Algemene subsidieverordening Waddenfonds 2017Het algemeen bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Waddenfonds, gelet op artikel 5 van de gemeenschappelijke regeling Waddenfonds, besluit de Algemene subsidieverordening Waddenfonds 2017 vast te stellen als volgt: Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het openbaar lichaam Waddenfonds; Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Europese Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Publicatieblad van de Europese Unie van 26 juni 2014, PbEU L187/1; activiteitenplan: een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen; activiteitenverslag: een beschrijving van de uitgevoerde activiteiten waarvoor subsidie is verleend, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en een toelichting wordt gegeven op de verschillen; Awb: Algemene wet bestuursrecht; boekjaarsubsidie: subsidie aan een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Awb, per kalenderjaar wordt verstrekt; dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Waddenfonds; de-minimisregelgeving: regelgeving omtrent staatssteun uit de Verordeningen van de Europese Unie 717/2014, PbEU L 190/45 (voor de visserijsector), 1408/2013, PbEU L 352/9 (voor de landbouwsector) en 1407/2013, PbEU L 352/1 (voor de overige sectoren); financieel verslag: een overzicht van de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten; kernwaarden: dynamische natuur van de Waddenzee; rust; ruimte; stilte; duisternis en waardevolle landschappen en het cultureel erfgoed in en om dorpen en steden, op de eilanden en in de zee. penvoerder: de door het samenwerkingsverband aangewezen persoon of organisatie die deelneemt aan het samenwerkingsverband en ten behoeve van het samenwerkingsverband optreedt als aanvrager en subsidieontvanger; projectsubsidie: subsidie voor een eenmalige activiteit, die naar zijn aard tijdelijk is; provinciale staten: provinciale staten van Fryslân, Groningen of Noord-Holland; samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten, niet zijnde een vennootschap; Visserijvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2473 van de Commissie van 14 december 2022, waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard; Publicatieblad van de Europese Unie van 21 december 2022, PbEU L 327/82; Landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022, waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard; Publicatieblad van de Europese Unie van 21 december 2022, PbEU L 327/1; VWEU : Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; Waddengebied en Waddenzee: het gebied als bedoeld in artikel 2 van het Bestuursakkoord decentralisatie Waddenfonds. Artikel1.2Toepassingsbereik van deze verordening Deze verordening is van toepassing op alle door het dagelijks bestuur te verstrekken subsidies, tenzij door het algemeen bestuur bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Artikel1.3Doelstelling van het Waddenfonds Het Waddenfonds heeft als doelstelling: het vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het Waddengebied; het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee; een duurzame economische ontwikkeling in het Waddengebied, dan wel gericht zijn op een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het Waddengebied en direct aangrenzende gebieden; en het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het Waddengebied. Artikel1.4Bevoegdheid subsidieverstrekking 1.Het dagelijks bestuur is bevoegd te besluiten tot het verstrekken van subsidies die: strekken tot realisering van de in artikel 1.3 genoemde doelstelling; passen binnen de door het algemeen bestuur vastgestelde begroting en de daaraan gerelateerde meerjarenbegroting; en passen binnen de door provinciale staten respectievelijk het algemeen bestuur vastgestelde beleids- en uitvoeringskaders met betrekking tot het werkingsgebied van het Waddenfonds. 2.Subsidie die wordt verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, de Visserijvrijstellingsverordening of de Landbouwvrijstellingsverordening kan worden verleend voor activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I, die onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van deze verordening. 3.Indien de te verstrekken subsidie staatssteun vormt als bedoeld in artikel 107, eerste lid, VWEU, en buiten het toepassingsbereik van bijlage I valt, kan subsidie slechts worden verleend binnen de de-minimisregelgeving, dan wel na kennisgeving aan, dan wel na goedkeuring door de Europese Commissie, in overeenstemming met de geldende staatssteunregelgeving. 4.Het dagelijks bestuur is bevoegd nadere regels te stellen over subsidieverstrekking. 5.Het dagelijks bestuur is bevoegd bijlage I gewijzigd vast te stellen. 6.Het dagelijks bestuur is bevoegd om deze verordening gewijzigd vast te stellen, voor zover het betreft een juiste verwijzing naar landelijke wet- en regelgeving en verdragen en wetgeving van de Europese Unie. Artikel1.5Subsidieplafond 1.Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het vaststellen van subsidieplafonds. 2.Het dagelijks bestuur kan een subsidieplafond onderverdelen ten behoeve van verschillende activiteiten en categorieën van aanvragers. Artikel1.6Hoogte van de subsidie 1.Met uitzondering van subsidie die wordt verstrekt met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onderdeel c, van de Awb, bedraagt de door het dagelijks bestuur te verstrekken subsidie nooit meer dan 90% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten. 2.Indien voor een project al door een ander bestuursorgaan of door de Europese Commissie subsidie is verstrekt, wordt de te verstrekken subsidie zodanig berekend dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het totaal van de voor subsidie in aanmerking komende kosten. 3.Het totaal van overheidsbijdragen kan niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan. Artikel1.7Subsidiabele kosten 1.Netto inkomsten die volgen uit de subsidiabele activiteiten gedurende de projectperiode kunnen in mindering worden gebracht op de subsidiabele kosten. Er wordt in elk geval geen subsidie verstrekt voor kosten: die niet rechtstreeks aan de activiteit zijn toe te rekenen; die zijn gemaakt voor de datum van ontvangst van de volledige aanvraag; waarvoor reeds verplichtingen zijn aangegaan voordat de volledige aanvraag is ontvangen; die zijn gemaakt na het verstrijken van de projectperiode of het tijdvak waarvoor subsidie is verleend; die niet in een redelijke verhouding staan tot de activiteit; en voorts verrekenbare kosten en belastingen, accijnzen, door de aanvrager zelf geheven leges en andere heffingen, debetrente, boetes, financiële sancties, gerechtskosten en kosten die samenhangen met bezwaar en beroep. 