← Nederland

Algemene subsidieverordening Waddenfonds 2017 (Waddenfonds)

Algemene subsidieverordening Waddenfonds 2017Het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Waddenfonds, gelet op artikel 5 van de gemeenschappelijke regeling Waddenfonds, besluit de Algemene subsidieverordening Waddenfonds 2017 vast te stellen als volgt: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het openbaar lichaam Waddenfonds; Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Europese Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Publicatieblad van de Europese Unie van 26 juni 2014, PbEU L187/1; activiteitenplan: een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen; activiteitenverslag: een beschrijving van de uitgevoerde activiteiten waarvoor subsidie is verleend, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en een toelichting wordt gegeven op de verschillen; Awb: Algemene wet bestuursrecht; boekjaarsubsidie: subsidie aan een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Awb, per kalenderjaar wordt verstrekt; dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Waddenfonds; de-minimisregelgeving: regelgeving omtrent staatssteun uit de Verordeningen van de Europese Unie 717/2014, PbEU L 190/45 (voor de visserijsector), 1408/2013, PbEU L 352/9 (voor de landbouwsector) en 1407/2013, PbEU L 352/1 (voor de overige sectoren); financieel verslag: een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten; kernwaarden: dynamische natuur van de Waddenzee; rust; ruimte; stilte; duisternis en waardevolle landschappen en het cultureel erfgoed in en om dorpen en steden, op de eilanden en in de zee. penvoerder: de door het samenwerkingsverband aangewezen persoon of organisatie die deelneemt aan het samenwerkingsverband en ten behoeve van het samenwerkingsverband optreedt als aanvrager en subsidieontvanger; projectsubsidie: subsidie voor een eenmalige activiteit, die naar zijn aard tijdelijk is; provinciale staten: provinciale staten van Fryslân, Groningen of Noord-Holland; samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten, niet zijnde een vennootschap; Visserijvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022, waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard; Publicatieblad van de Europese Unie van 21 december 2022, PbEU L 327/82; Landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard; Publicatieblad van de Europese Unie van 21 december 2022, PbEU L 327/1; VWEU : Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Waddengebied en Waddenzee: het gebied als bedoeld in artikel 2 van het Bestuursakkoord decentralisatie Waddenfonds. Artikel1.2Toepassingsbereik van deze verordening Deze verordening is van toepassing op alle door het dagelijks bestuur te verstrekken subsidies, tenzij door het algemeen bestuur bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Artikel1.3Doelstelling van het Waddenfonds Het Waddenfonds heeft als doelstelling: het vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het Waddengebied; het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee; een duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied, dan wel gericht zijn op een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het Waddengebied en direct aangrenzende gebieden; en het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het Waddengebied. Artikel1.4Bevoegdheid subsidieverstrekking 1.Het dagelijks bestuur is bevoegd te besluiten tot het verstrekken van subsidies die: strekken tot realisering van de in artikel 1.3 genoemde doelstelling; passen binnen de door het algemeen bestuur vastgestelde begroting en de daaraan gerelateerde meerjarenbegroting; en passen binnen de door provinciale staten respectievelijk het algemeen bestuur vastgestelde beleids- en uitvoeringskaders met betrekking tot het werkingsgebied van het Waddenfonds. 2.Subsidie die wordt verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, de Visserijvrijstellingsverordening of de Landbouwvrijstellingsverordening kan worden verleend voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I, die onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van deze verordening. 3.Indien de te verstrekken subsidie staatssteun vormt als bedoeld in artikel 107, eerste lid, VWEU, en buiten het toepassingsbereik van bijlage I valt, kan subsidie slechts worden verleend binnen de de-minimisregelgeving, dan wel na kennisgeving aan, dan wel na goedkeuring door de Europese Commissie, in overeenstemming met de geldende staatssteunregelgeving. 4.Het dagelijks bestuur is bevoegd nadere regels te stellen over subsidieverstrekking. 5.Het dagelijks bestuur is bevoegd bijlage I gewijzigd vast te stellen. 6.Het dagelijks bestuur is bevoegd om deze verordening gewijzigd vast te stellen, voor zover het betreft een juiste verwijzing naar landelijke wet- en regelgeving en verdragen en wetgeving van de Europese Unie. Artikel1.5Subsidieplafond 1.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het vaststellen van subsidieplafonds. 2.Het dagelijks bestuur kan een subsidieplafond onderverdelen ten behoeve van verschillende activiteiten en categorieën van aanvragers. Artikel1.6Hoogte van de subsidie 1.Met uitzondering van subsidie die wordt verstrekt met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Awb, bedraagt de door het dagelijks bestuur te verstrekken subsidie nooit meer dan 90% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten. 2.Indien voor een project al door een ander bestuursorgaan of door de Europese Commissie subsidie is verstrekt, wordt de te verstrekken subsidie zodanig berekend dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het totaal van de voor subsidie in aanmerking komende kosten. 3.Het totaal van overheidsbijdragen kan niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan. Artikel1.7Subsidiabele kosten 1.Netto inkomsten die volgen uit de subsidiabele activiteiten gedurende de projectperiode kunnen in mindering worden gebracht op de subsidiabele kosten. Er wordt in elk geval geen subsidie verstrekt voor kosten: die niet rechtstreeks aan de activiteit zijn toe te rekenen; die zijn gemaakt voor de datum van ontvangst van de volledige aanvraag; waarvoor reeds verplichtingen zijn aangegaan voordat de volledige aanvraag is ontvangen; die zijn gemaakt na het verstrijken van de projectperiode of het tijdvak waarvoor subsidie is verleend; die niet in een redelijke verhouding staan tot de activiteit; en voorts verrekenbare kosten en belastingen, accijnzen, door de aanvrager zelf geheven leges en andere heffingen, debetrente, boetes, financiële sancties, gerechtskosten en kosten die samenhangen met bezwaar en beroep. 2.Het dagelijks bestuur kan afwijken van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a tot en met d. Artikel1.8Toezicht en handhaving Het dagelijks bestuur voert een actief en consistent toezicht- en handhavingsbeleid. Artikel1.9Doeltreffendheid Het dagelijks bestuur brengt ten minste eenmaal in de vier jaren aan het algemeen bestuur verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies die zijn verstrekt. Artikel1.10Formulieren en modellen Ten behoeve van de subsidieverstrekking kan het dagelijks bestuur formulieren en modellen vaststellen, waarvan het gebruik verplicht is voorgeschreven. Hoofdstuk2Subsidieverlening Paragraaf2.1Het aanvragen van een subsidie Artikel2.1Algemene bepalingen over het indienen van een aanvraag 1.Een aanvraag wordt ingediend binnen een door het dagelijks bestuur vastgestelde aanvraagperiode. Aanvragen worden ingediend per reguliere post of per e-mail op info@waddenfonds.nl. 2.Een aanvraag wordt gericht aan het dagelijks bestuur, met gebruikmaking van een daartoe door het dagelijks bestuur vastgesteld aanvraagformulier. Een subsidieaanvraag gaat vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden. Indien geen aanvraagformulier is vastgesteld, gaat de aanvraag ten minste vergezeld van: een activiteitenplan; een begroting van kosten en opbrengsten, voorzien van een toelichting. Indien het een meerjarig project betreft moet de begroting een meerjarenbegroting zijn; en een dekkingsplan. 3.Het dagelijks bestuur kan bepalen dat een aanvraag op een andere wijze wordt ingediend. 4.Een aanvraag voor een boekjaarsubsidie moet zijn ontvangen voor 1 september, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft. 5.Het dagelijks bestuur kan verlangen dat een schriftelijke verklaring wordt overgelegd van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de getrouwheid van de jaarrekening, de balans en de staat van baten en lasten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag, dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is gebleken. 6.Indien een aanvrager voor dezelfde activiteit subsidie heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan, vermeldt hij dit bij de aanvraag alsmede de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag. 7.Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient de penvoerder van het samenwerkingsverband de aanvraag in. Bij de aanvraag wordt een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst overgelegd, waaruit blijkt dat de aanvrager door de deelnemers is aangewezen als penvoerder en waarin ten minste is opgenomen de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen bevattende de baten en de lasten van de deelnemende partijen. Uit de aanvraag moet genoegzaam blijken welke activiteiten door elk van de deelnemers wordt uitgevoerd. Artikel2.2Ontvangst van de aanvraag 1.Indien de beschikbare middelen worden verdeeld op basis van volgorde van binnenkomst, is de dag waarop de aanvraag is ontvangen bepalend. 2.Wanneer de aanvrager met toepassing van artikel 4:5 Awb in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvulling is ontvangen met betrekking tot de verdeling als de datum van ontvangst. Paragraaf2.2De beslissing op de aanvraag Artikel2.3Beslistermijn projectsubsidie 1.Het dagelijks bestuur beslist: binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen 13 weken na afloop van de periode waarin of de uiterlijke datum waarop aanvragen kunnen worden ingediend. 2.De beslistermijn bedraagt 22 weken indien: sprake is van cofinanciering in het kader van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; over de aanvraag extern advies wordt ingewonnen; een nader onderzoek is ingesteld. 3.De beslistermijn bedraagt 40 weken indien de verlening mede afhankelijk is van het oordeel van een internationale beoordelingscommissie of van internationale peerreviews. 4.Indien de beschikking niet tijdig kan worden gegeven, stelt het dagelijks bestuur de betrokkene daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien. Artikel2.4Beslistermijn boekjaarsubsidie Het dagelijks bestuur beslist voor 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel 2.3, vierde lid, is van toepassing. Artikel2.5Schakelbepaling Indien een subsidievaststellingsbeschikking wordt gegeven zonder voorafgaande verleningsbeschikking, is artikel 4:35 Awb, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel2.6Algemeen beoordelingskader 1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25 en 4:35 Awb wordt in elk geval geen subsidie verstrekt indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur: de activiteit niet of niet in overwegende mate bijdraagt aan de doelstelling van het Waddenfonds; de activiteit niet of niet in overwegende mate gericht is op het Waddengebied; de activiteit niet aan ten minste twee van de volgende criteria voldoet: er wordt geen substantieel afbreuk gedaan aan de kernwaarden; bijdragen aan behoud of versterking van de kernwaarden; bijdragen aan het oplossen van problemen of het benutten van kansen van voor het Waddengebied kenmerkende kansen en bedreigingen; de activiteit betrekking heeft op regulier beleid, beheer of onderhoud, met inbegrip van het voldoen aan internationaal en nationaalrechtelijke verplichtingen; er een gegronde reden bestaat dat de uitvoering van een voorgenomen activiteit inbreuk zal maken op de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzame ontwikkeling; de activiteit, gelet op aard en schaal, onvoldoende integraal wordt uitgevoerd; de activiteit niet past binnen de door provinciale staten respectievelijk het algemeen bestuur vastgestelde beleids- en uitvoeringskaders met betrekking tot het werkingsgebied van het Waddenfonds;; de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan een vastgesteld drempelbedrag; de gevraagde financiële bijdrage niet in een redelijke verhouding staat tot het beoogde projectresultaat (value for money); ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard; de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 2, onder 59 van de Landbouwvrijstellingsverordening en artikel 2, onder 29 van de Visserijvrijstellingsverordening; er een gegronde reden bestaat dat het project in financiële, organisatorische, technische of economische zin niet haalbaar is; er een gegronde reden bestaat dat de exploitatie na de projectperiode niet kan worden gerealiseerd; er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen nastreeft of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang, de goede zeden of de openbare orde. 2.Een subsidie kan worden geweigerd of ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel2.7Voorschotten 1.Indien de subsidie direct wordt vastgesteld vindt de betaling van het subsidiebedrag in één keer plaats. 