Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Lingewaal 20151.Inleiding De verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de belanghebbende en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de belanghebbende, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen. Hierbij wordt in beeld gebracht wat de belanghebbende op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, Als er een integraal beeld is, is het mogelijk om te bepalen of en welke maatwerkvoorziening er nodig is. De Wmo 2015, de verordening, het besluit maatschappelijke ondersteuning en deze beleidsregels leggen deze toegangsprocedure vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist besluit moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Als de belanghebbende van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende is, kan hij daartegen bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van de belanghebbende op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de belanghebbende in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. De Wmo 2015 en de verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of het sociaal team. Waar in de verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. Procedure Wanneer belanghebbende behoefte heeft aan ondersteuning kan hij bij het Wmo-loket maar ook bij andere “poorten” zoals de huisarts, maatschappelijk werk of het sociaal team zijn vraag stellen. Soms blijkt na een korte vraagverkenning dat informatie en advies voldoende is voor belanghebbende om het ondervonden probleem op te lossen. Wanneer verdere vraagverheldering of verdieping nodig blijkt dan zal een breed gesprek (keukentafelgesprek) gevoerd worden. Bij beoordeling van de klantvraag zijn de volgende opties beschikbaar: enkelvoudige, niet complexe aanvragen om een Wmo-voorziening worden afgehandeld via het Wmo-loket; meervoudige aanvragen (probleem op meer dan één leefgebied) worden opgepakt door het sociaal team dat een bindend advies uitbrengt aan de gemeente. De administratieve afhandeling vindt plaats via de back office van het Wmo-loket; enkelvoudige complexe aanvragen worden eveneens opgepakt door het sociaal team dat een bindend advies uitbrengt aan de gemeente. De administratieve afhandeling vindt plaats via de back office van het Wmo-loket. Is de vraag van de belanghebbende enkelvoudig dan wordt deze opgepakt door de Wmo-consulenten dan wel de instantie waar de expertise om de vraag op te pakken in huis is. Betreft het een meervoudige vraag dan wordt deze opgepakt door het sociaal team. De leden van het sociaal team zijn in staat op het keukentafelgesprek te voeren. Bij het voeren van het keukentafelgesprek komen alle levensgebieden aan de orde (wonen, huishouden, vervoer, ontmoeten, meedoen, werken, opgroeien, rondkomen, leren en zorg). 2.1 Gesprek Het gesprek is het uitgangspunt tijdens het uitgebreide onderzoek naar de situatie van belanghebbende. Daarbij is aandacht voor: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van belanghebbende; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp te voorzien in zijn behoefte; de mogelijkheid om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn situatie; de behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger(
(2015): Niet-lijfgebonden PV van cliënten (over het algemeen mensen met een zintuiglijke, een psychische of een verstandelijke beperking) die zichzelf wel kunnen wassen en aankleden en naar de wc gaan, maar daartoe aangespoord moeten worden door de begeleider omdat ze een regieprobleem hebben. PV die moet worden verleend tijdens de dagbesteding. Het gaat dan bijvoorbeeld om cliënten helpen met naar de wc gaan. Dit zijn handelingen die de begeleider van de dagbesteding verricht. Wanneer PV onder de Wmo en wanneer onder de Zorgverzekeringswet valt ziet er schematisch als volgt uit: Na het overgangsjaar 2015 bestaan er geen grondslagen meer. Zorgverzekeringswet In de Zorgverzekeringswet is bepaald dat mensen aanspraak hebben op verpleging en verzorging, zoals verpleegkundigen die plegen te bieden wanneer zij behoefte hebben aan geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop. Deze zorg maakt onderdeel uit van het basispakket van verzekerden. De wijkverpleegkundige bepaalt de behoefte aan verpleging en verzorging van de verzekerde naar aard, inhoud en omvang. