← Nederland

Beleidsregels sociaal domein gemeente Castricum 2017 (Castricum)

Beleidsregels sociaal domein gemeente Castricum 2017Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum, gelet op de Jeugdwet, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Algemene wet bestuursrecht, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004, de Verordening sociaal domein gemeente Castricum 2017 en de Verordening kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie; besluit: vast te stellen de Beleidsregels sociaal domein gemeente Castricum 2017. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Paragraaf1.1Begripsbepaling Artikel1.1.1Begrippen 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Verordening sociaal domein gemeente Castricum 2017, de Jeugdwet, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (WMO 2015), Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Gemeentewet, de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: bedrijfskrediet: rentedragende geldlening als bedoeld in artikel 20, 24 of 26 van het Bbz 2004; benadelingsbedrag: bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet dan wel artikel 13, eerste lid IOAW/IOAZ, of de verplichtingen bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet Suwi ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen; boete: bestuurlijke boete genoemd in artikel 18a van de Participatiewet of in artikel 20a van de IOAW/ IOAZ; bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor het college die de uitkering verstrekt krachtens Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; ex-echtgenoot/ex-echtgenote: de gewezen echtgenoot/echtgenote of de gewezen geregistreerde partner; fraudevordering: vordering ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht; gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de Participatiewet; geldlening: geldlening als bedoeld in artikel 50, tweede lid van de Participatiewet; inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW/IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet Suwi; nulfraude: schending van de inlichtingenplicht waarbij geen sprake van teveel of ten onrechte verstrekte uitkering; onderhoudsplichtige: degene die een financiële bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de belanghebbende en/of de ten laste komende kinderen dient te voldoen op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een rechterlijke uitspraak; referentieniveau 1F: het fundamentele niveau (F-niveau) taal en rekenen volgens de richtlijnen van de Rijksoverheid. Dit niveau is vergelijkbaar met taalniveau A2; verhaal: vordering op een derde of de vordering in verband met een nalatenschap of in verband met een schenking; verordening: Verordening Sociaal domein gemeente Castricum 2017; woning: onder woning wordt mede verstaan een woonschip of woonwagen. Paragraaf1.2Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid Artikel1.2.1Opschorting, herziening, verrekening, intrekking en terug- en invordering 1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot: het opschorten, herzien of intrekken van het recht op uitkering ingevolge artikel 54 van de Participatiewet, artikel 17 derde en vierde lid van de IOAW en artikel 17 derde en vierde lid van de IOAZ, indien de uitkering tot een te hoog bedrag dan wel ten onrechte is verleend. het terugvorderen, zoals dit het college op grond van artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de Participatiewet, artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de IOAW en artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de IOAZ toekomt. het verrekenen van de in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de uitkering, zoals dit het college op grond van artikel 25 vierde lid van de IOAW en artikel 25 vierde lid van de IOAZ toekomt. het verrekenen van de in de voorafgaande zes maanden ontvangen middelen met deuitkering, zoals dit het college op grond van artikel 58, vierde lid van de Participatiewet toekomt. het bruteren van de vordering, zoals dit het college op grond van artikel 58 lid 5 van de Participatiewet, artikel 25 vijfde lid van de IOAW en artikel 25 vijfde lid van de IOAZ toekomt. het invorderen van de vordering via een dwangbevel, zoals dit het college op grond van artikel 60, tweede lid van de Participatiewet, artikel 28 eerste lid van de IOAW en artikel 28 eerste lid van de IOAZ toekomt. het verrekenen van de vordering met de uitkering, zoals dit het college op grond van artikel 60, derde lid van de Participatiewet, artikel 28 derde lid van de IOAW en artikel 28 van de IOAZ toekomt. het in rekening brengen van rente en kosten ingeval van niet nakoming van de verplichting tot terugbetaling van teveel of ten onrechte genoten uitkering. 2.De bevoegdheden genoemd in lid a tot en met h gelden voor het college als algemene verplichtingen behoudens de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen. 3.Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid om van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien op grond van artikel 58, zevende lid onder a, b en d van de Participatiewet, artikel 25, zesde lid onder a, b en d van de IOAW en artikel 25 zesde lid onder a, b en d van de IOAZ. 4.Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid om van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien op grond van artikel 58, zevende lid, onder c, van de Participatiewet, artikel 25, zesde lid, onder c, van de IOAW en artikel 25, zesde lid, onder c, van de IOAZ voor zover het niet (meer) verrichten van aflossingen het gevolg is van andere redenen dan het hebben van lopende aflossingsverplichtingen ten behoeve van andere bestuurlijke vorderingen en/of boetes. Artikel1.2.2Verhaal van de uitkering 1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het verhalen van kosten van de uitkering: tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek: op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt en op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt; tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van de het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt; tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 van de het Burgerlijk Wetboek: op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan wie een uitkering is verleend; op degene aan wie de persoon die een uitkering ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan voor zover bij het besluit op de aanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden, tenzij gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van de verlening van een uitkering redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien; op de nalatenschap van de persoon indien: aan die persoon ten onrechte een uitkering is verleend en voor zover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden; een uitkering is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht. 2.Behoudens in de gevallen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel m van deze beleidsregels, worden de kosten van een uitkering die meer dan vijf jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot verhaal zijn gemaakt, niet verhaald. Artikel1.2.3Bestuurlijke boete en waarschuwing 1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid: zoals neergelegd in artikel 18a, dertiende en veertiende lid Participatiewet, artikel 20a, twaalfde lid van de IOAW en IOAZ om op verzoek van belanghebbende de bestuurlijke boete, waarbij geen sprake is van opzet of grove schuld, geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling; zoals neergelegd in artikel 2aa van het Boetebesluit socialezekerheidswetten om af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete en te volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting door de belanghebbende niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag of tot een benadelingsbedrag dat niet hoger is dan € 150,-; zoals neergelegd in artikel 2aa van het Boetebesluit socialezekerheidswetten om af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete en te volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing in het geval de belanghebbende wel inlichtingen heeft verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld heeft gemeld, maar uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de juiste inlichting verstrekt voordat de schending van de inlichtingenverplichting door het college is geconstateerd, tenzij de belanghebbende deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van de inlichtingverplichting. 2.De in het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel genoemde boete wordt kwijtgescholden op het moment dat de belanghebbende een schuldregeling succesvol heeft doorlopen. 3.Een redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, van dit artikel bedraagt maximaal 14 dagen volgend op de dag dat de belanghebbende de inlichtingen had moeten verstrekken. Artikel1.2.4Krediethypotheek Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot: het verbinden van verplichtingen aan het verlenen van de uitkering in de vorm van een geldlening zoals dit het college op grond van artikel 48, derde lid van de Participatiewet toekomt; het verbinden van verplichtingen aan het verlenen van de uitkering in de vorm van een geldlening ingevolge het Bbz 2004, die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan de uitkering verbonden rente- en aflossingsverplichtingen, zoals dit het college op grond van artikel 39, derde lid van het Bbz 2004 toekomt; het terugvorderen zoals bedoeld in artikel 58, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet; het direct terug- en invorderen van de kosten van de uitkering die verleend is in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek of verpanding over als: als de verstrekking van de uitkering wordt beëindigd; de woning wordt verkocht; er sprake is van vererving; belanghebbende in staat van faillissement komt te verkeren of de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) op belanghebbende van toepassing wordt verklaard; belanghebbende overlijdt; belanghebbende over een vermogen gaat beschikken dat hoger is dan het bescheiden vrij te laten vermogen van dat moment. Paragraaf1.3Uitzonderingen Artikel1.3.1Terug- en invordering 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, onder b, van de beleidsregels, vordert het college een door het college na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering niet terug, voor zover deze uitkering ook zes maanden na ontvangst van dit signaal nog onterecht of tot een te hoog bedrag is verleend, tenzij belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht heeft geschonden. 2.Onder een signaal als genoemd in het voorgaande lid wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. 3.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, onder b, van de beleidsregels, stelt het college, voor zover de vordering is ontstaan als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht bestaande uit het gedurende een langere periode beschikken over een geringe overschrijding van het vrij te laten bescheiden vermogen, vast op het bedrag dat zou zijn teruggevorderd indien betrokkene wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan. 4.In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, onder e, van de beleidsregels, ziet het college af van brutering indien sprake is van een vordering, die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. Artikel1.3.2Verhaal van de uitkering Het college kan afzien van het invorderen van een verhaalsbesluit indien daarvoor gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de uitkering ontvangt of heeft ontvangen, dringende redenen aanwezig zijn. Paragraaf1.4Voorliggende voorzieningen Artikel1.4.1Voorliggende voorzieningen 1.Als voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet worden onder meer aangemerkt: de Wet educatie beroepsonderwijs (WEB) op het gebied van Nederlandse taal, rekenen en digitale vaardigheden voor de taalniveaus 1F en 2F van het referentiekader Nederlandse taal en rekenen; de Kinderopvangtoeslag in het kader van Wet kinderopvang; voorzieningen voor voorschoolse educatie en peuteropvang; de compensatieregeling peuteropvang via de gemeente; een vergoeding op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015); een vergoeding op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor zorgkosten; een vergoeding op grond van de Jeugdwet in verband met behandeling/begeleiding; (vervallen); een bijdrage van de werkgever; de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor zorgkosten; het eigen sociaal netwerk, voor zover het inzetten daarvan mogelijk is en redelijk is gezien de omstandigheden van de belanghebbende en de aard van de kosten waarvoor een vergoeding wordt aangevraagd; Wet educatie beroepsonderwijs (WEB) voor de niveaus 1F en 2F van het referentiekader Nederlandse taal en rekenen kan voor scholing op het gebied van Nederlandse taal, rekenen en digitale vaardigheden een beroep worden gedaan op de WEB. het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor belanghebbende met zakelijke schulden. het Jeugdfonds Sport & Cultuur wordt voor kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar aangemerkt als een voorliggende voorziening voor sport- en/of culturele activiteiten; Wet op de rechtsbijstand voor de kosten van de eigen bijdrage rechtsbijstand; Regeling verlaagd griffierecht voor de kosten van het griffierecht. 2.De in het eerste lid genoemde voorliggende voorzieningen betreft geen limitatieve opsomming. Hoofdstuk2Integrale benadering sociaal domein Paragraaf2.1Integrale benadering Artikel2.1.1Algemene bepalingen Onder de integrale benadering wordt verstaan dat het college een ondersteuningsvraag integraal benadert. Dit betekent dat een ondersteuningsvraag van een inwoner wordt opgepakt binnen het integrale toegangsmodel, de zogenaamde sociaal teams. Het doel is om de ondersteuningsvraag van de inwoner samen met de inwoner in beeld te brengen, te classificeren en van een ondersteuningsplan te voorzien. Tijdens het gesprek worden mogelijkheden van de inwoner onderzocht om de ondersteuningsvraag te benaderen met inzet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, inzet van mantelzorg of ondersteuning uit het sociaal netwerk, door de inzet van algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen. Het college stelt vervolgens samen met de inwoner een integraal ondersteuningsplan op. Hoofdstuk3Voorzieningen op grond van de Wmo en de Jeugdwet Paragraaf3.1Voorzieningen [gereserveerd] Paragraaf3.2.Voorzieningen op grond van de Participatiewet [vervallen] Hoofdstuk4Specifieke bepalingen Wmo en Jeugdwet Paragraaf4.1Gebruikelijke hulp in de Wmo en Jeugdwet Artikel4.1.1Gebruikelijke hulp 1.Onder gebruikelijke hulp, zoals bedoeld in artikel 3 van de verordening , wordt verstaan de normale, dagelijkse zorg die partners, ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren. Zij hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden. 2.Het college verbindt aan gebruikelijke hulp een verplichtend karakter. Dit houdt in dat zowel van volwassen als jonge huisgenoten een bijdrage wordt verlangd in het huishouden. In deze bijdrage wordt door het college geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling en de wijze van inkomensverwerving. 