2.Het dagelijks bestuur kan afwijken van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a tot en met d. Artikel1.8Toezicht en handhaving Het dagelijks bestuur voert een actief en consistent toezicht- en handhavingsbeleid. Artikel1.9Doeltreffendheid Het dagelijks bestuur brengt ten minste eenmaal in de vier jaren aan het algemeen bestuur verslag uit over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies die zijn verstrekt. Artikel1.10Formulieren en modellen Ten behoeve van de subsidieverstrekking kan het dagelijks bestuur formulieren en modellen vaststellen, waarvan het gebruik verplicht is voorgeschreven. Hoofdstuk2Subsidieverlening Paragraaf2.1Het aanvragen van een subsidie Artikel2.1Algemene bepalingen over het indienen van een aanvraag 1.Een aanvraag wordt ingediend binnen een door het dagelijks bestuur vastgestelde aanvraagperiode. Aanvragen worden ingediend per reguliere post of per e-mail op info@waddenfonds.nl. 2.Een aanvraag wordt gericht aan het dagelijks bestuur, met gebruikmaking van een daartoe door het dagelijks bestuur vastgesteld aanvraagformulier. Een subsidieaanvraag gaat vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden. Indien geen aanvraagformulier is vastgesteld, gaat de aanvraag ten minste vergezeld van: een activiteitenplan; een begroting van kosten en opbrengsten, voorzien van een toelichting. Indien het een meerjarig project betreft moet de begroting een meerjarenbegroting zijn; en een dekkingsplan. 3.Het dagelijks bestuur kan bepalen dat een aanvraag op een andere wijze wordt ingediend. 4.Een aanvraag voor een boekjaarsubsidie moet zijn ontvangen voor 1 september, voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft. 5.Het dagelijks bestuur kan verlangen dat een schriftelijke verklaring wordt overgelegd van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de getrouwheid van de jaarrekening, de balans en de staat van baten en lasten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag, dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is gebleken. 6.Indien een aanvrager voor dezelfde activiteit subsidie heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan, vermeldt hij dit bij de aanvraag alsmede de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag. 7.Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient de penvoerder van het samenwerkingsverband de aanvraag in. Bij de aanvraag wordt een door alle partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst overgelegd, waaruit blijkt dat de aanvrager door de deelnemers is aangewezen als penvoerder en waarin ten minste is opgenomen de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen bevattende de baten en de lasten van de deelnemende partijen. Uit de aanvraag moet genoegzaam blijken welke activiteiten door elk van de deelnemers wordt uitgevoerd. Artikel2.2Ontvangst van de aanvraag 1.Indien de beschikbare middelen worden verdeeld op basis van volgorde van binnenkomst, is de dag waarop de aanvraag is ontvangen bepalend. 2.Wanneer de aanvrager met toepassing van artikel 4:5 Awb in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, geldt de dag waarop de aanvulling is ontvangen met betrekking tot de verdeling als de datum van ontvangst. Paragraaf2.2De beslissing op de aanvraag Artikel2.3Beslistermijn projectsubsidie 1.Het dagelijks bestuur beslist: binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel binnen 13 weken na afloop van de periode waarin of de uiterlijke datum waarop aanvragen kunnen worden ingediend. 2.De beslistermijn bedraagt 22 weken indien: sprake is van cofinanciering in het kader van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; over de aanvraag extern advies wordt ingewonnen; een nader onderzoek is ingesteld. 3.De beslistermijn bedraagt 40 weken indien de verlening mede afhankelijk is van het oordeel van een internationale beoordelingscommissie of van internationale peerreviews. 4.Indien de beschikking niet tijdig kan worden gegeven, stelt het dagelijks bestuur de betrokkene daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien. Artikel2.4Beslistermijn boekjaarsubsidie Het dagelijks bestuur beslist voor 1 januari van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel 2.3, vierde lid, is van toepassing. Artikel2.5Schakelbepaling Indien een subsidievaststellingsbeschikking wordt gegeven zonder voorafgaande verleningsbeschikking, is artikel 4:35 Awb, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Artikel2.6Algemeen beoordelingskader 1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25 en 4:35 Awb wordt in elk geval geen subsidie verstrekt indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur: de activiteit niet of niet in overwegende mate bijdraagt aan de doelstelling van het Waddenfonds; de activiteit niet of niet in overwegende mate gericht is op het Waddengebied; de activiteit niet aan ten minste twee van de volgende criteria voldoet: er wordt geen substantieel afbreuk gedaan aan de kernwaarden; bijdragen aan behoud of versterking van de kernwaarden; bijdragen aan het oplossen van problemen of het benutten van kansen van voor het Waddengebied kenmerkende kansen en bedreigingen; de activiteit betrekking heeft op regulier beleid, beheer of onderhoud, met inbegrip van het voldoen aan internationaal en nationaalrechtelijke verplichtingen; er een gegronde reden bestaat dat de uitvoering van een voorgenomen activiteit inbreuk zal maken op de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzame ontwikkeling; de activiteit, gelet op aard en schaal, onvoldoende integraal wordt uitgevoerd; de activiteit niet past binnen de door provinciale staten respectievelijk het algemeen bestuur vastgestelde beleids- en uitvoeringskaders met betrekking tot het werkingsgebied van het Waddenfonds;; de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan een vastgesteld drempelbedrag; de gevraagde financiële bijdrage niet in een redelijke verhouding staat tot het beoogde projectresultaat (value for money); ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard; de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, artikel 2, onder 59 van de Landbouwvrijstellingsverordening en artikel 2, onder 29 van de Visserijvrijstellingsverordening; er een gegronde reden bestaat dat het project in financiële, organisatorische, technische of economische zin niet haalbaar is; er een gegronde reden bestaat dat de exploitatie na de projectperiode niet kan worden gerealiseerd; er een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen nastreeft of activiteiten ontplooit die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang, de goede zeden of de openbare orde. 2.Een subsidie kan worden geweigerd of ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel2.7Voorschotten 1.Indien de subsidie direct wordt vastgesteld vindt de betaling van het subsidiebedrag in één keer plaats. 