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 De behoefte aan verzorging zoals die ten laste van de AWBZ werd verleend, kan ook samenhang hebben met de behoefte aan begeleiding. Deze verzorging houdt dan geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Deze verzorging in de vorm van ondersteuning wordt niet naar het basispakket overgeheveld, maar wordt net als de AWBZ- functie begeleiding gepositioneerd onder de Wmo2015. De Wmo2015 regelt de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het ondersteunen van mensen die er niet op eigen kracht of met hulp van hun sociale netwerk in slagen zelfredzaam te zijn of te participeren in de samenleving. De omschrijving van zelfredzaamheid bevat twee elementen: Het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse verrichtingen (ADL) Het voeren van een gestructureerd huishouden. ADL zijn handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten. Het begrip algemeen dagelijkse verrichtingen wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. De persoonlijke verzorging van mensen valt binnen deze begripsbepaling. Iemand die als gevolg van beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact 8.8 Beschermd wonen Belanghebbenden die door hun beperkingen behoefte hebben aan een beschermd woonklimaat die gericht is op het bieden van structuur en ondersteuning van alle dagelijks activiteiten wonen vaak in een zogenaamde woonvorm voor beschermd wonen. Dit is geen grote instelling maar een cluster van vaak “gewone” woningen waarbij op kleine schaal belanghebbenden uit een bepaalde doelgroep (psychiatrie, verstandelijke beperking, ouderen) bij elkaar wonen. Soms is er sprake van een eigen leefeenheid, soms alleen van een eigen slaapkamer. Er zijn gemeenschappelijke ruimte, waar de belanghebbenden elkaar en de aanwezige begeleiders ontmoeten. Belanghebbenden krijgen begeleiding bij het structuur van hun dagelijks leven, ondersteuning bij regelzaken en geldbeheer en bij het vinden van een passende dag invulling. Voor een deel van de belanghebbenden is beschermd wonen een opstapje naar zelfstandig wonen. Beschermd Wonen is: ”wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychische psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.” 8.8.1 Criteria voor beschermd wonen: Een cliënt heeft recht op een beschermde woonomgeving indien de cliënt niet zelfstandig kan wonen en zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving. De cliënt heeft aanspraak op een beschermde woonomgeving, als: er sprake is van psychiatrische problematiek; hij niet zelfstandig kan leven en een mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen vormt; hij afhankelijk is van anderen als het gaat om oordeelsvorming over essentiële zaken in het dagelijks bestaan; hij vaardigheden mist om zich staande te houden in een individuele, zelfstandige woonomgeving; hij niet of niet altijd in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen. Het betreft het niet adequaat kunnen alarmeren; er sprake is van regiobinding (zie beleidsregels maatschappelijke opvang en vrouwenopvang). Als bij cliënt niet wordt voldaan aan de regiobinding, dan dient een regeling te worden getroffen met de regio, die het meest geschikt is voor de cliënt; de volgende voorzieningen niet of onvoldoende beschikbaar zijn: voorliggend, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen, gebruikelijke hulp, hulp uit het sociaal netwerk. De beoordeling van de aanspraak op beschermd wonen voor inwoners uit regio Rivierenland wordt door de GGD Gelderland Zuid gedaan. Centrumgemeente Nijmegen is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze Wmo taak en ontvangt hiervoor ook de middelen. 