Re-integratieverordening Participatiewet gemeente ZoetermeerDe raad van de gemeente Zoetermeer; Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van [datum]; Gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vijfde en zevende lid, van de Participatiewet; BESLUIT Vast te stellen: de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer. Paragraaf1- Algemene bepalingen Artikel 1 - Begrippen 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. 2.In deze verordening wordt verstaan onder: doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; korte afstand tot de arbeidsmarkt: arbeidsinschakeling is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; lange afstand tot de arbeidsmarkt: arbeidsinschakeling is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; wet: Participatiewet. Paragraaf 2 - Beleid en financiën Artikel 2 - Evenwichtige verdeling en financiering 1.Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden, mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 2.Het college zendt één keer per jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid. 3.Voor de uitvoering van de in dit artikel beschreven opdracht aan het college stelt de raad ten minste eenmaal per drie jaren de kaders vast waarin de beleidsdoelen en de financieringswijze worden beschreven. Paragraaf 3 - Voorzieningen Artikel 3 - Algemene bepalingen over voorzieningen 1.Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening ten minste eenmaal per drie jaren een beleidsplan vast en brengt dit ter kennisgeving aan de raad. In dit plan wordt vastgelegd: welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden; de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen; en het flankerend beleid ten aanzien van arbeidsinschakeling, waaronder zorg en hulpverlening, alsmede de wijze waarop aandacht wordt besteed aan de combinatie van arbeid en zorg bij het ontheffingenbeleid. 2.Het college kan een voorziening beëindigen als: de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2, van de wet; naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3.Het college kan bij het toekennen van voorzieningen aan een groep personen, op basis van maatwerk, afwijken van de in deze verordening genoemde voorzieningen en bijbehorende bepalingen. Artikel 4 - Praktijkervaringsplek 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een praktijkervaringsplek gericht op arbeidsinschakeling aanbieden. 2.Het doel van een praktijkervaringsplek is het opdoen van werkervaring en/of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 5 - Sociale activering 1.Het college kan een persoon met een lange afstand tot de arbeidsmarkt die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering. 2.Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. Artikel 6 - Detacheringsbaan 1.Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep toeleiden naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3.Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 7 - Scholing Het college kan scholing of opleiding aanbieden aan een persoon die tot de doelgroep behoort indien de arbeidsinschakeling wordt belemmerd doordat deze niet beschikt over een startkwalificatie dan wel voldoende scholing of opleiding. Artikel 8 - Participatieplaats 1.Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand en een lange afstand tot de arbeidsmarkt overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2.Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3.De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet is gelijk aan het bedrag waarnaar wordt verwezen in artikel 31, tweede lid, onder k, van de wet per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. De premie wordt vastgesteld naar het aantal dagen per maand dat activiteiten zijn verricht. 4.Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 9 - Participatievoorziening beschut werk 1.Het college biedt de voorziening beschut werk aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon: behoort tot de doelgroep; of een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt. 2.Indien het aantal indicaties hoger is dan door het Rijk voorgeschreven, zal het college zich inspannen ook voor deze kandidaten een beschutte werkplek te realiseren. 3.Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid krijgt een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en die nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschut werkplek omdat het aantal door het Rijk voorgeschreven werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 4.Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 5.Het college biedt een praktijkervaringsplaats gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt. Artikel 10 - Ondersteuning bij leer-werktraject Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel 11 - Persoonlijke ondersteuning Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding door een jobcoach als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten. Het college kan zelf de jobcoach leveren dan wel de kosten voor jobcoaching aan de werkgever vergoeden als de kosten in verhouding staan tot de aard van de begeleiding en de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst. Artikel 12 - Werkplekaanpassing 6.Het college kan voor een werknemer met een structurele functionele lichamelijke arbeidsbeperking bij een werkgever een werkplekaanpassing realiseren dan wel de kosten van de aanpassing aan de werkgever vergoeden als: de kosten in verhouding staan tot de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst; de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort tot de doelgroep; en de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente. 2.De kosten van de aanpassing zijn niet hoger dan de goedkoopst noodzakelijke voorziening. 