2.Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onderdeel b, wordt gegeven, wordt ambtshalve 100% bevoorschot. In overige gevallen bedraagt het voorschot ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag. 3.Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, vindt de verlening van een voorschot, al dan niet in de vorm van een termijnbetaling, plaats op verzoek van de subsidieontvanger. 4.Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van een door het dagelijks bestuur vastgesteld formulier. Het verzoek gaat vergezeld van alle bescheiden die volgens het formulier moeten worden meegezonden. 5.Het dagelijks bestuur kan in het belang van een doelmatige subsidieverstrekking afwijken van het bepaalde in het tweede lid en voorts bij het verstrekken van subsidies vanaf € 25.000 de bevoorschotting afhankelijk stellen van de financiële en inhoudelijke voortgang van de gesubsidieerde activiteiten. Paragraaf2.3Voorwaarden en verplichtingen Artikel2.8Melding bij de Europese Commissie Indien de subsidieverlening naar het oordeel van het dagelijks bestuur valt onder de omschrijving van een steunmaatregel als bedoeld in artikel 107, eerste lid, VWEU en een melding plaatsvindt op grond van artikel 108 VWEU, wordt de subsidie uitsluitend verleend onder de opschortende voorwaarde dat de Europese Commissie hieraan haar goedkeuring verleent. Artikel2.9Meldings- en mededelingsplicht 1.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk melding aan het dagelijks bestuur, zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend of direct is vastgesteld niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. 2.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot surseance van betaling, tot faillietverklaring, het voornemen tot ontbinding van de rechtspersoon of van andere omstandigheden die voor de subsidieverlening van belang kunnen zijn. 3.De subsidie-ontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur indien na het indienen van de subsidieaanvraag voor dezelfde activiteit subsidie wordt verstrekt door een ander bestuursorgaan of de Europese Commissie. Artikel2.10Algemene verplichtingen 1.Waar in dit artikel wordt gesproken van subsidieverlening wordt hieronder mede verstaan de subsidievaststelling, indien er geen subsidieverleningsbeschikking aan de vaststelling voorafgaat. 2.Het dagelijks bestuur kan aan een subsidie-ontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:38 Awb opleggen, voor zover de verplichtingen strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 3.Het dagelijks bestuur kan aan een subsidie-ontvanger verplichtingen als bedoeld in artikel 4:39 Awb opleggen. 4.Aan de subsidie-ontvanger wordt de verplichting opgelegd om in publicitaire uitingen te vermelden dat de gesubsidieerde activiteit mede mogelijk is gemaakt met subsidie van het Waddenfonds. 5.De subsidie-ontvanger maakt binnen de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde termijn een aanvang met de uitvoering van de activiteiten. Bij het ontbreken van een dergelijke termijn geldt een termijn van twee maanden na de bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening. 6.De subsidie-ontvanger voert de activiteiten uit overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening en voltooit deze uiterlijk op de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen datum. Bij het ontbreken van een dergelijke termijn geldt een termijn van een jaar na de bekendmaking van het besluit tot subsidieverlening. 7.Het dagelijks bestuur kan in de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, Awb bepalen dat een subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan hen een vergoeding verschuldigd is. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding worden de activa gewaardeerd op hun actuele waarde in het economisch verkeer. De waarde van een onroerende zaak wordt bepaald op basis van de waarde die hieraan is toegekend op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel2.11Administratieve verplichtingen 1.Bij een subsidie tot € 125.000 wordt aan de subsidie-ontvanger geen verplichting opgelegd met betrekking tot: de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, Awb en het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder f, Awb. 2.Als de subsidie-ontvanger een verplichting is opgelegd met betrekking tot de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voert de subsidie-ontvanger een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de uitgaven en inkomsten kunnen worden nagegaan. 3.Tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald, bewaart de subsidie-ontvanger de in het tweede lid genoemde gegevens tenminste 5 jaar na vaststelling van de subsidie. 4.Onderdeel a van het eerste lid is niet van toepassing indien op grond van artikel 3.6 een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten wordt gevraagd. Artikel2.12Medewerking controle De subsidie-ontvanger verleent medewerking aan, door of vanwege het dagelijks bestuur gevorderde controle van de administratie of een ander onderzoek naar gegevens die in het kader van de subsidieverstrekking van belang worden geacht. De subsidie-ontvanger verleent daartoe inzage in de administratie en verstrekt de inlichtingen die voor de beoordeling van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de besteding van de subsidie, dan wel anderszins van belang kunnen zijn. Artikel2.13Voortgangsrapportage 1.Aan een subsidie lager dan € 25.000 wordt geen verplichting verbonden tot het overleggen van een tussentijds voortgangsverslag. 2.Aan het verstrekken van een subsidie vanaf € 25.000 kan het dagelijks bestuur, als de periode van uitvoering van de activiteiten meer dan 12 aaneengesloten maanden bedraagt, de verplichting opleggen dat één keer per periode van 12 maanden een tussentijds voortgangsverslag wordt overgelegd. 