3.Onder gebruikelijke hulp bij volwassen huisgenoten vallen de volgende taken: Kortdurende zorg: alle persoonlijke verzorging en begeleiding. Hieronder valt in ieder geval een gebroken been. Zorg die iedereen nodig heeft, ook de vervangende activiteiten. Hieronder valt in ieder geval een sonde in plaats van eten, stomaverzorging in plaats van toiletgang. Alle begeleiding op het terrein van maatschappelijke participatie. Begeleiding bij normaal maatschappelijke verplaatsing in persoonlijke levenssfeer (vervoer). Hieronder valt in ieder geval het bezoeken van school, huisarts, familie, kennissen, ziekenhuis. Hulp bij of overname van taken die bij een gezamenlijke huishouding horen. Hieronder valt in ieder geval het beheren van post en administratie. Omgang met een beperking aanleren aan derden (familie, vrienden). 4.Voor gebruikelijke hulp door gezonde jonge huisgenoten geldt: Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden; Huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden. Hieronder valt in ieder geval opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien; Huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden. Hieronder valt in ieder geval opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Daarnaast kunnen zij hun eigen kamer op orde houden. Hieronder valt in ieder geval rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen; Huisgenoten van 18 tot en met 22 jaar kunnen een eenpersoonshuishouden voeren; Huisgenoten vanaf 23 jaar kunnen de huishoudelijke taken volledig overnemen wanneer de inwoner uitvalt. 5.Bij gebruikelijke hulp aan kinderen kijkt het college naar de tijdsbesteding die bij de activiteit hoort bij een gezond kind c.q. kind zonder beperkingen van dezelfde leeftijdscategorie. Wanneer de hulp aan de jeugdige de tijdsbesteding zoals vermeld in onderstaand schema overschrijdt, is er geen sprake van gebruikelijke hulp. Kinderen van 0 tot 3 jaar • Hebben 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig omdat zij niet in staat zijn om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor henzelf te voorkomen; • hebben voortdurend, dat wil zeggen op geplande en ongeplande momenten, overname van zelfzorg nodig; • hebben een woonomgeving nodig waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd, een passend pedagogisch klimaat wordt geboden en hen zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans wordt geboden bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Kinderen van 3 tot 5 jaar • Hebben overdag zorg in de nabijheid nodig omdat zij niet in staat zijn om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor henzelf te voorkomen; • hebben overdag voortdurend begeleiding en overname van zelfzorg nodig; • hebben ’s nachts soms nog begeleiding en overname van zelfzorg nodig; • hebben een woonomgeving nodig waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd, een passend pedagogisch klimaat wordt geboden en hen zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans wordt geboden bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. NB: deze zorg voor kinderen van 3 tot 5 jaar is geen gebruikelijke zorg als is vastgesteld dat het gaat om een kind met ernstige meervoudig complexe handicaps waaronder een verstandelijke handicap en een blijvend zeer laag ontwikkelingsperspectief. Kinderen van 5 tot 8 jaar • Hebben tot 8 jaar overdag zorg in de nabijheid nodig omdat zij niet in staat zijn om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor henzelf te voorkomen; • hebben tot 8 jaar overdag nog voortdurend begeleiding nodig; • hebben tot 8 jaar overdag op geplande en soms op ongeplande momenten hulp bij of overname van zelfzorg nodig; • hebben een woonomgeving nodig waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd, een passend pedagogisch klimaat wordt geboden en hen zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans wordt geboden nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Kinderen vanaf 8 tot 18 jaar • Hebben vanaf 8 jaar geen zorg in de nabijheid nodig omdat zij in staat zijn om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor henzelf te voorkomen; • hebben tot 18 jaar een woonomgeving nodig waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd. Er wordt een passend pedagogisch klimaat geboden. Er wordt hen zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans geboden nodig en passend bij hun ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. 6.Het college verstaat onder de zorgplicht van ouders het zorgen voor de opvoeding van hun kinderen, het zorgen voor hun geestelijke en lichamelijke welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid en kennis en vaardigheden als ook zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van een van de ouders dient de andere ouder de zorg voor de kinderen over te nemen. Waarbij van hen wordt verwacht dat zij maximaal zoeken naar eigen oplossingen, zoals zorgverlof, mantelzorg en andere voorliggende voorzieningen. De zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindigen van de relatie. Maar er dient wel rekening gehouden te worden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken. Artikel4.1.2Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp 1.In een aantal situaties waarbij er sprake is van een 'duurzaam huishouden' kan het college afwijken van het principe van 'gebruikelijke hulp'. Dit zijn de volgende situaties: Medisch geobjectiveerde aandoening Als blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, beperking, handicap of probleem, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden, is 'gebruikelijke hulp' niet van toepassing. Bij twijfel kan de consulent een objectief onderzoek uit laten voeren; Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting Overbelasting kan worden veroorzaakt door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren. Met andere woorden; in exact dezelfde situatie kan de ene huisgenoot wel overbelast raken, terwijl een andere huisgenoot hier geen of minder last van heeft. Het is daarom van belang zorgvuldig onderzoek te plegen naar de verhouding tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting) en symptomen die kunnen wijzen op overbelasting. In veel gevallen wordt een medisch adviseur daarbij ingeschakeld ter beoordeling. In principe is overname van huishoudelijke taken voor een korte duur, te denken valt aan 3-6 maanden. In deze periode wordt de leefeenheid de gelegenheid gegeven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen; Dreigende overbelasting door het verlenen van zorg Als een huisgenoot aangeeft dat er sprake is van (dreigende) overbelasting door de combinatie van (huishoudelijk) werk en de verzorging van een zorgbehoevende huisgenoot, dienen deze klachten te worden geobjectiveerd. Daarbij dienen onderstaande zaken onderzocht te worden: Is er sprake van onplanbare zorg? Worden meer uren zorg geleverd dan geïndiceerd (bieden van mantelzorg)? Heeft de huisgenoot mogelijk een (deel van) betaalbare baan opgezegd om zorg te verlenen? Draaglast en draagkracht, zoals omschreven in onderdeel b van dit artikel; Naast de medische situatie van de huisgenoot dient ook een beeld gevormd te worden van de overige factoren die kunnen leiden tot (dreigende) overbelasting. Denk daarbij aan de aard en intensiteit van de verleende zorg, tezamen met de medische problematiek van de inwoner; (Dreigende) overbelasting bij korte levensverwachting inwoner In terminale situaties is overleg met de huisgenoten over wat draagbaar is zeer belangrijk. In deze situaties wordt er soepeler omgegaan met het principe 'gebruikelijke zorg'; (Dreigende) overbelasting na overlijden ouder Indien een inwoner aangeeft overbelast te zijn door de combinatie van werk en de verzorging van de inwonende kinderen, vanwege het plotseling overlijden van de andere (inwonende) ouder, kan kortdurend huishoudelijke taken worden overgenomen. Te denken valt aan een periode van 3-6 maanden zodat de leefeenheid de gelegenheid krijgt de taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen; Voorkomen van crisis en ontwrichting bij verzorging en opvang van gezonde kinderen Indien opvang van gezonde kinderen noodzakelijk is heeft de inzet van voorliggende voorzieningen en/of mantelzorg een verplichtend karakter. Gebruik van voorliggende voorzieningen zoals kinderopvang en crèche is gangbaar tot en met 4 dagen per week. Als deze niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput zijn, is inzet van hulp voor oppas en opvang van kinderen voor een korte periode mogelijk. Te denken valt aan een periode van 3-6 maanden zodat de ouder(

  1. s)de gelegenheid krijgt een eigen oplossing te vinden; Ouderen met een hoge leeftijd Als een huisgenoot een dusdanig hoge leeftijd heeft bereikt kan dit leiden tot overname van de zware huishoudelijke taken die anders tot de 'gebruikelijke hulp' zouden worden gerekend. Dit indien het aanleren van nieuwe taken fysiek of psychisch niet meer mogelijk is; Fysieke afwezigheid in verband met werk Er wordt geen rekening gehouden met drukke werkzaamheden, lange werkweken of veel reistijd. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Dit is bijvoorbeeld bij internationale vrachtwagenchauffeurs, medewerkers in de off-shore of mariniers. Het gaat namelijk te ver deze mensen te dwingen een andere baan of functie te zoeken. De afwezigheid dient echter wel te voldoen aan de volgende kenmerken: Het is inherent aan het werk. Het heeft een verplichtend karakter. Artikel4.1.3Uitzonderingen gebruikelijke hulp bij bijzondere typen leefsituaties 1.Bij een aantal typen leefsituaties gaat het college anders om met het begrip 'duurzaam huishouden' waardoor er mogelijk geen of beperkt sprake zal zijn van 'gebruikelijke hulp'. Dit zijn de volgende typen leefsituaties: Kamer huren bij inwoner Als een inwoner een kamer verhuurt aan een derde wordt de huurder niet tot de leefeenheid gerekend. De huurder wordt in staat geacht de gehuurde ruimte(
  2. n)schoon te houden en een evenredige bijdrage te leveren aan gezamenlijke ruimten. In de berekening van de omvang van de hulp wordt het schoonmaken van gehuurde ruimte(
  3. n)dus niet meegerekend; Geclusterd wonen Een inwoner woont zelfstandig, met meerdere mensen in een huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. Met andere woorden; de inwoner vormt geen duurzaam huishouden met de huisgenoten. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval wel een eigen woon/slaapkamer en de overige ruimten worden in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. In de berekening van de omvang van hulp wordt het schoonmaken van de eigen woonruimte(
  4. n)en slechts een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten meegerekend; Leef- en woongemeenschappen Een inwoner woont zelfstandig met meerdere mensen in een gebouw en vormt hiermee wel een leefeenheid. Met andere woorden; inwoner vormt een duurzaam huishouden met de huisgenoten. Vrijwel alle leefgemeenschappen kennen een of meer gezamenlijke bindende factoren, meestal met een religieuze of spirituele inhoud. Hoofdstuk5Specifieke bepalingen Participatiewet Paragraaf5.1Loonkostensubsidie Participatiewet [vervallen] Paragraaf5.2Re-integratie en Participatie [vervallen] Paragraaf5.3Scholing [vervallen] Paragraaf5.4Werkervaringsplaats [vervallen] Hoofdstuk6Maatwerkvoorziening levensonderhoud Paragraaf6.1Wet Taaleis Artikel6.1.1Aantonen kennis Nederlandse taal 1.Wanneer een belanghebbende in de leerplichtige leeftijd (tussen 5 en 16 jaar) tenminste acht jaren in Nederland heeft gewoond en er geen aanknopingspunten bestaan om te twijfelen aan diens taalniveau, kan het college ervan uitgaan dat deze belanghebbende gedurende acht jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd en daarmee aan de taaleis voldoet. 2.Indien het eerste lid van dit artikel niet van toepassing is op de belanghebbende, dient belanghebbende door middel van het overleggen van rapporten of diploma’s van erkende Nederlandse onderwijsinstellingen aan het college aan te tonen dat hij Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd (zowel basis- als voortgezet/beroepsonderwijs). Dat kan ook particulier of Nederlandstalig onderwijs in het buitenland zijn. 3.Een diploma inburgering of gelijkwaardig document geldt als bewijs dat een belanghebbende de Nederlandse taal beheerst en aan de taaleis voldoet. 4.Een ander document waaruit blijkt dat belanghebbende de Nederlandse taal beheerst, kan de kennis van de Nederlandse taal aantonen. Artikel6.1.2Taaltoets 1.Het college neemt binnen maximaal acht weken na het plaatsvinden van het intakegesprek een taaltoets af, indien belanghebbende niet kan aantonen aan de taaleis te voldoen en er een redelijk vermoeden bestaat dat belanghebbende de Nederlandse taal niet beheerst op referentieniveau 1F. 2.Het afnemen van de taaltoets en de beoordeling van de uitkomst worden uitgevoerd door een extern opleidingsinstituut dat beschikt over personeel, toetsingslocaties en toetsingsmateriaal welke volledig voldoen aan de kwalificatie-eisen zoals gesteld in het Besluit taaltoets Participatiewet. 3.Reiskosten voor het afreizen naar de toetslocatie komen in aanmerking voor vergoeding. Artikel6.1.3Geen toetsing taalniveau 1.Er vindt geen toetsing van het taalniveau plaats door het college als vastgesteld is dat iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt om aan de taaleis te voldoen zoals bedoeld in artikel 6.1.4 van deze beleidsregels. 