Financiële verordening Gemeente Geertruidenberg 2017Verordening artikel 212 Gemeentewet De raad van de gemeente Geertruidenberg; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 30 mei 2017; gelet op artikel 212 van de gemeentewet: Besluit: Vast te stellen de Financiële verordening Gemeente Geertruidenberg 2017. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1.Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: programma: een samenhangend geheel van producten, activiteiten en geldmiddelen gericht op het bereiken van vooraf bepaalde maatschappelijke effecten, waaraan indicatoren gekoppeld zijn. taakvelden: eenheden waarin de programma’s, of de eenheden in overzichten en bedragen in het programmaplan, conform het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) zijn onderverdeeld; Cluster: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college; overhead: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces; administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie voor het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd; inkomsten: totaal van de baten voor onttrekking aan reserves; investeringen: het vastleggen van vermogen in duurzame goederen waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Voor de gehanteerde begrippen in de verordening gelden de definities uit de Gemeentewet, de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido), het Besluit begroting en verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole Provincie en Gemeenten. Overige begrippen uit de verordening zijn in dit artikel gedefinieerd. Hoofdstuk2.Begroting en verantwoording Artikel2.Programma-indeling 1.De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college vast: een programma-indeling; de taakvelden per programma; over welke onderwerpen zij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen in de begroting en rekening kaders wil stellen en geïnformeerd wil worden. 2.De raad stelt op voorstel van het college per programma relevante indicatoren vast voor het meten van en het afleggen van verantwoording over de gemeentelijke doelstellingen en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid. Het voorstel bevat minimaal de verplichte indicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. De indeling van de programma’s wordt bij aanvang van iedere raadsperiode door de raad vastgesteld. Het BBV bepaalt in aanvulling hierop dat de taakvelden aan de programma’s worden toegewezen. Daarnaast kan de raad aanvullende onderwerpen aandragen waarover zij kaders wil stellen en geïnformeerd wil worden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een paragraaf subsidies of een paragraaf duurzaamheid. Dat geldt ook voor aanvullende indicatoren. De raad heeft de mogelijkheid om hieraan onderwerpen toe te voegen gedurende de raadsperiode. Artikel3.Inrichting begroting en jaarstukken 1.Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de begrote lasten en baten weergegeven. Bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per programma weergegeven. 2.Bij de uiteenzetting van het investeringsplan in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven. 3.In de jaarrekening worden van de investeringen en meerjarige projecten de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven weergegeven. Aanvullend op het BBV zijn bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. Naast de W-vragen ‘Wat willen we bereiken?’ en ‘Wat gaan we er voor doen?’ is hier de derde W-vraag ‘Wat mag het kosten?’ bedoeld voor de uitwerking van de begroting en de jaarstukken. Ook is invulling gegeven aan artikel 20 van het BBV om in de jaarrekening aandacht te besteden aan de investeringen als onderdeel van de financiële positie. Artikel4.Kaders begroting 1.Het college biedt jaarlijks aan de raad een kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad neemt kennis van deze nota. In de kadernota staan uitgangspunten die het college bij het opstellen van de begroting en meerjarenraming in acht moet nemen. Artikel5.Autorisatie begroting en investeringskredieten 1.De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma. 2.In afwijking van het eerste lid kan de raad een activiteit welke onderdeel is van een programma, als prioriteit aanwijzen en daarvoor de baten en lasten apart autoriseren. 3.Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen zij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van het investeringsplan geautoriseerd. 4.Het college informeert de raad als ze verwacht dat de lasten en/of baten afwijken van de door de raad vastgestelde baten en lasten per programma. Het college doet daarbij voorstellen voor bijstelling van het budget en/of voor bijstelling van het beleid ten opzichte van de vorige begroting. 5.Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. 6.De door de raad beschikbaar gestelde investeringskredieten blijven in de daaropvolgende jaren beschikbaar totdat de raad anders besluit. Het budgetrecht ligt bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt voor de eerste jaarschijf. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De raad kan kiezen op welk niveau zij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van programma’s. Naast lopende uitgaven doet een gemeente investeringen. Voor de autorisatie van investeringskredieten is gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen (derde lid). Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangegeven welke investeringskredieten zij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan. Artikel6.Tussentijdse rapportage 1.Het college informeert de raad minstens eenmaal per jaar door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van het lopende boekjaar. 2.In de tussenrapportages wordt op programmaniveau gerapporteerd over financiële afwijkingen van de begroting. Financiële afwijkingen op lasten en/of baten van € 25.000 of hoger dienen in elk geval te worden toegelicht. Daarnaast worden de beleidsmatige afwijkingen gerapporteerd op programma- of themaniveau. 3.Naast de beleidsmatige en financiële afwijkingen geeft de tussenrapportage ook inzicht in afwijkingen in: Financiele positie (schuldpositie en reservepositie); Raming van de uitputting van de investeringskredieten. Een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad is de tussentijdse rapportage. Door middel van tussentijds rapporteren wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid. Hier wordt ook bepaald welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het college in de tussentijdse rapportage moet toelichten. Afwijkingen lager dan € 25.000 maar wel politiek relevant worden ook toegelicht. Artikel7.Informatieplicht 1.Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas een besluit nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen voor zover het betreft niet bij begroting en investeringsprogramma vastgestelde afzonderlijke verplichtingen inzake: aankoop van goederen, werken en diensten groter dan € 25.000; het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 25.000; Aankoop en verkoop van onroerende zaken waarvan de (ver)koopsom groter dan € 25.000 2.In gevallen waarbij sprake is van niet in de begroting opgenomen spoedeisende uitgaven wordt melding gedaan aan de raad waarna alsnog bekrachtiging via raadsvoorstel plaatsvindt. Het artikel schept duidelijkheid tussen het college en de raad over wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college kenbaar te maken. Van belang hierbij is de afspraken zodanig te formuleren dat college én raad beide hun rol kunnen vervullen. Artikel8.EMU-saldo Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het Economische Monetaire Unie (EMU)-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting. Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt door vertaald. Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Hoofdstuk3.Financieel beleid Artikel9.Waardering en afschrijving vaste activa 1.In bijlage 1 Afschrijvingsbeleid bij deze verordening is het afschrijvingsbeleid ten aanzien van materiële vaste activa opgenomen. 2.Het college kan nadere voorschriften vaststellen, binnen de wettelijke kaders, voor de waardering en afschrijving van activa. De voorschriften worden voor kennisneming aan de raad aangeboden. In het tweede lid, onder a, van artikel 212 Gemeentewet is opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in bijlage 1 invulling gegeven. In de bijlage zijn de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën van materiële vaste activa met economisch en maatschappelijk nut opgenomen. Daarbij is gekozen voor een huidige en maximale termijn. Bij vaststelling van de verordening worden de afschrijvingstermijnen in de kolom “huidig” gehanteerd. Het college heeft de mogelijkheid om de termijnen te verhogen naar de termijnen die in de kolom “maximaal” zijn opgenomen. Reden hiervoor is dat door technologische ontwikkelingen de economische levensduur van nieuwe activa langer kan zijn dan die van oudere activa. Door het opnemen van de maximale afschrijvingstermijn kan in een dergelijk geval voor nieuwe activa een langere afschrijvingstermijn worden toegepast zonder dat deze in strijd is met de verordening. Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk nut verplicht. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte levensduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast. Artikel10.Voorziening voor oninbare vorderingen Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling op oninbaarheid van de openstaande vorderingen. Artikel11.Reserves en voorzieningen In bijlage 2 Beleidskader reserves en voorzieningen is het kader voor reserves en voorzieningen opgenomen. Dit kader geeft inzicht in wettelijke voorschriften, begrippen en bevoegdheidsverdeling. Daarnaast worden kaders over de periodieke actualisatie weergegeven en wordt ingegaan op resultaatbestemmingen. De richtlijnen ten aanzien van reserves en voorzieningen zijn vastgelegd in het Beleidskader Reserves en voorzieningen en als bijlage 2 bij deze verordening opgenomen. Een aparte nota over de reserves en voorzieningen is daardoor niet meer nodig. Artikel12.Tariefberekening 1.Voor het bepalen van het tarief van goederen, werken en diensten van de gemeente, die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden naast de directe kosten de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken. 2.Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan- en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken. 3.Voor de berekening van de tarieven voor de leges, afvalstoffenheffing, rioolheffing en lijkbezorgingsrechten wordt er rekening gehouden met de toerekening van overheadkosten. De overhead wordt toegerekend op basis van de personele omvang, welke zich bezig houden met het verstrekken van het desbetreffende producten. 4.Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende en kortlopende geldleningen. Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs. Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd. Artikel13.Prijzen economische activiteiten 1.Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze (soort) activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd. 2.Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd. 3.Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd. 4.Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van: leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid; een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak; een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden; een bevoordeling van sociale werkplaatsen; een bevoordeling van onderwijsinstellingen; een bevoordeling van publieke media-instellingen; en een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is. Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt. Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht. Van deze verplichting uit de Wet Markt en Overheid kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan voor bezwaar en beroep. Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn in het vierde lid opgesomd. Artikel14.Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen 1.Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de tarieven voor de gemeentelijke belastingen, rechten en heffingen. 2.Het college biedt de raad jaarlijks in de paragraaf lokale heffingen van de programmabegroting voorstellen aan voor beleid dan wel aanpassingen daarvan op het gebied van lokale heffingen. Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 Gemeentewet). De raad stelt de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen, afvalstoffenheffing, rechten en leges jaarlijks vast. Met uitzondering van de OZB-belasting, vindt deze vaststelling plaats bij de begroting. Artikel15.Financieringsfunctie 1. Uitvoering van beleid inzake de financieringsfunctie vindt plaats conform de criteria en richtlijnen zoals opgenomen in het ‘treasurystatuut’ - welke door de raad wordt vastgesteld. 2.Het college zorgt bij het uitoefenen van de financieringsfunctie voor: het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige gelden om de programma’s binnen de door de raad vastgestelde kaders van de begroting uit te voeren; het beperken van risico’s en behalen van een voldoende rendement op uitzettingen. Nadere richtlijnen voor de financieringsfunctie zijn opgenomen in het Treasurystatuut. Hoofdstuk4.Paragrafen Artikel16.Paragrafen In de paragrafen bij de begroting en de jaarstukken neemt het college ten minste de op grond van artikel 16 tot en met 21 verplichte onderdelen uit het BBV op. Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten geeft in de artikelen 16 tot en met 21 aan wat er in de paragrafen moet staan. De verplichte paragrafen zijn momenteel:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.