Spaarloonregeling Gemeente Den HaagHET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS, gelet op artikel 11, eerste lid, onderdeel h, onder 2E, van de Wet op de loonbelasting; mede gelet op het gestelde in artikel 125 Ambtenarenwet juncto 160 Gemeentewet en op de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag; overwegende dat het college op 28 augustus 2001 heeft besloten de wethouder EP te machtigen tot het aangaan van een overeenkomst met betrekking tot de Solilife Spaarloonplusregeling met de Stichting Spaarloon Nederland; voorts overwegende, dat bij collegebesluit van 28 augustus 2001, BSD/2001.594 aan de directeur POI mandaat is verleend tot wijziging van de spaarloonregeling op het vlak van de nieuwe deblokkeringsmogelijkheden en met betrekking tot de spaarinstellingen alsmede tot het nemen van uitvoeringsmaatregelen met betrekking tot het spaarloon; tenslotte overwegende, dat bij collegebesluit van 10 april 2001, BSD/2001.524 aan de directeur POI mandaat is verleend tot aanpassing van de rechtspositionele besluiten van algemene strekking (regelingen en brieven) als gevolg van de invoering van de Euro per 1 januari 2002, hetgeen bij besluit van 25 september 2001, BSD/2001.1868 voor wat de Spaarloonregeling gemeente Den Haag geëffectueerd is; met instemming van de Commissie voor Georganiseerd Overleg; Besluit: vast te stellen de navolgende gewijzigde versie van de Spaarloonregeling gemeente Den Haag: SPAARLOONREGELING GEMEENTE DEN HAAG Artikel1 In deze regeling wordt verstaan onder: personeelslid: degene op wie de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag van toepassing is en die een dienstverband heeft met de gemeente Den Haag van meer dan een jaar; bevoegd gezag: degene die ten aanzien van het personeelslid wordt aangemerkt als inhoudingsplichtige als bedoeld in de Wet op de loonbelasting; spaarinstelling: Fortis-Bank N.V., met dien verstande dat bepaald aangewezen groepen van gemeentepersoneel naar keuze kunnen sparen via het administratiekantoor Solilife Artikel2 1.De spaarloonregeling is van toepassing op het in artikel 1 bedoelde personeelslid, mits deze op en na 1 januari van het desbetreffende jaar in dienst is en het bevoegd gezag op en na 1 januari van het desbetreffende jaar de heffingskorting toepast met betrekking tot de uitbetaling van het loon. Voor de toepassing van deze regeling wordt met personeelslid gelijkgesteld degene die in het kader van de Sociale Werkvoorziening bij de Haeghe Groep, dan wel bij de Vereniging AVO en de Stichting dr. Schroeder van der Kolk werkzaam is en die een dienstverband heeft van meer dan een jaar. 2.De spaarloonregeling is niet van toepassing op: personen met wie een stage-overeenkomst is gesloten; invalkrachten, oproepkrachten en vakantiekrachten; seizoenkrachten; personen die in het kader van werkgelegenheidsprojecten, zoals arbeidservaringsleren, werkervaringsplaatsen en jeugdbaangarantieplannen en/of projecten waarvoor een specifieke financiering geldt, werkzaam zijn; personen voor wie een dienstverband geldt van een jaar of minder, tenzij het de bedoeling is het dienstverband te continueren. Artikel3 Het bevoegd gezag houdt op verzoek van het personeelslid op diens salaris een bedrag in en maakt dat over naar de ten name van het personeelslid geopende spaarloonrekening bij de spaarinstelling dan wel naar de rekening van de financiële instelling waarbij het personeelslid een overeenkomst van levensverzekering waarbij een lijfrente of een kapitaalverzekering is verzekerd heeft afgesloten. Dit bedrag is niet hoger dan het ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel h, onder 2E, van de Wet op de loonbelasting vastgestelde maximum spaarbedrag. Het maximum spaarbedrag bedraagt in 2005 € 613,00 op jaarbasis. Artikel4 1.het verzoek om van het salaris een bedrag in te houden en over te maken op de spaarloonrekening wordt schriftelijk gedaan door invulling van het deelnameformulier dat als bijlage aan deze regeling is toegevoegd; 2.het personeelslid dat een overeenkomst van levensverzekering waarbij een lijfrente of een kapitaalverzekering is verzekerd heeft afgesloten overlegt bij zijn verzoek een op schrift gestelde verklaring van de financiële instelling waarbij hij de overeenkomst heeft afgesloten, waaruit blijkt dat deze instelling conform deze regeling en de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen handelt; 3.het personeelslid geeft bij wijzigingen in de overeenkomst als in het tweede lid bedoeld, onverwijld kennis aan het bevoegd gezag. Artikel5 Bij het in artikel 3 bedoelde verzoek doet het personeelslid opgave van ten minste de volgende gegevens: het op het salaris in te houden spaarbedrag; of dit bedrag in gelijke maandelijkse termijnen dan wel eenmalig in het