2.Er vindt geen toetsing van het taalniveau plaats door het college als: tijdens een vorige uitkeringsperiode al een toets is afgenomen en is vastgesteld dat belanghebbende de Nederlandse taal beheerst; tijdens een vorige uitkeringsperiode al een toets is afgenomen en is vastgesteld dat belanghebbende de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, maar ook is vastgesteld dat door in de persoon gelegen, niet beïnvloedbare of tijdgebonden factoren, belanghebbende niet is staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden. 3.Er vindt geen toetsing van het taalniveau plaats door het college als de belanghebbende een uitkering had in een andere gemeente en in die gemeente reeds is getoetst op referentieniveau 1F. De toetsresultaten kunnen worden overgenomen, tenzij deze onvoldoende zekerheid bieden over de actuele taalvaardigheid. 4.Er vindt geen toetsing van het taalniveau plaats door het college als sprake is van een situatie waarin de uitkering voor korte duur wordt aangevraagd en vaststaat wat de einddatum van de uitkering zal zijn. 5.Er vindt geen toetsing van het taalniveau plaats door het college als de belanghebbende een inburgeringsplicht heeft op grond van de Wet inburgering. Artikel6.1.4Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt in ieder geval om aan de taaltoets te voldoen indien er: ontheffing is verleend in het kader van de Wet inburgering; sprake is van een gediagnosticeerd leerprobleem; diverse malen een taalcursus gevolgd is en door de educatie-instelling is vastgesteld dat door in de persoon gelegen factoren belanghebbende niet is staat is om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden; op grond van artikel 9, vijfde lid van de Participatiewet ontheffing van de arbeidsplicht is verleend of een algemene ontheffing is op grond van psychische, fysieke of sociale problematiek; een andere in de persoon gelegen factor aanwezig is waardoor belanghebbende geen enkele vorm van verwijtbaarheid is aan te rekenen voor het niet beheersen, of kunnen beheersen, van de Nederlandse taal op referentieniveau 1F. Artikel6.1.5Kennisgeving en (geen) bereidverklaring 1.Indien de uitkomst van de taaltoets uitwijst dat belanghebbende niet aan de taaleis voldoet: ontvangt de belanghebbende binnen maximaal acht weken na het moment van de uitslag van de toets een schriftelijke kennisgeving van het redelijk vermoeden dat hij de Nederlandse taal niet beheerst op referentieniveau 1F; en dient de belanghebbende zich binnen een maand na het kennisgevingsbesluit bereid te verklaren aan te vangen met het verwerven van de Nederlandse taal. 2.Indien de belanghebbende zich niet binnen een maand na het kennisgevingsbesluit bereid verklaart aan te vangen met het verwerven van de Nederlandse taal, verlaagt het college de uitkering per datum kennisgevingsbesluit conform artikel 18b, vierde lid juncto, zesde lid sub a, juncto negende lid, van de Participatiewet. Artikel6.1.6Verlaging uitkering bij onvoldoende inspanning of tussentijds stoppen 1.Indien de belanghebbende zich onvoldoende inspant of op enig moment stopt zich in te spannen, gaat de verlaging van de uitkering in vanaf het moment dat de schriftelijke kennisgeving van het besluit tot het toepassen van de verlaging aan de belanghebbende bekend is gemaakt. 2.Indien belanghebbende zich na een verlaging voldoende gaat inspannen om de taal te leren, wordt afgezien van verdere verlaging vanaf de datum dat hij aannemelijk maakt te zijn aangevangen met voldoende inspanning tot het verwerven van de Nederlandse taal. Artikel6.1.7Het volgen van de voortgang van het taaltraject 1.Als de belanghebbende zich bereid verklaart aan te vangen met het verwerven van de Nederlandse taal, wordt de wijze waarop belanghebbende dit gaat doen door het college vastgelegd in diens dossier. 2.Het college maakt op basis van de individuele situatie van de belanghebbende afspraken over de wijze van beoordelen van de inspanningen van belanghebbende. Paragraaf6.2Kostendelersnorm Artikel6.2.1Geen toepassing kostendelersnorm 1.Een belanghebbende die een commerciële huurprijs betaalt, wordt niet aangemerkt als kostendeler. 2.Op grond van artikel 22a, vierde lid, onderdeel b, van de Participatiewet, wordt onder commerciële huurprijs verstaan: een commerciële huurprijs bij onderhuur vanaf € 310,- per maand incl. gas, licht en water. een commerciële huurprijs van een kostganger vanaf € 515,- per maand. 3.De bedragen genoemd in het tweede lid, sub a en b, van dit artikel worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op € 5,-. Artikel6.2.2Kostendelersnorm en verschillende woonvormen 1.Bij tijdelijk verblijf in een instelling voor maatschappelijke opvang is de kostendelersnorm niet van toepassing, omdat belanghebbende daar geen hoofdverblijf heeft. 2.Als er sprake is van langdurig verblijf in een instelling voor maatschappelijke opvang en de belanghebbende daar zijn hoofdverblijf heeft, geldt het volgende: de eigen bijdrage wordt als commerciële huurprijs beschouwd; en de woon-/zorgovereenkomst die de belanghebbende heeft met de instelling voor maatschappelijke opvang wordt gezien als de “schriftelijke overeenkomst met de verhurende derde”, als bedoeld in artikel 6.2.3 van deze beleidsregels. 3. De kostendelersnorm zoals bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet is niet van toepassing op de belanghebbende die een tijdelijke huurovereenkomst heeft voor de bewoning van een door het college aangewezen woonvorm voor specifieke door het college aangewezen doelgroepen omdat de belanghebbende een commerciële huurprijs betaalt. Artikel6.2.3Voorwaarden aantonen van een commerciële huur /kostgangersovereenkomst 1.Op grond van artikel 22a, zesde lid, van de Participatiewet moet een belanghebbende die op basis van een commerciële prijs onderhuurt of kostganger is dit aantonen middels een huurcontract c.q. kostgangersovereenkomst. 2.Gegevens die in het huurcontract c.q. de kostgangerovereenkomst vermeld moeten zijn: de kamer, gemeubileerd of kaal, die wordt gehuurd; ingangsdatum verhuur; het overeengekomen bedrag per periode; wijze van betaling: deze dient een bancaire betaling te zijn; of de huur inclusief (gas, elektra, enz.) of exclusief is; looptijd van de huurovereenkomst; dat de huurder zich verplicht zich op dat adres bij de gemeente in te schrijven; bij kostgangers dient bovendien een overzicht te worden bijgevoegd van de diensten die in het contract zijn begrepen zoals, welke maaltijden, bewassing, verzorging bijv. bij ziekte, schoonmaken; de ruimtes de kostganger en de kamerhuurder nog meer mag gebruiken; uit het contract moeten de periodieke prijsverhogingen blijken. Paragraaf6.3Inkomstenaftrek Artikel6.3.1Inkomstenaftrek bij inkomsten uit onderhuur of kostgeverschap 1.Een belanghebbende die een kamer verhuurt of een kostganger heeft, wordt door het college niet aangemerkt als kostendeler. 2.De inkomsten uit onderverhuur of kostgeverschap dienen als inkomsten met de uitkering te worden verrekend. 3.Op grond van artikel 33, vierde lid van de Participatiewet wordt een percentage van de inkomsten uit commerciële verhuur als vermeld in het tweede lid vrijgelaten: 10% van de gehuwdennorm als bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de Participatiewet bij één onderhuurder of kostganger; 20% van de gehuwdennorm als bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de Participatiewet bij twee onderhuurders of kostgangers. 4.Vanaf drie personen is sprake van een kamerverhuurbedrijf en wordt de verhuurder/kostgever als zelfstandige ondernemer beschouwd. Paragraaf6.4Verlagingen Artikel6.4.1Norm schoolverlaters De verlaging voor schoolverlaters zoals bedoeld in artikel 28 van de Participatiewet bedraagt 20% van de gehuwdennorm gedurende zes maanden als bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de Participatiewet, gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op studiefinanciering. Artikel6.4.2Verlaging norm bij ontbreken of kunnen delen van woonlasten 1.De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet bedraagt 20% van de gehuwdennorm als bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de Participatiewet, als belanghebbende, zelfstandig of met een ten laste komend kind(eren), een woning bewoont waaraan voor de belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. 2.De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet bedraagt 10% van de gehuwdennorm als bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de Participatiewet, als belanghebbende, zelfstandig of met een ten laste komend kind(eren), een woning bewoont waaraan voor de belanghebbende geen huur of hypotheek zijn verbonden, maar wel andere woonlasten. 3.De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet bedraagt 10% van de gehuwdennorm als bedoeld in artikel 21, onderdeel b, van de Participatiewet, voor de belanghebbende, die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf heeft in een woonvorm, als bedoeld in artikel 6.2.2, tweede of derde lid, van deze beleidsregels, en die daarom de kosten van het bestaan kan delen. Artikel6.4.3Toepassing IOAW en IOAZ Met uitzondering van paragraaf 6.3 en artikel 6.4.2 van deze beleidsregels, is paragraaf 6.2 en artikel 6.4.1 ook van toepassing op personen met een uitkering op grond van de IOAW en IOAZ. Hoofdstuk7Aanvullende inkomensondersteuning Paragraaf7.1Algemene bepalingen Artikel7.1.1Algemeen 1.In artikel 1, derde lid, onderdeel f, sub 3, van de verordening is gedefinieerd wat het begrip “maatwerkvoorziening” inhoudt. Bijzondere bijstand is een maatwerkvoorziening. In deze paragraaf wordt met het begrip “maatwerkvoorziening” bijzondere bijstand bedoeld zoals bepaald in de artikelen 11 en 35, eerste lid, van de Participatiewet. 2.In aanvulling op de begrippen in de verordening wordt in hoofdstuk 7 van deze beleidsregels verstaan onder: bescheiden vermogen: een vermogen van maximaal het in artikel 34, derde lid van de Participatiewet genoemde bedrag; draagkracht: het gedeelte van het inkomen of vermogen dat de belanghebbende geacht wordt aan te wenden om in de bijzondere kosten te voorzien; draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van de belanghebbende wordt vastgesteld; inkomen: het inkomen zoals bedoeld in artikelen 31 tot en met 33 van de Participatiewet; minimum inkomen: een inkomen van ten hoogste 120% van de voor belanghebbende geldende uitkering op datum aanvraag of de datum waarop kosten zijn opgekomen; vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34, eerste lid van de Participatiewet; woonkosten: kosten die gemaakt worden om gebruik te mogen maken van de woning, niet zijnde verbruikskosten (nutsvoorzieningen e.d.). Voor een huurwoning zijn de woonkosten de per maand geldende huurprijs zoals bedoeld in art. 1 onderdeel d van de Wet op de huurtoeslag. Bij koopwoning zijn de woonkosten het maandelijks te betalen bedrag voor de financiering van de verschuldigde hypotheekrente. 3.Het college verleent een maatwerkvoorziening met inachtneming van het bepaalde in de Participatiewet. 4.De verstrekte maatwerkvoorziening moet worden aangewend voor de bijzondere kosten waarvoor deze toegekend is. Artikel7.1.2Aanvraag 1.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt ingediend binnen zes maanden gerekend vanaf de datum waarop de kosten zijn opgekomen. 2.In afwijking van het eerste lid geldt dat een aanvraag voor de volgende kostensoorten ingediend moet worden voordat de kosten opkomen: verhuiskosten; stofferings- en/of inrichtingskosten (inclusief kosten van duurzame gebruiksgoederen); babyuitzet. Artikel7.1.3Kostendelersnorm (bij bijzondere noodzakelijke kosten) 1.De kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet is niet van toepassing. 2.In afwijking van het eerste lid is de kostendelersnorm wel van toepassing bij aanvragen op grond van: Paragraaf 7.2 Algemene kosten levensonderhoud; Paragraaf 7.9 Wonen. Artikel7.1.4Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid In geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan het college besluiten in het geheel geen maatwerkvoorziening te verstrekken of besluiten de maatwerkvoorziening in de vorm van een geldlening te verstrekken. Artikel7.1.5Draagkracht algemene bepalingen 1.De maatwerkvoorziening wordt verleend met inachtneming van de draagkracht van de belanghebbende en zijn gezin, tenzij in deze beleidsregels anders is bepaald. 2.Het college maakt geen gebruik van het drempelbedrag als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Participatiewet. Artikel7.1.6Vaststelling van de draagkracht 1.De draagkracht wordt berekend met inachtneming van de middelen (inclusief vakantietoeslag) als bedoeld in paragraaf 3.4 van de Participatiewet. 2.In afwijking van het eerste lid wordt de draagkracht op nihil bepaald bij de belanghebbende: ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uitgesproken; die een minnelijk traject op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening volgt. 3.De individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag worden voor de vaststelling van de draagkracht niet in aanmerking genomen, met uitzondering van de aanschaf of vervanging van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen als bedoeld in artikel 51 van de Participatiewet. 4.Voor de bepaling van het in aanmerking te nemen inkomen kan, als er geen sprake is van een minimum inkomen, een correctie toegepast worden wegens: de te betalen eigen bijdrage volgend uit de Wet langdurige zorg. De eigen bijdrage Wet langdurige zorg wordt in mindering gebracht op het inkomen; de te betalen aflossing van een zelf getroffen afbetalingsregeling met een schuldeiser. Hierop moet aantoonbaar al gedurende 12 maanden correct op afgelost worden en de hoogte van de aflossing kan aantoonbaar niet aangepast worden (aan de gewijzigde financiële situatie van de belanghebbende). 5.De draagkracht en/of de draagkrachtperiode wordt herzien als wijziging van de omstandigheden van de belanghebbende of de aard van de kosten daartoe aanleiding geven. 6.De vastgestelde draagkracht wordt in geval van een incidentele maatwerkvoorziening in één keer in mindering gebracht op de in aanmerking komende noodzakelijke bijzondere kosten. 7.De vastgestelde draagkracht wordt in geval van periodieke kosten gespreid over de maanden waarover de maatwerkvoorziening wordt verstrekt en naar evenredigheid in mindering gebracht op de in aanmerking komende noodzakelijke bijzondere kosten. 