2.Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onderdeel b, wordt gegeven, wordt ambtshalve 100% bevoorschot. In overige gevallen bedraagt het voorschot ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag. 3.Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, vindt de verlening van een voorschot, al dan niet in de vorm van een termijnbetaling, plaats op verzoek van de subsidieontvanger. 4.Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van een door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier. Het verzoek gaat vergezeld van alle bescheiden die volgens het formulier moeten worden meegezonden. 5.Het dagelijks bestuur kan in het belang van een doelmatige subsidieverstrekking afwijken van het bepaalde in het tweede lid en voorts bij het verstrekken van subsidies vanaf € 25.000 de bevoorschotting afhankelijk stellen van de financiële en inhoudelijke voortgang van de gesubsidieerde activiteiten. Paragraaf2.3Voorwaarden en verplichtingen Artikel2.8Melding bij de Europese Commissie Indien de subsidieverlening naar het oordeel van het dagelijks bestuur valt onder de omschrijving van een steunmaatregel als bedoeld in artikel 107, eerste lid, VWEU en een melding plaatsvindt op grond van artikel 108 VWEU, wordt de subsidie uitsluitend verleend onder de opschortende voorwaarde dat de Europese Commissie hieraan haar goedkeuring verleent. Artikel2.9Meldings- en mededelingsplicht 1.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk melding aan het dagelijks bestuur, zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend of direct is vastgesteld niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. 2.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot surseance van betaling, tot faillietverklaring, het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon of van andere omstandigheden die voor de subsidieverlening van belang kunnen zijn. 3.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur indien na het indienen van de subsidieaanvraag voor dezelfde activiteit subsidie wordt verstrekt door een ander bestuursorgaan of de Europese Commissie. Artikel2.10Algemene verplichtingen 1.Waar in dit artikel wordt gesproken van subsidieverlening wordt hieronder mede verstaan de subsidievaststelling, indien er geen subsidieverleningsbeschikking aan de vaststelling voorafgaat. 2.Het dagelijks bestuur kan aan een subsidie-ontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:38 Awb opleggen, voor zover de verplichtingen strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 3.Het dagelijks bestuur kan aan een subsidie-ontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 Awb opleggen. 4.Aan de subsidie-ontvanger wordt de verplichting opgelegd om in publicitaire uitingen te vermelden dat de gesubsidieerde activiteit mede mogelijk is gemaakt met subsidie van het Waddenfonds. 5.De subsidie-ontvanger maakt binnen de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde termijn een aanvang met de uitvoering van de activiteiten. Bij het ontbreken van een dergelijke termijn geldt een termijn van twee maanden na de bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening. 6.De subsidie-ontvanger voert de activiteiten uit overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening en voltooit deze uiterlijk op de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen datum. Bij het ontbreken van een dergelijke termijn geldt een termijn van een jaar na de bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening. 7.Het dagelijks bestuur kan in de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb bepalen dat een subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan hen een vergoeding verschuldigd is. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding worden de activa gewaardeerd op hun actuele waarde in het economisch verkeer. De waarde van een onroerende zaak wordt bepaald op basis van de waarde die hieraan is toegekend op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel2.11Administratieve verplichtingen 1.Bij een subsidie tot € 125.000 wordt aan de subsidie-ontvanger geen verplichting opgelegd met betrekking tot: de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, Awb en het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder f, Awb. 2.Als de subsidie-ontvanger een verplichting is opgelegd met betrekking tot de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voert de subsidie-ontvanger een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de uitgaven en inkomsten kunnen worden nagegaan. 3.Tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald, bewaart de subsidie-ontvanger de in het tweede lid genoemde gegevens tenminste 5 jaar na vaststelling van de subsidie. 4.Onderdeel a van het eerste lid is niet van toepassing indien op grond van artikel 3.6 een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten wordt gevraagd. Artikel2.12Medewerking controle De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan, door of vanwege het dagelijks bestuur gevorderde controle van de administratie of een ander onderzoek naar gegevens die in het kader van de subsidieverstrekking van belang worden geacht. De subsidie-ontvanger verleent daartoe inzage in de administratie en verstrekt de inlichtingen die voor de beoordeling van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de besteding van de subsidie, dan wel anderszins van belang kunnen zijn. Artikel2.13Voortgangsrapportage 1.Aan een subsidie lager dan € 25.000 wordt geen verplichting verbonden tot het overleggen van een tussentijds voortgangsverslag. 2.Aan het verstrekken van een subsidie vanaf € 25.000 kan het dagelijks bestuur, als de periode van uitvoering van de activiteiten meer dan 12 aaneengesloten maanden bedraagt, de verplichting opleggen dat één keer per periode van 12 maanden een tussentijds voortgangsverslag wordt overgelegd. 3.Het dagelijks bestuur kan in het belang van een doelmatige subsidieverstrekking afwijken van het bepaalde in het tweede lid. Artikel2.14Openbaarmaking 1.De subsidie-ontvanger verleent op verzoek van het dagelijks bestuur medewerking aan openbaarmaking van de resultaten van het project. 2.De subsidie-ontvanger verleent op verzoek van het dagelijks bestuur medewerking aan een door of vanwege het dagelijks bestuur ter zake van de toepassing van deze verordening ingesteld evaluatieonderzoek. Hoofdstuk3Subsidievaststelling Paragraaf3.1Aanvraag tot subsidievaststelling Artikel3.1Aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie Tenzij de subsidie overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.4, eerste lid, onder b, ambtshalve wordt vastgesteld, dient de subsidie-ontvanger die een subsidieverleningsbeschikking heeft ontvangen binnen 13 weken na de datum waarop de activiteit op grond van deze verordening of de subsidieverleningsbeschikking moet zijn uitgevoerd of, indien dat eerder is, 13 weken na de uitvoering van de activiteit, schriftelijk een aanvraag tot subsidievaststelling in bij het dagelijks bestuur, tenzij in het besluit tot subsidieverlening een andere termijn is opgenomen. Artikel3.2Aanvraag tot vaststelling van een boekjaarsubsidie Tenzij bij de subsidieverlening is bepaald dat de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld, dient de subsidie-ontvanger voor 1 mei, na afloop van het tijdvak waarop de subsidie betrekking heeft, een schriftelijke aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij het dagelijks bestuur, tenzij in het besluit tot subsidieverlening een andere termijn is opgenomen. Paragraaf3.2Beslissing op de aanvraag Artikel3.3Beslistermijn 1.Het dagelijks bestuur beslist binnen 22 weken na ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, mits deze aan alle vereisten voldoet. 2.Subsidies die ambtshalve worden vastgesteld, stelt het dagelijks bestuur vast binnen 22 weken na de datum waarop de activiteit moet zijn verricht. 3.Het subsidiebedrag wordt binnen 30 dagen na de subsidievaststelling betaald. Paragraaf3.3Verantwoording van subsidies Artikel3.4Verantwoording van subsidies tot € 25.000 1.Bij een subsidie lager dan € 25.000 wordt: de subsidie vastgesteld zonder dat aan de beschikking tot subsidievaststelling een beschikking tot subsidieverlening vooraf gaat; of een beschikking tot subsidieverlening gegeven, met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en van de termijn waarbinnen de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld. 2.Bij een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt aan de subsidie-ontvanger in elk geval de verplichting opgelegd om desgevraagd, op een door het dagelijks bestuur in de beschikking aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 3.Het dagelijks bestuur kan op basis van een risicoanalyse besluiten dat het eerste lid ook van toepassing is op subsidies van € 25.000 of meer. Artikel3.5Verantwoording van subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000 1.Bij een subsidie van € 25.000 of meer, maar lager dan € 125.000, wordt bij de aanvraag tot vaststelling een activiteitenverslag overgelegd, waaruit genoegzaam blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verleend overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur in de beschikking tot subsidieverlening bepalen dat de subsidie-ontvanger op een andere wijze kan aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat voldaan is aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen 3.Het dagelijks bestuur kan op basis van een risicoanalyse besluiten dat het eerste lid ook van toepassing is op subsidies van € 125.000 of meer. Artikel3.6Verantwoording op basis van een verklaring van werkelijke kosten en opbrengsten 1.In afwijking van de artikelen 3.4 en 3.5, kan het dagelijks bestuur bij de verstrekking van een boekjaarsubsidie of indien bij overige subsidieverstrekking lager dan € 125.000 de kosten en opbrengsten ter zake van de te verrichten activiteiten naar hun oordeel in verband met de aard van die activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet geëist kan worden, of indien dit in verband met doelmatigheidscontrole gewenst is, in de subsidieverleningsbeschikking bepalen dat de subsidie-ontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling, op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten verantwoordt dat de activiteiten zijn verricht. 2.In de verklaring geeft de subsidie-ontvanger aan: in hoeverre de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; in hoeverre aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; het totale bedrag van de werkelijk gemaakte en betaalde kosten; in voorkomend geval, de stand van de egalisatiereserve; het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden; en het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage. Artikel3.7Verantwoording van subsidies vanaf € 125.000 1.Bij een subsidie van € 125.000 of meer wordt bij de aanvraag tot vaststelling overgelegd: een activiteitenverslag waaruit genoegzaam blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verleend overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; een financieel verslag, waarin in elk geval is opgenomen een opgave van: het bedrag van de werkelijk gemaakte en betaalde kosten; het bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, met inbegrip van bijdragen van derden, en het bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage; opgesteld conform de aan het besluit tot subsidieverlening ten grondslag liggende begroting, inclusief een toelichting op de bedragen. een controleverklaring van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent, die wordt vastgesteld met inachtneming van een door of vanwege het dagelijks bestuur vastgesteld Controleprotocol. 2.Het dagelijks bestuur kan bij de subsidieverlening afwijken van het eerste lid. Artikel3.8Verantwoording boekjaarsubsidie Bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat een subsidie-ontvanger van een boekjaarsubsidie van € 125.000 of meer bij zijn verzoek tot vaststelling, in plaats van of naast het financieel verslag, een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek overlegt. Artikel3.9Afwijkende verantwoordingsprocedure Het dagelijks bestuur kan afwijken van dit hoofdstuk als subsidie wordt verstrekt aan een gemeente, een waterschap of een openbaar lichaam dat is ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel3.10Wettelijke rente bij terugvordering 1.Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 Awb, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidie-ontvanger en de terugbetaling door de subsidie-ontvanger. 