Damoclesbeleid gemeente LopikDe burgemeester van de gemeente Lopik; Gelet op de artikelen 13b Opiumwet en artikel 8:41 Algemene wet bestuursrecht; Gehoord de reactie van het Openbaar Ministerie van 14 augustus 2017 en die van de politie van 18 augustus 2017; Overwegende, dat artikel 13b van de Opiumwet (de Wet Damocles) de burgemeester de bevoegdheid geeft om een last onder bestuursdwang op te leggen indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of lijst II van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is; dat het genoemde artikel sinds 2007 toepasbaar is op lokalen, woningen en bijbehorende erven; dat het met het oog op de rechtszekerheid van burgers wenselijk is dat de burgemeester in beleidsregels vastlegt op welke manier hij gebruikt maakt van deze bevoegdheid; dat de burgemeester ervoor kiest het handhavingsbeleid ten aanzien van lokalen en woningen en het handhavingsbeleid ten aanzien van de gedoogde coffeeshops in aparte beleidsregels te regelen en dat de onderhavige beleidsregels derhalve niet van toepassing zijn op coffeeshops; BESLUIT het ‘Damoclesbeleid gemeente Lopik’ vast te stellen; te bepalen dat dit besluit daags na bekendmaking in werking treedt. 1.Inleiding De hennepteelt en de handel in hard- en softdrugs is de afgelopen jaren sterk toegenomen en geprofessionaliseerd. Er zijn inmiddels vele voorbeelden te noemen, waarbij de hennepteelt en de handel in drugs tot dusdanige overlast en verstoring van de openbare orde hebben geleid dat optreden noodzakelijk was. 2.Juridisch kader De bevoegdheid van de burgemeester om in geval van aanwezigheid van drugs op te treden is opgenomen in artikel 13b, eerste lid van de Opiumwet. Dit artikel luidt: De burgemeester is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zondanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of lijst II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen. Volgens de jurisprudentie volgt uit het woord ‘daartoe’, zoals genoemd in artikel 13b Opiumwet, dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs aan de burgemeester de bevoegdheid geeft tot toepassing ervan. Het is dus niet noodzakelijk dat de drugs daadwerkelijk wordt verhandeld. Ook blijkt uit vaste jurisprudentie dat de handel, het gebruik en de aanwezigheid van drugs een nadelig effect hebben op de openbare orde. Bij de handel in drugs wordt de aantasting van de openbare orde dus zonder meer aangenomen. De openbare orde verstoring hoeft niet door middel van feiten en omstandigheden te worden aangetoond. Waar in dit beleid wordt gesproken over drugshandel of handel wordt ook gedoeld op hennepplantages, -knipperijen en/of -drogerijen. Strafrecht en bestuursrecht in de Opiumwet Het Openbaar Ministerie (verder: OM) is verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging van misdrijven en overtredingen van het gestelde bij of krachtens de Opiumwet. De bevoegdheid van het OM tot strafrechtelijk optreden blijft bestaan, ongeacht of er bestuursrechtelijk optreden door de burgemeester volgt. Bij de aanpak van handel worden in de gemeente Lopik naast strafrechtelijke maatregelen dus ook bestuursrechtelijke maatregelen ingezet (tweesporenbeleid). Tussen het strafrechtelijk optreden en het effectueren van de bestuursrechtelijke maatregelen kan enige tijd zitten, nu de eisen van zorgvuldigheid bij het toepassen van het bestuursrechtelijke spoor in acht moeten worden genomen. Bestuursrechtelijk optreden door de burgemeester op basis van de Opiumwet veronderstelt altijd samenwerking met de politie. De burgemeester is afhankelijk van informatie uit het opsporingsonderzoek, vastgesteld in een proces-verbaal of bestuurlijke rapportage van de politie. 3.Doel De beleidsregel heeft tot doel: de handhavingsactiviteiten van politie, justitie en gemeente op elkaar af te stemmen en waar mogelijk complementair te laten zijn; te realiseren dat geconstateerde overtredingen gevolgd worden door een adequate reactie die qua intensiteit zo goed mogelijk aansluit bij de ernst van de overtreding en het beoogde effect heeft, namelijk het bestrijden van handel in drugs en herstel van de openbare orde; kenbaar te maken aan de ‘overtreder’ welke maatregel hij van de overheid kan verwachten na een overtreding, waardoor er mogelijk tevens een preventieve werking vanuit gaat. Met deze beleidsregel wordt getracht de handel in drugs in of vanuit woningen en lokalen tegen te gaan. Deze handel vormt immers een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Het woon- en leefklimaat en de sociale en/of fysieke veiligheid van burgers worden er door aangetast. De volksgezondheid is in het geding omdat sprake is van ongecontroleerde verkoop van drugs. Daarnaast kan worden gewezen op nadelige economische gevolgen, zoals het dalen van de verkoop- en verhuurwaarde van omliggende panden. 