8.Als het college binnen een draagkrachtjaar zowel een periodieke als incidentele maatwerkvoorziening verstrekt, dan wordt de vastgestelde draagkracht in principe zoveel mogelijk verrekend met de eerst toegekende maatwerkvoorziening. Artikel7.1.7Draagkracht uit inkomen 1.Het inkomen wordt op dezelfde wijze vastgesteld als bij de algemene bijstand, conform de artikelen 31 tot en met 33 van de Participatiewet. 2.Als de netto vakantietoeslag over het netto inkomen niet bekend is en handmatig berekend moet worden, dient de vakantietoeslag berekend te worden op grond van Paragraaf 6 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. 3.In afwijking van het eerste lid wordt het netto inkomen in de volgende situaties als volgt berekend: bij partneralimentatie: wordt rekening gehouden met de partneralimentatie waarover iemand kan beschikken; bij een zelfstandig ondernemer: wordt aansluiting gezocht bij artikel 6 van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004; van de belanghebbende die in een inrichting verblijft en die een eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg betaalt: inkomen minus eigen bijdrage Wet langdurige zorg. 4.Van de inkomsten uit commerciële verhuur, zoals bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de Participatiewet, wordt een percentage vrijgelaten, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 6.3.1, derde lid, van deze beleidsregels. 5.Met een bestuursrechtelijke premieheffing Zorgverzekeringswet (Bronheffing) wordt geen rekening gehouden bij de vaststelling van de draagkracht in inkomen. 6.Voor de belanghebbende met een inkomen lager dan 120% van de uitkering (inclusief vakantietoeslag) bedraagt de draagkracht 0%. 7.Voor de belanghebbende met een inkomen hoger dan 120% van de uitkering bedraagt de draagkracht 100% van de ruimte boven de 120% van de uitkering. 8.De draagkracht bedraagt in afwijking van het zesde en zevende lid 100% van de ruimte boven de uitkering (inclusief vakantietoeslag) bij: kosten voor direct levensonderhoud; bijstand voor 18-21 jarigen, voor zover die de landelijke norm te boven gaat; bijstand voor 18-21 jarigen in een inrichting; woonkostentoeslag; eigen bijdrage rechtsbijstand / griffierecht; uitvaartkosten (niet zijnde de uitvoering van de Wet op de lijkbezorging); verhuiskosten, stofferings- en/of inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen (inclusief witgoed en babyuitzet); doorbetaling vaste lasten tijdens detentie of verblijf in een inrichting; overbruggingsuitkering; eerste huur; bewindvoeringskosten (inclusief instaptarief), curatele en mentorschap; SAR hulpverlening. 9.Bij de draagkrachtberekening wordt uitgegaan van het inkomen in de maand waarin de kosten zijn opgekomen. Als er sprake is van sterk wisselende inkomsten kan worden afgeweken van de eerste volzin en kan het inkomen worden bepaald op het gemiddelde inkomen over de voorliggende zes maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn opgekomen. 10.In afwijking van het eerste lid wordt bij de bepaling van het in aanmerking te nemen inkomen geen rekening gehouden met toegepaste maatregelen, verlagingen of een ingehouden boete waarmee een uitkering krachtens een werknemersverzekering of sociale voorziening, of een daarmee naar aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private verzekering wegens een verwijtbare gedraging is verlaagd. Artikel7.1.8Draagkracht uit vermogen 1.Het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand, conform de artikelen 31 en 34 van de Participatiewet. 2.De draagkracht wordt vastgesteld op 100% van het in aanmerking te nemen vermogen (boven de grens van vrij te laten vermogen) zoals bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet. 3.De draagkracht bedraagt in afwijking van het tweede lid, 100% van het vermogen, als dit hoger is dan anderhalf maal de uitkering op grond van de Participatiewet bij: kosten voor direct levensonderhoud; uitvaartkosten (niet zijnde de uitvoering van de Wet op de lijkbezorging); verhuiskosten, stofferings- en/of inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen (inclusief witgoed en babyuitzet); doorbetaling vaste lasten tijdens detentie of verblijf in een inrichting; overbruggingsuitkering; eerste huur. 4.[vervallen] 5.[vervallen] 6.[vervallen] 7.[vervallen] Artikel7.1.9Draagkrachtperiode 1.De draagkracht wordt vastgesteld voor de duur van 12 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn opgekomen. 2.In afwijking van het eerste lid wordt, als belanghebbende een periodieke uitkering voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Participatiewet ontvangt, de draagkrachtperiode vastgesteld tot het moment waarop de uitkering eindigt. 3.In afwijking van het eerste lid wordt, als er geen sprake is van draagkracht, de volgende draagkrachtperiode aangehouden: 3 jaar voor de belanghebbende jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd die een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt; 3 jaar voor de belanghebbende vanaf de pensioengerechtigde leeftijd. 4.Als de omstandigheden van de belanghebbende of de aard van de kosten daartoe aanleiding geven, kan de draagkracht genoemd in het eerste en tweede lid over een afwijkende periode vastgesteld worden. Artikel7.1.10De wijze van betalen De betaling van de maatwerkvoorziening vindt uitsluitend plaats op de volgende wijze: a. rechtstreeks aan de belanghebbende: als deze in bezit is van de definitieve nota dan wel andere bewijsstukken, óf; b. rechtstreeks aan de belanghebbende: als op basis van een steekproefsgewijze controle achteraf om de definitieve nota dan wel andere bewijsstukken wordt gevraagd, óf; c. rechtstreeks aan de belanghebbende: op zijn of haar verzoek op basis van een prijsopgave waarbij de belanghebbende op basis van artikel 55 van de Participatiewet de verplichting heeft om achteraf het definitieve betalingsbewijs of andere bewijsstukken waaruit de betaling blijkt te verstrekken, óf; d. rechtstreeks aan de leverancier of een derde: op verzoek van belanghebbende op basis van een prijsopgave; e. in natura als deze mogelijkheid / noodzaak zich voordoet. Artikel7.1.11Aflossingsregels 1.De maatwerkvoorziening in de vorm van een renteloze geldlening wordt in beginsel volledig terugbetaald. 2.Bij de vaststelling van de hoogte van het maandelijkse bedrag waarmee de geldlening wordt afgelost, dient de belanghebbende minimaal over 95% van het sociale minimum te kunnen blijven beschikken. Uitgangspunt is dat belanghebbende het inkomen dat hoger is dan 95% van de uitkering besteedt aan de aflossing van de lening. Doorbetalingen die ten behoeve van de belanghebbende worden gedaan, worden niet bij de vaststelling van deze norm in aanmerking genomen. 3.De aflossingstermijn van een renteloze geldlening wordt vastgesteld op 3 jaar. Als er na maximaal 36 maanden nog een restant bestaat, dan wordt dit omgezet in bijstand om niet. Belanghebbende moet dan wel aan de voorwaarden voldaan hebben, dat hij de vastgestelde maandelijkse aflossingsbedragen structureel volledig heeft (af)betaald. 4.Van het derde lid kan in ieder geval worden afgeweken als blijkt dat: belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan aflossen; of belanghebbende in de eerste drie jaar nalatig is geweest met het aflossen van de geldlening; of wanneer belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan worden verweten met betrekking tot het ontstaan of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening heeft geleid. De looptijd wordt in dit geval langer aangezien belanghebbende het volledige bedrag moet aflossen. 5.Terugbetaling vindt plaats met ingang van de eerste maand na toekenning van de maatwerkvoorziening. 6.De hoogte van een eenmaal vastgesteld maandelijks aflossingsbedrag wijzigt in ieder geval: als de leefomstandigheden wijzigen, waardoor de belanghebbende gaat behoren tot een andere categorie zoals bedoeld in de paragrafen 3.2, 3.3 en 3.4 van de Participatiewet; ieder half jaar bij de indexeringen van de normbedragen door de rijksoverheid; als de renteloze lening is omgezet in een terugvordering. Daarna gelden de regels zoals vastgesteld in bijlage 1: het debiteuren heronderzoeksplan van deze beleidsregels. Paragraaf7.2Algemene kosten levensonderhoud Artikel7.2.1Toeslag jongeren van 18 tot 21 jaar in een inrichting 1.Aan de belanghebbende van 18 tot 21 jaar die in een inrichting verblijft, kan slechts een maatwerkvoorziening worden verstrekt als redelijkerwijs geen beroep kan worden gedaan op degene die onderhoudsplichtig is op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en er geen recht bestaat op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet. 2.De hoogte van de maatwerkvoorziening is de norm, exclusief vakantietoeslag, als bedoeld in artikel 23 van de Participatiewet. Artikel7.2.2Jongerentoeslag 1.Een maatwerkvoorziening voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van zelfstandig wonende jongeren van 18 tot 21 jaar kan worden verleend voor zover de noodzakelijke kosten van het bestaan uitgaan boven de uitkering, een duurzaam karakter hebben en in de hogere bestaanskosten niet kan worden voorzien door het delen van kosten met een ander, alsmede hiervoor de ouderlijke onderhoudsplicht niet te gelde kan worden gemaakt. 2.De jongere als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken als: de ouder(
  5. s)is/zijn overleden of in het buitenland woont/wonen; de jongere in het kader van de Wet op de jeugdzorg destijds buiten het gezin is geplaatst; er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de minderjarige zelf geen verandering kan worden gebracht; en/of het op individuele gronden niet verantwoord is dat de jonge aanvrager bij zijn ouders woont. 3.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid wordt, analoog aan artikel 41, lid 4, van de Participatiewet, niet eerder ingediend dan vier weken na datum melding en wordt niet eerder dan vier weken na die melding in behandeling genomen. 4.Als vastgesteld is dat er recht op een maatwerkvoorziening bestaat op grond van dit artikel wordt deze, analoog aan artikel 44, lid 1, van de Participatiewet, toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om deze bijstand aan te vragen. 5.De noodzakelijke kosten van het bestaan van de zelfstandig wonende alleenstaande dan wel alleenstaande ouder van 18 tot 21 jaar zoals bedoeld in het eerste lid, wordt op grond van artikel 21 van de Participatiewet, vastgesteld op de uitkering voor een persoon van 21 jaar exclusief vakantietoeslag in vergelijkbare omstandigheden. De uitkering wordt vastgesteld op het verschil tussen dit bedrag en de uitkering. Artikel7.2.3Overbruggingsuitkering 1.Ter overbrugging van de eerste maandbetaling van de algemene bijstand kan in bijzondere omstandigheden een maatwerkwerkvoorziening worden verleend in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De te overbruggen periode betreft maximaal een maand. 2.De hoogte van de in het eerste lid bedoelde maatwerkvoorziening bedraagt, onder aftrek van alle eventueel aanwezige middelen als genoemd in paragraaf 3.4 van de Participatiewet, maximaal de uitkering exclusief vakantietoeslag. 3.De overbruggingsuitkering wordt om niet verleend. 4.Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het eerste lid kan sprake zijn bij: het verlaten van een asielzoekerscentrum; het verlaten van de echtelijke woning bij verbreken van de relatie. 5.Aan een toegelaten vluchteling die zich voor het eerst in de gemeente vestigt in verband met de taakstelling huisvesting vergunninghouders wordt een overbruggingsuitkering toegekend, mits hij voorafgaand daaraan voor zijn huisvesting onder de verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers viel. Dit geldt ook voor uitgenodigde asielzoekers die direct na aankomst in Nederland zich in de gemeente vestigen en voor wie de gemeente verantwoordelijk is voor de huisvesting in het kader van de taakstelling huisvesting vergunninghouders. Paragraaf7.3Sociaal medische indicatie en peuteropvang Artikel7.3.1Doelgroep Sociaal medische indicatie Voor een sociaal medische indicatie komen in aanmerking: een kind of de ouder die een lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke of psychische beperking heeft en van wie is vastgesteld dat één of meer van deze beperkingen kinderopvang van één of meer andere kinderen in het gezin in de leeftijd van 0 tot 4 jaar noodzakelijk maakt; het gezin dat in een sociale of medische crisissituatie is beland waardoor de ouders tijdelijk niet in staat zijn de verzorging van het kind/de kinderen op zich te nemen; een kind of de ouder als kinderopvang in het belang is van de goede en gezonde ontwikkeling van het kind/de kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar. die voldoen aan de volgende voorwaarden: staan ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente; en op de datum van aanvraag een vermogen hebben dat niet hoger is dan artikel 34 van de Participatiewet, waarbij het vermogen verbonden in de eigen woning niet wordt meegerekend; en hebben de Nederlandse nationaliteit of zijn daaraan gelijkgesteld; en die aantoonbaar niet zelf in kinderopvang kunnen voorzien en geen (toereikend) beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening; en die instemmen met professionele begeleiding om de persoonlijke dan wel thuissituatie te verbeteren. Artikel7.3.2Indicatie en advies sociaal medische indicatie 1.Het besluit tot het afgeven van een sociaal medische indicatie, dient in ieder geval gebaseerd te zijn op een advies van een consulent met het specialisme jeugd van de gemeente. 2.Het college kan op grond van artikel 5, tweede lid, van de verordening voor de vaststelling van de noodzaak van kinderopvang extra advies inwinnen bij een adviesinstantie. Advies wordt ingewonnen bij de gecontracteerde en gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders. 3.De consulent met het specialisme Jeugd van de gemeente legt het advies als bedoeld in het eerste lid vast in een rapportage die in ieder geval de volgende onderdelen bevat: een beschrijving van de noodzaak voor de opvang; het te bereiken resultaat / doel van de opvang; de periode waarvoor opvang noodzakelijk is (de duur); het aantal noodzakelijke uren per dag; voorwaarden aan de locatie waar het kind naar de opvang gaat; informatie van betrokken of doorverwijzende instanties of instellingen. Artikel7.3.3Hoogte en duur vergoeding sociaal medische indicatie 1.Het college verstrekt alleen een tegemoetkoming als professionele begeleiding wordt ingezet om de persoonlijke dan wel thuissituatie van de belanghebbende te verbeteren. Het niet inzetten of stopzetten van professionele begeleiding is een reden om de tegemoetkoming te weigeren of te stoppen. 