2.Bij terugvordering van subsidie ter uitvoering van een terugvorderingsbeschikking van de Europese Commissie of een onherroepelijk rechterlijke uitspraak vordert het dagelijks bestuur tevens rente. Deze rente wordt berekend overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van de Verordening (EG), nr. 659/1999, van de Raad van de Europese Unie van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-verdrag(PbEU van 27 maart 1999, L 83/6). Hoofdstuk4Slotbepalingen Artikel4.1Afwijkingsbevoegdheid Tenzij anders is bepaald is het dagelijks bestuur, met het oog op een doelmatige subsidieverstrekking, bevoegd om bepalingen van de hoofdstukken 2 en 3 van deze verordening buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken indien: voor de te subsidiëren activiteit tevens subsidie wordt verstrekt door een ander bestuursorgaan; vanwege enige opdracht van bevoegdheid tot subsidieverstrekking redelijkerwijs voorrang moet worden gegeven aan wet- en regelgeving, voorwaarden of voorschriften van een ander bestuursorgaan; de subsidie valt onder de omschrijving van een steunmaatregel als bedoeld in artikel 107 VWEU, en voor het verstrekken van subsidie goedkeuring is vereist van de Europese Commissie, dan wel een kennisgeving moet worden gedaan aan de Europese Commissie; subsidie wordt verstrekt in de vorm van een terugbetaalbaar voorschot, krediet of garantie; of subsidie wordt verstrekt met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onder c en d, Awb. Artikel4.2Hardheidsclausule Het dagelijks bestuur kan de bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige subsidieverstrekking, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel4.3Toezichthouders Het dagelijks bestuur kan toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van aan de subsidie-ontvanger opgelegde verplichtingen. Artikel4.4Intrekking De Subsidieverordening Waddenfonds 2014 wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 4.5, ingetrokken. Artikel4.5Overgangsrecht Op aanvragen die zijn ingediend alsmede voor subsidies die zijn verstrekt voor de inwerkingtreding van deze verordening blijft de Subsidieverordening Waddenfonds 2014 van toepassing. Artikel4.6Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking. 2.Deze verordening wordt aangehaald als Algemene subsidieverordening Waddenfonds 2017. Groningen, 30 juni 2017H. Staghouwer,voorzitterD. Hamhuis,secretarisBijlage1Subsidie die wordt verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, de Vrijstellingsverordening visserij of de MKB Landbouwvrijstellingsverordening Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze bijlage wordt verstaan onder: grote ondernemingen: ondernemingen die niet voldoen aan de criteria voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen; immateriële activa: fysiek of financieel niet-tastbare activa, zoals octrooien, licenties, knowhow of andere intellectuele-eigendomsrechten; kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo’s): ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt. Binnen de categorie kmo's is een „kleine onderneming” een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt. Binnen de categorie kmo’s is een „micro-onderneming” een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt; materiële activa: activa bestaande uit gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting; onderneming: iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent. steun: elke maatregel die aan alle criteria van artikel 107, eerste lid, van het VWEU voldoet; steunintensiteit: het brutosteunbedrag, uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Hoofdstuk 2 Subsidie voor activiteiten die wordt verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Artikel 2.1 Algemenebepaling Op dit hoofdstuk is de Algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing. Titel 2.1 Subsidie voor kleine- en middelgrote ondernemingen Artikel 2.2 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: adviesdiensten voor samenwerking: consulting, bijstand en opleiding ten behoeve van de uitwisseling van kennis en ervaring en ter verbetering van de samenwerking; innovatieve onderneming: een onderneming: die aan de hand van een door een externe deskundige uitgevoerde evaluatie kan aantonen dat zij in de voorzienbare toekomst producten, diensten of procedés zal ontwikkelen die in technologisch opzicht nieuw zijn of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van de huidige stand van de techniek in deze sector, en die een risico op technologische of industriële mislukking inhouden, of waarvan de kosten voor onderzoek en ontwikkeling ten minste 10% bedragen van haar totale exploitatiekosten in ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de toekenning van de subsidie of, in het geval van een startende onderneming zonder enige financiële voorgeschiedenis, bij de audit van haar lopende belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke accountant; investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen: een categorie financiering tussen eigen vermogen en vreemd vermogen in, met een hoger risico dan senior schulden en een lager risico dan gewoon aandelenkapitaal, en waarvan het rendement voor de houder ervan overwegend is gebaseerd op de winst of het verlies van de onderliggende doelonderneming en die bij wanbetaling niet gedekt is. Investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen kunnen zijn gestructureerd als schulden, die niet gegarandeerd en achtergesteld zijn, met inbegrip van mezzanineschulden, en in sommige gevallen converteerbaar zijn in eigen vermogen, dan wel als preferente aandelen; niet-beursgenoteerde kmo: een kmo die niet is toegelaten tot de officiële notering van een effectenbeurs, met uitzondering van alternatieve handelsplatforms. ondersteuningsdiensten voor samenwerking: het verschaffen van kantoorruimte, websites, databanken, bibliotheken, marktonderzoek, handboeken, werk- en modeldocumenten; organisatorische samenwerking: de ontwikkeling van gezamenlijke bedrijfs- of managementstrategieën, het aanbieden van gemeenschappelijke diensten of diensten die samenwerking moeten bevorderen, gecoördineerde activiteiten zoals onderzoek of marketing, de ondersteuning van netwerken en clusters, het verbeteren van toegankelijkheid en communicatie, het gebruik van gedeelde instrumenten om het ondernemerschap en de handel met kmo's te bevorderen; Paragraaf 2.1 Subsidie voor investeringen in kleine- of middelgrote ondernemingen Artikel 2.3 Subsidiabele activiteit Een investering in een kleine- of middelgrote onderneming die bestaat uit een investering in: materiële of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een bestaande vestiging, of de overname van activa die behoren tot een vestiging, wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld: de vestiging is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen; de activa worden aangekocht van derden zonder banden met de koper; de transactie vindt op marktvoorwaarden plaats. Wanneer een lid van de familie van de oorspronkelijke eigenaar of een werknemer een kleine onderneming overneemt, vervalt de voorwaarde dat de activa worden verworven van derden zonder banden met de koper. De enkele verwerving van de aandelen van een onderneming vormt geen initiële investering. Artikel 2.4 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kostenzijn: de kosten van investeringen in materiële en immateriële activa,en/of de geraamde loonkosten voor rechtstreeks door het investeringsproject gecreëerde banen, berekend over een periode van twee jaar. De subsidie bedraagt ten hoogste: 20% van de in aanmerking komende kosten in het geval van kleineondernemingen; 10% van de in aanmerking komende kosten in het geval van middelgrote ondernemingen. Artikel 2.5 Voorwaarden De immateriële activa voldoen aan elk van de volgende voorwaarden: zij worden uitsluitend in de subsidie ontvangende vestiging gebruikt; zij worden als afschrijfbare activabeschouwd; zij worden op marktvoorwaarden aangekocht van derden zonder banden met de koper, en zij behoren ten minste drie jaar tot de activa van de onderneming. Rechtstreeks door een investeringsproject geschapen werkgelegenheid voldoet aan de volgende voorwaarden: de werkgelegenheid komt binnen drie jaar na de voltooiing van de investering tot stand; er is een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken vestiging, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden; deze werkgelegenheid blijft behouden gedurende ten minste drie jaar te rekenen vanaf het tijdstip dat de arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld. Paragraaf 2.2 Subsidie ten behoeve van deelneming aan beurzen Artikel 2.6 Subsidiabele activiteit Deelneming aan beurzen door kleine- of middelgrote ondernemingen. Artikel 2.7 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn de kosten gemaakt voor het huren, opzetten, en gebruiken van een standplaats voor de deelname van een onderneming aan een bepaalde vakbeurs of tentoonstelling. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. Paragraaf 2.3 Starterssubsidie Artikel 2.8 Subsidiabele activiteit Starterssubsidie ten behoeve van elke niet-beursgenoteerde kleine ondernemingen tot vijf jaar na hun registratie, die geen activiteit van een andere onderneming heeft overgenomen, nog geen winst heeft uitgekeerd en niet is ontstaan uit een concentratie. Voor in aanmerking komende ondernemingen die zich niet hoeven te laten registreren, kan de periode van vijf jaar om in aanmerking te komen, geacht worden aan te vangen op het tijdstip dat de onderneming haar economische activiteiten aanvangt of belastingplichtig wordt voor haar economische activiteiten. In afwijking van de eerste alinea, worden ondernemingen die ontstaan uit een concentratie van ondernemingen die op grond van dit artikel voor subsidie in aanmerking komen, ook als in aanmerking komende ondernemingen beschouwd tot vijf jaar vanaf de registratie van de oudste onderneming die bij de concentratie betrokken is. Artikel 2.9 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De subsidie heeft de vorm van: leningen tegen een rente die niet marktconform is, met een looptijd van tien jaar en voor een nominaal bedrag van ten hoogste 1 miljoen EUR, of 1,5 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 2 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Voor leningen met een looptijd tussen vijf en tien jaar kunnen de maximumbedragen worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de lening. Voor leningen met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximumbedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar; garanties met premies die niet marktconform zijn, met een looptijd van tien jaar en een gegarandeerd leningbedrag van ten hoogste 1,5 miljoen EUR, of 2,25 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 3 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Voor garanties met een looptijd tussen vijf en tien jaar kan het maximaal gegarandeerde bedrag worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de garantie. Voor garanties met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximaal gegarandeerde bedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar. De garantie bedraagt ten hoogste 80% van de onderliggende lening. subsidies, met inbegrip van eigenvermogens- of quasi-eigenvermogensinvesteringen, rentekortingen en kortingen op de garantiepremies tot maximaal 0,4 miljoen EUR bruto-subsidie-equivalent, of 0,6 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 0,8 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Een begunstigde kan subsidie ontvangen via een mix van de in lid 1 van dit artikel bedoelde subsidie-instrumenten, mits het aandeel van de via één subsidie-instrument verleende subsidie, berekend op basis van het voor dat instrument toegestane maximale subsidiebedrag, in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van het resterende deel van het maximale subsidiebedrag dat is toegestaan voor de overige instrumenten die onderdeel vormen van dit soort gemengde instrument. Voor kleine en innovatieve ondernemingen kunnen de in lid 1 genoemde maximumbedragen worden verdubbeld. Titel 2.2 Subsidie voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie Artikel 2.10 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: daadwerkelijke samenwerking: samenwerking tussen ten minste twee onafhankelijke partijen om kennis of technologie uit te wisselen of om een gemeenschappelijke doelstelling op basis van een taakverdeling te bereiken, waarbij de partijen samen de omvang van het samenwerkingsproject bepalen, bijdragen aan de tenuitvoerlegging ervan, en het risico en de resultaten ervan delen. Eén of meer partijen kunnen de volledige kosten van het project dragen en zodoende de andere partijen bevrijden van de aan het project verbonden financiële risico's. Contractonderzoek en het verrichten van onderzoeksdiensten worden niet als vormen van samenwerking beschouwd; experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten. Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden; haalbaarheidsstudie: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn; hooggekwalificeerd personeel: personeel met een tertiaire opleiding en ten minste vijf jaar relevante beroepservaring, waarin doctoraatsopleidingen kunnen meetellen; industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie; innovatieadviesdiensten: consulting, bijstand en opleiding op het gebied van kennisoverdracht, verwerving, bescherming en exploitatie van immateriële activa, het gebruik van standaarden en regels waarin deze zijn vastgelegd; innovatieondersteuningsdiensten: het verschaffen van kantoorruimte, databanken, bibliotheken, marktonderzoek, laboratoria, diensten in verband met kwaliteitslabels, testen en certificatie met het oog op de ontwikkeling van doeltreffendere producten, procedés of diensten; onderzoeksinfrastructuur: faciliteiten, middelen en verwante diensten die door de wetenschappelijke gemeenschap worden gebruikt om op hun respectieve vakgebied onderzoek te verrichten. Hierbij gaat het om: wetenschappelijke uitrusting of sets wetenschappelijke instrumenten; kennisgebaseerde hulpbronnen zoals verzamelingen, archieven of gestructureerde wetenschappelijke informatie; ict-gebaseerde enabling infrastructuur zoals gridnetwerken, computers, software en communicatie, of iedere andere entiteit met een uniek karakter die onontbeerlijk is om onderzoek te kunnen verrichten. Dit soort infrastructuur kan zich op één enkele locatie bevinden (single-sited) dan wel verspreid zijn (distributed) (een georganiseerd netwerk van hulpbronnen) in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad van 25 juni 2009 betreffende een communautair rechtskader voor een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC); op arm’s length: de voorwaarden van de transactie tussen de contractspartijen wijken niet af van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het arm’s length-beginsel. Paragraaf 2.4 Subsidie voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten met inbegrip van projecten die het kwaliteitslabel „Excellentiekeur” hebben gekregen in het kader van het Horizon 2020 kmo-instrument. Artikel 2.11 Subsidiabele activiteit Onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten binnen één of meer van de volgende categorieën: industrieel onderzoek; experimentele ontwikkeling; haalbaarheidsstudies. Artikel 2.12 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling ingedeeld en betreffen: personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteund personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. Bij haalbaarheidsstudies zijn de in aanmerking komende kosten de kosten van de studie. De subsidie bedraagt voor elke begunstigde ten hoogste: 50% van de in aanmerking komende kosten voor industrieel onderzoek; 25% van de in aanmerking komende kosten voor experimentele ontwikkeling; 50% van de in aanmerking komende kosten voor haalbaarheidsstudies. De subsidies voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling kunnen als volgt worden verhoogd, tot een maximale subsidie van 80% van de in aanmerking komende kosten: met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen; met 15 procentpunten indien één van de volgende voorwaarden is vervuld: het project behelst daadwerkelijke samenwerking: tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kmo is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten of in een lidstaat en in een Overeenkomstsluitende Partij bij de EER-Overeenkomst, en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening, of tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren; de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software. De subsidie voor haalbaarheidsstudies kan worden verhoogd met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen. Paragraaf 2.5 Investeringssubsidie voor onderzoeksinfrastructuur Artikel 2.13 Subsidiabele activiteit De bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden verricht. Artikel 2.14 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. Artikel 2.15 Voorwaarden Wanneer met onderzoeksinfrastructuur zowel economische als niet-economische activiteiten worden verricht, wordt voor de financiering, kosten en inkomsten van elk soort activiteit een gescheiden boekhouding gevoerd, op basis van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen van kostprijsadministratie. De prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de infrastructuur wordt berekend, stemt overeen met een marktprijs. Toegang tot de infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10% van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld. Wanneer onderzoeksinfrastructuur overheidsfinanciering ontvangt voor zowel economische als niet-economische activiteiten, werken lidstaten een monitoring- en terugvorderingsmechanisme uit om te garanderen dat de toepasselijke steunintensiteit niet wordt overschreden door een toename van het aandeel economische activiteiten ten opzichte van de situatie waarmee op het tijdstip van de toekenning van de subsidie werd gerekend. Paragraaf 2.6 Innovatiesubsidie voor kleine- en middelgrote ondernemingen Artikel 2.16 Subsidiabele activiteit Activiteiten gericht op: het verkrijgen, valideren en verdedigen van octrooien en immateriële activa; het detacheren van hooggekwalificeerd personeel van een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding of een grote onderneming naar onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieactiviteiten in een nieuw gecreëerde functie binnen de begunstigde onderneming, zonder dat hierbij andere personeelsleden worden vervangen; het gebruik van innovatieadviesdiensten en diensten inzakeinnovatieondersteuning. Artikel 2.17 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De kosten verbonden aan de in artikel 2.16 genoemde activiteiten komen voor subsidie in aanmerking. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. In het specifieke geval van subsidie voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning kan de subsidie worden verhoogd tot 90% van de in aanmerking komende kosten mits het totale bedrag van de subsidie voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning ten hoogste 200 000 EUR bedraagt per onderneming over een periode van drie jaar. Paragraaf 2.7 Subsidie voor onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector Artikel 2.18 Subsidiabele activiteit Onderzoek- en ontwikkelingsprojecten in de visserij- en aquacultuursector. Artikel 2.19 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kostenzijn: personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteund personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de in aanmerking komende kosten. Artikel 2.20 Voorwaarden Het gesubsidieerde project is van belang voor alle marktdeelnemers in de betrokken sector of subsector. Vóór de datum van aanvang van het gesubsidieerde project wordt op internet de volgende informatie bekendgemaakt: dat het gesubsidieerde project zal wordenuitgevoerd; de doelstellingen van het gesubsidieerde project; de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesubsidieerde project worden verwacht, en waar zij op internet zullen worden bekendgemaakt; een vermelding dat de resultaten van het gesubsidieerde project kosteloos beschikbaar zullen zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken sector of subsector actief zijn. De resultaten van het gesubsidieerde project worden op internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten blijven op internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project. De subsidie wordt rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding verleend en mag niet bestaan in rechtstreekse niet-onderzoeksgerelateerde subsidie aan een onderneming die visserij- of aquacultuurproducten produceert, verwerkt of afzet. Titel 2.3 Subsidie voor milieubescherming Artikel 2.21 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: biobrandstof: vloeibare of gasvormige transportbrandstof die uit biomassa is gewonnen; biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede biogas en de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval; biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen: biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen in de zin van het voorstel van de Commissie voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen; duurzame biobrandstoffen: biobrandstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. en iedere wijziging daarvan; energie-efficiëntie: een hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door het verbruik vóór en ná de invoering van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie te meten en/of te ramen, gecorrigeerd voor externe factoren die het energieverbruik beïnvloeden; energie uit hernieuwbare energiebronnen: energie geproduceerd met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de energie die met hernieuwbare energiebronnen wordt opgewekt in hybride installaties die ook met conventionele energiebronnen werken. Hieronder valt ook voor accumulatiesystemen gebruikte hernieuwbare elektriciteit maar niet elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is; hernieuwbare energiebronnen: de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: windenergie, zonne-energie, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas; hoogrenderende warmtekrachtkoppeling: warmtekrachtkoppeling die voldoet aan de definitie van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU; milieubelasting: een belasting met een bijzondere heffingsgrondslag die een duidelijk negatief milieueffect heeft, of die bepaalde activiteiten, goederen of diensten wil belasten zodat de milieukosten in de prijs ervan kunnen worden opgenomen en/of de producenten en verbruikers worden toegeleid naar activiteiten die milieuvriendelijker zijn; milieubescherming: elke maatregel die is gericht op preventie of herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van een begunstigde, op beperking van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, daaronder begrepen energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen; Unienorm: een verplichte Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of de verplichting op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad om de beste beschikbare technieken (BAT'

  1. s)te gebruiken en ervoor te zorgen dat de emissieniveaus van verontreinigende stoffen niet hoger zijn dan bij de toepassing van de BAT's. Voor de gevallen waarin de met de BAT's geassocieerde emissieniveaus zijn bepaald in uitvoeringshandelingen die op grond van Richtlijn 2010/75/EU zijn vastgesteld, zullen die niveaus gelden voor de toepassing van deze verordening. Wanneer die niveaus als een bandbreedte zijn geformuleerd, zal de grens waar de BAT het eerst wordt bereikt, van toepassing zijn. warmtekrachtkoppeling (WKK): gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie. Paragraaf 2.8 Subsidie om ondernemingen in staat te stellen verder te gaan dan Unienormen inzake milieubescherming of, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen Artikel 2.22 Subsidiabele activiteit Activiteiten waarbij ondernemingen verder gaan dan Unienormen inzake milieubescherming of, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen. Er wordt geen subsidie verleend wanneer de investeringen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ondernemingen voldoen aan reeds vastgestelde en nog niet in werking getreden Unienormen. In afwijking van lid 2 kan subsidie worden verleend voor: de aanschaf van nieuwe vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee die aan vastgestelde Unienormen voldoen, mits deze aanschaf plaatsvindt vóór de inwerkingtreding van die normen en, wanneer die normen bindend worden, deze niet op reeds vóór die datum aangeschafte vervoermiddelen van toepassing zijn; het retrofitten van bestaande vervoermiddelen voor vervoer per spoor, over de weg, over de binnenwateren en over zee, mits de Unienormen nog niet van kracht waren op het tijdstip dat die vervoermiddelen in bedrijf werden genomen, en die normen, zodra deze bindend worden, niet met terugwerkende kracht op die vervoermiddelen van toepassing zijn. Artikel 2.23 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om verder te gaan dan de toepasselijke Unienormen of om, bij ontstentenis van Unienormen, het niveau van milieubescherming te verhogen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld: wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op milieubescherming betrekking hebbende kosten de in aanmerking komende kosten; in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in milieubescherming vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de subsidie op geloofwaardige wijze zou zijn verricht. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met milieubescherming verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten. De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking. De subsidie bedraagt ten hoogste 40% van de in aanmerking komende kosten. De subsidie kan met 10 procentpunten worden verhoogd voor subsidie aan middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor subsidie aan kleine ondernemingen. De subsidie kan worden verhoogd met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c, van het VWEU. Artikel 2.24 Voorwaarden De investering voldoet aan een van de volgende voorwaarden: zij stelt de begunstigde in staat het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen door verder te gaan dan de geldende Unienormen, ongeacht of er nationale normen bestaan die strenger zijn dan de Unienormen; zij stelt de begunstigde, bij ontstentenis van Unienormen, in staat het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen. Paragraaf 2.9 Investeringssubsidie ten behoeve van vroege aanpassing aan toekomstige Unienormen Artikel 2.25 Subsidiabele activiteit Activiteiten om ondernemingen aan te moedigen te voldoen aan nieuwe Unienormen die het niveau van milieubescherming verhogen en nog niet in werking zijn getreden. Artikel 2.26 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om verder te gaan dan de toepasselijke Unienormen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld: wanneer de kosten voor de milieu-investering binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op milieubescherming betrekking hebbende kosten de in aanmerking komende kosten; in alle overige gevallen worden de kosten voor investeringen in milieubescherming vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de subsidie op geloofwaardige wijze zou zijn verricht. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met milieubescherming verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten. De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking. De subsidie bedraagt ten hoogste: 20% van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen, 15% van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen en 10% van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen indien de investering meer dan drie jaar vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Unienorm ten uitvoer wordt gelegd en is voltooid; 15% van de in aanmerking komende kosten voor kleine ondernemingen, 10% van de in aanmerking komende kosten voor middelgrote ondernemingen en 5% van de in aanmerking komende kosten voor grote ondernemingen indien de investering tussen één en drie jaar vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe Unie norm ten uitvoer wordt gelegd en is voltooid. De subsidie kan worden verhoogd met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c, van het VWEU. Artikel 2.27 Voorwaarde De Unienormen moeten zijn goedgekeurd en de investering wordt ten uitvoer gelegd en is voltooid ten minste één jaar vóór de inwerkingtreding van de betrokken normen. Paragraaf 2.10 Investeringssubsidie ten behoeve van energie-efficiëntiemaatregelen Artikel 2.28 Subsidiabele activiteit Activiteiten om ondernemingen in staat te stellen energie-efficiëntie te behalen. Er kan geen subsidie worden verleend wanneer de verbeteringen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ondernemingen voldoen aan reeds vastgestelde Unienormen, zelfs al zijn die nog niet van kracht. Artikel 2.29 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om het hogere niveau aan energie-efficiëntie te behalen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld: wanneer de kosten voor de investering in energie-efficiëntie binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld, vormen deze specifiek op energie-efficiëntie betrekking hebbende kosten de in aanmerking komende kosten; in alle overige gevallen worden de kosten van investeringen in energie-efficiëntie vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder energie-efficiënte investering die zonder de subsidie op geloofwaardige wijze zou zijn uitgevoerd. Het verschil tussen de kosten van beide investeringen levert de met energie-efficiëntie verband houdende kosten op en geldt als de in aanmerking komende kosten. De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van energie-efficiëntie, komen niet in aanmerking. De subsidie bedraagt ten hoogste 30% van de in aanmerking komende kosten. De subsidie kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor subsidie aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor subsidie aan middelgrote ondernemingen. De subsidie kan worden verhoogd met procentpunten voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c, van het VWEU. Paragraaf 2.11 Investeringssubsidie ten behoeve van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling Artikel 2.30 Subsidiabele activiteit Investeringen ten behoeve van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling. Artikel 2.31 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten voor de uitrusting die – vergeleken met conventionele elektriciteits- of verwarmingsinstallaties met dezelfde capaciteit- nodig is om de installatie als een hoogrenderende warmtekrachtinstallatie te exploiteren of, wanneer een bestaande installatie de hoogrendementsdrempel reeds haalt, de bijkomende investeringskosten om deze te upgraden naar een hoger rendement. De subsidie bedraagt ten hoogste 45% van de in aanmerking komende kosten. De subsidie kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor subsidie aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor subsidie aan middelgrote ondernemingen. De subsidie kan worden verhoogd met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c, van het VWEU. Artikel 2.32 Voorwaarden De nieuwe warmtekrachteenheid behaalt in totaal besparingen van primaire energie ten opzichte van de gescheiden productie van warmte en elektriciteit als bepaald in Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG. De verbetering van een bestaande warmtekrachteenheid of de ombouw van een bestaande stroomproductie-eenheid tot een warmtekrachteenheid resulteert in besparingen van primaire energie ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. De subsidie wordt uitsluitend voor nieuw geïnstalleerd of gerenoveerd vermogenverleend. Paragraaf 2.12 Investeringssubsidie ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen Artikel 2.33 Subsidiabele activiteit Investeringen ter bevordering van energie uit hernieuwbare energiebronnen. Investeringssubsidie voor de productie van biobrandstoffen is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het VWEU alleen vrijgesteld voor zover de gesubsidieerde investeringen worden gebruikt voor de productie van duurzame biobrandstoffen niet zijnde biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen. Wel is investeringssubsidie om bestaande installaties voor biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen om te bouwen tot installaties voor geavanceerde biobrandstoffen, vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting , mits die op voedingsgewassen gebaseerde productie wordt verminderd naar rato van de nieuwe capaciteit. Voor biobrandstoffen waarvoor een leverings- of bijmengverplichting geldt, wordt geen subsidie verleend. Voor waterkrachtinstallaties die niet aan Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement voldoen, wordt geen subsidie verleend. Artikel 2.34 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn de bijkomende investeringskosten die nodig zijn om de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen te bevorderen. Deze kosten worden als volgt vastgesteld: wanneer de kosten van investeringen in de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen binnen de totale investeringskosten als een afzonderlijke investering kunnen worden vastgesteld (bijv. omdat het een gemakkelijk te onderscheiden "uitbreiding" van een reeds bestaande faciliteit is), vormen deze kosten met betrekking tot hernieuwbare energie de in aanmerking komende kosten; wanneer de kosten van investeringen in de productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen kunnen worden vastgesteld ten opzichte van een vergelijkbare, minder milieuvriendelijke investering die zonder de subsidie op geloofwaardige wijze zou zijn verricht, levert dit verschil tussen de kosten van beide investeringen de met hernieuwbare energie verband houdende kosten op en geldt dit als de in aanmerking komende kosten; voor bepaalde kleine installaties waar een minder milieuvriendelijke investering niet kan worden bepaald omdat geen installaties van beperkte omvang bestaan, vormen de totale investeringskosten die nodig zijn om een hoger niveau aan milieubescherming te bereiken, de in aanmerking komende kosten. De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking. De subsidie bedraagt ten hoogste: 45% van de in aanmerking komende kosten indien de in aanmerking komende kosten worden berekend op grond van lid 1, onder a of b; 30% van de in aanmerking komende kosten indien de in aanmerking komende kosten worden berekend op grond van lid 1, onder c. De subsidie kan met 20 procentpunten worden verhoogd voor subsidie aan kleine ondernemingen en met 10 procentpunten voor subsidie aan middelgrote ondernemingen. De subsidie kan worden verhoogd met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c, van het VWEU voldoen. Wanneer de subsidie wordt verleend via een concurrerende biedprocedure op grond van duidelijke, transparante en niet-discriminerende criteria, kan de subsidie tot 90% van de in aanmerking komende kosten oplopen. Dit soort biedprocedure is niet-discriminerend en voorziet in de deelname van alle belangstellende ondernemingen. Het met de biedprocedure verband houdende budget vormt een bindende beperking in die zin dat niet alle deelnemers subsidie kunnen krijgen en wordt verleend op grond van de oorspronkelijke offerte van de gegadigde, waardoor verdere onderhandelingen worden uitgesloten. Artikel 2.35 Voorwaarden De investeringssubsidie wordt uitsluitend voor nieuwe installaties verleend. Er wordt geen subsidie verleend of uitgekeerd nadat de installatie in bedrijf is gekomen en de subsidie is onafhankelijk van de productie. Paragraaf 2.13 Subsidie ten behoeve van milieustudies Artikel 2.36 Subsidiabele activiteit Studies - waaronder energieaudits - die rechtstreeks verband houden met de in titel 2.3 bedoelde investeringen voor milieubescherming. Aan grote ondernemingen wordt geen subsidie verleend voor energieaudits die worden uitgevoerd op grond van artikel 8, lid 4, van Richtlijn 2012/27/EU, tenzij de energieaudit bovenop de op grond van die richtlijn verplichte energieaudit komt. Artikel 2.37 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de studies. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. De subsidie kan met 20 procentpunten worden verhoogd bij studies voor rekening van kleine ondernemingen en met 10 procentpunten bij studies voor rekening van middelgrote ondernemingen. Titel 2.4 Subsidie voor cultuur en instandhouding van het erfgoed Paragraaf 2.14 Subsidie voor cultuur en instandhouding van het erfgoed Artikel 2.38 Subsidiabele activiteit Activiteiten gericht op cultuur en instandhouding van het erfgoed. Op grond van dit artikel wordt geen subsidie verleend voor kranten en tijdschriften, ongeacht of deze op papier of elektronisch worden gepubliceerd, De subsidie wordt verleend voor de volgende culturele doelstellingen en activiteiten: musea, archieven, bibliotheken, kunstencentra en cultuurcentra of artistieke of culturele locaties, theaters, bioscopen, operahuizen, concerthallen, andere liveperformanceorganisaties, cinematografische erfgoedinstellingen, en andere vergelijkbare artistieke en culturele infrastructuurvoorzieningen, organisaties en instellingen; materieel erfgoed, waaronder alle vormen van roerend of onroerend cultureel erfgoed en archeologische sites, monumenten, historische locaties en gebouwen; natuurerfgoed met een rechtstreekse band met cultuurerfgoed of indien dit door de bevoegde overheidsinstanties van een lidstaat formeel is erkend als cultuur- of natuurerfgoed; immaterieel erfgoed in welke vorm ook, met inbegrip van volksgebruiken en ambachten; kunst- of culturele evenementen en performances, festivals, tentoonstellingen en andere vergelijkbare culturele activiteiten; culturele en artistieke educatie alsmede de bewustmaking van het belang van de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen via educatieve programma's en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek, onder meer door middel van nieuwe technologieën; schrijven, uitgeven, productie, distributie, digitalisering en publiceren van muziek en literatuur, met inbegrip van vertalingen. De subsidie kan de vorm hebben van: investeringssubsidie, met inbegrip van subsidie voor de bouw of modernisering van cultuurvoorzieningen; exploitatiesubsidie. Artikel 2.39 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie Wat investeringssubsidie betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de kosten voor investeringen in immateriële en materiële activa, met inbegrip van: kosten voor de bouw, modernisering, verwerving, instandhouding of verbetering van infrastructuur, indien jaarlijks ten minste 80% van de tijd- of ruimtecapaciteit voor culturele doeleinden wordt gebruikt; kosten voor de verwerving, met inbegrip van huur, eigendomsoverdracht of fysieke verplaatsing van cultureel erfgoed; kosten voor bescherming, instandhouding, restauratie en herstel van materieel en immaterieel cultureel erfgoed, met inbegrip van bijkomende kosten voor de opslag onder geschikte omstandigheden, speciale uitrusting, materialen en de kosten voor documentatie, onderzoek, digitalisering