebbende af van de bepalingen van de verordening. Hieronder worden in ieder geval situaties begrepen waarin het doel van de Participatiewet en/of de doelstellingen van de overige wet- en regelgeving in het sociale domein door een letterlijke toepassing van deze verordening wordt of worden belemmerd. Artikel19- Overgangsrecht, inwerkingtreding, intrekking en citeertitel 1.Voor zover een maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 toegepast; 2.Als een maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze verordening en daarop beslist wordt nadat deze verordening in werking is getreden, wordt het meest gunstige maatregelenregime toegepast; 3.Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2017, tenzij over onderdelen ervan, binnen twee weken na de bekendmaking daarvan, een inleidend verzoek tot het houden van een referendum wordt gedaan. 4.De Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt. 5.Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zoetermeer. Aldus vastgesteld in de openbare raad op [datum].de griffier, de voorzitter,TOELICHTING AlgemeenRechten en plichten in de ParticipatiewetDe gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt een maatregel opgelegd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van het opleggen van een maatregel. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de maatregel rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van het opleggen van een maatregel afzien als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt in beginsel een maatregel van honderd procent gedurende één tot drie maanden. In de verordening moet de duur van de maatregel worden vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). Is afgezien van een maatregel wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege een maatregel op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een maatregel, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de beslissing te herzien (artikel 18, derde lid, van de Participatiewet). Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de maatregel zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde maatregel in zwaarte of duur bij te stellen 1 CRvB 19-04-2011, nr. 10/4882 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3002.. Artikel 18, derde lid, van de Participatiewet is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet). Ten aanzien van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet van toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid, en artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet is dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als belanghebbende daarom vraagt. Een maatregel krachtens de maatregelenverordening is een punitieve sanctie voor zover de maatregel wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen 2 CRvB 31-12-2007, nrs. 06/4510 WWB, ECLI:NL:CRVB:2007:BC1811, CRvB 29-07-2008, nrs. 07/2262 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BD9023, CRvB 19-08-2008, nrs. 07/2416 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8919 en CRvB 19-01-2010, nr. 08/1012 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0052.. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze maatregel en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd. In andere gevallen waarin een maatregel wordt opgelegd krachtens de Maatregelenverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De maatregel en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. Wet taaleis Sinds 1 januari 2016 is de taaleis als nieuwe verplichting opgenomen in de Participatiewet (artikel 18b van de Participatiewet). Dit artikel bevat inspanningsverplichting voor bijstandsgerechtigden om de Nederlandse taal te beheersen, voor zover dit noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel trapsgewijs moet worden verlaagd met 20% gedurende 6 maanden in de periode 0-6 maanden na de schriftelijke kennisgeving dat een bijstandsgerechtigde de taal onvoldoende beheerst, 40% gedurende 6 maanden in de periode 6-12 maanden na de schriftelijke kennisgeving en 100% voor onbepaalde tijd na 12 maanden na de schriftelijke kennisgeving (artikel 18b, negende lid, tiende lid en elfde lid, van de Participatiewet). Artikel 18b van de Participatiewet kent een eigen afstemmingsregime waardoor een afstemmingsverordening niet van toepassing is. Maatregel in de IOAW en de IOAZSinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) te verlagen of te weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20, van de IOAW en artikel 20, van de IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening (artikel 35, van de IOAW en artikel 35, van de IOAZ). Het opleggen van een maatregel komt in de plaats van het boeten- en maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen. Schenden van de inlichtingenplichtDe bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) (thans: Participatiewet), IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van het opleggen van een maatregel. Overgangsrecht De wetgever heeft geen overgangsrecht geregeld. Voor zover een maatregelwaardige gedraging heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van deze verordening moet de Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ 2015 worden toegepast. Als een maatregelwaardige gedraging in 2017 heeft plaatsgevonden waarop beslist wordt op het moment dat deze verordening geldt moet het meest gunstige maatregelenregime voor een belanghebbende worden toegepast. Dit volgt uit artikel 15 van het IVBPR (internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten) en CRvB 19-05-2009, nr. 08/655 WWB, ECLI:NL:CRVB:2009:BI
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.