3.Een aanpassing of een vergoeding hiervoor als bedoeld in het eerste lid wordt niet gerealiseerd voor zover de werkgever een vergoeding kan aanvragen bij een andere instantie of van de werkgever redelijkerwijs verwacht kan worden dat hij de werkplekaanpassing zelf financiert of de afschrijvingstermijn van een eerder verstrekte identieke werkplekaanpassing nog niet is verstreken. Artikel 13 - Vervoersvoorziening Het college kan aan een persoon met een structurele functionele beperking in het kader van de arbeidsinschakeling een voorziening voor vervoer aanbieden indien het voor die persoon niet mogelijk is van een collectief systeem dan wel openbaar vervoer gebruik te maken, indien: de kosten in verhouding staan tot de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst en/of de scholing; de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid en/of de scholing behoort tot de doelgroep; en de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente. Artikel 14 - Werkgeverscheque Het college kan een tegemoetkoming in de vorm van een werkgeverscheque verstrekken aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een persoon die behoort tot de doelgroep als: de werknemer inwoner is van Zoetermeer; de vacature niet is ontstaan door reorganisatie of afvloeiing, tot een half jaar voorafgaand aan het verzoek om premie tegemoetkoming werkgever (geen verdringing op de arbeidsmarkt). Artikel 15 - Uitstroompremie 1.Het college kan aan een persoon uit de doelgroep op aanvraag een eenmalige premie verlenen indien de persoon een werkkring aanvaardt, die niet gesubsidieerd wordt door middel van de werkgeverscheque en/of een loonkostensubsidie door het college, of het verrichten van arbeid als zelfstandige die leidt tot uitkeringsonafhankelijkheid, en nadat: de belanghebbende negen maanden uitkeringsonafhankelijk is gebleven, én de belanghebbende negen maanden arbeid heeft verricht in loondienst dan wel als zelfstandige. 2.De mogelijkheid tot het aanvragen van de premie deelt het college aan de belanghebbende mee bij de beschikking waarmee het recht op uitkering wegens werkaanvaarding wordt ingetrokken. 3.Een eventueel aan de persoon uitbetaalde doorstroompremie wordt in mindering gebracht op de uitstroompremie. Artikel 16 - Vrijwilligerswerk 1.Het college kan een persoon uit de doelgroep met een lange afstand tot de arbeidsmarkt vrijwilligerswerk aanbieden. 2.De activiteiten mogen niet ontstaan zijn door reorganisatie of afvloeiing, tot een half jaar voorafgaand aan de plaatsing (geen verdringing op de arbeidsmarkt). 3.De werkgever of de uitvoeringsorganisatie draagt ten behoeve van de persoon die vrijwilligerswerk gaat verrichten, zorg voor adequate verzekering tegen ongevallen tijdens het verrichten van de activiteiten. 4.De instelling of onderneming waar de activiteiten worden verricht draagt zorg voor adequate begeleiding van de belanghebbende. Het college draagt zorg voor voortgangsondersteuning aan belanghebbende en instelling of onderneming. 5.Over de inhoud van de begeleiding en de verhouding tussen het verrichten van activiteiten en begeleiding maken werkgever en de persoon afspraken. Instemming van het college is hierbij vereist door mede-ondertekening van de overeenkomst. 6.Het college kan aan een persoon uit de doelgroep die vrijwilligerswerk verricht een kostenvergoeding verstrekken tot het maximumbedrag genoemd in artikel 31, tweede lid, onder k, van de wet. Artikel 17 - Proefplaatsing gericht op arbeidsinschakeling 1.Een proefplaatsing wordt gerealiseerd bij een werkgever die mogelijk bereid is een persoon uit de doelgroep, na een periode van het verrichten van activiteiten, een al dan niet gesubsidieerde arbeidsovereenkomst aan te bieden. 2.De activiteiten bestaan uit het verrichten van werkzaamheden zoals in de onderneming of instelling gebruikelijk is, gecombineerd met begeleiding door de werkgever. 3.De activiteiten mogen niet ontstaan zijn door reorganisatie of afvloeiing, tot een half jaar voorafgaand aan de plaatsing (geen verdringing op de arbeidsmarkt). 4.De werkgever of de uitvoeringsorganisatie draagt ten behoeve van de persoon zorg voor adequate verzekering tegen ongevallen tijdens het verrichten van de activiteiten. 5.De instelling of onderneming waar de activiteiten worden verricht draagt zorg voor adequate begeleiding van de belanghebbende. Het college draagt zorg voor voortgangsondersteuning aan belanghebbende en instelling of onderneming. 6.Over de inhoud van de begeleiding en de verhouding tussen het verrichten van activiteiten en begeleiding maken werkgever en de persoon afspraken. Instemming van het college is hierbij vereist door mede-ondertekening van de overeenkomst. Artikel 18 - Doorstroompremie 1.Bij aanvaarding van een werkkring, die gesubsidieerd wordt door middel van een werkgeverscheque en/of loonkostensubsidie door het college, die leidt tot uitkeringsonafhankelijkheid, verleent het college op aanvraag een eenmalige premie verstrekking, indien en nadat: de belanghebbende drie maanden uitkeringsonafhankelijk is gebleven; én de belanghebbende deze drie maanden arbeid heeft verricht. 2.De mogelijkheid tot het aanvragen van de premie deelt het college aan de belanghebbende mee bij de beschikking waarmee het recht op uitkering wegens werkaanvaarding wordt ingetrokken. Artikel 19 - Persoonsgebonden re-integratiebudget 1.Aan een persoon uit de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, die minimaal zes maanden een uitkering heeft en in staat wordt geacht zelf een trajectplan op te stellen en uit te voeren, ondersteund door een uitvoeringsorganisatie of arbeidsadviseur, kan een persoonsgebonden re-integratiebudget worden toegekend. 