en publicatie; kosten om cultureel erfgoed beter toegankelijk te maken voor het publiek, met inbegrip van kosten voor digitalisering en andere nieuwe technologieën, kosten om de toegankelijk te verbeteren voor mensen met speciale behoeften (met name hellingbanen en liften voor mensen met een handicap, aanduidingen in braille en voel- en tastobjecten in musea) en kosten om de culturele diversiteit ten aanzien van presentaties, programma's en bezoekers te bevorderen; kosten voor culturele projecten en activiteiten, samenwerkings- en uitwisselingsprogramma's en -beurzen, met inbegrip van kosten voor selectieprocedures, promotiekosten en kosten die rechtstreeks uit het project voortvloeien. Wat exploitatiesubsidie betreft, zijn de in aanmerking komende kosten de volgende: de kosten van de culturele instelling of erfgoedlocatie in verband met vaste of tijdelijke activiteiten, waaronder tentoonstellingen, uitvoeringen en evenementen en vergelijkbare culturele activiteiten die plaatsvinden in het kader van hun normale activiteiten; kosten van culturele en artistieke educatie en van de bewustmaking van het belang van de bescherming en bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen via educatieve programma's en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek, onder meer door middel van nieuwe technologieën; kosten om de locaties en activiteiten van culturele instellingen of erfgoedlocaties beter toegankelijk te maken voor het publiek, met inbegrip van kosten voor digitalisering en het gebruik van nieuwe technologieën, alsmede kosten om de toegankelijkheid te verbeteren voor mensen met een handicap; exploitatiekosten die rechtstreeks verband houden met het culturele project of de culturele activiteit, zoals het huren of leasen van vastgoed en culturele locaties, reiskosten, materialen en leveranties die rechtstreeks verband houden met het culturele project of de culturele activiteit, architectonische structuren voor tentoonstellingen en podia, de ontlening, huur en afschrijving van werktuigen, software en uitrusting, kosten voor toegangsrechten tot auteursrechtelijk beschermde werken en andere verwante door intellectuele-eigendomsrechten beschermde content, promotiekosten en kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het project of de activiteit. Afschrijvingslasten en financieringskosten komen alleen in aanmerking indien deze niet werden gedekt door investeringssubsidie; kosten voor personeel dat werkt voor de culturele instelling, de erfgoedlocatie of een project; kosten voor advies- en ondersteuningsdiensten geleverd door externe consultants en dienstverrichters, die rechtstreeks voortvloeien uit het project. In het geval van investeringssubsidie is het subsidiebedrag niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een terugvorderingsmechanisme. De exploitant van de infrastructuur mag een redelijke winst behouden over de betrokken periode. In het geval van exploitatiesubsidie is het subsidiebedrag niet hoger dan wat nodig is om de exploitatietekorten plus een redelijke winst over de betrokken periode te dekken. Dit wordt geborgd vooraf op basis van redelijke prognoses, of via een terugvorderingsmechanisme. Voor steun van ten hoogste 2 miljoen EUR kan het maximale steunbedrag, in plaats van dat aan de hand van de in de leden 3 en 4 genoemde methode vast te stellen, worden bepaald op 80 % van de in aanmerking komende kosten. Voor de in artikel 2.38, tweede lid, onder f), genoemde activiteiten is het maximale steunbedrag niet hoger dan hetzij het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de gedisconteerde inkomsten van het project, hetzij 70 % van de in aanmerking komende kosten. De inkomsten worden in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf hetzij via een terugvorderingsmechanisme. De in aanmerking komende kosten zijn de kosten voor publicatie van muziek en literatuur, met inbegrip van de auteursvergoedingen (kosten van auteursrechten), vergoedingen van vertalers, vergoedingen van redacteuren, andere publicatiekosten (proeflezen, correctie, revisie), opmaak- en prepresskosten, en kosten voor drukken en e-publishing. Paragraaf 2.15 Subsidie voor audiovisuele werken Artikel 2.40 Subsidiabele activiteit Het schrijven van scenario's, de ontwikkeling, productie, distributie en promotie van audiovisuele werken. Infrastructuur van filmstudio's komt niet in aanmerking voor subsidie op grond van dit artikel. De subsidie is bestemd voor een cultureel product. Met het oog op de verdeling van middelen stelt het dagelijks bestuur een doeltreffende procedure vast. De subsidie kan de vorm hebben van: subsidie voor de productie van audiovisuele werken; preproductiesubsidie, en distributiesubsidie. De subsidie wordt niet voorbehouden voor specifieke productieactiviteiten of individuele onderdelen van de waardeketen van de productie. Subsidie wordt niet uitsluitend voorbehouden voor eigen staatsburgers en van de begunstigden kan niet worden geëist dat zij de status hebben van onderneming die volgens de nationale handelswetgeving is opgericht. Artikel 2.41 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn de volgende: voor productiesubsidie: de totale kosten van de productie van audiovisuele werken, met inbegrip van de kosten om de toegankelijkheid voor personen met een handicap te verbeteren; voor preproductiesubsidie: de kosten van het schrijven van scenario's en de ontwikkeling van audiovisuele werken; voor distributiesubsidie: de kosten van de distributie en promotie van audiovisuele werken. De subsidie voor de productie van audiovisuele werken bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. De subsidie kan als volgt worden verhoogd: tot 60% van de in aanmerking komende kosten voor grensoverschrijdende producties die door meer dan één lidstaat worden gefinancierd en waarbij producenten uit meer dan één lidstaat betrokken zijn; tot 90% van de in aanmerking komende kosten voor moeilijke audiovisuele werken en coproducties waarbij landen uit de OESO/DAC-lijst betrokken zijn. De subsidie bedraagt in het geval van preproductie ten hoogste 90% van de in aanmerking komende kosten. Indien van het uiteindelijke script of project een audiovisueel werk zoals een film wordt gemaakt, worden de preproductiekosten opgenomen in het totale budget en wordt daarmee rekening gehouden bij het berekenen van de subsidie. De subsidie is in het geval van distributie dezelfde als de subsidie voor productie. Titel 2.5 Subsidie voor multifunctionele recreatieve infrastructuur Artikel 2.42 Subsidiabele activiteit Investeringen in multifunctionele recreatieve infrastructuur. Multifunctionele recreatieve infrastructuur omvat recreatieve faciliteiten met een multifunctioneel karakter die met name culturele en recreatieve diensten bieden, met uitzondering van attractieparken en hotelfaciliteiten. Artikel 2.43 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De subsidie wordt verleend in de vorm van investeringssubsidie, met inbegrip van subsidie voor de bouw of modernisering van multifunctionele recreatieve infrastructuur. De in aanmerking komende kosten zijn de kosten voor investeringen in materiële en immateriële activa. De subsidie is niet hoger dan het verschil tussen de in aanmerking komende kosten en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten, hetzij vooraf op basis van redelijke prognoses, hetzij via een door het dagelijks bestuur te bepalen terugvorderingsmechanisme. Voor subsidie van ten hoogste 2 miljoen EUR kan het maximale steunbedrag, in plaats van dat aan de hand van de in de lid 3 bedoelde methodiek ook worden vastgesteld op 80 % van de in aanmerking komende kosten. Artikel 2.44 Voorwaarden Toegang tot multifunctionele recreatieve infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 30% van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden, mits die voorwaarden publiek beschikbaar worden gesteld Iedere concessie of iedere andere vorm van toewijzing aan een derde om multifunctionele recreatieve infrastructuur te bouwen, te moderniseren en/of te exploiteren, vindt op transparante en niet-discriminerende basis plaats, rekening houdende met de geldende aanbestedingsregels. Hoofdstuk 3 Subsidie voor activiteiten die wordt verstrekt met toepassing van de artikelen 14, 17, 24, 32, 36 en 38 van de Landbouwvrijstellingsverordening. Titel 3.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1 Algemene bepaling Op dit hoofdstuk is de Landbouwvrijstellingsverordening van toepassing Het totaal van de met toepassing van dit hoofdstuk te verstrekken subsidie mag de aanmeldingsdrempels als bedoeld in artikel 4 van de Landbouwvrijstellingsverordening niet overschrijden. Artikel 3.2 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: advies: de volledige advisering in het kader van een en hetzelfde contract; afzet van landbouwproducten: het in voorraad hebben of uitstallen met het oog op het verkopen, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een landbouwer aan wederverkopers of verwerkingsbedrijven en alle activiteiten waarmee een product voor een dergelijke eerste verkoop wordt voorbereid; verkoop door een landbouwer aan eindverbruikers wordt als afzet van landbouwproducten beschouwd indien die verkoop plaatsvindt in daarvoor bestemde afzonderlijke lokalen of ruimten; arm's length: de situatie waarbij de voorwaarden van de transactie tussen de contractpartijen niet afwijken van die welke tussen onafhankelijke ondernemingen zouden worden overeengekomen en geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding behelzen. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en onvoorwaardelijke procedure wordt geacht te voldoen aan het arm's length-beginsel; biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen: biobrandstoffen geproduceerd uit voedsel- en voedergewassen als gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2018/2001; gekapitaliseerde werkzaamheden: werkzaamheden die door een landbouwer zelf of door de werknemers van de landbouwer op het landbouwbedrijf worden uitgevoerd en activa creëren; investeringen om aan een Unienorm te voldoen: investeringen die worden gedaan om na het verstrijken van de in de wetgeving van de Unie vastgestelde overgangsperiode aan een norm van de Unie te voldoen; jonge landbouwer: een landbouwer zoals gedefinieerd door een lidstaat in zijn strategisch GLB-plan overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Verordening (EU) 2021/2115; kapitaalwerken: vervallen; landbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt; landbouwproduct: de in bijlage I bij het VWEU vermelde producten, met uitzondering van de visserij- en aquacultuurproducten die zijn vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad; landbouwsector: alle ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie en in de verwerking en de afzet van landbouwproducten; primaire landbouwproductie: de productie van in bijlage I bij het VWEU vermelde producten van de bodem en van de veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van die producten wijzigt; norm van de Unie: verplichte, in de wetgeving van de Unie vastgestelde norm die het niveau aangeeft dat de individuele ondernemingen moeten halen, met name wat milieu, hygiëne en dierenwelzijn betreft; op het niveau van de Unie vastgestelde normen of streefdoelen die bindend zijn voor de lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen, worden evenwel niet als Unienormen beschouwd; verwerking van landbouwproducten: elke bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op het landbouwbedrijf die nodig zijn om een dierlijk of plantaardig product klaar te maken voor de eerste verkoop; verwerking van landbouwproducten tot niet-landbouwproducten: vervallen. Titel 3.2 Subsidie voor kleine en middelgrote ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie, de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten. Par. 3.1 Subsidie voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen op landbouwbedrijven Artikel 3.3 Subsidiabele activiteit Met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen inmateriële of immateriële activa op landbouwbedrijven. De investering mag worden verricht door een of meer begunstigden of betrekking hebben op materiële of immateriële activa die door een of meer begunstigden worden gebruikt. De investering is gericht op ten minste één van de volgende doelstellingen: verbeteren van de algehele prestatie en duurzaamheid van het landbouwbedrijf, met name door een verlaging van de productiekosten of de verbetering en omschakeling van de productie; verbeteren van het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden of de normen inzake dierenwelzijn; aanleggen en verbeteren van infrastructuur voor de ontwikkeling, aanpassing en modernisering van de landbouw, met inbegrip van ontsluiting van landbouwgrond, ruilverkaveling, bodemverbetering, energie-efficiëntie, levering van duurzame energie en water- of energiebesparing; herstellen van productiepotentieel dat schade heeft opgelopen door natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten, plantenplagen en beschermde