2.De tegemoetkoming wordt geïndexeerd in dagdelen opvang per week. 3.De belanghebbende heeft tijdelijk recht op een tegemoetkoming, met een maximale periode van één jaar. Binnen dit jaar kan een tussentijdse heroverweging plaatsvinden. 4.Een verlenging kan plaatsen vinden met een maximale periode van één jaar als: er geen (toereikend) beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening; zolang er sprake is van professionele begeleiding in het gezin en er nog zicht is op verbetering van de situatie. 5.Volledige tegemoetkoming van de kosten is uitsluitend mogelijk voor ouders met een inkomen tot 120% van de uitkering. Voor ouders met een hoger inkomen wordt de hoogte van de gemeentelijke bijdrage berekend via de tabel in Bijlage 5 Tabel gemeentelijke bijdrage sociaal medische indicatie bij deze beleidsregels en is inkomensafhankelijk. 6.Voor bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming wordt uitgegaan van de uurtarieven die door de kinderopvang instelling worden gehanteerd. Artikel7.3.4Eigen bijdrage peuteropvang 1.Onder peuteropvang verstaan we de opvang van kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar, gedurende maximaal 2 dagdelen per week bij een kinderopvangaanbieder die geregistreerd is in het landelijk register kinderopvang. 2.De belanghebbende zoals beschreven in het derde lid kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor de kosten van de eigen bijdrage peuteropvang gedurende maximaal 2 dagdelen per week. 3.De volgende doelgroepen kunnen in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening: ouders in een re-integratie- of inburgeringstraject die een uitkering ontvangen op grond van de Participatiewet, IOAW, IOAZ, ANW of WIA; minderjarigen die scholing of een opleiding volgen en algemene bijstand (kunnen) ontvangen; studenten; belanghebbenden die geen recht hebben op een tegemoetkoming via de Kinderopvangtoeslag. 4.De maatwerkvoorziening eindigt zodra het kind de leeftijd van 4 jaar heeft bereikt of de peuteropvang eerder stopt. Paragraaf 7.4 Gezondheid Artikel7.4.1.Collectieve zorgverzekering minima (CZM) - Algemene bepalingen 1.Voor medische kosten worden de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg als toereikend en passend beschouwd en gelden daarom als voorliggende voorziening op de Participatiewet. 2.Uit het oogpunt van het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid wordt van de belanghebbende verwacht dat hij zich voor verzekerbare medische kosten verzekert. Het ontbreken van een basis- en/of aanvullende zorgverzekering is geen bijzondere omstandigheid. Dit leidt daarom niet tot een noodzaak om voor hieruit voortvloeiende kosten bijzondere bijstand te verlenen. 3.De CZM is een collectieve zorgverzekering bestaande uit een basisverzekering en een pakket aanvullende verzekeringen waarvoor het college een overeenkomst heeft gesloten met zorgverzekeraar Univé. 4.Deelname aan de CZM is niet verplicht voor een belanghebbende. 5.In afwijking van artikel 7.1.9, eerste lid van deze beleidsregels wordt de draagkrachtperiode bij de CZM vastgesteld voor twee jaar. Artikel7.4.2.Aanvraag CZM 1.Het college beoordeelt op aanvraag of een belanghebbende recht heeft op deelname aan de CZM. 2.Voor de CZM gelden de volgende criteria: de (aan)melding via www.gezondverzekerd.nl wordt aangemerkt als een aanvraag voor deelname/toelating tot de CZM én voor een bijdrage in de premie van de aanvullende zorgverzekering; de belanghebbende die deelneemt aan de CZM is zelf verantwoordelijk voor de betaling van de verschuldigde premie aan zorgverzekeraar Univé, tenzij anders is overeengekomen; als de belanghebbende die een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt, een achterstand in de betaling van de premie heeft van drie maanden, houdt het college in beginsel de te betalen premie in van de uitkering en betaalt deze door aan zorgverzekeraar Univé tot het moment waarop het college van oordeel is dat de inwoner de betaling zelf weer kan oppakken. Artikel7.4.3Doelgroep CZM Voor de CZM komt in aanmerking de belanghebbende die voldoet aan de volgende voorwaarden: staat ingeschreven in de Basis Registratie Personen op een woonadres in de gemeente; is 18 jaar of ouder; heeft aantoonbaar een inkomen dat op de datum van aanvraag niet hoger is dan 120% van de uitkering; heeft aantoonbaar een vermogen dat niet hoger is dan genoemd in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet; heeft een basis- en aanvullende zorgverzekering bij Univé afgesloten dan wel heeft deze aangevraagd. Artikel7.4.4Hoogte en duur vergoeding CZM 1.Het college verleent aan een belanghebbende die deelneemt aan de CZM een gedeeltelijke bijdrage in de kosten van het aanvullende deel van de zorgverzekering. De gemeentelijke bijdrage wordt per kalenderjaar toegekend in de vorm van een periodieke maatwerkvoorziening. De gemeentelijke bijdrage bedraagt voor 2021 en 2022 voor het pakket: AV Compact: € 10 per maand per belanghebbende; AV Compleet: € 20 per maand per belanghebbende; AV Compleet inclusief herverzekering eigen risico: € 45 per maand per belanghebbende. 2.De gemeentelijke bijdragen genoemd in het eerste lid worden door het college rechtstreeks betaald aan zorgverzekeraar Univé. 3.Het college stelt jaarlijks de hoogte van de gemeentelijke bijdrage in de kosten van de premie van de aanvullende zorgverzekering vast en draagt er zorg voor dat de meest recente bedragen die in de gemeente gelden bekendgemaakt worden. Artikel7.4.5Beëindiging CZM en gemeentelijke bijdrage 1.Bij beëindiging van het recht op uitkering voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Participatiewet wordt onderzocht of belanghebbende nog als rechthebbende voor de CZM kan worden aangemerkt voor de rest van het kalenderjaar. 2.Deelname aan de CZM en de bijdrage in de aanvullende zorgverzekering eindigen in ieder geval: met ingang van de eerste van de maand, volgend op de maand waarin de belanghebbende geen rechthebbende meer is; met ingang van de eerste van de maand, volgend op de maand waarin de belanghebbende verhuist, tenzij de belanghebbende verhuist naar een van de gemeenten Bergen (NH), Uitgeest of Heiloo en nog steeds voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in paragraaf 7.4 van deze Beleidsregels; per 1 januari van het nieuwe kalenderjaar als de belanghebbende tijdens het lopende kalenderjaar uitstroomt uit de uitkering door participatie-activiteiten. 3.De CZM en de periodieke maatwerkvoorziening worden toegekend aan een belanghebbende die een periodieke uitkering voor de kosten van levensonderhoud ontvangt op grond van de Participatiewet tot het moment waarop de uitkering eindigt. Artikel7.4.6Medische kosten 1.Voor verzekerbare medische kosten wordt de belanghebbende geacht zich te verzekeren. 2.Als de belanghebbende die niet verzekerd is via de CZM een maatwerkvoorziening aanvraagt voor medische kosten, stemt het college de hoogte van de eventuele maatwerkvoorziening af. 3.De hoogte van de eventuele maatwerkvoorziening wordt vastgesteld op de maximale vergoeding volgens de CZM, aanvullend pakket Compleet, tenzij in deze beleidsregels anders is bepaald. 4.Voor het verplicht eigen risico van de Zorgverzekeringswet is geen maatwerkvoorziening mogelijk. Deze kosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. 5.De kosten van een (vrijwillig) gekozen hoger eigen risico, hoger dan het wettelijk eigen risico, komen niet voor een maatwerkvoorziening in aanmerking. 6.Voor eigen bijdragen (niet zijnde het eigen risico) die rechtstreeks verband houden met een verstrekking op grond van de basisziektekostenverzekering kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt. 7.Voor eigen bijdragen geheven vanuit de aanvullende verzekering van de Zorgverzekeringswet kan geen maatwerkvoorziening worden geheven. 8.Het college kan op grond van artikel 5, tweede lid, van de verordening de (sociaal) medische noodzaak van de (aangevraagde) kosten laten vaststellen door een adviesinstantie. Artikel7.4.7Alternatieve relatiebemiddeling 1.Onder alternatieve relatiebemiddeling worden diensten verstaan in de vorm van seksueel contact. 2.Het college kan aan de belanghebbende met een inkomen dat niet hoger is dan 100% van de uitkering een maatwerkvoorziening verlenen voor de kosten van alternatieve relatiebemiddeling als de belanghebbende: woonachtig is in een instelling; of niet woonachtig is in een instelling maar wel begeleiding krijgt van een erkende instelling voor ambulante hulp- en dienstverlening voor mensen met een handicap; en een indicatie heeft van een behandelend specialist voor het hebben van seksueel contact vanuit therapeutisch oogpunt; en de diensten door een daarvoor gespecialiseerd bureau krijgt geleverd (bijv. via Stichting alternatieve relatiebemiddeling (SAR)). 3.Het recht op een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld op één dienst per maand en de hoogte van de maatwerkvoorziening voor één dienst bedraagt niet meer dan € 100. 4.De maatwerkvoorziening wordt betaalbaar gesteld op basis van betaalbewijzen. 5.Bij elke vervolgaanvraag stelt het college opnieuw vast of er een indicatie bestaat als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c of het derde lid van dit artikel. Artikel7.4.8Uitvaartkosten (niet zijnde de uitvoering van de Wet op de lijkbezorging) 1.Voor de kosten van een begrafenis of een crematie kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt aan de belanghebbende op wie volgens de bepalingen in het huwelijksgoederenrecht en het erfrecht de plicht rust de kosten van lijkbezorging van bloed- en aanverwanten te voldoen, voor zover deze kosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden, niet gedekt zijn door verzekeringen en/of overlijdensuitkering krachtens een sociale zekerheidswet en de nabestaande niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel
  6. in)de uitvaartkosten te voldoen. 2.Op de maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid worden middelen uit de nalatenschap van de overledene volledig in mindering gebracht. 3.De maximaal te vergoeden (totale) kosten van de begrafenis of crematie bedragen € 4.000. 4.De maatwerkvoorziening wordt waar mogelijk op grond van paragraaf 6.5 van de Participatiewet en paragraaf 10.3 van deze beleidsregels verhaald. 5.De maatwerkvoorziening voor uitvaartkosten wordt in beginsel om niet verleend, tenzij aannemelijk is te achten dat er achteraf voldoende middelen zijn. 6.Voor de kosten van een uitvaart in het buitenland wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Paragraaf 7.5 Meedoen (leeftijd 18 jaar en ouder) Artikel7.5.1Definitie maatschappelijke participatie Onder maatschappelijke participatie in deze paragraaf wordt verstaan het deelnemen aan activiteiten met een sportief, sociaal dan wel cultureel karakter. Artikel7.5.2Doelgroep Voor een maatwerkvoorziening komt in aanmerking de belanghebbende die deelneemt of wil deelnemen aan maatschappelijke participatie activiteiten en die voldoet aan de volgende voorwaarden: staat ingeschreven in de Basis Registratie Personen op een woonadres in de gemeente; is 18 jaar of ouder; heeft aantoonbaar een inkomen dat op de datum van aanvraag niet hoger is dan 120% van de uitkering; heeft aantoonbaar een vermogen dat niet hoger is dan genoemd in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet. Artikel7.5.3Wijze van aanvragen en kostensoorten 1.De aanvraag wordt ingediend binnen twaalf maanden nadat de kosten zijn opgekomen, tenzij de belanghebbende de kosten niet kan voorfinancieren. 2.De volgende kosten komen in aanmerking: (bijdrage in
  7. de)contributie van een sportvereniging, sportactiviteit en sportbenodigdheden dan wel (bijdrage in
  8. de)contributie van een culturele of muzikale vereniging of activiteit (toneel, zang, theater, scouting, e.d.); bijdrage in de kosten van: lidmaatschap bibliotheek, abonnement internet/aansluiting telefoon, abonnement krant, een bezoek aan een bioscoop, theater, (kinder)festival, bezoek dierentuin of (kinder)concert, museumkaart of Cultureel jongeren pas. Artikel7.5.4Hoogte van de maatwerkvoorziening 1.De hoogte van de maatwerkvoorziening wordt vastgesteld op basis van de maximale bedragen zoals genoemd in bijlage 6 verstrekkingenlijst behorende bij de paragrafen 7.5 Meedoen en 7.6 Kindpakket. 2.In de verstrekkingenlijst is bepaald welke belanghebbende als bedoeld in artikel 7.5.2 van deze beleidsregels in aanmerking komt, voor welke kostensoorten en tot welke maximale bedragen per kalenderjaar. Paragraaf 7.6 Kindpakket (leeftijd 0 tot 18 jaar) Artikel7.6.1Definitie maatschappelijke participatie Onder maatschappelijke participatie in deze paragraaf wordt verstaan het deelnemen aan activiteiten met een sportief, educatief, sociaal dan wel cultureel karakter. Artikel7.6.2Doelgroep 1.Voor een maatwerkvoorziening op grond van deze paragraaf komt in aanmerking de belanghebbende met ten laste komende kinderen die deelneemt of deel wil nemen aan maatschappelijke participatie activiteiten en die voldoet aan de volgende voorwaarden: staat ingeschreven in de Basis Registratie Personen op een woonadres in de gemeente; heeft aantoonbaar een inkomen dat op de datum van aanvraag niet hoger is dan 120% van de uitkering; heeft aantoonbaar een vermogen dat niet hoger is dan genoemd in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet. 2.De peildatum voor het bepalen van de leeftijd van de kinderen is het moment van indienen van de aanvraag. Artikel7.6.3Wijze van aanvragen en kostensoorten 1.De aanvraag wordt ingediend binnen 6 maanden nadat de kosten zijn opgekomen, tenzij de belanghebbende de kosten niet kan voorfinancieren. 2.De volgende kosten komen in ieder geval in aanmerking: contributie van een sportvereniging, sportactiviteit en sportbenodigdheden via het Jeugdfonds Sport & Cultuur; contributie van een culturele of muzikale vereniging of activiteit (toneel, zang, dans, scouting, e.d.) via het Jeugdfonds Sport & Cultuur; zwemdiploma A voor kinderen in de leeftijd van 5 tot 18 jaar via het Jeugdfonds Sport; bijdrage in de kosten van een bezoek aan een bioscoop, theater, kinderfestival, kinderconcert, dierentuin, attractiepark, cultureel jongeren paspoort (CJP) (wanneer niet via school verstrekt); tegemoetkoming schoolkosten. Artikel7.6.4Hoogte van de maatwerkvoorziening 1.De hoogte van de maatwerkvoorziening wordt vastgesteld op basis van de maximale bedragen zoals genoemd in bijlage 6 verstrekkingenlijst behorende bij de paragrafen 7.5 Meedoen en 7.6 Kindpakket. 2.In de verstrekkingenlijst is bepaald welke belanghebbende als bedoeld in artikel 7.6.2 van deze beleidsregels in aanmerking komt voor welke kostensoorten en tot welke maximale bedragen per kalenderjaar. 3.De hoogte van de maximale bijdrage(