4.Algemene uitgangspunten Onderscheid harddrugs en softdrugs In de aanpak wordt onderscheid gemaakt tussen de aanwezigheid van harddrugs en softdrugs. De activiteiten die gerelateerd zijn aan harddrugs hebben een grotere negatieve invloed op het woon- en leefklimaat dan bij de handel in softdrugs. De handel van harddrugs vindt immers vaak plaats in een harder en crimineler milieu. Ook vindt er meer loop naar het pand plaats. Een langere sluitingstijd is bij handel in de middelen zoals genoemd op lijst I dus is noodzakelijk om de situatie te normaliseren. Handelshoeveelheden Voor wat het bepalen van de handelshoeveelheid betreft wordt aangesloten bij het vervolgingsbeleid van het OM. Het bestuursrechtelijke en strafrechtelijke beleid zijn hierdoor met elkaar in overeenstemming. Dit betekent dat de volgende hoeveelheden niet meer als geringe hoeveelheid voor eigen gebruik, maar als handelshoeveelheid wordt gezien: harddrugs: meer dan 0,5 gram softdrugs: meer dan 5 gram hennepplanten: meer dan 5 planten Het OM heeft echter in een richtlijn opgenomen dat onder andere bepaalde omstandigheden geen toepassing wordt gegeven aan de strafrechtelijke mogelijkheden (gedogen). Een en ander hieromtrent is terug te vinden in de ‘Aanwijzing Opiumwet (2015A003)’ (https://www.om.nl/onderwerpen/drugs/@88338/aanwijzing-opiumwet-0/). Een en ander komt op het volgende neer. Het OM heeft een richtlijn inzake de strafvordering (hoogte van de straf). Hierin is aangegeven op welke wijze het in bezit hebben van een bepaalde hoeveelheid drugs en/of hennepplanten wordt bestraft boven de gedoogde hoeveelheid. Hierin is onder meer opgenomen dat het in bezit hebben van tussen de 5 en 30 gram softdrugs (hennep) een overtreding is, die bestraft wordt met een geldboete. In dit beleidskader wordt aangesloten bij deze grens in die zin dat het in bezit hebben van meer dan 30 gram softdrugs wordt aangemerkt als een handelsvoorraad. Samengevat ziet dit beleidskader op het sluiten van panden waarbij een handelsvoorraad is aangetroffen van meer dan 30 gram softdrugs en bij meer dan 5 hennepplanten. Verder is nog van belang dat de werking van de Opiumwet zover reikt dat artikel 13b Opiumwet ook kan worden ingezet als het gaat om delen van hennepplanten als de hars hier niet aan onttrokken is (artikel 1, eerste lid, sub en lijst II van de Opiumwet). Standaardclassificatie Openbaar ministerie: Bezit van: Misdrijf Overtreding Gedogen Harddrugs (Lijst I) Iedere hoeveelheid Minder of gelijk aan 0,5 gram Softdrugs (Lijst II) 30 gram en meer 5 tot 30 gram Maximaal 5 gram Hennepplanten (Lijst II) Meer dan 5 planten Gelijk of minder dan 5 planten Verwijtbaarheid van betrokken personen Het toepassen van bestuursdwang is erop gericht de handel in of vanuit een lokaal of woning beëindigd te houden en de openbare orde in de omgeving te herstellen. In beginsel is het voor het bestuursrechtelijk optreden niet van belang of de eigenaar, exploitant/huurder, gebruiker of een derde de overtreding heeft begaan. De feitelijke constatering van overtreding van de Opiumwet is voldoende om over te gaan tot handhavend optreden. Ook speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de betrokkenen van een illegaal verkooppunt geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet waarin de burgemeester kan optreden. In de bestuursrechtelijke procedure hoeven geen strafrechtelijke bewijsregels in acht genomen te worden. Er kan worden uitgegaan door het feitencomplex dat naar voren is gekomen uit het proces-verbaal en/of bestuurlijke rapportage van de politie. Onderscheid woningen en lokalen Handel in drugs vanuit lokalen en woningen, dan wel in of daarbij behorende erven, is in het belang van de openbare orde en het algemeen maatschappelijk belang volstrekt ontoelaatbaar. Het is van belang dat er in dit handhavingsbeleid een onderscheid wordt gemaakt in drugshandel in (al dan niet voor het publiek toegankelijke) lokalen en gebouwen en drugshandel in woningen. Zo zal de sluiting van een woning de betrokkenen veel harder treffen dan de sluiting van bijvoorbeeld een café of loods. De bewoners worden immers dakloos. De wetgever heeft ervan afgezien het begrip woning in de Opiumwet te definiëren. De burgemeester verstaat in het kader van onderhavige beleidsregels onder woning een voor bewoning bedoelde ruimte (blijkend uit de Basis Administratie Gebouwen (BAG) en/of Basisregistratie Personen (BRP)). Hieronder worden bijvoorbeeld ook stacaravans, woonschepen, woonwagens, etc. verstaan. Indien er geen sprake is van een woning wordt het pand/de ruimte beschouwd als een lokaal in de zin van dit beleid. Dit is ook het geval als er sprake is van schijnbewoning. Ook vallen de voor het publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals loodsen, magazijnen en andere bedrijfsruimten) in deze categorie. Uitgangspunt is sluiting Het opleggen van een last onder bestuursdwang is een herstelsanctie in de zin van artikel 5:2 lid 1 onder b van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb). Een herstelsanctie is een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van de overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding. Toepassing ervan moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Bij het toepassen van bestuursrechtelijke herstelsancties kan de burgemeester kiezen tussen een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang. Het opleggen van een last onder dwangsom is in beginsel geen geschikt middel. Woningen en lokalen worden bij het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs daarom altijd gesloten. Hiermee wordt beoogd de loop naar het betreffende pand eruit te halen en de overtredingen te beëindigen en herhaling van de overtreding te voorkomen. Daarnaast wordt hiermee ook een signaal aan de buitenwereld afgegeven dat het pand niet langer als verkoop-, aflever-, teelt- of opslagruimte voor drugs kan worden gebruikten dat de handel in drugs stevig wordt aangepakt. Sluiting woningen De bevoegdheid om middels oplegging van een last onder bestuursdwang een woning te sluiten is – gelet op de daarmee gepaard gaande grondrechten – ingrijpend en daarom een uiterst middel. De maatregel wordt alleen ingezet als ultimum remedium in ernstige situaties in het kader van bestuurlijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit (lees georganiseerde drugshandel). Eerst zullen minder verregaande maatregelen moeten worden getroffen om een (tijdelijke) sluiting te rechtvaardigen, tenzij de omstandigheden dit redelijkerwijs niet toelaten. Hierbij kan gedacht worden aan het geven van een preventieve last onder dwangsom bij de eerste overtreding. De last onder dwangsom die wordt toegepast bij het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs in bewoonde woningen is gericht op het tegengaan van herhaling van de drugshandel: een preventieve last onder dwangsom. Het opleggen van een preventieve dwangsom is mogelijk wanneer er gevaar bestaat dat er een overtreding zal worden begaan (artikel 5:32a, tweede lid, Awb). Aanleiding om dat te veronderstellen, kunnen uitlatingen van een (toekomstig) overtreder zijn, het eerder vertoonde naleefgedrag van de overtreder, het bij herhaling voorkomen van overtredingen, en uitzonderlijke omstandigheden die het begaan van overtredingen waarschijnlijk maken. De maatregel is een herstelsanctie en is niet bedoeld als straf. Sluiting is gericht op het herstel van de situatie en het weren en terugdringen van drugshandel in georganiseerd verband in en vanuit woningen. Doel is om: De bekendheid van de woning/het lokaal als drugspand te doorbreken; De bekendheid van de woning/het lokaal in het drugscircuit te doorbreken; Te verhinderen dat de woning/het lokaal (weer) wordt gebruikt ten behoeve van het drugscircuit en de georganiseerde drugshandel. Bij de handel in softdrugs c.q. het aantreffen van meer dan 5 hennepplanten in een bestaande woning wordt met het oog op de proportionaliteit daarom in beginsel eerst een bestuurlijke waarschuwing en/of een (preventieve) last onder dwangsom gegeven en wordt pas bij de tweede overtreding overgegaan tot sluiting van de woning. Indien er bij de eerste overtreding duidelijke aanwijzingen zijn dat er geen sprake is van een incidentele overtreding, maar van een structurele en/of grootschalige handel kan direct worden overgegaan tot het sluiten van de woning. Dit zal per situatie beoordeeld moeten worden. Of een woning wordt gebruikt als woonruimte, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse, zoals veelal wordt verwoord in het rapport van bevindingen van de politie. Minderjarigen/overige bewoners Als er sprake is van een woning waar kamerverhuur en handel in drugs in één van de verhuurde kamers is geconstateerd dan kan gedeeltelijke sluiting van de woning worden overwogen. Gelet op het bepaalde in artikel 8 van het EVRM (recht op woongenot) zal er, indien tot een sluiting wordt besloten, tevens aandacht dienen te zijn voor de vraag of voor een bewoner vervangende woonruimte aangeboden dient te worden. Gelet op het Verdrag van de rechten van het kind behoeft dit extra aandacht indien er kinderen bij betrokken zijn. Het is tenslotte ook in verband met dit fundamentele recht dat – indien de situatie daar aanleiding toe geeft – er kan worden afgeweken van het overige gemeentelijke beleid inzake artikel 13b Opiumwet door bij een eerste overtreding te volstaan met een waarschuwing. Indien er sprake is van minderjarige bewoner(s)/betrokkene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.