2.Het persoonsgebonden re-integratiebudget kan slechts ingezet worden indien andere instrumenten, die direct beschikbaar zijn voor de gemeente Zoetermeer, niet passend zijn. 3.Het persoonsgebonden re-integratiebudget dient uitsluitend tot inkoop van re-integratieactiviteiten. 4.Het trajectplan bevat de activiteiten die de persoon wil inkopen en tot welk doel de activiteiten gaan leiden. De activiteiten dienen noodzakelijk te zijn om het doel te bereiken. Het trajectplan dient uitstroom in maximaal twaalf maanden tot doel te hebben. 5.Goedkeuring van het college is vereist alvorens het trajectplan uitgevoerd mag worden. Een eventuele tussentijdse wijziging dient goedgekeurd te worden door het college. 6.Het persoonsgebonden re-integratiebudget eindigt indien de uitkering wordt beëindigd. 7.Het persoonsgebonden budget kan, indien het college het noodzakelijk acht, worden verlengd met een periode van maximaal zes maanden. In dat geval wordt het budget opgehoogd met de noodzakelijke kosten om het traject tot een succesvol einde te brengen. Artikel 20 - Nazorg 1.Het college kan aan een werkgever waarbij een persoon uit de doelgroep arbeid heeft aanvaard, gedurende maximaal twaalf maanden nazorg bieden. 2.De nazorg is gericht op het bestendig maken van de arbeidsrelatie van de persoon en de werkgever. Paragraaf 4 - Slotbepalingen Artikel 21 - Intrekken oude verordening en overgangsrecht 1.De Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer 2015 wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt. 2.Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer 2015 of Beleidsregels re-integratie Participatiewet gemeente Zoetermeer 2015, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer 2015 of Beleidsregels re-integratie gemeente Zoetermeer 2015 voor de duur dat deze is verstrekt. Artikel 22 - Hardheidsclausule Als toepassing van deze verordening voor de belanghebbende en/of zijn één meer gezinsleden tot een onbedoeld onredelijk resultaat zou leiden, wijkt het college ten gunste van de belanghebbende af van de bepalingen van de verordening. Hieronder worden in ieder geval situaties begrepen waarin het doel van de Participatiewet en/of de doelstellingen van de overige wet- en regelgeving in het sociale domein door een letterlijke toepassing van deze verordening wordt of worden belemmerd. Artikel 23 - Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2017, tenzij over onderdelen ervan, binnen twee weken na de bekendmaking daarvan, een inleidend verzoek tot het houden van een referendum wordt gedaan. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zoetermeer. Aldus vastgesteld in de openbare raad op [datum].de griffier, de voorzitter,TOELICHTING Algemeen Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden. Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening: scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onder c, en tweede lid, onder c, van de Participatiewet); de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onder d, en tweede lid, onder c, van de Participatiewet); participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onder e, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet); no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onder b, van de Participatiewet); en persoonlijke ondersteuning (artikel 8a, eerste lid, onder a en artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet). Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Paragraaf 1 - Algemene bepalingen Artikel 1 - Begrippen Dit artikel behoeft geen toelichting. Paragraaf 2 - Beleid en financiën Artikel 2 - Evenwichtige verdeling en financieringOp grond van artikel 8a, tweede lid, onder a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In deze verordening is aan het voorgaande uitvoering gegeven door bij elke voorziening te benoemen of deze voorziening aangeboden kan worden aan personen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt die behoren tot de doelgroep of aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt die behoren tot de doelgroep. Voor de overige voorzieningen volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het college deze voorzieningen kan aanbieden. Rekening houden met omstandigheden, mogelijkheden en capaciteiten Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de omstandigheden, mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. In artikel 2, eerste lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden. Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van een voorziening maakt het college een afweging waarbij beoordeeld wordt of de ondersteuning of de voorziening het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. Paragraaf 3 - Voorzieningen Artikel 3 - Algemene bepalingen over voorzieningenDe Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt. Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld zijn in deze verordening, het in artikel 3 genoemde beleidsplan en de op grond van deze verordening gestelde regels. Beëindigingsgronden Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het moment dat inkomen uit arbeid gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (zie Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Als een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening niet voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ of de Wet SUWI dan verlaagt het college de uitkering conform de Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.