8.9 Maatschappelijke opvang Dak en thuislozen opvang Het dagactiviteitencentrum de Dolfijn in Tiel biedt dagopvang aan dak- en thuislozen. Dak- en thuislozenopvang zijn voor mannen en vrouwen vanaf 18 jaar. De zorg is in principe tijdelijk. De dagopvang is gratis. Er wordt een kleine vergoeding gevraagd voor diensten als eten, drinken, gebruik van wasmachine. Tijdens koude periode in de winter wordt hier ook nachtopvang geboden. Vrouwenopvang De vrouwenopvang biedt opvang- en begeleiding aan vrouwen en hun eventuele kinderen die in een onveilige situatie verkeren en/of waarin sprake is van huiselijk geweld. Daarnaast kunnen er problemen zijn op andere leefgebieden bijvoorbeeld financiën, opvoeding, verslaving. De begeleiding is gericht op het versterken van de mogelijkheden van het gezinssysteem en is gericht op een passende toekomstsituatie (hulpverlening en/ of woonvorm). De opnameduur is zo kort mogelijk en zo lang als noodzakelijk. Crisisopvang De crisisopvang biedt 24-uurs opvang en begeleiding aan mensen die in een crisissituatie verkeren en geen woning hebben. De redenen hiervoor kunnen divers zijn, bijvoorbeeld huisuitzetting/ financiële problemen/ relationele problemen/ verslaving. In de begeleiding wordt toegewerkt naar een passende toekomstsituatie (hulpverlening en/of woonvorm). De crisisopvang is voor mannen, vrouwen, gezinnen, (echt)paren en jongeren vanaf 18 jaar die in een noodsituatie verkeren en dakloos zijn. De opnameduur binnen de crisisopvang is zo kort als mogelijk en zo lang als noodzakelijk. 9. Slotbepalingen 9.1 Inwerkingtreding De “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Lingewaal 2015” treden met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2017. Deze beleidsregels zijn een nadere uitwerking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Lingewaal 2015 en het Besluit maatschappelijke ondersteuning Lingewaal 2015. BIJLAGE I Protocol gebruikelijke zorg Het principe van 'gebruikelijke zorg' heeft een verplichtend karakter en hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van bijvoorbeeld sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling en de wijze van inkomensverwerving. Gebruikelijke zorg door (jonge) huisgenoten Gebruikelijke zorg heeft een verplichtend karakter. Dit houdt in dat er zowel van volwassen als jonge huisgenoten een bijdrage wordt verlangd in het huishouden. Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen. Voor gezonde jonge huisgenoten geldt: Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden Huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien) Huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar worden kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (bv. opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien) en hun eigen kamer op orde houden (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen) Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren. Dit wil zeggen; schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren. In het protocol 'Gebruikelijke Zorg' (CIZ, 2005) wordt dit benoemd als: 2 uur uitstelbare taken en 3 uur niet uitstelbare taken per week. Onder uitstelbare taken wordt verstaan; boodschappen doen, zwaar huishoudelijk werk en wasverzorging. Onder niet-uitstelbare taken wordt verstaan: maaltijden verzorgen, licht huishoudelijk werk, gezonde kinderen opvangen/verzorgen en dagelijkse organisatie van het hulshouden voeren. In een uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt echter niet gesproken over uren maar over het kunnen voeren van een eenpersoonshuishouden. Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen wanneer de cliënt uitvalt. Niet gewend zijn of de vaardigheid missen Redenen als 'niet gewend zijn om' of 'geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een aanspraak. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. 1. Zorgplicht voor kinderen Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Zij dienen te zorgen voor de opvoeding van hun kinderen, het zorgen voor hun geestelijke en lichamelijke welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid als ook zorg bij kortdurende ziekte. De hoeveelheid zorg is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind (zie onderstaande opsomming). Bij uitval van een van de ouders dient de andere ouder de zorg voor de kinderen over te nemen. Waarbij van hen wordt verwacht dat zij maximaal zoeken naar eigen oplossingen: zorgverlof, mantelzorg en andere voorliggende voorzieningen. De zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindigen van de relatie. Maar er dient wel rekening gehouden te worden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken. Zorgplicht voor gezonde kinderen Kinderen van 0 tot en met 4 jaar: kunnen niet zonder toezicht van volwassenen moeten volledig verzorgd worden; aan- en uitkleden, eten en wassen zijn tot 4 jaar niet zindelijk hebben begeleiding nodig bij hun sport/spel- en vrijetijdsbesteding, hebben dit niet in verenigingsverband zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven Kinderen van 5 tot en met 11 jaar: kunnen niet zonder toezicht van volwassenen hebben toezicht nodig (en nog maar weinig hulp) bij hun persoonlijke verzorging zijn overdag zindelijk en 's nachts merendeel ook sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, gemiddeld 2x per week hebben bij hun vrijetijdsbesteding alleen begeleiding nodig in het verkeer wanneer zij van en haar hun activiteiten gaan hebben vanaf 5 jaar een reguliere dagbesteding op school, oplopen van 22 tot 25 uur per week Kinderen van 12 tot en met 17 jaar: hebben geen hulp (en maar weinig toezicht) nodig bij hun persoonlijke verzorging hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen; kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden, kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden, kunnen vanaf 18 zelfstandig wonen sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, onbekend aantal keer per week hebben bij hun vrijetijdsbesteding geen begeleiding nodig in het verkeer hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding 2. Uitzonderingen bij bijzondere typen leefsituaties Bij een aantal typen leefsituaties wordt anders omgegaan met het begrip 'duurzaam huishouden' waardoor er mogelijk geen/beperkt sprake zal zijn van 'gebruikelijke zorg'. Kamer huren bij cliënt Als een cliënt een kamer verhuurt aan een derde wordt de huurder niet tot de leefeenheid gerekend. De huurder wordt in staat geacht de gehuurde ruimte(
- n)schoon te houden en een evenredige bijdrage te leveren aan gezamenlijke ruimten. In de berekening van de omvang van de hulp wordt het schoonmaken van gehuurde ruimte(
- n)dus niet meegerekend. Geclusterd wonen Een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in een huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. Met andere woorden; de cliënt vormt geen duurzaam huishouden met de huisgenoten. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval wel een eigen woon/slaapkamer en de overige ruimten worden in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. In de berekening van de omvang van hulp wordt het schoonmaken van de eigen woonruimte(
- n)en slecht een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten meegerekend. Leef- en woongemeenschappen Een cliënt zelfstandig met meerdere mensen in een gebouw en vormt hiermee wel een leefeenheid. Met andere woorden; cliënt vormt een duurzaam hulshouden met de huisgenoten. Vrijwel alle leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze of spirituele inhoud. Een voorbeeld hier van zijn kloostergemeenschappen waarbij er sprake is van een leefeenheid, maar de taakverdeling zich niet leent voor overname. In die situaties kan een cliënt hulp krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer en een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimten die vallen binnen het niveau van de sociale woningbouw. Bibliotheken, gebedsruimten etc. vallen buiten het niveau van de sociale woningbouw en behoren daardoor tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. 3. Uitzonderingen voor gebruikelijke zorg In een aantal situaties waarbij er sprake is van een 'duurzaam huishouden' mag er worden afgeweken van het principe van 'gebruikelijke zorg': Medisch geobjectiveerde aandoening Als uit objectief onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, handicap of probleem, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden, is 'gebruikelijke zorg' niet van toepassing. Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting Overbelasting kan worden veroorzaakt door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren. Met andere woorden; in exact dezelfde situatie zaI de ene huisgenoot wel overbelast kunnen raken, terwijl een andere huisgenoot hier geen of minder last van heeft. Het is daarom van belang zorgvuldig onderzoek te plegen naar de verhouding tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting) en symptomen die kunnen wijzen op overbelasting. In veel gevallen wordt een medisch adviseur daarbij Ingeschakeld ter beoordeling. In principe zaI overname van huishoudelijke taken voor een korte duur zijn, te denken valt aan 3-6 maanden. In deze periode wordt de leefeenheid de gelegenheid gegeven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer: lichamelijke conditie geestelijke conditie wijze van omgaan met problemen (coping) motivatie voor de zorgtaak sociaal netwerk Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer: omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken ziektebeeld en prognose inzicht van huisgenoot in ziektebeeld van cliënt woonsituatie bijkomende sociale problemen bijkomende emotionele problemen bijkomende relationele problemen Mogelijke symptomen van overbelasting zijn: gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug hoge bloeddruk gewrichtspijn gevoelens van slapte slapeloosheid migraine, duizeligheid spierkrampen verminderde weerstand, ziektegevoeligheid opvliegingen ademnood en gevoelens van beklemming op de borst plotseling hevig zweten gevoelens van beklemming in de hals spiertrekkingen in het gezicht verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen ongeduld vaak huilen neerslachtigheid isolering verbittering concentratieproblemen dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen rusteloosheid perfectionisme geen beslissingen kunnen nemen denkblokkades Dreigende overbelasting door het verlenen van AWBZ-zorg Uit jurisprudentie blijkt dat in die situaties de aanvraag voor huishoudelijke hulp niet per definitie afgewezen kan worden. Als een huisgenoot aangeeft dat er sprake is van (dreigende) overbelasting door de combinatie van (huishoudelijk) werk en de verzorging van een zieke huisgenoot, dienen deze klachten te worden geobjectiveerd. Het oordeel van een arts is hierbij noodzakelijk naast het horen van de huisgenoot. Daarbij dienen onderstaande zaken onderzocht te worden: is er sprake van onplanbare zorg? worden meer uren Wlz zorg geleverd dan geïndiceerd (bieden van mantelzorg)? heeft huisgenoot mogelijk een (deel van) betaalbare baan opgezegd om Wlz zorg te verlenen? draaglast en draagkracht Uit recente jurisprudentie blijkt dat onderzoek naar enkel de medische situatie van de huisgenoot niet toereikend is. Er moet ook een beeld gevormd worden van de overige factoren die kunnen leiden tot (dreigende) overbelasting. Denk daarbij aan de aard en intensiteit van de verleende zorg, tezamen met de medische problematiek van de cliënt. (Dreigende) overbelasting bij korte levensverwachting cliënt In terminale situaties is overleg met de huisgenoten over wat draagbaar is zeer belangrijk. In deze situaties mag er soepeler worden omgegaan met het principe 'gebruikelijke zorg'. (Dreigende) overbelasting na overlijden ouder Indien een cliënt aangeeft overbelast te zijn door de combinatie van werk en de verzorging van de inwonende kinderen, vanwege het plotseling overlijden van de andere (inwonende) ouder, kan kortdurend huishoudelijke taken worden overgenomen. Te denken valt aan een periode van 3-6 maanden zodat de leefeenheid de gelegenheid gegeven de taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Voorkomen van crisis en ontwrichting bij verzorging en opvang van gezonde kinderen Indien opvang van gezonde kinderen noodzakelijk is heeft de inzet van voorliggende voorzieningen en/of mantelzorg een verplichtend karakter. Gebruik van voorliggende voorzieningen zoals kinderopvang en crèche is gangbaar tot en met 5 dagen per week. Als deze niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput zijn, is inzet van hulp voor oppas en opvang van kinderen voor een korte periode mogelijk. Te denken valt aan een periode van 3-6 maanden zodat de ouder(
