De raad van de gemeente Waterland, Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 juni 2010; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; BESLUIT: Vast te stellen de Erfgoedverordening Gemeente Waterland 2010 HOOFDSTUK1.ALGEMEEN Artikel1.Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder: archeologiegebieden: gebieden op de gemeentelijke archeologische beleidskaart aangegeven met een aanduiding in categorieën om te bepalen in welke omstandigheden rekening gehouden moet worden met archeologische waarden; beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; beschermd gemeentelijk monument: onroerend monument, dat is ingeschreven in de ingevolge deze erfgoedverordening vastgestelde registers; bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument; Commissie Stads- en Dorpsbeheer: de op basis van artikel 15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening, het monumentenbeleid en Welstandsnota. Deze laatste meer specifiek voor beschermde stads- en dorpsgezichten; eigenaar: degene die als zodanig in de openbare registers ingeschreven staat, waaronder ook begrepen: degene die recht van erfpacht heeft, de houder van een recht van opstal, degene die een door de eigenaar afgegeven schriftelijke verklaring mede-ondertekend heeft waaruit blijkt dat hij toekomstige eigenaar, erfpachter, of houder van het recht van opstal zal zijn; gemeentelijke archeologische beleidskaart: de als bijlage 4 bij deze verordening vastgestelde topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologiegebieden zijn aangegeven in diverse categorieën en waaruit duidelijk wordt wanneer bij (ruimtelijke) plannen rekening gehouden moet worden met archeologische waarden, inclusief een toelichting; gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen als bedoeld in onderdeel b; monument: een zaak die van algemeen belang is door schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde; een terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1; het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waterland; monumentale waarde: de waarde die wordt bepaald door de dragende onderdelen, de vloeren en het omhulsel, alsook door die onderdelen of objecten die volgens de gemeentelijke monumentenlijst, dan wel naar het oordeel van burgemeester en wethouders specifiek van belang zijn door schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. Als een monument volgens de gemeentelijke monumentenlijst beschermd is vanwege één of meer objecten of onderdelen, dan wordt de monumentale waarde uitsluitend door die onderdelen of objecten bepaald; normaal onderhoud: werkzaamheden die erop gericht zijn om een pand of object in stand te houden of te repareren of werkzaamheden die verval van het pand tegengaan. onderhoudswerkzaamheden: werkzaamheden die met enige regelmaat moeten worden uitgevoerd voor instandhouding van het monument; plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden; programma van eisen: programma dat door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek; restauratiewerkzaamheden: werkzaamheden aan een monument die voor het herstel of conservering van de monumentale waarde van het geheel of onderdelen daarvan noodzakelijk zijn en als gevolg daarvan het normale onderhoud te boven gaan; stads- of dorpsgezicht: groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn door schoonheid, onderlinge ruimtelijke samenhang dan wel betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde en in welke groep zich één of meer monumenten bevinden; subsidiabele onderhoudskosten: kosten van onderhoudswerkzaamheden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk zijn met het oog op instandhouding van de monumentale waarde; subsidiabele restauratiekosten: kosten van restauratiewerkzaamheden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders noodzakelijk zijn om een monument of onderdelen daarvan met specifieke monumentale waarde te herstellen of te conserveren; subsidievaststelling: het vastgestelde bedrag aan subsidie dat door burgemeester en wethouders na gereedmelding en akkoordbevinding van de werkzaamheden wordt verstrekt; subsidieverlening: een voorlopige toekenning van financiële middelen voor in deze verordening genoemde subsidiabele werkzaamheden; vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. HOOFDSTUK2.BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN Artikel2.Termijnen voor advies over een vergunning voor beschermd rijksmonument (Vervallen; de samenstelling en werkwijze is geregeld in de Verordening op de Commissie Stads- en Dorpsbeheer en het hierbij behorende Reglement van Orde op de Commissie Stads- en Dorpsbeheer.) HOOFDSTUK3.AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN Artikel3.Bestemming en gebruik van monumenten Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met de bestemming en het gebruik van het monument. Artikel4.De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument. 2.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt vraagt het college advies aan de Commissie Stads- en Dorpsbeheer. 3.Het college kan ten behoeve van de aanwijzing tot een gemeentelijk monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht. 4.Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruik voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst voort het overleg met de eigenaar. 5.De aanwijzing kan geen monument betreffen dat aangewezen is op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of de Provinciale verordening op het behoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten in Noord-Holland. Artikel5.Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 8 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 11 tot en met 15 van overeenkomstige toepassing. Artikel6.Termijnen van advies en aanwijzingsbesluit 1.De Commissie Stads- en Dorpsbeheer adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2.Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de Commissie Stads- en Dorpsbeheer, maar in ieder geval binnen twintig weken na de adviesaanvraag. Artikel7.Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan. Artikel8.Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst 1.Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst. 2.De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het beschermde gemeentelijke monument. Artikel9.Wijzigen van de aanwijzing 1.Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, de aanwijzing wijzigen. 2.Artikel 4, tweede en derde lid, alsmede de artikelen 5, 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. 3.Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege. 4.De inhoud en datum van wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend. Artikel10.Intrekken van de aanwijzing 1.Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 4, tweede lid en artikel 6 van overeenkomstige toepassing. 2.De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of de Provinciale verordening op het behoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten in Noord-Holland. 3.De intrekking wordt met datum op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend. HOOFDSTUK4VERGUNNINGVERLENING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN Artikel11.Instandhoudingsbepaling 1.Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen. 2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd met aan zo’n vergunning verbonden voorwaarden: een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een zodanige wijze dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. 4.Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn. Artikel12.De schriftelijke aanvraag Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 11 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend. Artikel13.Termijnen advies (Vervallen; de samenstelling en werkwijze is geregeld in de Verordening op de Commissie Stads- en Dorpsbeheer en het hierbij behorende Reglement van Orde op de Commissie Stads- en Dorpsbeheer.) Artikel14.Weigeringsgronden De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Artikel15.Voorschriften stellen Aan een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.2 van de Wabo, kunnen voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het belang van de monumentenzorg. Artikel16.Intrekken van de vergunning De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien: blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; blijkt dat de vergunninghouder de voorwaarden aan de vergunning verbonden, niet naleeft; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen; niet binnen 1 jaar van de vergunning gebruik gemaakt is. HOOFDSTUK5.BESCHERMDE GEMEENTELIJKE STADS- OF DORPSGEZICHTEN Artikel17.De aanwijzing tot gemeentelijk stads- of dorpsgezicht 1.Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2.Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt vraagt het college advies aan de Commissie Stads- en Dorpsbeheer. 3.De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat aangewezen is op grond van de Monumentenwet 1988 of dat aangewezen is op grond van provinciale verordening op het behoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten in Noord-Holland. Artikel18.Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst 1.Het college registreert het gemeentelijke stads- of dorpsgezicht op de gemeentelijke monumentenlijst. 2.De gemeentelijke monumentenlijst bevat de datum van aanwijzing, de gebiedsaanwijzing en plaatselijke aanduiding van het beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezicht, en een beschrijving van de daarin voorkomende culturele waarden. Artikel19.Wijzigen en intrekken van de aanwijzing 1.Het college kan de aanwijzing wijzigen of intrekken. 2.Artikel 17, tweede lid is van overeenkomstige toepassing op het wijzigings- of intrekkingsbesluit. 3.De inhoud en datum van de wijziging of intrekking worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend. Artikel20.Vaststellen beschermend bestemmingsplan 1.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. 2.Bij hun besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht bepalen burgemeester en wethouders in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend voor het aangewezen gemeentelijke stads- of dorpsgezicht kunnen worden aangemerkt. Artikel21.Vergunning tot slopen in een beschermd stads- of dorpsgezicht 1.In beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is het verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een vergunning van het college. 2.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het eerste lid, gelden niet indien het college een aanschrijving heeft gedaan omtrent het afbreken. Hoofdstuk5aInstandhouding van archeologische terreinen Artikel21aInstandhoudingbepaling 1.Het is verboden om in een beschermd monument, bedoeld in artikel 1, onder b of een archeologiegebied, bedoeld in artikel 1, onder a, de bodem onder de oppervlakte te verstoren. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien: een monumentenvergunning van de Minister van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap is verstrekt voor wat betreft een beschermd (archeologisch) monument, bedoeld in artikel 1, onder b. de verstoring plaatsvindt: 1°. in een gebied op de gemeentelijke archeologische beleidskaart in categorie 2 en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2 en de verstoringsdiepte is minder dan 35 centimeter of; 2°. in een gebied op de gemeentelijke archeologische beleidskaart in categorie 3 en het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2 en de verstoringsdiepte is minder dan 40 centimeter, of; 3°. in een gebied op de gemeentelijke archeologische beleidskaart in categorie 4 en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m2 en de verstoringsdiepte is minder dan 40 centimeter, of, 4°. in een gebied op de gemeentelijke archeologische beleidskaart in categorie 5 en het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000 m2 en de verstoringsdiepte is minder dan 40 centimeter. in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: 1°. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd; of 2°. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of 3°. in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn. Artikel21b.Opgravingen en begeleiding 1.Indien binnen het grondgebied van de gemeente Waterland onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: a. het college een programma van eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1 onder p, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek; b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder o van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen. 2.In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 3.Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg. Artikel22c.Procedure De bepalingen uit artikel 13, 14, 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing op de bepalingen uit artikel 21a, tweede lid, onderdeel e, en artikel 21b, eerste lid, onderdeel b. HOOFDSTUK6SUBSIDIEREGELING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN Paragraaf1.Subsidieplafond Artikel22.Subsidieplafond 1.De gemeenteraad stelt voor elk jaar een subsidieplafond vast, als bedoeld in titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht. 2.De gemeenteraad stelt elk jaar de bedragen vast die beschikbaar zijn voor subsidies van respectievelijk de paragrafen 3, 4 en 5 van hoofdstuk 6 van deze verordening. Paragraaf2.De subsidieverlening Artikel23.De subsidieaanvraag 1.De aanvraag wordt ingediend op een daarvoor ter beschikking gesteld formulier, met als verplichte bijlagen: een gespecificeerde begroting van de kosten; een werkomschrijving; tekeningen die de bestaande en de te realiseren toestand van het monument aangeven, gedetailleerd al naar gelang de aard van de noodzakelijke werkzaamheden; een recent inspectierapport van de bouwkundige staat, opgesteld door een door burgemeester en wethouders aanvaardbaar geachte deskundige; de naam en het adres van de voor de uitvoering verantwoordelijke persoon/bedrijf, en het bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel. 2.Aanvragen worden niet eerder in behandeling genomen dan wanneer ze volledig ingediend zijn overeenkomstig het bepaalde in lid
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.