  9. n)via het Jeugdfonds Sport & Cultuur zijn vastgelegd in de Spelregels Jeugdfonds Sport & Cultuur Noord-Holland Gemeente Castricum. Hierbij gelden de maximale bedragen zoals deze zijn opgenomen in bijlage 6 verstrekkingenlijst behorende bij de paragrafen 7.5 Meedoen en 7.6 Kindpakket. Paragraaf 7.7 Computerregeling Artikel7.7.1Doelgroep 1.Voor een maatwerkvoorziening op grond van dit artikel komt in aanmerking de belanghebbende met ten laste komende schoolgaande kinderen die voldoet aan de volgende voorwaarden: staat ingeschreven in de Basis Registratie Personen op een woonadres in de gemeente; heeft aantoonbaar een inkomen dat op de datum van aanvraag niet hoger is dan 120% van de uitkering, met dien verstande dat een belanghebbende die een uitkering voor de kosten van levensonderhoud ontvangt op grond van de Participatiewet, wordt geacht daaraan te voldoen; heeft aantoonbaar een vermogen dat niet hoger is dan genoemd in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet; en het kind heeft een computer nodig voor het volgen van het onderwijs. 2.De peildatum voor het bepalen van de leeftijd van de kinderen is het moment van indienen van de aanvraag. Artikel7.7.2Hoogte maatwerkvoorziening 1.Eenmaal per vijf jaar kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt voor de kosten van een nieuwe computer, laptop of tablet. Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor een 2e hands computer, laptop of tablet, cartridges of papier. 2.De maximale vergoeding is opgenomen in bijlage 6 verstrekkingenlijst behorende bij de paragrafen 7.5 Meedoen en 7.6 Kindpakket. De regeling is niet bedoeld voor de aanschaf van games, randapparatuur voor games, webcams, internetabonnement, papier, cartridges, onderhoudskosten of andere zaken die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik van de computer voor schooldoeleinden van het kind. Paragraaf 7.8 Individuele inkomenstoeslag Artikel7.8.1Uitzicht op inkomensverbetering [vervallen] Artikel7.8.2Geen uitzicht op inkomensverbetering [vervallen] Artikel7.8.3Beoordeling uitzicht op inkomensverbetering [vervallen] Paragraaf 7.9 Wonen Artikel7.9.1Stofferings- en inrichtingskosten, duurzame gebruiksgoederen (inclusief witgoed en babyuitzet) 1.De belanghebbende wordt geacht de kosten, die verband houden met de in de titel van dit artikel genoemde kosten welke behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, primair uit zijn eigen middelen, inkomen, vermogen dan wel de individuele inkomens- of studietoeslag te voldoen; hetzij door reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf waarbij rekening wordt gehouden met de draagkrachtbepalingen als bedoeld in paragraaf 7.1 van deze beleidsregels. Dit geldt ook voor de kosten van de eerste woninginrichting. 2.Als de belanghebbende niet zelf in de kosten kan voorzien is een geldlening van de Kredietbank een voorliggende voorziening. 3.Wanneer wegens bijzondere omstandigheden reserveren niet of niet voldoende mogelijk was en een geldlening via de Kredietbank ook niet mogelijk is, kan bijzondere bijstandsverlening aan de orde zijn. Bij het bepalen van de noodzaak is het van belang of de aanschaf voorzienbaar was en gereserveerde gelden al zijn verbruikt voor andere duurzame goederen. 4.Als bijzondere bijstand voor inrichtingskosten en/of duurzame gebruiksgoederen wordt verleend, dan is dat in de vorm van een lening en moet deze worden terugbetaald zoals beschreven in artikel 7.1.11 van deze beleidsregels. 5.Voor stofferingskosten die naar hun aard niet als duurzame gebruiksgoederen mogen worden gezien, zoals verf, vloerbedekking en behang, kan een maatwerkvoorziening om niet worden verstrekt. De maatwerkvoorziening kan (slechts) als lening worden verstrekt als zich ten aanzien van belanghebbende omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 48, tweede lid van de Participatiewet. 6.In afwijking van het eerste lid geldt voor de eerste woninginrichting van toegelaten vluchteling dan wel uitgenodigde asielzoeker het volgende: een maatwerkvoorziening wordt verstrekt voor de kosten van de eerste woninginrichting in de vorm van een renteloze geldlening; voor het in redelijkheid bepalen van de hoogte van de noodzakelijke kosten bij complete woninginrichting wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate inrichting met een maximale vergoeding van 80% van de normbedragen zoals opgenomen in de prijzengids van het Nibud, tenzij deze beleidsregels anders bepalen; de aflossing dient zoveel mogelijk plaats te vinden door middel van inhouding op de uitkering Participatiewet. 7.Als de lening voor een volledige inrichting door de Kredietbank wordt verstrekt, geeft de gemeente een borgstelling af en verstrekt een aflossingssuppletie. Artikel7.9.2Verhuiskosten 1.Kosten in verband met verhuizing (transportkosten, dubbele huur, administratiekosten) behoren naar hun aard tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en dienen daarom uit het inkomen te worden voldaan onder meer door reservering of gespreide betaling achteraf. 2.In afwijking van het eerste lid kan voor de kosten van een verhuizing binnen de gemeente of naar een andere gemeente, dat wil zeggen het transport van de inboedel, een maatwerkvoorziening worden verstrekt, als: er sprake is van een noodzakelijke verhuizing die op geen enkele manier voorzienbaar is; de verhuizing op medische dan wel sociale gronden als noodzakelijk moet worden beschouwd; er sprake is van een eerste verhuizing na het verlaten van het AZC. 3.Als op grond van het tweede lid een maatwerkvoorziening wordt verstrekt voor de kosten van huur, administratiekosten en waarborgsom, dan bedraagt deze maximaal: de eerste maandhuur, administratiekosten en waarborgsom van de toegewezen huurwoning voor de toegelaten vluchteling dan wel de uitgenodigde asielzoeker. De eerste maandhuur en administratiekosten worden om niet verstrekt. De waarborgsom wordt in de vorm van een geldlening verstrekt; één maand dubbele huur om niet in overige situaties. 4.De maatwerkvoorziening wordt direct doorbetaald aan de Woningbouwvereniging of verhuurder. Artikel7.9.3Aanhouden van de woning 1.Het college verstrekt een maatwerkvoorziening voor de kosten van het aanhouden van de woning voor zover op geen andere wijze in de kosten kan worden voorzien, vanaf de tweede maand van opname of detentie: gedurende maximaal zes maanden als er sprake is van opname in een inrichting of ziekenhuis die naar verwachting korter duurt dan zes maanden; gedurende maximaal drie maanden als er sprake is van detentie die naar verwachting korter duurt dan drie maanden. 2.De hoogte van de maatwerkvoorziening wordt vastgesteld op de feitelijke kosten van: de huur minus eventueel door belanghebbende te ontvangen huurtoeslag; het, verlaagde, maandelijkse termijnbedrag voor levering van energie en water; het maandelijkse termijnbedrag voor de inboedel- en opstalverzekering. Artikel7.9.4Woonkostentoeslag 1.Onder woonkosten verstaat het college: bij bewoning van een huurwoning of gehuurde woonwagen de op de aanvangsdatum van het lopende huurtoeslagtijdvak per maand geldende huurprijs, als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag (Wht). bij bewoning van een eigen woning of woonwagen de tot een bedrag per maand omgerekende som van de in verband met de aankoop verschuldigde netto (hypotheek)rente, de in verband met het in eigendom hebben van de woning of woonwagen verschuldigde zakelijke lasten. Waarbij onder zakelijke lasten wordt verstaan: de rioolrechten, het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de premie brand en opstalverzekering en het eigenaarsdeel van de waterschapslasten. 2.Onder bepaalde, hieronder, nadere omschreven voorwaarden kan het college een woonkostentoeslag verlenen bij een: huurwoning, waarvan de huurlasten beneden de maximale huurgrens van de Huurtoeslag liggen; huurwoning, waarvan de huurlasten boven de maximale huurgrens van de huurtoeslag liggen; of koopwoning. 3.Een woonkostentoeslag wordt niet verleend: aan de Nederlander of de daarmee gelijkgestelde die geen recht op huurtoeslag heeft, omdat hij medebewoning heeft van een niet-rechthebbende vreemdeling. Het gemis aan huurtoeslag ten gevolge van de keuze voor een niet-rechthebbende huisgenoot, komt niet voor bijstand in aanmerking. Dit uitgangspunt geldt eveneens voor de eigenaren van een koopwoning. als geen huurtoeslag wordt ontvangen als gevolg van nalatigheid/verwijtbaarheid van belanghebbende. Dit uitgangspunt geldt eveneens voor de eigenaren van een koopwoning als om die reden geen belastingteruggave wordt/is ontvangen. aan jongeren van 18 tot en met 22 jaar die geen aanspraak kunnen maken op huurtoeslag als gevolg van een te hoge rekenhuur. De gevolgen van een afwijkend toewijzingsbeleid van woningen en/of verlating van de (oudere) partner komen niet voor bijstand in aanmerking. 4.Als de belanghebbende een huurwoning bewoont waarvan de hoogte van de woonkosten, gelet op artikel 13 van de Wht, geen belemmering vormt voor de toekenning van de huurtoeslag, maar hij door omstandigheden buiten zijn schuld nog geen aanspraak kan maken op deze toeslag, wordt een woonkostentoeslag verstrekt. 5.De woonkostentoeslag wordt verstrekt tot de datum waarop de belanghebbende wel in aanmerking komt voor huurtoeslag tot maximaal een half jaar. Dit half jaar kan maximaal met een half jaar verlengd worden als belanghebbende kan aantonen dat hij/zij er alles aan heeft gedaan andere woonruimte te vinden, maar dit niet gelukt is en hij/zij daarbij heeft voldaan aan eventuele overige voorwaarden die hem/haar bij besluit zijn opgelegd. 6.De woonkostentoeslag bij een huurwoning is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die de belanghebbende, gelet op zijn financiële situatie op grond van de Wht, per maand zou ontvangen. 7.Als de belanghebbende een eigen woning bezit, waarin hij tevens woont en waarvan de hoogte van de woonkosten, gelet op artikel 13 van de Wht, geen belemmering vormt voor de toekenning van de huurtoeslag wordt een woonkostentoeslag verstrekt. De woonkostentoeslag bij een eigen woning is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die de belanghebbende, gelet op zijn financiële situatie op grond van de Wht, per maand zou ontvangen. 8.Als de belanghebbende een woning in huur of eigendom bewoont waarvan de hoogte van de woonkosten op grond van artikel 13 van de Wht een belemmering vormt voor toekenning van huurtoeslag, wordt voor de woonkosten tot en boven de maximale huurgrens een woonkostentoeslag verstrekt voor de periode van maximaal een half jaar. Deze periode kan worden verlengd met maximaal een half jaar als de belanghebbende naar het oordeel van het college naar vermogen heeft getracht goedkopere woonruimte te vinden. 9.Als het college overgaat tot bijstandsverlening als bedoeld in het vierde en achtste lid, is het uitgangspunt dat aan de belanghebbende, op grond van artikel 55 van de Participatiewet, de verplichting opgelegd wordt om actief op zoek te gaan naar goedkopere woonruimte, die wel voor huurtoeslag in aanmerking komt, en deze te accepteren. Paragraaf 7.10 Financiële regelingen Artikel7.10.1Bewindvoering (inclusief instaptarief), curatele en mentorschap 1.Als de belanghebbende door de rechtbank onder curatele, beschermingsbewind of mentorschap is gesteld kan een maatwerkvoorziening worden verleend voor de kosten van de curator, bewindvoerder of mentor. 2.De hoogte van de maatwerkvoorziening wordt vastgesteld aan de hand van wat in de beschikking van de kantonrechter ter zake is bepaald, conform de richtlijnen van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Als de rechtbank de beloning (nog) niet heeft vastgesteld wordt de hoogte van de maatwerkvoorziening bepaald aan de hand van de forfaitaire jaarbeloning volgens de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren (Stcrt. 2014, 32149). 3.Een ondercuratelestelling wordt gepubliceerd in landelijke kranten. De publicatiekosten komen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking. 4.Voor het vaststellen van de ingangsdatum van het recht op een maatwerkvoorziening wordt aansluiting gezocht bij de artikelen 3 en 4 van de Regeling beloning curatoren bewindvoerders en mentoren. Artikel7.10.2Eigen bijdrage rechtsbijstand en griffierecht 1.Algemene voorzieningen als bijvoorbeeld het Juridisch loket en sociaal raadslieden worden aangemerkt als een voorliggende voorziening. 2.Voor de kosten van eigen bijdrage rechtsbijstand kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt als op grond van een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand, rechtsbijstand wordt verleend. Eventuele noodzakelijke kosten die voortvloeien uit artikel 4 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 komen voor vergoeding in aanmerking. 3.De hoogte van de maatwerkvoorziening voor de kosten is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten. Naast de eigen bijdrage voor de toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand mogen door een advocaat nog griffierechten in rekening worden gebracht. Onvermogenden kunnen een beroep doen op de Regeling verlaagd griffierecht zoals omschreven in artikelen 8:41 en 8:109 van de Algemene wet bestuursrecht. 4.De volgende kosten van rechtsbijstand komen niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: vertaalkosten; reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van rechtszittingen; de kosten die gemaakt worden in de bezwaarfase anders dan de eigen bijdrage. 5.Voor de kosten van rechtsbijstand die zijn ontstaan door een strafrechtelijke zaak is alleen een maatwerkvoorziening mogelijk in de vorm van een geldlening. Artikel7.10.3Leges verblijfsvergunning 1.Personen met een vluchtelingenstatus kunnen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor de kosten van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. 2.De hoogte van de bijstand is gelijk aan het bedrag van de legeskosten verminderd met het bedrag dat verschuldigd zou zijn aan leges bij de aanschaf van een Nederlandse identiteitskaart in de gemeente. 