- s)de gelegenheid krijgt een eigen oplossing te vinden. Ouderen met een hoge leeftijd Als een huisgenoot een dusdanig hoge leeftijd heeft bereikt (75 jaar en ouder) kan dit leiden tot overname van de zware huishoudelijke taken die anders tot de 'gebruikelijke zorg' zouden worden gerekend. Het aanleren van nieuwe taken kan redelijkerwijs niet meer worden verwacht. Fysieke afwezigheid in verband met werk Er wordt geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Dit is bijvoorbeeld bij internationaal vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de off-shore of mariniers. Het gaat namelijk te ver deze mensen te dwingen een andere baan of functie te zoeken. De afwezigheid dient echter wel te voldoen aan de volgende kenmerken: het is inherent aan het werk; heeft een verplichtend karakter; en is voor een aaneengesloten periode van tenminste 7 etmalen. Let op: Jurisprudentie is genuanceerder en gaat niet per definitie uit van de zeven etmalen. De CRvB noemt dat hierdoor ten onrechte wordt voorbij gegaan aan de vraag of de huisgenoot feitelijk kan voorzien in het verlenen van deze zorg. Hierbij dient altijd de individuele situatie nauwkeurig onderzocht te worden. In de periode van afwezigheid is de huisgenoot niet in staat 'gebruikelijke zorg' te leveren. In de berekening van de omvang van de hulp dient deze huisgenoot niet te worden meegerekend. BijlageIIRESULTAATFORMULERINGEN Resultaten met betrekking tot WONEN De cliënt: kan zelfstandig blijven wonen. kan omgaan met routinematige zaken. heeft een plek om te wonen in een veilige omgeving. is in staat in zijn vertrouwde omgeving te blijven wonen. ervaart een gevoel van veiligheid en geborgenheid in de eigen woonomgeving. heeft de benodigde hulpmiddelen en kan deze goed gebruiken. kan zich met ondersteuning in huis redden. Onveilige situaties worden voorkomen Resultaten met betrekking tot WERKEN / DAGINVULLING De cliënt: heeft een regelmatige structuur in zijn dagelijks leven en maakt gebruik van een passende dagbesteding in de vorm van dagactiviteiten. is actiever en gaat gemakkelijker sociale contacten aan. heeft een zinvolle dagbesteding en een gestructureerde dagindeling. heeft (betaald) werk. is begonnen aan een re-integratie traject. heeft een dag invulling waar hij voldoening van krijgt en die aansluit bij zijn mogelijkheden, interesses en wensen op het gebied van onder andere vrije tijdsbesteding. blijft mede door een regelmatige dagstructuur op het rechte pad Resultaten met betrekking tot PSYCHISCH FUNCTIONEREN De cliënt: neemt op tijd zijn medicatie in. herkent tijdig signalen van onrust en zoekt dan hulp, zodat escalatie van de situatie voorkomen kan worden werkt mee aan het onderzoeken van de oorzaken van de onrust. kan omgaan met zijn beperking en heeft een vergroot zelfvertrouwen (empowerment en eigen kracht). ervaart een groter gevoel van zelfstandigheid (regie over het eigen leven) en welbevinden. kan omgaan met zijn emoties en verlieservaringen en weet waar hij met vragen terecht kan. De draagkracht van de mantelzorger of het steunsysteem wordt overeind gehouden. Resultaten met betrekking tot SOCIAAL FUNCTIONEREN De cliënt: heeft een sociaal netwerk met daarbinnen goede contacten met familie, vrienden en buren opgebouwd heeft een verstrekt netwerk (met daarbinnen goede contacten met familie, vrienden en buren). doet met andere kinderen mee in clubs of verenigingen. heeft een sociaal netwerk buiten de circuits op straat. kan communiceren met mensen uit zijn sociale netwerk, zoals familie, vrienden en buren. De mensen uit het netwerk weten hoe ze met de cliënt moeten omgaan. Resultaten met betrekking tot FINANCIEN De cliënt: heeft overzicht over zijn administratie en financiën. weet hoe om te gaan met geld of accepteert ondersteuning daarbij. De financiële problemen zijn beperkt. verkeert in een gezonde financiële situatie. heeft zijn geldzaken op orde. heeft overzicht over zijn financiën en neemt daarin verantwoorde beslissingen. Resultaten met betrekking tot LICHAMELIJKE ZORG De cliënt: zorgt er elke dag voor dat hij schoon en verzorgd is. zorgt ervoor dat hij iedere dag voldoende en gezond eet en drinkt. ziet er schoon en verzorgd uit en gaat op een verantwoorde manier om met seksuele contacten. behoud de zelfzorg die hij nu heeft en werkt toe naar verbetering daarvan. BijlageIndicatiewijzer CIZ-Indicatiewijzer