dieren, en voorkomen van schade als gevolg van die gebeurtenissen en factoren; als de schade kan worden gelinkt aan de klimaatverandering, nemen de begunstigden bij het herstel waar passend maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering; bijdragen aan de matiging van en aanpassing aan klimaatverandering, onder meer door de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en een betere koolstofvastlegging, en bevorderen van duurzame energie en energie-efficiëntie; bijdragen aan een duurzame circulaire bio-economie en bevorderen van de duurzame ontwikkeling en het efficiënte beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht, onder meer door het verminderen van de afhankelijkheid van chemische middelen; bijdragen tot het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen. De investering kan verband houden met de productie, op het landbouwbedrijf, van biobrandstoffen of van energie uit hernieuwbare bronnen, mits die productie niet groter is dan het gemiddelde jaarlijkse brandstof- of energieverbruik van het betrokken bedrijf. Indien de investering wordt gedaan voor de productie van biobrandstoffen, mag de productiecapaciteit van de productie-installaties niet groter zijn dan de capaciteit die overeenstemt met het gemiddelde jaarlijkse brandstofverbruik van het landbouwbedrijf, en mogen de geproduceerde biobrandstoffen niet op de markt worden verkocht. Als wordt geïnvesteerd voor de productie, op het landbouwbedrijf, van thermische energie en elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, mogen de productie-installaties slechts voorzien in de eigen energiebehoeften van de begunstigde en mag de productiecapaciteit van die installaties niet groter zijn dan de capaciteit die overeenstemt met het gecombineerde gemiddelde jaarlijkse energieverbruik van thermische energie en elektriciteit van het landbouwbedrijf, met inbegrip van het landbouwhuishouden. De verkoop van elektriciteit aan het net is slechts toegestaan binnen de jaarlijkse gemiddelde limiet van het eigen verbruik. Wanneer de investering door verschillende begunstigden wordt uitgevoerd om in hun eigen behoefte aan biobrandstof en energie te voldoen, is het gemiddelde jaarlijkse verbruik de som van het gemiddelde jaarlijkse verbruik van alle begunstigden. Bij investeringen in infrastructuur voor hernieuwbare energie die energie verbruikt of produceert, moet worden voldaan aan de minimumnormen voor energie-efficiëntie, indien dergelijke normen op nationaal niveau bestaan. Investeringen in installaties die vooral tot doel hebben elektriciteit op te wekken uit biomassa, komen niet voor subsidie in aanmerking, tenzij een door het bevoegd gezag te bepalen minimumpercentage aan warmte-energie wordt gebruikt. Het bevoegd gezag stelt overeenkomstig artikel 26 van Richtlijn (EU) 2018/2001 voor de verschillende types installaties drempelwaarden vast voor het maximale aandeel granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikergewassen en oliehoudende gewassen dat mag worden gebruikt voor de productie van bio-energie, waaronder biobrandstoffen. De subsidie voor investeringen in bio-energieprojecten blijft beperkt tot bio-energie die voldoet aan de toepasselijke duurzaamheidscriteria die zijn vastgelegd in de wetgeving van de Unie. Er mag geen subsidie worden verleend voor: de aankoop van betalingsrechten; de aankoop en aanplant van eenjarige gewassen , met uitzondering van subsidie voor de financiering van de in artikel 3.4, eerste lid, onder
  2. h)bedoelde kosten; afwateringswerkzaamheden de aankoop van dieren behalve als het gaat om subsidie voor de financiering van in artikel 3.4, eerste lid, onder h), bedoelde kosten of om de aankoop van waakhonden; bedrading of bekabeling voor datanetwerken buiten het particuliere eigendom. De subsidie mag niet worden verleend in strijd met de in Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde verboden of beperkingen, ook niet wanneer die verboden en beperkingen uitsluitend betrekking hebben op de subsidie van de Unie waarin die verordening voorziet. Wat irrigatie betreft, wordt slechts subsidie verleend voor zover het bevoegd gezag dat met betrekking tot het stroomgebiedsdistrict waarin de investering plaatsvindt, ervoor heeft gezorgd dat de landbouwsector bijdraagt aan de terugwinning van de kosten van waterdiensten overeenkomstig artikel 9, eerste lid, tweede alinea, eerste streepje, van Richtlijn 2000/60/EG, in voorkomend geval rekening houdend met de maatschappelijke, ecologische en economische effecten van de terugwinning en met de geografische en klimatologische omstandigheden van de betrokken regio of regio’s. Artikel 3.4 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn: de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, met inbegrip van investeringen in passieve binnenhuisbekabeling of gestructureerde bekabeling voor datanetwerken en, indien nodig, de randuitrusting van het passieve netwerk op het particuliere terrein buiten het gebouw, waarbij aangekochte grond slechts in aanmerking komt voor een bedrag dat niet hoger is dan 10% van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting; de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa; de algemene kosten in verband met de onder
  3. a)en
  4. b)bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, duurzame energie, energie-efficiëntie en de productie en het gebruik van hernieuwbare energie, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van het bepaalde onder
  5. a)en
  6. b)worden verricht; de kosten van aankoop, ontwikkeling of gebruik van computersoftware, cloudoplossingen of soortgelijke oplossingen en van de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken; uitgaven voor niet-productieve investeringen die verband houden met de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen als bedoeld in artikel 3.3, derde lid, onder e),
  7. f)en g); als het gaat om irrigatie: de kosten van investeringen die aan de volgende voorwaarden voldoen: de Commissie is in kennis gesteld van een stroomgebiedbeheerplan overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad dat is opgesteld voor het hele gebied waarin de investering plaatsvindt en voor alle andere gebieden waar de investering gevolgen voor het milieu kan hebben; de maatregelen die in het kader van het stroomgebiedbeheerplan overeenkomstig artikel 11 van die richtlijn worden uitgevoerd en voor de landbouwsector van belang zijn, worden in het betrokken maatregelenprogramma omschreven; er is een watermetingssysteem waarmee het waterverbruik op het niveau van de gesubsidieerde investering kan worden gemeten, of er wordt een dergelijk systeem geplaatst als onderdeel van de investering; een investering in een verbetering van bestaande irrigatie-installaties of irrigatie-infrastructuuronderdelen is vooraf beoordeeld om na te gaan of zij, afgaande op de technische parameters van de bestaande installatie of infrastructuur, waterbesparingen oplevert; wanneer een investering een weerslag heeft op grond- of oppervlaktewaterlichamen waarvan de toestand, om met de waterhoeveelheid verband houdende redenen, in het betrokken stroomgebiedbeheerplan is aangemerkt als minder dan goed, of als uit geavanceerde beoordelingen van de klimaatkwetsbaarheid en -risico’s blijkt dat de betrokken, in een goede toestand verkerende waterlichamen die toestand door de effecten van de klimaatverandering kunnen verliezen om met de waterhoeveelheid verband houdende redenen, moet overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2000/60/EG een daadwerkelijke vermindering van het watergebruik worden bewerkstelligd die bijdraagt tot het bereiken en het in stand houden van een goede toestand van die waterlichamen. De in de vorige zin vermelde voorwaarden zijn niet van toepassing op investeringen in bestaande installaties die enkel gevolgen hebben voor de energie-efficiëntie, investeringen in de aanleg van reservoirs of investeringen in het gebruik van gerecycleerd water die geen gevolgen hebben voor grond- of oppervlaktewaterlichamen; het bevoegd gezag stelt als voorwaarde voor de subsidie percentages voor de potentiële waterbesparing en de daadwerkelijke vermindering van het watergebruik vast, om ervoor te zorgen dat er daadwerkelijk minder water door de installatie stroomt dan in de periode 2014-2020 en om zo een afzwakking van de milieuambities te voorkomen: de potentiële waterbesparing moet ten minste 5% bedragen wanneer de technische parameters van de bestaande installatie of infrastructuur reeds een hoge mate van efficiëntie bieden (vóór de investering), en ten minste 25% wanneer de huidige efficiëntie laag is, en/of voor investeringen in gebieden waar waterbesparingen hard nodig zijn om een goede watertoestand te bereiken; de daadwerkelijke vermindering van het waterverbruik bedraagt, voor de gehele investering, ten minste 50% van de potentiële waterbesparing die mogelijk wordt gemaakt door de investering in de bestaande irrigatieinstallatie of het bestaande infrastructuuronderdeel; die waterbesparing moet afgestemd zijn op de behoeften die zijn vastgelegd in de stroomgebiedbeheerplannen in het kader van Richtlijn 2000/60/EG. Subsidie voor investeringen in het gebruik van teruggewonnen water als alternatieve watervoorziening, voor zover de levering en het gebruik van dat water in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2020/741 van het Europees Parlement en de Raad. Als het gaat om investeringen met het oog op het herstel van agrarisch productiepotentieel dat beschadigd is door natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten, plantenplagen of beschermde dieren: kosten om het agrarisch productiepotentieel te herstellen tot op het niveau van vóór de betrokken gebeurtenis. Als het gaat om investeringen ter preventie van schade door natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten, plantenplagen of beschermde dieren: kosten van specifieke preventieve acties. Andere dan de in het eerste lid, onder
  8. a)en b), bedoelde kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies worden niet als in aanmerking komende kosten beschouwd. Werkkapitaal wordt niet beschouwd als subsidiabele kosten. De subsidie bedraagt ten hoogste 65% van de in aanmerking komende kosten. Het in het vierde lid bedoelde percentage kan tot maximaal 80% worden verhoogd voor: Investeringen die verband houden met een of meer specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen als vermeld in artikel 3.3, derde lid, onder e),
  9. f)en
  10. g)of met dierenwelzijn; Investeringen door jonge landbouwers. De steunintensiteit kan tot maximaal 100% worden verhoogd voor de volgende investeringen: niet-productieve investeringen die verband houden met in artikel 3.3, derde lid, onder e),
  11. f)en
  12. g)bedoelde doelstellingen; investeringen voor het herstel van het in artikel 3.3, derde lid, onder d), bedoelde productiepotentieel en investeringen in verband met de preventie van schade die kan worden aangericht door natuurrampen, buitengewone gebeurtenissen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld of beschermde dieren, en met de beperking van het risico van dergelijke schade. Subsidie voor irrigatie op grond van het eerste lid, onder f), blijft beperkt tot een of meer percentages die niet hoger zijn dan: 80% van de in aanmerking komende kosten van investeringen in irrigatie op het landbouwbedrijf op grond van het eerste lid, onder
  13. f)iii; 100% van de in aanmerking komende kosten van investeringen in landbouwinfrastructuur buiten het landbouwbedrijf ten behoeve van irrigatie; 65% van de in aanmerking komende kosten van andere irrigatie-investeringen op landbouwbedrijven. Artikel 3.5 Voorwaarde Subsidie voor investeringen waarvoor krachtens Richtlijn 2011/92/EU een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd, wordt slechts verleend op voorwaarde dat die beoordeling is uitgevoerd en de vergunning voor het betrokken investeringsproject is verleend vóór de datum van de toekenning van de subsidie. Par. 3.2 Subsidie voor investeringen in verband met de verwerking of de afzet van landbouwproducten Artikel 3.6 Subsidiabele activiteit Investeringen die betrekking hebben op materiële of immateriële activa in verband met de verwerking of de afzet van landbouwproducten. Investeringen in de productie van biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen komen niet in aanmerking voor subsidie. Er wordt geen subsidie verleend voor investeringen om aan de geldende Unienormen te voldoen. Subsidie wordt niet verleend in strijd met de in Verordening (EU) nr. [1308/2013] vastgestelde verboden of beperkingen, ook niet als die verboden en beperkingen uitsluitend betrekking hebben op de subsidie van de Unie waarin die verordening voorziet. Artikel 3.7 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn: de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, met inbegrip van investeringen in passieve binnenhuisbekabeling of gestructureerde bekabeling voor datanetwerken en, indien nodig, de randuitrusting van het passieve netwerk op het particuliere terrein buiten het gebouw, waarbij de aankoop van grond slechts in aanmerking komt voor een bedrag dat niet hoger is dan 10% van het totaal van de in aanmerking komende kosten van de betrokken verrichting; de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa; algemene kosten in verband met de onder