3.Het dagelijks bestuur kan in het belang van een doelmatige subsidieverstrekking afwijken van het bepaalde in het tweede lid. Artikel2.14Openbaarmaking 1.De subsidie-ontvanger verleent op verzoek van het dagelijks bestuur medewerking aan openbaarmaking van de resultaten van het project. 2.De subsidie-ontvanger verleent op verzoek van het dagelijks bestuur medewerking aan een door of vanwege het dagelijks bestuur ter zake van de toepassing van deze verordening ingesteld evaluatieonderzoek. Hoofdstuk3Subsidievaststelling Paragraaf3.1Aanvraag tot subsidievaststelling Artikel3.1Aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie Tenzij de subsidie overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.4, eerste lid, onder b, ambtshalve wordt vastgesteld, dient de subsidie-ontvanger die een subsidieverleningsbeschikking heeft ontvangen binnen 13 weken na de datum waarop de activiteit op grond van deze verordening of de subsidieverleningsbeschikking moet zijn uitgevoerd of, indien dat eerder is, 13 weken na de uitvoering van de activiteit, schriftelijk een aanvraag tot subsidievaststelling in bij het dagelijks bestuur, tenzij in het besluit tot subsidieverlening een andere termijn is opgenomen. Artikel3.2Aanvraag tot vaststelling van een boekjaarsubsidie Tenzij bij de subsidieverlening is bepaald dat de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld, dient de subsidie-ontvanger voor 1 mei, na afloop van het tijdvak waarop de subsidie betrekking heeft, een schriftelijke aanvraag tot vaststelling van de subsidie in bij het dagelijks bestuur, tenzij in het besluit tot subsidieverlening een andere termijn is opgenomen. Paragraaf3.2Beslissing op de aanvraag Artikel3.3Beslistermijn 1.Het dagelijks bestuur beslist binnen 22 weken na ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, mits deze aan alle vereisten voldoet. 2.Subsidies die ambtshalve worden vastgesteld, stelt het dagelijks bestuur vast binnen 22 weken na de datum waarop de activiteit moet zijn verricht. 3.Het subsidiebedrag wordt binnen 30 dagen na de subsidievaststelling betaald. Paragraaf3.3Verantwoording van subsidies Artikel3.4Verantwoording van subsidies tot € 25.000 1.Bij een subsidie lager dan € 25.000 wordt: de subsidie vastgesteld zonder dat aan de beschikking tot subsidievaststelling een beschikking tot subsidieverlening vooraf gaat; of een beschikking tot subsidieverlening gegeven, met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en van de termijn waarbinnen de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld. 2.Bij een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt aan de subsidie-ontvanger in elk geval de verplichting opgelegd om desgevraagd, op een door het dagelijks bestuur in de beschikking aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 3.Het dagelijks bestuur kan op basis van een risicoanalyse besluiten dat het eerste lid ook van toepassing is op subsidies van € 25.000 of meer. Artikel3.5Verantwoording van subsidies vanaf € 25.000 tot € 125.000 1.Bij een subsidie van € 25.000 of meer, maar lager dan € 125.000, wordt bij de aanvraag tot vaststelling een activiteitenverslag overgelegd, waaruit genoegzaam blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verleend overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. 2.In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur in de beschikking tot subsidieverlening bepalen dat de subsidie-ontvanger op een andere wijze kan aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat voldaan is aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen 3.Het dagelijks bestuur kan op basis van een risicoanalyse besluiten dat het eerste lid ook van toepassing is op subsidies van € 125.000 of meer. Artikel3.6Verantwoording op basis van een verklaring van werkelijke kosten en opbrengsten 1.In afwijking van de artikelen 3.4 en 3.5, kan het dagelijks bestuur bij de verstrekking van een boekjaarsubsidie of indien bij overige subsidieverstrekking lager dan € 125.000 de kosten en opbrengsten ter zake van de te verrichten activiteiten naar hun oordeel in verband met de aard van die activiteiten zodanig ongewis zijn dat een realistische begroting niet geëist kan worden, of indien dit in verband met doelmatigheidscontrole gewenst is, in de subsidieverleningsbeschikking bepalen dat de subsidie-ontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling, op basis van een verklaring inzake werkelijke kosten en opbrengsten verantwoordt dat de activiteiten zijn verricht. 2.In de verklaring geeft de subsidie-ontvanger aan: in hoeverre de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; in hoeverre aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; het totale bedrag van de werkelijk gemaakte en betaalde kosten; in voorkomend geval, de stand van de egalisatiereserve; het totale bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, inclusief bijdragen van derden; en het totale bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage. Artikel3.7Verantwoording van subsidies vanaf € 125.000 1.Bij een subsidie van € 125.000 of meer wordt bij de aanvraag tot vaststelling overgelegd: een activiteitenverslag waaruit genoegzaam blijkt dat de activiteit waarvoor subsidie is verleend overeenkomstig het besluit tot subsidieverlening is verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; een financieel verslag, waarin in elk geval is opgenomen een opgave van: het bedrag van de werkelijk gemaakte en betaalde kosten; het bedrag van de gerealiseerde opbrengsten, met inbegrip van bijdragen van derden, en het bedrag van de gerealiseerde eigen bijdrage; opgesteld conform de aan het besluit tot subsidieverlening ten grondslag liggende begroting, inclusief een toelichting op de bedragen. een controleverklaring van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent, die wordt vastgesteld met inachtneming van een door of vanwege het dagelijks bestuur vastgesteld Controleprotocol. 2.Het dagelijks bestuur kan bij de subsidieverlening afwijken van het eerste lid. Artikel3.8Verantwoording boekjaarsubsidie Bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat een subsidie-ontvanger van een boekjaarsubsidie van € 125.000 of meer bij zijn verzoek tot vaststelling, in plaats van of naast het financieel verslag, een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek overlegt. Artikel3.9Afwijkende verantwoordingsprocedure Het dagelijks bestuur kan afwijken van dit hoofdstuk als subsidie wordt verstrekt aan een gemeente, een waterschap of een openbaar lichaam dat is ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel3.10Wettelijke rente bij terugvordering 1.Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 Awb, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente, die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidie-ontvanger en de terugbetaling door de subsidie-ontvanger. 2.Bij terugvordering van subsidie ter uitvoering van een terugvorderingsbeschikking van de Europese Commissie of een onherroepelijk rechterlijke uitspraak vordert het dagelijks bestuur tevens rente. Deze rente wordt berekend overeenkomstig artikel 14, tweede lid, van de Verordening (EG), nr. 659/1999, van de Raad van de Europese Unie van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-verdrag(PbEU van 27 maart 1999, L 83/6). Hoofdstuk4Slotbepalingen Artikel4.1Afwijkingsbevoegdheid Tenzij anders is bepaald is het dagelijks bestuur, met het oog op een doelmatige subsidieverstrekking, bevoegd om bepalingen van de hoofdstukken 2 en 3 van deze verordening buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken indien: voor de te subsidiëren activiteit tevens subsidie wordt verstrekt door een ander bestuursorgaan; vanwege enige opdracht van bevoegdheid tot subsidieverstrekking redelijkerwijs voorrang moet worden gegeven aan wet- en regelgeving, voorwaarden of voorschriften van een ander bestuursorgaan; de subsidie valt onder de omschrijving van een steunmaatregel als bedoeld in artikel 107 VWEU, en voor het verstrekken van subsidie goedkeuring is vereist van de Europese Commissie, dan wel een kennisgeving moet worden gedaan aan de Europese Commissie; subsidie wordt verstrekt in de vorm van een terugbetaalbaar voorschot, krediet of garantie; of subsidie wordt verstrekt met toepassing van artikel 4:23, derde lid, onder c en d, Awb. Artikel4.2Hardheidsclausule Het dagelijks bestuur kan de bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige subsidieverstrekking, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel4.3Toezichthouders Het dagelijks bestuur kan toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van aan de subsidie-ontvanger opgelegde verplichtingen. Artikel4.4Intrekking De Subsidieverordening Waddenfonds 2014 wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 4.5, ingetrokken. Artikel4.5Overgangsrecht Op aanvragen die zijn ingediend alsmede voor subsidies die zijn verstrekt voor de inwerkingtreding van deze verordening blijft de Subsidieverordening Waddenfonds 2014 van toepassing. Artikel4.6Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de bekendmaking. 2.Deze verordening wordt aangehaald als Algemene subsidieverordening Waddenfonds 2017. Groningen, 30 juni 2017H. Staghouwer,voorzitterD. Hamhuis,secretarisBijlage1Subsidie die wordt verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, de Vrijstellingsverordening visserij of de MKB Landbouwvrijstellingsverordening Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze bijlage wordt verstaan onder: grote ondernemingen: ondernemingen die niet voldoen aan de criteria voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen; immateriële activa: fysiek of financieel niet-tastbare activa, zoals octrooien, licenties, knowhow of andere intellectuele-eigendomsrechten; kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo’s): ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt. Binnen de categorie kmo's is een „kleine onderneming” een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen EUR niet overschrijdt. Binnen de categorie kmo’s is een „micro-onderneming” een onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 miljoen EUR niet overschrijdt; materiële activa: activa bestaande uit gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting; onderneming: iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent. steun: elke maatregel die aan alle criteria van artikel 107, eerste lid, van het VWEU voldoet; steunintensiteit: het brutosteunbedrag, uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Hoofdstuk 2 Subsidie voor activiteiten die wordt verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Artikel 2.1 Algemenebepaling Op dit hoofdstuk is de Algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing. Titel 2.1 Subsidie voor kleine- en middelgrote ondernemingen Artikel 2.2 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: adviesdiensten voor samenwerking: consulting, bijstand en opleiding ten behoeve van de uitwisseling van kennis en ervaring en ter verbetering van de samenwerking; innovatieve onderneming: een onderneming: die aan de hand van een door een externe deskundige uitgevoerde evaluatie kan aantonen dat zij in de voorzienbare toekomst producten, diensten of procedés zal ontwikkelen die in technologisch opzicht nieuw zijn of een wezenlijke verbetering inhouden ten opzichte van de huidige stand van de techniek in deze sector, en die een risico op technologische of industriële mislukking inhouden, of waarvan de kosten voor onderzoek en ontwikkeling ten minste 10% bedragen van haar totale exploitatiekosten in ten minste één van de drie jaren voorafgaande aan de toekenning van de subsidie of, in het geval van een startende onderneming zonder enige financiële voorgeschiedenis, bij de audit van haar lopende belastingjaar, gecertificeerd door een onafhankelijke accountant; investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen: een categorie financiering tussen eigen vermogen en vreemd vermogen in, met een hoger risico dan senior schulden en een lager risico dan gewoon aandelenkapitaal, en waarvan het rendement voor de houder ervan overwegend is gebaseerd op de winst of het verlies van de onderliggende doelonderneming en die bij wanbetaling niet gedekt is. Investeringen in de vorm van quasi-eigen-vermogen kunnen zijn gestructureerd als schulden, die niet gegarandeerd en achtergesteld zijn, met inbegrip van mezzanineschulden, en in sommige gevallen converteerbaar zijn in eigen vermogen, dan wel als preferente aandelen; niet-beursgenoteerde kmo: een kmo die niet is toegelaten tot de officiële notering van een effectenbeurs, met uitzondering van alternatieve handelsplatforms. ondersteuningsdiensten voor samenwerking: het verschaffen van kantoorruimte, websites, databanken, bibliotheken, marktonderzoek, handboeken, werk- en modeldocumenten; organisatorische