3.De (leges)kosten van een verblijfsvergunning, anders dan een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, en kosten in verband met naturalisatie worden niet aangemerkt als noodzakelijke kosten en komen daardoor niet in aanmerking voor vergoeding. 4.Voor de kosten van een eerste aanvraag tot verblijf wordt geen bijstand verstrekt omdat de aanvrager niet tot de kring van rechthebbenden van de Participatiewet behoort. Artikel7.10.4Nadere verplichtingen 1.Aan de bijstandsverlening kunnen op grond van artikel 55 Participatiewet één of meer van de volgende verplichtingen worden verbonden: De belanghebbende is verplicht om, als het college dat noodzakelijk acht mee te werken aan een onderzoek omtrent diens financiële leerbaarheid met als doel om de financiële zelfstandigheid van belanghebbende te verbeteren en de onderbewindstelling overbodig te maken; De belanghebbende is verplicht om mee te werken aan een schuldregeling die als doel heeft om de bestaande schuldenproblematiek op te lossen; De verplichting om betalingsbewijzen te overleggen; De verplichting om het vonnis van de rechter te overleggen; De verplichting om, als dat mogelijk is, te verzoeken om veroordeling van de tegenpartij in de proceskosten; Verplichtingen in verband met het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht; De verplichting om alles in het werk te stellen om de (schuld)problematiek op te lossen. 2.De verplichtingen genoemd in het eerste lid onder a tot en met g is geen limitatieve opsomming. Paragraaf 7.11 Vervoer Artikel 7.11.1 Algemene bepalingen 1. Wanneer de enkele reisafstand meer dan 10 kilometer bedraagt, kan een maatwerkvoorziening voor de kosten van vervoer worden verstrekt als er sprake is van structurele vervoerskosten voor het bezoeken van een zieke of gedetineerde ouder, partner, verzorger of uithuisgeplaatst kind. 2. De bezoekfrequentie wordt afgestemd op de individuele situatie van de belanghebbende. 3. De hoogte van de maatwerkvoorziening wordt vastgesteld op basis van het tarief voor het openbaar vervoer, voordeligste mogelijkheid, dan wel bij eigen vervoer tegen een kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer, kortste route. Hoofdstuk8Specifieke bepalingen Schuldhulpverlening [vervallen] Hoofdstuk9Specifieke bepalingen Leerlingenvervoer [gereserveerd] Hoofdstuk10Terug- en invordering, bestuurlijke boete, verhaal, krediethypotheek en verpanding en hypothecaire zekerheid Paragraaf10.1Terug- en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ en invordering boetes Artikel10.1.1Terugvordering De uitkering wordt teruggevorderd in de gevallen zoals in de Participatiewet, IOAW en IOAZ is vermeld en op de wijze zoals bepaald in zowel de Participatiewet, IOAW en IOAZ, de verordening als in deze beleidsregels. Artikel10.1.2Afzien van terugvordering 1.De bepalingen in dit artikel zijn niet van toepassing op een vordering of dat deel van een vordering, die is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, voor zover de schending van de inlichtingenplicht heeft plaats gevonden ná 1 januari 2013. 2.Het college ziet af van terug-en/of invordering, indien uit de belangenafweging blijkt dat hiervoor een dringende reden aanwezig is. Artikel10.1.3Invordering van teruggevorderde uitkering en boetes 1.Het college start de invordering gelijktijdig met de afgifte van het besluit tot terugvordering en/of het besluit boete-oplegging en hanteert daarbij de in artikel 4:87 van de Awb genoemdebetalingstermijn van zes weken. 2.Het gelijktijdig met het terugvorderingsbesluit en/of boetebesluit afgegeven invorderingsbesluit omvat daarbij de volgende punten: de hoogte van (het saldo van) de vordering dan wel de boete; de betalingsverplichting; de datum waarop de betalingsverplichting ingaat; de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting als beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 over aanmaning en invordering bij dwangbevel; de vermelding dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichting behoudens bijzondere onvoorziene omstandigheden. Artikel10.1.4Vaststellen van het aflossingsbedrag 1.Het college verricht onderzoek naar de financiële situatie van belanghebbende. 2.Het college kan bepalen dat eventuele spaartegoeden of andere vermogensbestanddelen, waarover direct kan worden beschikt door de belanghebbende, bij voorrang worden aangewend voor de terugbetaling van de vordering en/of boete. 3.In afwijking van het eerste lid van dit artikel stemt het college bij vorderingen, die niet ontstaan zijn als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, zonder nader onderzoek in met een betalingsvoorstel van de debiteur voor zover daarmee het totaal van de vorderingen binnen een periode van 36 maanden in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 50,00 per maand bedraagt. 4.De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering wegens werkaanvaarding wordt bij vorderingen, die niet ontstaan zijn als gevolg van schendingvan de inlichtingenplicht, gedurende zes maanden na de verzenddatum van dit besluit, gesteld op het bedrag dat belanghebbende maandelijks reeds afloste tijdens de uitkeringsperiode. 5.Na afloop van de periode van zes maanden, zoals bedoeld in het voorgaande lid, wordt de aflossingscapaciteit van belanghebbende vastgesteld. 6.Het aflossingsbedrag, zoals medegedeeld in het invorderingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting. 7.Indien de belanghebbende geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, dan is de vordering en/of de boete dan wel het restant van de vordering en/of de boete direct ineens opeisbaar. Artikel10.1.5Herziening van het aflossingsbedrag 1.Op verzoek van de belanghebbende kan het college het aflossingsbedrag herzien. 2.Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op, tenzij de situatie daartoe aanleiding geeft. 3.Het college kan op basis van een gegrond vermoeden dat de aflossingscapaciteit is gewijzigd, een onderzoek naar de financiële situatie instellen. 4.Voor zover geen gegrond vermoeden, als bedoeld in het derde lid, aanwezig is, stelt het college een onderzoek naar de financiële situatie in overeenkomstig het Debiteuren Heronderzoeksplan (bijlage 1 bij de beleidsregels). 5.Indien de financiële situatie daartoe aanleiding geeft wordt het aflossingsbedrag herzien met ingang van de eerste van de maand volgend op de maand, waarin het besluit tot herziening van het aflossingsbedrag aan de belanghebbende kenbaar is gemaakt. 6.Indien het nieuwe aflossingsbedrag tenminste € 200,- per maand meer bedraagt dan het oude aflossingsbedrag, dan wordt het oude aflossingsbedrag stapsgewijs verhoogd in ten hoogste vier halfjaarlijkse termijnen. 7.Het aflossingsbedrag wordt bij vorderingen, die niet ontstaan zijn als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, zonder nader onderzoek herzien als de belanghebbende het aflossingsbedrag verzoekt te verlagen en, ongeacht deze verlaging, het totaal van de vorderingen binnen 36 maanden zal zijn afgelost en het aflossingsbedrag niet minder dan € 50,- per maand bedraagt. Artikel10.1.6Uitstel van betaling 1.Het college verleent uitstel van betaling nadat uit onderzoek is komen vast te staan dat de belanghebbende niet kan voortgaan met het verrichten van aflossingen. 2.In het geval de belanghebbende uitstel van betaling voor een periode van drie maanden of korter verzoekt en het betreft een vordering, welke niet is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, of een vordering, welke wel is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, maar die schending heeft plaats gevonden vóór 1 januari 2013, wordt deze zonder onderzoek toegekend indien aan de belanghebbende in de periode van 24 maanden voor het verzoek niet eerder een uitstel van betaling is toegekend. 3.Voor de periode dat uitstel is verleend wordt geen wettelijke rente in rekening gebracht. Artikel10.1.7Verrekening 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid, van de Participatiewet, artikel 28, tweede lid, van de IOAW en artikel 28, tweede lid, van de IOAZ en ongeacht de in artikel 10.1.3, eerste lid, van deze beleidsregels genoemde betalingstermijn gaat het college indien mogelijk meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met de uitkering. 2.Bij beëindiging van de uitkering wordt het recht op vakantiegeld verrekend met de openstaande vordering(
  10. en)en/of de boetes. 3.Bij vorderingen, ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, en bij boetes verrekent het college jaarlijks het volledige recht op vakantiegeld met de vordering en/of de boete. 4.Bij vorderingen, die niet ontstaan zijn als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, kan het college jaarlijks het recht op vakantiegeld volledig verrekenen met de vordering. Bij derden beslag verrekent het college in alle gevallen het recht op vakantiegeld met de vordering. 5.Het college stelt, na ontvangst van een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de belanghebbende op grond van artikel 60b, tweede of derde lid, van de Participatiewet, artikel 29, derde of vierde lid, van de IOAW en artikel 29, derde of vierde lid, van de IOAZ onderzoek in naar de door belanghebbende aangedragen bijzondere omstandigheden, die zouden kunnen leiden tot het buiten toepassing verklaren van artikel 60b, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 29 eerste lid, van de IOAW en artikel 29, eerste lid, van de IOAZ en baseert op dit onderzoek zijn besluit. 6.Bij dit onderzoek betrekt het college, behalve de gevolgen van de ten uitvoerlegging van artikel 60b, eerste, tweede of vierde lid, van de Participatiewet, artikel 29 eerste, derde of vijfde lid, van de IOAW en artikel 29, eerste, derde of vijfde lid, van de IOAZ voor de belanghebbende(
  11. n)zelf ook de mogelijke gevolgen voor diens gezin én de mogelijke maatschappelijke gevolgen. Artikel10.1.8Volgorde van invordering 1.Het college vordert de vorderingen op volgorde van ontstaansdatum in zolang de belanghebbende geen verzoek heeft gedaan op grond van artikel 4:92, tweede lid, van de Awb. 2.Onverminderd het gestelde in het eerste lid van dit artikel vindt de invordering van een boete bij voorrang plaats. 3.Het college wijkt van het gestelde in het tweede lid van dit artikel af als: bij beslaglegging door een derdeschuldeiser eerst de vordering wordt ingevorderd; brutering van de vordering voorkomen kan worden door eerst de vordering in te vorderen; het restant bedrag van de vordering(
  12. en)in minder dan zes maandelijkse termijnen vanaf de datum boeteoplegging zal zijn voldaan. Artikel10.1.9Afzien van (verdere) invordering 1.Met uitzondering van het in dit artikel gestelde onder het vierde tot en met het zesde lid en het gestelde in artikel 10.1.12, tweede en vijfde lid, van deze beleidsregels zijn de bepalingen in de artikelen 10.1.10, 10.1.11 en 10.1.12 van deze beleidsregels niet van toepassing op een vordering of dat deel van een vordering, die is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, voor zover de schending van de inlichtingenplicht heeft plaats gevonden ná 1 januari 2013. 2.De bepalingen in de artikelen 10.1.9 tot en met 10.1.12 zijn met uitzondering van het vierde en vijfde lid van dit artikel en artikel 10.1.12, tweede en vijfde lid, van deze beleidsregels niet van toepassing op boetes. 3.Het college stelt de vordering, met inbegrip van de eventueel al in rekening gebrachte wettelijke rente en de invorderingskosten, buiten (verdere) invordering indien de belanghebbende gedurende een aaneengesloten periode van vijf jaar geen betalingen (meer) heeft verricht en het aantoonbaar niet aannemelijk is dat hij deze op afzienbare termijn alsnog zal gaan verrichten. 4.Het college stelt de vordering dan wel de boete buiten (verdere) invordering indien deze niet langer juridisch afdwingbaar is. 5.Het college stelt de boete, met inbegrip van de eventueel al in rekening gebrachte wettelijke rente en de invorderingskosten, buiten (verdere) invordering indien de belanghebbendegedurende een aaneengesloten periode van 10 jaar in zijn geheel geen betalingen (meer) heeft verricht wegens andere redenen dan het hebben van aflossingsverplichtingen ten behoeve van andere bestuurlijke vorderingen en/of boetes, en aantoonbaar niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment alsnog zal gaan verrichten. Artikel10.1.10Kwijtschelding op verzoek van belanghebbende 1.Op verzoek van belanghebbende gaat het college over tot kwijtschelding van de restant vordering, welke is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, voor zover de schending van de inlichtingenplicht heeft plaats gevonden vóór 1 januari 2013, indien de belanghebbende: gedurende tien jaar voorafgaand aan het verzoek volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan of gedurende tien jaar niet volledig aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering toeziende kosten, alsnog heeft betaald; én tenminste 75% van de oorspronkelijke bruto vordering is betaald. 2.Op verzoek van de belanghebbende gaat het college over tot kwijtschelding van het restant van de vordering, welke niet is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht indien de belanghebbende: gedurende vijf jaar voorafgaand aan het verzoek volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan of gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering toeziende kosten, alsnog heeft betaald; én tenminste 50% van de oorspronkelijke bruto vordering is betaald. 3.Het gestelde onder het eerste en tweede lid van dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen, die door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden. 4.De wettelijke rente en invorderingskosten komen niet voor kwijtschelding in aanmerking. Artikel10.1.11Afkoop op verzoek van belanghebbende 1.Op verzoek van de belanghebbende stemt het college in met het verzoek tot afkoop van de vordering, welke is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, voor zover de schending van de inlichtingenplicht heeft plaats gevonden vóór 1 januari 2013: mits de verwachte aflossingen in 120 maandelijkse termijnen minder zullen opbrengen dan 75% van de bruto vordering; én de belanghebbende tezamen met de eventueel reeds betaalde aflossingen tenminste 75% van de bruto vordering betaalt. 2.Op verzoek van de belanghebbende stemt het college in met het verzoek tot afkoop van de vordering, welke niet is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht: voor zover de verwachte aflossingen in 60 maandelijkse termijnen minder zullen opbrengen dan 50% van de bruto vordering; en de belanghebbende tezamen met de eventueel reeds betaalde aflossingen tenminste 50% van de bruto vordering betaalt. 3.Het gestelde onder het eerste en tweede lid van dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van vorderingen, die door pand of hypotheek op een goed of goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden. 4.De wettelijke rente en invorderingskosten komen niet voor afkoop in aanmerking Artikel10.1.12Afzien van (verdere) invordering wegens schuldenproblematiek 1.Het college verleent medewerking aan een schuldhulpverleningstraject indien: redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; en redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en de vordering van het college wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. 2.Een boete, welke is ontstaan als gevolg van nulfraude, mag voor zover sprake is van het gestelde in het voorgaande lid worden meegenomen in een schuldhulpverleningstraject onder de voorwaarde dat de boete geheel wordt terugbetaald en de terugbetaling plaats vindt tijdens dit schuldhulpverleningstraject. 3.Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing voor zover de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden. 4.Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldhulpverleningstraject wordt ingetrokken als: het schuldhulpverleningstraject, dat voldoet aan de eisen bedoeld in het eerste lid van dit artikel alsmede het gestelde in het Beleidsplan Integrale Schuldhulpverlening gemeente Castricum niet binnen twaalf maanden na verzending van het besluit tot verlening van medewerking tot stand is gekomen; de belanghebbende de aan het schuldhulpverleningstraject verbonden verplichting(