  14. a)en
  15. b)bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs, advies over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied, met inbegrip van het uitvoeren van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van het bepaalde onder
  16. a)en
  17. b)worden verricht; de kosten van aankoop, ontwikkeling of gebruik van computersoftware, cloudoplossingen of soortgelijke oplossingen en van de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken. Andere dan de in het eerste lid, onder
  18. a)en b), bedoelde kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies worden niet als in aanmerking komende kosten beschouwd. Werkkapitaal wordt niet beschouwd als subsidiabele kosten. Kosten van bedrading of bekabeling voor datanetwerken buiten het particuliere eigendom worden niet beschouwd als in aanmerking komende kosten. De subsidie bedraagt ten hoogste 65% van het bedrag van de in aanmerking komende kosten. Het in het vijfde lid bedoelde percentage kan tot maximaal 80% worden verhoogd voor de volgende investeringen: investeringen die verband houden met een of meer specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen als vermeld in artikel 3.3, derde lid, onder e),
  19. f)en g), of met een verbetering van het dierenwelzijn; investeringen door jonge landbouwers. Artikel 3.8 Voorwaarde Subsidie voor investeringen waarvoor krachtens Richtlijn 2011/92/EU een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd, wordt slechts verleend op voorwaarde dat die beoordeling is uitgevoerd en de vergunning voor het betrokken investeringsproject is verleend vóór de datum van de toekenning van de individuele subsidie. Par. 3.3 Subsidie voor afzetbevorderingsmaatregelen voor landbouwproducten Artikel 3.9 Subsidiabele activiteit Subsidie voor afzetbevorderingsmaatregelen voor landbouwproducten: het organiseren van en deelnemen aan wedstrijden, handelsbeurzen en tentoonstellingen en publicaties om landbouwproducten beter bekend te maken bij het brede publiek. Artikel 3.10 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten van het organiseren van en deelnemen aan wedstrijden, beurzen en tentoonstellingen zijn: deelnamekosten; reiskosten, kosten van het vervoer van dieren en van producten die onder de afzetbevorderingsactie vallen; kosten van publicaties en websites die het evenement aankondigen; de huur van tentoonstellingsruimten en -stands en de kosten van het opzetten en afbreken daarvan; symbolische prijzen tot een waarde van 3000 EUR per prijs en per winnaar van een wedstrijd. De in aanmerking komende kosten van publicaties om landbouwproducten beter bekend te maken bij het brede publiek zijn: de kosten van publicaties in de gedrukte en elektronische media, websites en spots in de elektronische media, op radio of televisie, waarmee feitelijke informatie wordt verstrekt over begunstigden die uit een bepaald gebied afkomstig zijn of een bepaald landbouwproduct produceren, mits de informatie neutraal is en alle betrokken begunstigden gelijke kansen hebben om in de publicatie aan bod te komen; kosten van de verspreiding van wetenschappelijke kennis en feitelijke informatie over: kwaliteitsregelingen als bedoeld in artikel 20, lid 2, van de Landbouwvrijstellingsverordening die open staan voor landbouwproducten uit andere lidstaten en derde landen, generieke landbouwproducten en hun voedingswaarde en tips voor het gebruik ervan. De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de in aanmerking komende kosten en wordt verleend in een van de hierna genoemde vormen in natura; als vergoeding van de kosten die de begunstigde werkelijk heeft gemaakt; met betrekking tot subsidie voor symbolische prijzen, ook in cash. Wanneer de subsidie in natura wordt verleend, gebeurt dat in de vorm van een gesubsidieerde dienst. Artikel 3.11 Voorwaarden In de in artikel 3.9 onder b bedoelde publicaties mag niet worden verwezen naar een specifieke onderneming, merknaam of oorsprong. De vorige alinea is echter niet van toepassing op een verwijzing naar de oorsprong van landbouwproducten die vallen onder: kwaliteitsregelingen als bedoeld in artikel 20, lid 2, punt
  20. a)van de Landbouwvrijstellingsverordening, mits die verwijzing exact overeenkomt met de door de Unie beschermde benaming; kwaliteitsregelingen als bedoeld in artikel 20, lid 2, punten
  21. b)en
  22. c)van de Landbouwvrijstellingsverordening, op voorwaarde dat de verwijzing in de boodschap van ondergeschikt belang is. De afzetbevorderingsmaatregelen mogen worden uitgevoerd door producentengroeperingen of andere organisaties, ongeacht hun omvang. De subsidie voor symbolische prijzen als bedoeld in artikel 3.10 lid 1 onder e, wordt slechts aan de aanbieder van de afzetbevorderingsmaatregelen betaald als de prijs werkelijk is uitgereikt en na voorlegging van een bewijs van die uitreiking. De subsidie voor afzetbevorderingsmaatregelen is onder objectief vastgestelde voorwaarden toegankelijk voor alle ondernemingen die daarvoor in het betrokken gebied in aanmerking komen. Als de afzetbevorderingsmaatregel door producentengroeperingen en -organisaties wordt uitgevoerd, mag lidmaatschap van die groeperingen of organisaties geen voorwaarde voor deelname zijn. Eventuele bijdragen van niet-leden in de administratiekosten van de betrokken producentengroepering of -organisatie zijn beperkt tot de kosten van de uitvoering van de afzetbevorderingsmaatregelen. Par. 3.4 Subsidie voor samenwerking in de landbouwsector Artikel 3.12 Subsidiabele activiteit. Subsidie ter bevordering van samenwerking die bijdraagt aan de verwezenlijking van een of meer van de doelstellingen van artikel 6, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2021/2115 waarbij ten minste twee actoren zijn betrokken, die niet noodzakelijk in de landbouwsector actief hoeven te zijn; de samenwerking moet echter vooral ten goede komen aan de landbouwsector. De volgende vormen van samenwerking komen in aanmerking: samenwerking tussen verschillende ondernemingen in de landbouwsector, de voedselketen en andere actoren die actief zijn in de landbouwsector, met inbegrip van producentengroeperingen, coöperaties en brancheorganisaties, die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen en prioriteiten van het plattelandsontwikkelingsbeleid; de oprichting van clusters en netwerken; bedrijfsopvolging, met name met het oog op generatievernieuwing op het landbouwbedrijf; er wordt alleen subsidie verstrekt aan landbouwers die de pensioenleeftijd, zoals die door de betrokken lidstaat volgens zijn nationale wetgeving is bepaald, hebben bereikt of uiterlijk aan het einde van de verrichting zullen bereiken. De subsidie kan worden wordt verleend voor samenwerking bij de volgende activiteiten: proefprojecten; de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, procedés en technologieën in de landbouwsector en de levensmiddelensector, voor zover het daarbij om landbouwproducten gaat; samenwerking tussen kleinschalige marktdeelnemers in de landbouwsector met als doel gezamenlijke werkprocedés op te zetten en voorzieningen en middelen te delen; horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de toeleveringsketen met het oog op de oprichting en ontwikkeling van korte ketens en lokale markten; afzetbevorderingsactiviteiten in een lokale context met het oog op de ontwikkeling van korte ketens en lokale markten; collectieve actie met het oog op klimaatmitigatie en -adaptatie; gezamenlijke benaderingen van milieuprojecten en gangbare milieupraktijken, met inbegrip van efficiënt waterbeheer, het gebruik van hernieuwbare energie en de instandhouding van agrarische landschappen; horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de toeleveringsketen met het oog op duurzame levering van biomassa voor gebruik in de voedselproductie, mits het resultaat een landbouwproduct is, en in de productie van energie voor eigen gebruik; de uitvoering, met name door andere dan de in artikel 31, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde groepen publieke en private partners, van andere dan de in artikel 32 van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde strategieën voor lokale ontwikkeling. Artikel 3.13 Subsidiabele kosten en hoogte De volgende kosten komen in aanmerking voor zover zij betrekking hebben op landbouwactiviteiten: kosten van voorbereidende ondersteuning, capaciteitsopbouw, opleiding en netwerkvorming met het oog op het opzetten en uitvoeren van een samenwerkingsproject; kosten van studies van het betrokken gebied, kosten van haalbaarheidsstudies en kosten van het opstellen van een bedrijfsplan of een andere dan de in artikel 32 van Verordening (EU) 2021/1060 bedoelde strategie voor lokale ontwikkeling; met de samenwerking gepaard gaande werkingskosten; kosten van uit te voeren verrichtingen, waaronder kosten van dynamisering; kosten van afzetbevorderingsactiviteiten. De subsidie wordt gedurende ten hoogste zeven jaar verleend. De subsidie bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten, met dien verstande dat bij in lid 1 onder d bedoelde verrichtingen die uit investeringen bestaan, de subsidie beperkt blijft tot de maximale steunintensiteit voor investeringssteun, als vastgesteld in het desbetreffende artikel inzake investeringssteun. Artikel 3.14 Voorwaarden Voor samenwerking waarbij uitsluitend onderzoeksinstellingen zijn betrokken, wordt geen subsidie verleend. De subsidie wordt alleen verleend voor nieuwe samenwerkingsvormen, met inbegrip van bestaande samenwerkingsvormen indien een nieuwe activiteit wordt opgestart. Subsidie voor de oprichting en ontwikkeling van korte toeleveringsketens, als bedoeld in artikel 3.12, lid 3, onder d. en e. heeft slechts betrekking op toeleveringsketens waarbij er tussen de landbouwer en de consument hoogstens één intermediair is. Dit betreft samenwerking op het gebied van de productie, op het landbouwbedrijf, van energie uit hernieuwbare bronnen of van biobrandstoffen, mits wordt voldaan aan paragraaf 3.1. De op grond van dit artikel verstrekte subsidie moet in overeenstemming zijn met de artikelen 206 tot en met 210 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013. Bij uit investeringen bestaande verrichtingen moet worden voldaan aan de regels en vereisten van het toepasselijke artikel inzake investeringssteun van de Landbouwvrijstellingsverordening en aan artikel 4 van de Landbouwvrijstellingsverordening inzake aanmeldingsdrempels. Titel 3.3 Subsidie voor investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed Par. 3.5 Investeringssubsidie voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven of in bossen. Artikel 3.15 Subsidiabele activiteit Investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven of in bossen. De subsidie wordt verleend voor de instandhouding van uit natuurlijke landschappen en gebouwen bestaand erfgoed, dat door het bevoegd gezag formeel als cultureel of natuurlijk erfgoed is erkend. Artikel 3.16 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed: kosten van investeringen in materiële activa; gekapitaliseerde werkzaamheden. De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de in aanmerking komende kosten. De subsidie voor gekapitaliseerde werkzaamheden bedraagt ten hoogste € 10.000 per jaar. Titel 3.4 Subsidie voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie Par. 3.6 Subsidie voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouw- en de bosbouwsector Artikel 3.17 Subsidiabele activiteit Onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten in de landbouw- en de bosbouwsector of subsectoren daarvan. De subsidie wordt rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding verleend. De subsidie wordt niet verleend in de vorm van op de prijs van de land- of bosbouwproducten gebaseerde betalingen aan ondernemingen die actief zijn in de land- of de bosbouwsector. Artikel 3.18 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn: personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het project bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang deze wordt gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project en onder de volgende voorwaarden: wat gebouwen betreft, worden alleen de met de looptijd van het project overeenstemmende afschrijvingskosten berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden zijn ingekocht bij of in licentie zijn verkregen van externe bronnen, alsmede kosten van consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende overheadkosten en andere operationele uitgaven, waaronder die van materiaal, leveranties en soortgelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de in aanmerking komende kosten. Artikel 3.19 Voorwaarden Het gesubsidieerde project moet van algemeen belang zijn voor alle ondernemingen die actief zijn in de betro

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.