kalenderjaar op het salaris moet worden ingehouden, en in geval van verzekeringssparen ten minste de volgende gegevens: het bank- of gironummer van de financiële instelling waarbij een overeenkomst van levensverzekering is afgesloten; het polisnummer van de levensverzekering. Artikel6 Het personeelslid kan telkens per 1 januari van enig kalenderjaar het bevoegd gezag schriftelijk verzoeken het maandelijks in te houden bedrag te wijzigen dan wel de eenmalige inhouding te wijzigen, een en ander met inachtneming van het in artikel 3 bedoelde maximumbedrag. Artikel7 Het is het personeelslid niet toegestaan rechtstreeks stortingen op zijn spaarloonrekening te verrichten. Artikel8 1.Het spaarbedrag komt ter beschikking van het personeelslid indien dit vier kalenderjaren sinds het einde van het kalenderjaar waarin de storting van het spaarloon plaatsvond, op de spaarloonrekening heeft uitgestaan. 2.Het personeelslid kan de op zijn spaarloonrekening gestorte spaarbedragen opnemen indien: het spaarbedrag wordt aangewend ter zake van de verwerving van een tot hoofdverblijf dienende eigen woning zoals bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen; het spaarbedrag wordt aangewend ter voldoening van premies verschuldigd ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een lijfrente of een kapitaalverzekering is verzekerd, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 16, tweede lid, juncto artikel 8, eerste en tweedelid, van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen; het spaarbedrag wordt aangewend voor het starten van een eigen bedrijf, voor studie dan wel voor verlofsparen; het spaarbedrag wordt aangewend ter voldoening van de kosten van kinderopvang, voor zover een maximum van 1/6 deel van de aan het personeelslid of zijn partner in rekening gebrachte kinderopvangkosten niet overschreden wordt. 3.Indien als gevolg van toepassing van het tweede lid een bedrag van de spaarloonrekening wordt opgenomen, geschiedt dit ten laste van het spaarbedrag dat het laatste is bijgeschreven; is dit niet toereikend dan van het voorlaatste en zo vervolgens. Binnen de blokkeringstermijn is opname van het spaarloon om andere dan in het tweede lid genoemde redenen niet toegestaan. Gebeurt dit toch, dan is het personeelslid over het opgenomen bedrag alsnog loonheffing en (pseudo)premies WAO, WW en ZW verschuldigd. 4.Het personeelslid kan vrij beschikken over de door de spaarinstelling vergoede rente over de spaarbedragen. Artikel9 1.Voor zover een spaarbedrag binnen vier volle kalenderjaren wordt besteed voor belegging in effecten, wordt het gelijkgesteld met een spaarbedrag, dat niet binnen die termijn is opgenomen. 2.Indien de effecten binnen die termijn weer worden verkocht en uit de opbrengst onverwijld het voor de aankoop bestede bedrag geheel of gedeeltelijk wordt teruggestort op de spaarloonrekening, wordt het teruggestorte bedrag geacht niet te zijn opgenomen binnen de termijn van vier volle kalenderjaren. 3.Om in aanmerking te komen voor de gelijkstelling, als bedoeld in dit artikel, moeten de effecten onbezwaard deel uitmaken van het vermogen van het personeelslid. 4.De aan- en verkoop geschiedt door bemiddeling van de spaarinstelling. 5.De bewaring geschiedt eveneens door de spaarinstelling. Artikel10 Op verzoek van het personeelslid beëindigt het bevoegd gezag de inhouding van spaarbedragen op het salaris van het personeelslid. Artikel11 1.De deelname aan deze regeling eindigt van rechtswege indien het bevoegd gezag geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking zoals bedoeld volgens de criteria die worden gehanteerd bij het arbeidskostenforfait van de loon- en inkomstenbelasting meer aan het personeelslid betaalt. 2.Bij beëindiging van de dienstbetrekking geeft het personeelslid dan wel zijn nagelaten betrekkingen aan het bevoegd gezag aan of de gespaarde bedragen, met behoud van de opnamemogelijkheden als genoemd in artikel 8, tweede lid, op de spaarloonrekening zullen blijven staan zolang de in artikel 8, eerste lid, genoemde termijn nog niet is verstreken dan wel dat gespaarde bedragen zullen worden opgenomen. 3.Indien gespaarde bedragen volgens het tweede lid worden opgenomen geschiedt dit in overleg met het bevoegd gezag, teneinde aan het bepaalde in artikel 22 van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen te kunnen voldoen. Artikel12 Het is het personeelslid niet toegestaan het tegoed op zijn spaarloonrekening respectievelijk de afgesloten levensverzekering op enigerlei wijze in onderpand te geven of zijn rechten hierop over te dragen. Artikel13 1.In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college. 2.De regeling treedt in werking per 1 januari 2006 en werkt terug tot 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.