  13. en)ondanks eerdere waarschuwing blijft schenden; dan wel onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 60c van de Participatiewet, artikel 29a van de IOAW en artikel 29a van de IOAZ kan het college medewerking verlenen aan een schuldhulpverleningstraject uitsluitend voor zover: het gericht is op preventie overeenkomstig het Beleidsplan integrale schuldhulpverlening gemeente Castricum; het nazorgtraject schuldhulpverlening inmiddels loopt en het afbreken hiervan leidt tot onevenredige benadeling van de belanghebbende en de kans op terugval in een schuldensituatie wordt vergroot. Artikel10.1.13Niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting 1.Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet of niet meer nakomt en verrekening is niet mogelijk, dan wordt het terugvorderings- en boetebesluit tenuitvoergelegd door middel van een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, op basis van de executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel, als bedoeld in artikel 4:114 Awb, nadat de betalings- en aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in artikel 4:117 Awb. 2.De in het voorgaande lid genoemde vorm van (dwang)invordering kan in handen gegeven worden van de gerechtsdeurwaarder. 3.Voor vorderingen kenbaar gemaakt vóór 1 juli 2009 kan het terugvorderingsbesluit ingeval er sprake is van een situatie zoals omschreven in het eerste lid van dit artikel direct ter verdere incasso overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder. Artikel10.1.14Rente en kosten Indien moet worden overgegaan tot dwanginvordering als bedoeld in artikel 10.1.13 dan wordt de vordering en/of de boete verhoogd met de wettelijke rente, de kosten als bedoeld in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag) en de op de invordering betrekking hebbende kosten zoals bepaald in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten vanaf het moment van indiening van de vordering bij de gerechtsdeurwaarder ingeval de vordering kenbaar is gemaakt vóór 1 juli 2009 of van het moment van betekening van het dwangbevel ingeval de vordering en/of de boete ontstaan is ná 1 juli 2009 Artikel10.1.15Schorsende werking 1.Een bezwaar- of beroepschrift van de belanghebbende tegen een terugvorderings-, boete- of invorderingsbesluit heeft geen schorsende werking. 2.Het college schort de invordering in het geval van een bezwaar- of beroepschrift op als de onmiddellijke invordering onevenredig belastend is voor de belanghebbende. 3.Het gestelde onder het tweede lid van dit artikel is niet van toepassing op de invordering van vorderingen, welke zijn ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, voor zover de schending van de inlichtingenplicht heeft plaats gevonden ná 1 januari 2013 en op boetes. Artikel10.1.16Overgangsbepalingen In overeenstemming met artikel 15, eerste lid Internationaal Verdrag Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) blijft artikel XXV, tweede lid van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving buiten toepassing. Paragraaf10.2Bestuurlijke boete Artikel10.2.1Schending inlichtingenplicht 1.Aan de verplichting om onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op uitkering als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet Suwi en artikel 13, eerste lid, van de IOAW/IOAZ is voldaan als belanghebbende dit binnen 14 dagen, gerekend vanaf de dag waarop de wijziging zich heeft voorgedaan, heeft gemeld bij het college. 2.In afwijking van het voorgaande lid geldt dat het aanvaarden van werk gemeld moet worden uiterlijk op de dag nadat de salarisstrook of – indien de uitbetaling van het salaris eerder is dan de salarisstrook – de dag nadat de salarisbetaling is ontvangen. 3.In afwijking van het eerste lid van dit artikel geldt dat de belanghebbende(
  14. n)verrichte werkzaamheden en/of daaruit voortvloeiende maandelijkse inkomsten op het “inkomstenformulier” voorzien van bewijsstukken, uiterlijk op de datum, die staat aangegeven op dit formulier meldt. Artikel10.2.2Vaststellen mate van verwijtbaarheid Bij het vaststellen van de mate van verwijtbaarheid hanteert het college de criteria zoals genoemd in het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Artikel10.2.3Vaststellen van het benadelingsbedrag 1.Voor de vaststelling van de hoogte van het benadelingsbedrag gaat het college uit van het bedrag dat in de betreffende maand teveel is uitbetaald. Eventuele verrekening achteraf speelt geen rol bij het vaststellen van het benadelingsbedrag. 2.Onverschuldigde betalingen die hebben plaatsgevonden na afloop van een termijn van 14 kalenderdagen nadat belanghebbende alsnog uit eigen beweging de juiste en volledige inlichtingen heeft verstrekt, rekent het college niet meer tot het benadelingsbedrag. 3.Onverschuldigde betalingen die hebben plaatsgevonden na afloop van een termijn van 14 kalenderdagen nadat het college de overtreding heeft geconstateerd en voordat belanghebbende uit eigen beweging de juiste en volledige inlichtingen heeft verstrekt, rekent het college niet meer tot het benadelingsbedrag. Artikel10.2.4Waarschuwing 1.Het college volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing in plaats van een bestuurlijke boete als aan de volgende voorwaarden is voldaan: er is sprake van normale verwijtbaarheid of verminderde verwijtbaarheid; aan belanghebbende is in de afgelopen 24 maanden niet eerder een waarschuwing of boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht; er is geen sprake van een benadelingsbedrag of een benadelingsbedrag van minder dan€ 150 of belanghebbende heeft binnen 14 kalenderdagen na de overtreding alsnog uit eigen beweging juiste en volledige informatie verstrekt vóórdat het college de overtreding heeft geconstateerd. 2.Als niet volstaan wordt met een waarschuwing, dan bedraagt de boete € 150 in geval van opzet en € 75 als geen sprake is van opzet. Artikel10.2.5Zienswijze Als sprake is van een benadelingsbedrag dan stelt het college de belanghebbende in de gelegenheid om schriftelijk dan wel mondeling zijn zienswijze te geven binnen een door het college te bepalen termijn dan wel op een door het college te bepalen plaats en tijdstip. Artikel10.2.6Vaststellen draagkracht 1.Het college stemt de boete af op de draagkracht van belanghebbende door de fictieve draagkracht te vermenigvuldigen met 24 maanden in geval van opzet, 18 maanden in geval van grove schuld, 12 maanden in geval van normale verwijtbaarheid en 6 maanden in geval van verminderde verwijtbaarheid. 2.Onder fictieve draagkracht wordt verstaan de financiële ruimte boven 90% van de toepasselijke uitkeringsnorm op het moment van het opleggen van de boete. 3.Indien belanghebbende geen inkomen heeft of het inkomen bedraagt minder dan 90% van de toepasselijke uitkeringsnorm, dan gaat het college uit van een boete van € 45 x het toepasselijke aantal maanden. 4.Het college betrekt het vermogen bij de vaststelling van de draagkracht als één of meer van de volgende situaties van toepassing is: er is sprake van opzet of grove schuld; de schending van de inlichtingenplicht bestaat uit het verzwijgen van vermogen. Paragraaf10.3Verhaal Artikel10.3.1Nihilbeding Een overeenkomst waarbij echtgenoten of gewezen echtgenoten hebben bepaald dat na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, de een tegenover de ander in het geheel niet of slechts tot een bepaald bedrag tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden, al dan niet met het beding bedoeld in artikel 1:159 van het BW, staat niet in de weg aan verhaal op een van de partijen en laat de vaststelling van het te verhalen bedrag onverlet. Artikel10.3.2Limitering, beperking van toepassing van verhaal geschiedt op 3 gronden 1.Op grond van de verhaalsnovelle is aansluiting gevonden bij de Wet limitering die bepaalt dat de onderhoudsverplichting ten behoeve van de ex-echtgenoot, beperkt is tot 12 jaar te rekenen vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. 2.Indien de duur van het huwelijk niet meer bedraagt dan vijf jaren en uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk en die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. 3.De onderhoudsverplichting ten behoeve van de ex-echtgenoot vervalt, indien er geen sprake is van causaal verband tussen de echtscheiding en de uitkeringsbehoefte. Artikel10.3.3Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek In afwijking van artikel 1.2.2 van deze beleidsregels kan het college, op verzoek van degene op wie verhaald wordt, besluiten (gedeeltelijk) af te zien van verhaal van kosten van de uitkering voor zover het verschuldigde verhaalsbedragen betreft die op het moment van het besluit opeisbaar zijn, indien: redelijkerwijs te voorzien is dat degene op wie wordt verhaald niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen. De schuldenregeling moet tot stand worden gebracht door een erkend schuldhulpverleningsbureau. Het verzoek tot kwijtschelding moet namens de onderhoudsplichtige door dit bureau worden gedaan. de vordering van de gemeente het college wegens verhaal van de uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang. Artikel10.3.4Inwerkingtreding van het besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek Het besluit tot het (gedeeltelijk) afzien van verhaal treedt niet in werking voordat een schuldregeling als bedoeld in artikel 10.3.3 onder b van deze beleidsregels tot stand is gekomen. Artikel10.3.5Intrekking van het besluit tot afzien van verhaal wegens schuldenproblematiek Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van verhaal wordt door het college ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd indien: niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen bedoeld in de artikel 10.3.3 van deze beleidsregels genoemde voorwaarden b; de belanghebbende zijn schuld aan het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Artikel10.3.6Beoordeling mate van onderhoudsplicht 1.Bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, onder a, b en c, van deze beleidsregels en de omvang van het te verhalen bedrag wordt rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of en, zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend. 2.De bijdrage wordt ambtshalve vastgesteld op de bruto uitkering indien de onderhoudsplichtige verzuimt gegevens te verstrekken betreffende inkomsten en uitgaven. Artikel10.3.7Ingangsdatum verhaal 1.Een onderscheid wordt gemaakt in een tweetal situaties: aanschrijving van onderhoudsplichtige heeft plaatsgevonden en er wordt geen medewerking verleend. De ingangsdatum van verhaal wordt gesteld op de verzenddatum van het eerste verzoek omtrent informatie. onderhoudsplichtige verleent alle medewerking. De ingangsdatum wordt gesteld op de eerste dag van de maand wanneer het besluit genomen wordt binnen de eerste zeven dagen van die maand. Indien het besluit tot verhaal wordt genomen na deze eerste zeven dagen geldt als ingangsdatum de eerste van de daarop volgende maand. 2.Indien daar gemotiveerde redenen toe zijn kan het college afwijken van het bepaalde in het eerste lid, sub a en b, van dit artikel. Artikel10.3.8Verhaal op grond van rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud 1.Indien een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die uitvoerbaar is, niet wordt nagekomen, wordt verhaald in overeenstemming met deze uitspraak. 2.Het besluit tot verhaal wordt in dat geval bij brief medegedeeld aan degene op wie wordt verhaald, met de aanmaning het verschuldigde binnen dertig dagen na verzending van de brief te voldoen. 3.Degene op wie wordt verhaald, kan binnen de termijn waarbinnen betaling moet plaatsvinden tegen het besluit tot verhaal in verzet komen door tijdig een verzoekschrift aan de rechtbank te richten. Het verzet kan niet gegrond zijn op de bewering dat de uitkering tot onderhoud ten onrechte is opgelegd of onjuist is vastgesteld. Indien tijdig verzet is gedaan, wordt de invordering pas voortgezet zodra het verzet is ingetrokken of ongegrond verklaard. 4.Het verschuldigde bedrag wordt door het college bij dwangbevel ingevorderd (artikel 62b, vierde lid, van de Participatiewet). 5.Indien moet worden overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in voorgaand lid, dan wordt de vordering verhoogd met incassokosten en de wettelijke rente. Voor de berekening van de hoogte van deze kosten wordt gebruik gemaakt van het Besluit buitengerechtelijke kosten. Artikel10.3.9Wijziging door de rechter vastgestelde onderhoudsbijdrage Het college verzoekt de rechter het verhaalsbedrag in afwijking van een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vast te stellen, ind

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.