samenwerking: de ontwikkeling van gezamenlijke bedrijfs- of managementstrategieën, het aanbieden van gemeenschappelijke diensten of diensten die samenwerking moeten bevorderen, gecoördineerde activiteiten zoals onderzoek of marketing, de ondersteuning van netwerken en clusters, het verbeteren van toegankelijkheid en communicatie, het gebruik van gedeelde instrumenten om het ondernemerschap en de handel met kmo's te bevorderen; Paragraaf 2.1 Subsidie voor investeringen in kleine- of middelgrote ondernemingen Artikel 2.3 Subsidiabele activiteit Een investering in een kleine- of middelgrote onderneming die bestaat uit een investering in: materiële of immateriële activa ten behoeve van de oprichting van een nieuwe vestiging, de uitbreiding van een bestaande vestiging, de diversificatie van de productie van een bestaande vestiging in nieuwe, bijkomende producten, of een fundamentele wijziging van het volledige productieproces van een bestaande vestiging, of de overname van activa die behoren tot een vestiging, wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld: de vestiging is gesloten of zou zijn gesloten indien zij niet was overgenomen; de activa worden aangekocht van derden zonder banden met de koper; de transactie vindt op marktvoorwaarden plaats. Wanneer een lid van de familie van de oorspronkelijke eigenaar of een werknemer een kleine onderneming overneemt, vervalt de voorwaarde dat de activa worden verworven van derden zonder banden met de koper. De enkele verwerving van de aandelen van een onderneming vormt geen initiële investering. Artikel 2.4 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kostenzijn: de kosten van investeringen in materiële en immateriële activa,en/of de geraamde loonkosten voor rechtstreeks door het investeringsproject gecreëerde banen, berekend over een periode van twee jaar. De subsidie bedraagt ten hoogste: 20% van de in aanmerking komende kosten in het geval van kleineondernemingen; 10% van de in aanmerking komende kosten in het geval van middelgrote ondernemingen. Artikel 2.5 Voorwaarden De immateriële activa voldoen aan elk van de volgende voorwaarden: zij worden uitsluitend in de subsidie ontvangende vestiging gebruikt; zij worden als afschrijfbare activabeschouwd; zij worden op marktvoorwaarden aangekocht van derden zonder banden met de koper, en zij behoren ten minste drie jaar tot de activa van de onderneming. Rechtstreeks door een investeringsproject geschapen werkgelegenheid voldoet aan de volgende voorwaarden: de werkgelegenheid komt binnen drie jaar na de voltooiing van de investering tot stand; er is een nettotoename van het aantal werknemers in de betrokken vestiging, in vergelijking met het gemiddelde van de voorbije twaalf maanden; deze werkgelegenheid blijft behouden gedurende ten minste drie jaar te rekenen vanaf het tijdstip dat de arbeidsplaats voor het eerst werd ingevuld. Paragraaf 2.2 Subsidie ten behoeve van deelneming aan beurzen Artikel 2.6 Subsidiabele activiteit Deelneming aan beurzen door kleine- of middelgrote ondernemingen. Artikel 2.7 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn de kosten gemaakt voor het huren, opzetten, en gebruiken van een standplaats voor de deelname van een onderneming aan een bepaalde vakbeurs of tentoonstelling. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. Paragraaf 2.3 Starterssubsidie Artikel 2.8 Subsidiabele activiteit Starterssubsidie ten behoeve van elke niet-beursgenoteerde kleine ondernemingen tot vijf jaar na hun registratie, die geen activiteit van een andere onderneming heeft overgenomen, nog geen winst heeft uitgekeerd en niet is ontstaan uit een concentratie. Voor in aanmerking komende ondernemingen die zich niet hoeven te laten registreren, kan de periode van vijf jaar om in aanmerking te komen, geacht worden aan te vangen op het tijdstip dat de onderneming haar economische activiteiten aanvangt of belastingplichtig wordt voor haar economische activiteiten. In afwijking van de eerste alinea, worden ondernemingen die ontstaan uit een concentratie van ondernemingen die op grond van dit artikel voor subsidie in aanmerking komen, ook als in aanmerking komende ondernemingen beschouwd tot vijf jaar vanaf de registratie van de oudste onderneming die bij de concentratie betrokken is. Artikel 2.9 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De subsidie heeft de vorm van: leningen tegen een rente die niet marktconform is, met een looptijd van tien jaar en voor een nominaal bedrag van ten hoogste 1 miljoen EUR, of 1,5 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 2 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Voor leningen met een looptijd tussen vijf en tien jaar kunnen de maximumbedragen worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de lening. Voor leningen met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximumbedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar; garanties met premies die niet marktconform zijn, met een looptijd van tien jaar en een gegarandeerd leningbedrag van ten hoogste 1,5 miljoen EUR, of 2,25 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 3 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Voor garanties met een looptijd tussen vijf en tien jaar kan het maximaal gegarandeerde bedrag worden bijgesteld door bovenstaande bedragen te vermenigvuldigen met een ratio tien jaar/daadwerkelijke looptijd van de garantie. Voor garanties met een looptijd van minder dan vijf jaar is het maximaal gegarandeerde bedrag hetzelfde als voor leningen met een looptijd van vijf jaar. De garantie bedraagt ten hoogste 80% van de onderliggende lening. subsidies, met inbegrip van eigenvermogens- of quasi-eigenvermogensinvesteringen, rentekortingen en kortingen op de garantiepremies tot maximaal 0,4 miljoen EUR bruto-subsidie-equivalent, of 0,6 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU voldoen, of 0,8 miljoen EUR voor ondernemingen gevestigd in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU voldoen. Een begunstigde kan subsidie ontvangen via een mix van de in lid 1 van dit artikel bedoelde subsidie-instrumenten, mits het aandeel van de via één subsidie-instrument verleende subsidie, berekend op basis van het voor dat instrument toegestane maximale subsidiebedrag, in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van het resterende deel van het maximale subsidiebedrag dat is toegestaan voor de overige instrumenten die onderdeel vormen van dit soort gemengde instrument. Voor kleine en innovatieve ondernemingen kunnen de in lid 1 genoemde maximumbedragen worden verdubbeld. Titel 2.2 Subsidie voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie Artikel 2.10 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: daadwerkelijke samenwerking: samenwerking tussen ten minste twee onafhankelijke partijen om kennis of technologie uit te wisselen of om een gemeenschappelijke doelstelling op basis van een taakverdeling te bereiken, waarbij de partijen samen de omvang van het samenwerkingsproject bepalen, bijdragen aan de tenuitvoerlegging ervan, en het risico en de resultaten ervan delen. Eén of meer partijen kunnen de volledige kosten van het project dragen en zodoende de andere partijen bevrijden van de aan het project verbonden financiële risico's. Contractonderzoek en het verrichten van onderzoeksdiensten worden niet als vormen van samenwerking beschouwd; experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten. Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden; haalbaarheidsstudie: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en de zwakke punten van een project, de kansen en risico's in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn; hooggekwalificeerd personeel: personeel met een tertiaire opleiding en ten minste vijf jaar relevante beroepservaring, waarin doctoraatsopleidingen kunnen meetellen; industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie; innovatieadviesdiensten: consulting, bijstand en opleiding op het gebied van kennisoverdracht, verwerving, bescherming en exploitatie van immateriële activa, het gebruik van standaarden en regels waarin deze zijn vastgelegd; innovatieondersteuningsdiensten: het verschaffen van kantoorruimte, databanken, bibliotheken, marktonderzoek, laboratoria, diensten in verband met kwaliteitslabels, testen en certificatie met het oog op de ontwikkeling van doeltreffendere producten, procedés of diensten; onderzoeksinfrastructuur: faciliteiten, middelen en verwante diensten die door de wetenschappelijke gemeenschap worden gebruikt om op hun respectieve vakgebied onderzoek te verrichten. Hierbij gaat het om: wetenschappelijke uitrusting of sets wetenschappelijke instrumenten; kennisgebaseerde hulpbronnen zoals verzamelingen, archieven of gestructureerde wetenschappelijke informatie; ict-gebaseerde enabling infrastructuur zoals gridnetwerken, computers, software en communicatie, of iedere andere entiteit met een uniek karakter die onontbeerlijk is om onderzoek te kunnen verrichten. Dit soort infrastructuur kan zich op één enkele locatie bevinden (single-sited) dan wel verspreid zijn (distributed) (een georganiseerd netwerk van hulpbronnen) in de zin van artikel 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 723/2009 van de Raad van 25 juni 2009 betreffende een communautair rechtskader voor een Consortium voor een Europese onderzoeksinfrastructuur (ERIC); op arm’s length: de voorwaarden van de transactie tussen de contractspartijen wijken niet af van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en niet-discriminerende procedure wordt geacht te voldoen aan het arm’s length-beginsel. Paragraaf 2.4 Subsidie voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten met inbegrip van projecten die het kwaliteitslabel „Excellentiekeur” hebben gekregen in het kader van het Horizon 2020 kmo-instrument. Artikel 2.11 Subsidiabele activiteit Onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten binnen één of meer van de volgende categorieën: industrieel onderzoek; experimentele ontwikkeling; haalbaarheidsstudies. Artikel 2.12 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten worden bij een specifieke categorie onderzoek en ontwikkeling ingedeeld en betreffen: personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteund personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. Bij haalbaarheidsstudies zijn de in aanmerking komende kosten de kosten van de studie. De subsidie bedraagt voor elke begunstigde ten hoogste: 50% van de in aanmerking komende kosten voor industrieel onderzoek; 25% van de in aanmerking komende kosten voor experimentele ontwikkeling; 50% van de in aanmerking komende kosten voor haalbaarheidsstudies. De subsidies voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling kunnen als volgt worden verhoogd, tot een maximale subsidie van 80% van de in aanmerking komende kosten: met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen; met 15 procentpunten indien één van de volgende voorwaarden is vervuld: het project behelst daadwerkelijke samenwerking: tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kmo is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten of in een lidstaat en in een Overeenkomstsluitende Partij bij de EER-Overeenkomst, en geen van de ondernemingen neemt meer dan 70% van de in aanmerking komende kosten voor haar rekening, of tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in aanmerking komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren; de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories, of gratis of opensource-software. De subsidie voor haalbaarheidsstudies kan worden verhoogd met 10 procentpunten voor middelgrote ondernemingen en met 20 procentpunten voor kleine ondernemingen. Paragraaf 2.5 Investeringssubsidie voor onderzoeksinfrastructuur Artikel 2.13 Subsidiabele activiteit De bouw of het upgraden van onderzoeksinfrastructuur waarmee economische activiteiten worden verricht. Artikel 2.14 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de investeringen in immateriële en materiële activa. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. Artikel 2.15 Voorwaarden Wanneer met onderzoeksinfrastructuur zowel economische als niet-economische activiteiten worden verricht, wordt voor de financiering, kosten en inkomsten van elk soort activiteit een gescheiden boekhouding gevoerd, op basis van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen van kostprijsadministratie. De prijs die voor de exploitatie of het gebruik van de infrastructuur wordt berekend, stemt overeen met een marktprijs. Toegang tot de infrastructuur staat open voor meerdere gebruikers en wordt op transparante en niet-discriminerende basis verleend. Ondernemingen die ten minste 10% van de investeringskosten van de infrastructuur hebben gefinancierd, kunnen preferente toegang krijgen op gunstigere voorwaarden. Om overcompensatie te vermijden, is deze toegang evenredig aan de bijdrage van de onderneming in de investeringskosten en worden deze voorwaarden publiek beschikbaar gesteld. Wanneer onderzoeksinfrastructuur overheidsfinanciering ontvangt voor zowel economische als niet-economische activiteiten, werken lidstaten een monitoring- en terugvorderingsmechanisme uit om te garanderen dat de toepasselijke steunintensiteit niet wordt overschreden door een toename van het aandeel economische activiteiten ten opzichte van de situatie waarmee op het tijdstip van de toekenning van de subsidie werd gerekend. Paragraaf 2.6 Innovatiesubsidie voor kleine- en middelgrote ondernemingen Artikel 2.16 Subsidiabele activiteit Activiteiten gericht op: het verkrijgen, valideren en verdedigen van octrooien en immateriële activa; het detacheren van hooggekwalificeerd personeel van een organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding of een grote onderneming naar onderzoeks-, ontwikkelings- en innovatieactiviteiten in een nieuw gecreëerde functie binnen de begunstigde onderneming, zonder dat hierbij andere personeelsleden worden vervangen; het gebruik van innovatieadviesdiensten en diensten inzakeinnovatieondersteuning. Artikel 2.17 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De kosten verbonden aan de in artikel 2.16 genoemde activiteiten komen voor subsidie in aanmerking. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de in aanmerking komende kosten. In het specifieke geval van subsidie voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning kan de subsidie worden verhoogd tot 90% van de in aanmerking komende kosten mits het totale bedrag van de subsidie voor innovatieadviesdiensten en diensten inzake innovatieondersteuning ten hoogste 200 000 EUR bedraagt per onderneming over een periode van drie jaar. Paragraaf 2.7 Subsidie voor onderzoek en ontwikkeling in de visserij- en aquacultuursector Artikel 2.18 Subsidiabele activiteit Onderzoek- en ontwikkelingsprojecten in de visserij- en aquacultuursector. Artikel 2.19 Subsidiabele kosten en hoogte van de subsidie De in aanmerking komende kostenzijn: personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteund personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden; kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd; kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking; kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt; bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien. De subsidie bedraagt ten hoogste 90% van de in aanmerking komende kosten. Artikel 2.20 Voorwaarden Het gesubsidieerde project is van belang voor alle marktdeelnemers in de betrokken sector of subsector. Vóór de datum van aanvang van het gesubsidieerde project wordt op internet de volgende informatie bekendgemaakt: dat het gesubsidieerde project zal wordenuitgevoerd; de doelstellingen van het gesubsidieerde project; de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesubsidieerde project worden verwacht, en waar zij op internet zullen worden bekendgemaakt; een vermelding dat de resultaten van het gesubsidieerde project kosteloos beschikbaar zullen zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken sector of subsector actief zijn. De resultaten van het gesubsidieerde project worden op internet beschikbaar gesteld vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten blijven op internet beschikbaar gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesubsidieerde project. De subsidie wordt rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding verleend en mag niet bestaan in rechtstreekse niet-onderzoeksgerelateerde subsidie aan een onderneming die visserij- of aquacultuurproducten produceert, verwerkt of afzet. Titel 2.3 Subsidie voor milieubescherming Artikel 2.21 Begripsbepalingen In deze titel wordt verstaan onder: biobrandstof: vloeibare of gasvormige transportbrandstof die uit biomassa is gewonnen; biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede biogas en de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval; biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen: biobrandstoffen geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliegewassen in de zin van het voorstel van de Commissie voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen; duurzame biobrandstoffen: biobrandstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen. en iedere wijziging daarvan; energie-efficiëntie: een hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door het verbruik vóór en ná de invoering van een maatregel ter verbetering van de energie-efficiëntie te meten en/of te ramen, gecorrigeerd voor externe factoren die het energieverbruik beïnvloeden; energie uit hernieuwbare energiebronnen: energie geproduceerd met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de energie die met hernieuwbare energiebronnen wordt opgewekt in hybride installaties die ook met conventionele energiebronnen werken. Hieronder valt ook voor accumulatiesystemen gebruikte hernieuwbare elektriciteit maar niet elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is; hernieuwbare energiebronnen: de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: windenergie, zonne-energie, aerothermische, geothermische, hydrothermische energie en energie uit de oceanen, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas; hoogrenderende warmtekrachtkoppeling: warmtekrachtkoppeling die voldoet aan de definitie van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 2, punt 34, van Richtlijn 2012/27/EU; milieubelasting: een belasting met een bijzondere heffingsgrondslag die een duidelijk negatief milieueffect heeft, of die bepaalde activiteiten, goederen of diensten wil belasten zodat de milieukosten in de prijs ervan kunnen worden opgenomen en/of de producenten en verbruikers worden toegeleid naar activiteiten die milieuvriendelijker zijn; milieubescherming: elke maatregel die is gericht op preventie of herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van een begunstigde, op beperking van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, daaronder begrepen energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen; Unienorm: een verplichte Unienorm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of de verplichting op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad om de beste beschikbare technieken (BAT'
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.